Brief regering : Verzamelbrief Water t.b.v. het Commissiedebat Water van 25 juni 2026
27 625 Waterbeleid
Nr. 743
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juni 2026
Nederland staat de komende jaren voor complexe opgaven in het waterdomein. De maatschappelijke
en ruimtelijke druk op ons watersysteem neemt toe, terwijl klimaatverandering steeds
nadrukkelijker zichtbaar wordt. De zorg voor waterveiligheid blijft daarbij onverminderd
van groot belang. Tegelijkertijd vraagt de groeiende onderhouds- en vervangingsopgave
om forse investeringen en scherpe keuzes. U heeft op 19 juni de brief over het afweegkader
rond deze keuzes ontvangen, die ook betrekking heeft op de wateropgaven in relatie
tot de financiële ruimte op het Deltafonds.1 In die brief wordt ingegaan op de financiële keuzes die het kabinet moet maken en
de gevolgen daarvan voor onder andere het waterdomein.
Los van die afweging staan de beschikbaarheid en kwaliteit van zoetwater steeds verder
onder druk. De vraag naar drinkwater neemt toe en hierom wordt gezocht naar nieuwe
drinkwaterbronnen en naar manieren om bewuster en zuiniger om te gaan met ons drinkwatergebruik.
Daarnaast vragen stoffen als PFAS in onze grote rivieren, zoals de Rijn en de Maas,
nadrukkelijk aandacht. De kwaliteit van het oppervlaktewater staat onder druk en verontreinigingen
kunnen directe gevolgen hebben voor natuur en volksgezondheid.
Bij het kabinet en bij maatschappelijke partners is hier volop aandacht voor. Zo zal
op 23 juni Natuurmonumenten namens een brede coalitie de Kamer een petitie overhandigen.
De vaste commissie IenW heeft in de procedurevergadering van 18 juni verzocht om,
vooruitlopend op de overhandiging, een reactie op deze petitie te ontvangen2. De zorgen die in de petitie worden geuit, kwetsbare natuur, de drinkwatervoorziening,
toenemende droogte en wateroverlast en de zwemwaterveiligheid zijn bekend. In de studies
en gesprekken die de basis vormen voor de manier waarop we de komende jaren aan onze
wateropgaven gaan werken komen deze aspecten vaak naar voren. In deze brief, samen
met de voortgangsbrief KRW en het met Prinsjesdag te verschijnen Deltaprogramma schetst
het kabinet de manier waarop de komende jaren de wateropgaven worden aangepakt.
Deze complexe opgaven voor het waterbeleid komen samen in het Nationaal Waterprogramma
(NWP). Er wordt momenteel toegewerkt naar de opvolger, het NWP 2028–2033. Het NWP
2028–2033 beschrijft het huidige beleid, legt de strategische keuzes voor de komende
planperiode vast, programmeert de nationale wateropgaven en zet de koers uit voor
de langere termijn. Daarnaast wordt het beleid vertaald in het beheer van de Rijkswateren.
De Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de PlanMER van het NWP 2028–2033 en het
participatieplan hebben tot 2 maart 2026 ter inzage gelegen. Hierop zijn 26 zienswijzen
binnengekomen, welke worden betrokken bij het verdere proces van totstandkoming. Volgens
planning wordt het ontwerp-NWP begin 2027 aangeboden aan de Kamer. Dan start ook de
zienswijzeperiode van in totaal zes maanden. Eind 2027 wordt het definitieve NWP vastgesteld.
Met deze brief wordt de Kamer voor het Commissiedebat Water van 25 juni 2026 geïnformeerd
over de stand van zaken en ontwikkelingen die betrekking hebben op het waterdomein.
Ook wordt met deze brief invulling gegeven aan een aantal moties en toezeggingen.
In de brief komen de volgende onderwerpen aan bod:
1. Waterkwaliteit
2. Drinkwater
3. Water en Bodem Sturend als richtinggevend principe in de Nota Ruimte
4. Klimaatadaptatie
5. Zee
6. Overig
Over de onderwerpen Kaderrichtlijn Water, Ruimte voor de Rivier 2.0 en de normering
van de primaire waterkeringen wordt de Kamer via aparte brieven geïnformeerd.
1. Waterkwaliteit
Implementatie herziene richtlijn Stedelijk Afvalwater
De herziene Richtlijn stedelijk afvalwater is op 1 januari 2025 in werking getreden.3 De herziene richtlijn heeft als doel de opvang, behandeling en lozing van stedelijk
afvalwater te verbeteren om het milieu en de gezondheid van de mens te beschermen.
Ook is een doel de broeikasgasemissies als gevolg van de werkzaamheden bij het opvangen
en de behandeling van stedelijk afvalwater te verminderen, de energiebalans van de
werkzaamheden bij het opvangen en de behandeling van stedelijk afvalwater te verbeteren,
en bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie. De uitvoering van
de herziene richtlijn vraagt om een grote investering in capaciteit, tijd en geld
van met name gemeenten en waterschappen. Het gaat dan onder andere om de bouw van
de vierde zuiveringstrap om microverontreinigingen, zoals medicijn- en cosmeticaresten,
te verwijderen. In Nederland wordt al gewerkt aan de bouw van de vierde trap op rioolwaterzuiveringsinstallaties
(rwzi’s). Er zijn inmiddels twaalf rwzi’s voorzien van een vierde trap waarmee microverontreinigingen
kunnen worden verwijderd4. Daarnaast is voor nog twaalf rwzi’s subsidie van het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) aangevraagd voor het bouwen van een vierde trap.5 Dit bij elkaar vormt een eerste stap in het invullen van de aanzienlijke opgave vanuit
de herziene Richtlijn voor de bouw van vierde trappen op grote rwzi’s en middelgrote
rwzi’s in kwetsbare gebieden voor microverontreinigingen.
De herziene richtlijn moet op 31 juli 2027 zijn omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving.
Er wordt door het Ministerie van IenW, in samenwerking met de andere betrokken ministeries
en medeoverheden, gewerkt aan de implementatie van de herziene richtlijn in Nederlandse
wet- en regelgeving.6 De eerste prioritering ligt op het wetgevingstraject, omdat dit traject de langste
doorlooptijd heeft. Daarvoor wordt een wijziging voorbereid van de Omgevingswet, de
Wet milieubeheer en enkele andere wetten. Dit gaat met name om een uitbreiding van
de delegatiegrondslagen van de betreffende wetten om de inhoudelijke uitwerking verder
in lagere regelgeving te kunnen doen. Daarnaast worden enkele andere inhoudelijke
punten met betrekking tot de opvang van stedelijk afvalwater op wetsniveau geregeld.
Tegen de zomer zal de internetconsultatie van de wetswijziging worden opengesteld.
Deze zal gedurende zes weken worden opengesteld, zodat burger, bedrijven, medeoverheden
en andere geïnteresseerden tijd hebben om inspraak te hebben op het wetsvoorstel.
Na afronding van de internetconsultatie zal het kabinet een besluit nemen over de
indiening van dit voorstel bij het parlement.
Toekomstscenario’s PFAS in de Rijn en Maas
PFAS zijn stoffen die als ze in het milieu komen niet afbreken en bij langdurige blootstelling
schadelijk kunnen zijn voor mensen en ecosystemen. Het kabinet zet daarom in op een
vergaande vermindering van de PFAS-belasting via vier sporen: een zo breed mogelijk
Europees PFAS-verbod, het stimuleren van alternatieven, het minimaliseren van emissies,
en het zo veel mogelijk voorkomen van blootstelling. Het meerjarig PFAS-onderzoeksprogramma
van het RIVM vormt een belangrijk fundament van dit laatste spoor. De Kamer is hier
op meerdere momenten over geïnformeerd.7
In het kader van dit onderzoeksprogramma heeft het RIVM met een rekenmodel de toekomstige
PFAS-belasting geschat van de Rijn en Maas. Dit met het oog op de benodigde toekomstige
zuiveringsinspanning van drinkwaterbedrijven die water uit deze rivieren winnen. De
resultaten laten zien dat bij een volledige PFAS-restrictie, zonder uitzonderingen,
het tot dertig jaar kan duren voordat de concentraties van de tien meest voorkomende
PFAS in de Rijn en de Maas voldoende zijn gedaald om extra zuiveringsmaatregelen overbodig
te maken. Dit rapport zit als bijlage bij deze brief. Bij invoering van uitzonderingen
op de PFAS-restrictie loopt deze periode op tot veertig jaar.
De conclusies van het RIVM in deze verkennende analyse sluiten aan bij de eerder met
de Kamer gedeelde bevindingen over de zuiveringsinspanningen die van drinkwaterbedrijven
worden verwacht om de hoeveelheid PFAS in drinkwater te verminderen.8 De resultaten benadrukken ook de noodzaak van de Nederlandse inzet op bronaanpak
via een Europese PFAS-restrictie, zoals benoemd in het regeerakkoord. De resultaten
onderstrepen daarnaast het belang van een blijvende grote inzet op bilaterale afstemming
en inzet in de Internationale Maascommissie en de Internationale Commissie ter Bescherming
van de Rijn om PFAS-emissies terug te dringen. De herziene richtlijn Prioritaire Stoffen
die recent van kracht is geworden is daar ondersteunend bij.9
Beleidsevaluatie Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW)
De Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) heeft de ambitie om tot 2050 diverse
maatregelen te treffen die gericht zijn op het verbeteren van de ecologische kwaliteit
van de grote wateren, het bevorderen van een stabiel en samenhangend ecologisch netwerk
en het creëren van ruimte voor sociaaleconomische ontwikkeling. De PAGW is van start
gegaan in 2018 en inmiddels zijn er drie tranches van maatregelen in uitvoering. Het
programma wordt beleidsmatig getrokken door IenW en LVVN, en uitgevoerd door Rijkswaterstaat,
Staatsbosbeheer en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en regionale partners.
De eerste beleidsevaluatie van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) is bijgevoegd
bij deze brief als bijlage. Deze evaluatie laat het belang en de urgentie van het
programma zien voor het toekomstbestendig maken van de grote wateren. De evaluatie
bevat vijf aanbevelingen gericht op het aanscherpen van doelstellingen, het versterken
van de sturing en monitoring en het verbeteren van de samenhang tussen ambitie, middelen
en uitvoering. Inmiddels heeft de PAGW-coördinatie al een slag gemaakt in de beheersing
van de programmatische aanpak. Er is een aantal stappen al in gang gezet, zoals een
meer realistische programmering.
De uitkomsten van de beleidsevaluatie worden betrokken bij de uitwerking van de vervolgstrategie
van de PAGW voor de periode 2034–2039, met nadruk op effectiviteit (doelbereik en
ambitieniveau) en uitvoerbaarheid. Begin 2027 wordt de Kamer hierover geïnformeerd,
inclusief uitwerking van de vervolgstappen.
Getij Grevelingen
Door de aanleg van de Brouwersdam, als onderdeel van de Deltawerken na de ramp van
1953, verdween het getij op de Grevelingen en daarmee verviel de tweemaal daagse dynamiek
van eb en vloed en verversing van de Grevelingen met zuurstofrijk Noordzeewater. In
samenhang met onder meer hogere watertemperaturen door de klimaatverandering kampt
het meer met gestaag toenemende problemen door zuurstofloosheid. De gevolgen manifesteren
zich vooral in de zomer en uiten zich in een verslechtering van niet alleen de ecologische
kwaliteit, maar raken indirect ook de regionale economie (schelpdiersector, recreatie
en toerisme) en het woon- en leefmilieu.
Uit afsluitend onderzoek van de Taskforce Getij Grevelingen bleek in 2023 dat het
terugbrengen van een mate van getijslag (door de aanleg van een nieuw doorlaatmiddel
in de Brouwersdam), de enige mogelijkheid is om de ecologische achteruitgang onder
en boven water in de Grevelingen aan te pakken. In 2024 is het project gepauzeerd
vanwege het ontbreken van voldoende budget voor het vervolg. In 2025 is door Rijkswaterstaat
een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de kosten en effecten op de waterkwaliteit,
natuur en economie van eenzelfde getijvariant met 40 cm getij, maar waarbij is uitgegaan
van een hoger maximumpeil in de Grevelingen dan tijdens het onderzoek van de Taskforce
was voorzien. De Kamer treft dit aanvullende onderzoek aan als bijlage bij deze brief.10 Hierdoor kan het doorlaatmiddel fors kleiner worden aangelegd dan eerder berekend.
Het onderzoek is inmiddels afgerond en laat zien dat uitgaan van een hoger maximumpeil
zorgt voor een hoger doelbereik voor waterkwaliteit en natuur ten opzichte van eerder
beschouwde varianten en een ingeschatte verlaging van de totaalkosten. De kosten voor
realisatie zijn indicatief € 550 miljoen (prijspeil 2025), inclusief de daarbij benodigde
natuur- en infrastructuurmaatregelen gebaseerd op de huidige N2000-doelen en exclusief
beheer en onderhoud. De mogelijkheid voor bekostiging van Getij Grevelingen wordt
meegenomen in de prioriteringsopgave, in het bijzonder in relatie met de natuurherstelverordening.
2. Drinkwater
Voortgang Actieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen
Om ervoor te zorgen dat de drinkwaterbedrijven in 2030 aan de voorziene drinkwatervraag
kunnen voldoen, is op 13 januari 2025 het Actieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen
2023–2030 gelanceerd.11 Het Actieprogramma is een gezamenlijk programma van de drinkwaterbedrijven, provincies
en IenW en heeft als doel om in 2030 ruim 100 miljoen m3 per jaar aanvullende productiecapaciteit voor drinkwater te hebben, in lijn met de
eerdere aanbeveling van het RIVM.12 In het Bestuurlijk Overleg (BO) Water van 9 april jl. is de voortgang van het Actieprogramma
besproken.
De belangrijkste conclusie is dat met de uitvoering door de drinkwaterbedrijven en
de provincies van de ruim 50 regionale actieplannen er in 2025 meer dan 18 miljoen
m3 per jaar aan aanvullende productiecapaciteit is gerealiseerd. De drinkwaterbedrijven
en provincies verwachten dat de meeste aanvullende productiecapaciteit in de periode
2028–2030 opgeleverd zal gaan worden. Het programma heeft regionaal geleid tot een
nauwere samenwerking tussen drinkwaterbedrijven en provincies bij het uitvoeren van
projecten.
Tijdens het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 is de toezegging gedaan aan
het lid Boelsma-Hoekstra om de Kamer nader te informeren over de mogelijkheden die
er zijn voor het inperken van bezwaarprocedures bij drinkwaterwinning.13
Bij de uitvoering van het Actieprogramma is op dit moment sprake van één project waarbij
bezwaar is gemaakt tegen de bouwvergunning voor een uitbreidingsproject. Er is dan
ook geen aanleiding voor specifieke procedures voor drinkwaterwinning, aanvullend
op de reguliere procedures en versnellingsmogelijkheden die de Omgevingswet nu al
geeft. Zo doen de drinkwaterbedrijven, provincies en gemeenten nu op meerdere plekken
ervaring op met het nemen van een projectbesluit voor de realisatie van grote projecten.
Het projectbesluit biedt de mogelijkheid tot versnelling van de uitvoering van projecten.
De contouren voor de drinkwatervraag voor de periode tussen 2030 en 2050 beginnen
zich af te tekenen.14 Binnen de diverse scenario’s moet rekening gehouden worden met een verdere groei,
onder andere als gevolg van nieuwe woningbouw vanuit de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Daarom werken we ook aan een perspectief en strategie voor de beschikbaarheid van
voldoende drinkwater voor de langere termijn na 2030. De hoofdlijnen daarvan worden
opgenomen in het Nationaal Waterprogramma 2028–2033.
Herijking Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing
Naast het vergroten van het aanbod van drinkwater werken we met de uitvoering van
het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing ook aan het terugdringen van de
vraag naar drinkwater.15 Vanaf 12 juni kunt u de eerste beelden van de nationale publiekscampagne zien.16
Met twee jaar uitvoering achter de rug is de afgelopen maanden samen met de stakeholders
gewerkt aan de herijking van het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing.17 Op basis van de resultaten van de eerste planperiode en de monitoring van het drinkwatergebruik
is het maatregelpakket aangescherpt en aangevuld voor de beleidsinstrumenten communiceren,
stimuleren en reguleren. Met de Algemene Rekenkamer is gekeken hoe het bepalen van
de effectiviteit van het beleid en de monitoring daarvan beter kan worden vormgegeven.
Om effectieve maatregelen te kunnen inzetten voor drinkwaterbesparing, is inzicht
nodig in hoe het drinkwatergebruik zich verdeelt over verschillende economische sectoren,
huishoudens en de personen binnen die huishoudens. IenW heeft het Centraal Bureau
voor de Statistiek (CBS) verzocht te onderzoeken hoeveel drinkwater wordt gebruikt
binnen de Nederlandse samenleving en door wie. In dit rapport wordt het watergebruik
door huishoudens, de personen in die huishoudens en door bedrijven beschreven.18 In 2022 gebruikten huishoudens gemiddeld 263 liter drinkwater per huishouden per
dag, wat neerkomt op 125 liter drinkwater per persoon per dag. Het totale drinkwatergebruik
van alle huishoudens in 2022 was 782 miljoen m3. Economische sectoren, waaronder landbouw, industrie en dienstverlening, gebruikten
in datzelfde jaar gezamenlijk 344 miljoen m3 drinkwater. Deze informatie wordt gebruikt om het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing
bij te sturen.
De uitkomsten van dit traject worden momenteel verwerkt in een addendum op het Nationaal
Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Dit herijkte plan wordt begin juli aangeboden
voor bestuurlijke besluitvorming en zal na vaststelling met de Kamer worden gedeeld.
Op dat moment wordt de Kamer ook inhoudelijk nader geïnformeerd over de motie van
het lid Kostić die de regering verzoekt om uiterlijk in de zomer met een voorstel
te komen waarmee aantoonbaar voldoende waterbesparing wordt gerealiseerd om de waterbeschikbaarheid
in Nederland op peil te houden.19
Rapport Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur over de toekomst van de drinkwatervoorziening
Op 30 april 2026 heeft de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) een advies
aangeboden over de toekomst van ons drinkwater als gezamenlijke opgave.20 De RLI concludeert dat de drinkwatervoorziening op de langere termijn onder toenemende
druk komt te staan. Om ook op de lange termijn verzekerd te zijn van voldoende, schoon
en betaalbaar drinkwater adviseert de RLI om nu in te grijpen in het zoetwatersysteem,
extra ruimte te vinden voor de drinkwatervoorziening en moeten overheden veel daadkrachtiger
invulling geven aan hun verantwoordelijkheid voor het drinkwater. In het najaar ontvangt
de Kamer een uitgebreidere beleidsreactie op het advies van de RLI.
3. Water en Bodem Sturend als richtinggevend principe in de Nota Ruimte
Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening, die
goed verbonden zijn met het water- en bodemsysteem, van groot belang. De functies
moeten aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het water- en bodemsysteem. Dat
doen we bijvoorbeeld bij locatiekeuze en inrichting bij het bouwen van woonwijken
en bedrijventerreinen, om te voorkomen dat nieuwe bebouwing op termijn gaat verzakken
of een groot risico kent op wateroverlast en -schade. Het ruimtelijk afwegingskader
klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de maatlat klimaatadaptieve gebouwde omgeving
helpen daarbij als ondersteunende instrumenten. Deze inzet kan rekenen op de steun
van veel partijen zoals verzekeraars, financiële instellingen, projectontwikkelaars
en decentrale overheden, en is ook in lijn met adviezen van onder meer de Raad voor
leefomgeving en infrastructuur (Rli) en de Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR).
Door water en bodem sturend als richtinggevend principe te hanteren in de Nota Ruimte
maken we verstandige keuzes in de ruimtelijke ordening en inrichting, en voorkomen
we dat volgende generaties worden opgezadeld met hoge kosten en schade. De Kamer ontving
hier recent ook een brief over van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening.21
Traditioneel zijn we er goed in om water zo snel mogelijk af te voeren naar de zee.
Door het veranderende klimaat zullen we water veel meer moeten vasthouden (waterbeschikbaarheid
en wateroverlast) en onze bodem weer gezond maken. Maatregelen om water af te voeren
en vast te houden en de bodem te verbeteren moeten elkaar versterken en bijdragen
aan een ecologisch robuuste inrichting die toekomstbestendig is en gebruik op lange
termijn mogelijk maakt. Ook geldt dat we niet meer enkel naar het watersysteem kijken
voor oplossingen, maar dat we in de gehele ordening ruimte maken voor duurzame oplossingen.
De combinatie van deze maatregelen is een van de grote uitdagingen voor de komende
jaren. Belangrijke richtingen en uitgangspunten voor de toekomst om water en bodem
sturend als richtinggevend principe te hanteren zijn:
– Watersysteem robuuster en toekomstbestendig maken door meer aan te sluiten bij natuurlijke
systeemwerking en optimalisatie huidige systeem. Bijvoorbeeld door voldoende ruimte
te reserveren voor de rivieren om de afvoer- en bergingscapaciteit te kunnen vergroten,
en een goede balans te vinden tussen het hoofdwatersysteem en de regionale watersystemen;
– Ruimtelijke functies in een duurzame relatie met de huidige en toekomstige condities
van het water- en bodemsysteem. In de Ontwerp-Nota Ruimte staat bijvoorbeeld dat nieuwe
grote watervragers niet worden gepland op locaties waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid
niet kan worden gegarandeerd;
– Zo veel mogelijk voorkomen van afwentelen op toekomstige generaties, niet van privaat
naar publiek en niet van regionaal naar nationaal;
– Meer rekening houden met extremen. Bijvoorbeeld ruimte houden voor het opvangen en
bergen van een teveel aan water in het IJsselmeer en Markermeer;
– In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodem;
– Meerlaagse veiligheid: integrale aanpak van waterveiligheid met oog voor preventie
en ruimtelijke inrichting;
– Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen;
– Integrale en meer gebiedsgerichte aanpak in de leefomgeving. We zetten gebiedskenmerken
centraal en bevorderen kansen voor meervoudig ruimtegebruik, zoals het verbinden van
natuurontwikkelingen aan maatregelen binnen het water- en bodemsysteem met bijvoorbeeld
groenblauwe dooradering.
– Water en bodem sturend als richtinggevend principe is een belangrijk afwegingskader,
maar vormt geen zelfstandig uitsluitingscriterium voor ruimtelijke ontwikkelingen.
In alle gevallen blijft een integrale bestuurlijke belangenafweging leidend.
In de Ontwerp-Nota Ruimte zijn al veel ruimtelijke keuzes gemaakt die invulling geven
aan deze richtingen. Voorbeelden hiervan zijn het niet bouwen in de uiterwaarden,
het benoemen van het IJsselmeergebied en het Volkerak-Zoommeer als nationale waterbergingsgebieden,
het regionaal meer ruimte maken voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk
water, en bij het plannen en het inrichten van de fysieke leefomgeving systematisch
rekening houden met het veranderende klimaat. Water en bodem sturend is niet alleen
een richtinggevend principe voor de Rijksoverheid. Veel provincies en gemeenten hebben
het tot uitgangspunt gemaakt voor de ruimtelijke plannen, waar zij aan werken. Daar
zijn goede voorbeelden van te vinden in de ruimtelijke voorstellen, zoals in het NOVEX-gebied
Regio Zwolle waar het zoeken naar nieuwe woningbouwlocaties hand in hand gaat met
het versterken van de sponswerking van de bodem. Een ander goed voorbeeld zijn de
woningbouwplannen voor de Gnephoek bij Alphen aan den Rijn waar 5.500 woningen komen,
ingetekend op basis van de kenmerken van het lokale water- en bodemsysteem. Vergelijkbare
voorbeelden zijn nieuwe plannen als de binnendijkse ontwikkeling van Almere Pampus
en Oss Amstelwijk maar ook herinrichting van bestaande wijken zoals De Pas in Winterswijk.
Water en bodem sturend als richtinggevend principe genereert verstandige ruimtelijke
afwegingen en houdbare keuzes voor de toekomst. Het richtinggevende principe water
en bodem sturend betekent ook een vroegtijdige betrokkenheid van waterbeheerders bij
diverse ruimtelijke keuzes zodat het waterbelang van meet af aan adequaat wordt meegewogen.
Door zo met elkaar op te trekken als overheden wordt voorkomen dat we verkeerde keuzes
maken en in latere instantie plannen moeten worden bijgesteld of hoge kosten aan de
orde zijn. Daarbij is een langetermijnperspectief essentieel. Veel ruimtelijke keuzes
gaan decennia of langer mee, en laten zich nadien lastig corrigeren.
4. Klimaatadaptatie
Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS)
Op 29 mei heeft het kabinet de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026 (Ontwerp-NAS'26)
vastgesteld en is deze aan de Kamer aangeboden. Voor meer informatie wordt verwezen
naar die Kamerbrief en de bijbehorende stukken.22
Nationale Aanpak Wateroverlast
Door klimaatverandering neemt de kans op extreme neerslag toe. Op de kortere termijn
gaat dit bijvoorbeeld om het ’s zomers vaker optreden van hoosbuien, en in de winter
om toename van periodes met langdurige regenval. In de Wateroverlastbrief van oktober
jl. is aangekondigd dat we werken aan een Nationale Aanpak Wateroverlast (NAW) om
de weerbaarheid en veerkracht van Nederland bij wateroverlast door extreme regen te
vergroten. Deze NAW zal voor het einde van het jaar worden verstuurd aan de Kamer.
In deze NAW worden ook de nog niet afgeronde acties uit de Beleidstafel wateroverlast
en hoogwater verwerkt. In het BO Water van 9 april jl. is besloten om de Beleidstafel
af te ronden met het opleveren van de vijfde voortgangsrapportage. Als bijlage bij
deze brief treft u deze voortgangsrapportage aan.23 Van de 80 acties zijn er 50 afgerond (inclusief 19 acties uit het eerste advies van
de Beleidstafel), 19 opgenomen in andere programma’s, en worden dus 11 nog niet afgeronde
acties verwerkt in de NAW.
In de NAW zal onder andere worden ingegaan op de normen voor wateroverlast. De provincie
stelt de regionale wateroverlast normen vast. Deze zijn gericht op het waarborgen
van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast. De gemiddelde overstromingskans
kan verschillen van bijvoorbeeld 1 keer per 100 jaar voor bebouwd gebied, tot 1 keer
per 10 jaar voor grasland. De huidige regionale normering wateroverlast stamt uit
2006 en heeft geleid tot investeringen in het regionaal watersysteem en betere preventie
tegen wateroverlast. De normering kent echter ook een aantal beperkingen. De kosten
van technische maatregelen om wateroverlast te voorkomen wegen niet altijd op tegen
de vermeden schade. Ook zijn de grenzen van de mogelijkheden voor het aanpassen van
water- en bodemsysteem in veel gebieden bereikt. Verdere maatregelen om aan de wateroverlast
norm te voldoen kan bijvoorbeeld negatieve effecten hebben op de aanpak van droogte
of het remmen van bodemdaling. Vandaar dat het Interprovinciaal Overleg (IPO), de
Unie van Waterschappen (UvW) en IenW de regionale normering wateroverlast willen omvormen
naar een meer risicogerichte en gebiedsspecifieke normering.
In de eerste stap wordt toegewerkt naar een toekomstbestendige normenkaart voor wateroverlast
met zichtjaar 2040. Bij de uitwerking wordt de normering wateroverlast voor specifieke
gebieden heroverwogen. Daarbij wordt in bepaalde gebieden de expliciete koppeling
tussen type landgebruik en normering losgelaten. Het gaat dan met name om de ongebouwde
delen van het veenweidegebied, van beekdalen en van overgangsgebieden rond grondwaterafhankelijke
Natura 2000-gebieden. Ook maken we (als uitwerking van de Woontopafspraken) een nationale
norm voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied om te kunnen omgaan
met korte hevige buien die vaker zullen voorkomen en met langduriger aanhoudende buien
(herhalingstijd van eens in de 100 jaar). Deze norm is gericht op het voorkomen van
wateroverlast die lokaal in een gebied optreedt, op het niveau van een straat of wijk.
We onderzoeken een bui van 1 uur met 70 mm neerslag en een bui van 24 uur met 120
mm neerslag, waarbij differentie tussen binnen en buitenstedelijke ontwikkelingen
wordt bekeken. De uitwerking en vaststelling van de inhoud volgt een zorgvuldig proces.
Waterrobuust herstel
Als uitwerking van één van de aanbevelingen van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater,
heeft IenW onderzocht waarom verzekerde schade tot dusver niet of nauwelijks waterrobuust
hersteld wordt.24 Waterrobuust is het herstellen van schade zodat de kans op toekomstige schade wordt
verkleind. Voorbeelden hiervan zijn: verplaatsen van installaties zoals een CV-ketel
van de kelder naar de zolder, het ophogen van stopcontacten of het vervangen van houten
vloeren door tegelvloeren. Het onderzoek heeft drie veronderstelde obstakels van waterrobuust
herstel geïdentificeerd en onderzocht; indemniteitsbeginsel, ontbreken van een business
case en mededinging:
1. Het indemniteitsbeginsel stelt dat een verzekerde geen vergoeding mag ontvangen waardoor
die in een duidelijk voordeliger positie komt. Op basis van een juridische analyse
concludeert het onderzoek dat het indemniteitsbeginsel onder bepaalde voorwaarden
wel degelijk ruimte laat voor waterrobuust herstel door verzekeraars.
2. Er heerst voor individuele verzekeraars onzekerheid over de business case van waterrobuust
herstel. De eerste resultaten laten nog geen positieve business case zien voor de
individuele verzekeraar. De verzekeringssector voert momenteel zelf een onderzoek
uit om dit verder te onderzoeken.
3. Het mededingingsrecht bepaalt dat verzekeraars geen onderlinge afspraken mogen maken
over zaken die «concurrentieel» zijn, zoals polisvoorwaarden en andere zaken die potentieel
impact kunnen hebben op de premiestelling van schadeverzekeringen. Verzekeraars zagen
daarom geen ruimte tot (sectorbrede) opschaling van waterrobuust herstel via afspraken,
wat tot een positievere business case leidt. Dit onderzoek laat zien dat deze samenwerkingsbeperking
niet zo absoluut is als verondersteld werd. Uit gesprekken blijkt dat de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) welwillend staat tegenover afspraken die goed zijn vanuit
een duurzaamheidsoogpunt. Een officiële mededingingstoets is nog niet uitgevoerd door
de ACM.
De resultaten van dit onderzoek leiden ertoe dat er op twee punten verder ontwikkeling
zal plaatsvinden. Het Verbond van Verzekeraars zal een onderzoek uitvoeren naar de
business case voor waterrobuust herstel met als mogelijk resultaat dat verzekeraars
individueel een verzekeringsproduct kunnen ontwikkelen. Mocht dit leiden tot een negatieve
business case, dan is het nodig om een mededingingstoets door de ACM te laten uitvoeren.
Leven met Water
Het tegengaan van wateroverlast door extreme regen en de gevolgen daarvan, vraagt
niet alleen om actie van de verschillende overheden, maar ook van burgers, bedrijven
en maatschappelijke organisaties. In juni 2025 is het programma Leven met Water gestart,
dat als doel heeft het stimuleren van waterbewust gedrag onder Nederlanders. Leven
met Water richt zich op vier wateropgaven: voorkomen van watertekort, verminderen
van wateroverlast, voorbereiden op wateroverlast en verbeteren van waterkwaliteit.
Als onderdeel van de opgave «voorbereiden op wateroverlast» wordt gewerkt aan de landelijke
aanpak waterweerbaarheid bij wateroverlast, zoals aangekondigd in de Wateroverlastbrief
van 30 oktober 2025.25 Deze landelijke aanpak richt zich op het faciliteren van gemeenten in het uitvoeren
van gedragsinterventies. Op basis van gedragsonderzoek worden er doelgedragingen geselecteerd
en interventies ontwikkeld, die onderdeel uitmaken van de aanpak, waarvoor recent
een onderzoek is afgerond.26 Eén van de ambities is om te komen tot een website of ander instrument waarop alle
inwoners en bedrijven in Nederland, op basis van postcode en huisnummer, kunnen zien
hoe groot de kans is op wateroverlast als gevolg van extreme regenval. Vervolgens
kunnen handelingsperspectieven in de vorm van maatregelen worden gepresenteerd die
genomen kunnen worden vóór, tijdens en na wateroverlast. Hiermee wordt invulling gegeven
aan de motie van het lid Bromet die is aangenomen naar aanleiding van het wetgevingsoverleg
van 2 februari 2026, waarin de regering wordt verzocht om burgers individueel, per
adres of postcode praktisch en duidelijk te instrueren over wat hun risico’s zijn
en wat ze moeten doen bij een ramp, zoals een overstroming.27 De volledige reactie op de motie ontvangt u in het derde kwartaal van 2026.
Toepassen Landelijke maatlat in bestaand bebouwd gebied
De Landelijke Maatlat voor een Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving (de Maatlat)
is een belangrijk instrument voor het realiseren van een duurzame toekomst in Nederland.
De Maatlat, ontwikkeld door de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK), Infrastructuur en Waterstaat (IenW), en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN), biedt een uniform referentiekader voor klimaatadaptief bouwen en
inrichten. De noodzaak om bestaand bebouwd gebied klimaatbestendig te maken is groot
en complex. Het grootste deel van het bebouwd gebied is bijna een kwart van het Nederlandse
landoppervlak. Daarnaast begint een buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkeling met
een nieuw ontwerp waarin alle functies en structuren nog aangelegd moeten worden,
terwijl deze bij de bestaande bebouwd omgeving al aanwezig zijn.
In het onderzoek Toepassen van de Maatlat is daarom bekeken in hoeverre de Maatlat,
opgesteld voor nieuwbouw, ook een leidraad kan zijn voor de herontwikkeling, beheer
of onderhoud om het bestaande bebouwde gebied klimaatadaptief te maken.28 Uit het onderzoek blijkt dat de Maatlat toepasbaar is voor het analyseren van de
huidige situatie en ook bruikbaar is om de opgave te definiëren. Gebiedsspecifieke
kenmerken bepalen daarbij of alle normen en richtlijnen haalbaar zijn. Decentrale
overheden kunnen de Maatlat zelf als referentiekader benutten. Het kan bijvoorbeeld
worden meegenomen in het proces van stresstesten en risicodialogen van het Deltaplan
Ruimtelijke adaptatie. Het Rijk neemt de relevante onderdelen uit de Maatlat ook op
in de herijking van de Handreiking Groen in en om de Stad (GIOS). Deze is ook toepasbaar
voor de bestaande gebouwde omgeving. Daarnaast werkt het Rijk aan de verdere uitwerking
van een maatlat voor de bestaande gebouwde omgeving, hierbij wordt dit onderzoek meegenomen.
De Kamer wordt vóór de zomer van 2027 geïnformeerd over de voortgang.
5. Zee
Zienswijze Monitoringprogramma Mariene Strategie
De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) verplicht lidstaten om hun zeeën
schoner en gezonder te maken. Nederland heeft daarom voor het Nederlandse deel van
de Noordzee een Mariene Strategie opgesteld. De Mariene Strategie bestaat uit 3 delen,
die elke 6 jaar worden geactualiseerd. Deel II is het KRM-monitoringprogramma waarin
de monitoring is toegelicht die Nederland uitvoert om de milieutoestand te beoordelen
en volgen. Het Ontwerp Monitoringprogramma 2026 van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie
(KRM) is recent door het kabinet vastgesteld en ligt van 10 juni tot en met 21 juli
ter inzage voor eenieder via een openbare zienswijzeprocedure.29
Voortgang Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI)
Binnen het «Greater North Sea Basin Initiative» (GNSBI) werken Noordzeelanden verder
aan een betere samenwerking op het gebied van maritieme ruimtelijke planning, energie,
visserij n natuur. Nederland en Frankrijk zijn op dit moment nog steeds voorzitter.
Zo faciliteert op dit moment GNSBI een vroegtijdige sector- en grensoverschrijdende
dialoog over maritieme ruimtelijke planning (MRP) en het versterken van de regionale
samenwerking op het gebied van Cumulatieve Impact Assessments (CIA). Daarnaast werkt
GNSBI momenteel aan de ontwikkeling van een digitaal platform voor het delen van kennis
en informatie ter ondersteuning van deze vroegtijdige dialoog, zoals kaartontwikkeling
en onderzoek naar natuur, visserij en medegebruik. GNSBI zet in op communicatie en
betrokkenheid van stakeholders, zoals met de eerste stakeholderbijeenkomst in Brussel
op 4 juni 2026.30
Vervuiling van de Nederlandse Caribische Zee
Ter uitvoering van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030
(NMBP) en in het kader van de beheertaak van het Rijk voor de Caribische Zee onder
de wet maritiem beheer BES, is een monitoringsprogramma voor de zeewaterkwaliteit
in Caribisch Nederland opgezet. Het doel van het monitoringsprogramma is om de soort,
mate en herkomst van vervuiling van de Caribische Zee in beeld te krijgen, en op basis
hiervan doeltreffende maatregelen te nemen. Op 3 juni 2026 is de eerste rapportage
van deze monitoring verschenen.31 In de procedurevergadering van 18 juni jl. is door de vaste commissie IenW gevraagd
om een reactie hierop te ontvangen.32
In antwoord daarop kan ik aangeven dat de precieze uitkomsten verschillen per eiland
maar over het algemeen is er bij elk eiland sprake van te veel stikstof in de zee,
wat slecht is voor koraalriffen. Daarnaast zijn er bij elk van de eilanden verschillende
soorten chemische vervuiling gevonden. De slechte zeewaterkwaliteit kan in verband
gebracht worden met activiteiten op land, zoals afval- en afvalwaterverwerking, olieterminals,
loslopend vee en havenactiviteiten. In Caribisch Nederland bestaan geen wettelijke
waterkwaliteitsnormen voor het mariene milieu, omdat de Europese Kaderrichtlijn Marien
hier niet geldt. De resultaten uit het onderzoek kunnen helpen om eventueel dergelijke
normen voor de Caribische Zee op te stellen, zoals ook is voorgenomen in het NMBP.
Verder kunnen met deze resultaten andere effectieve maatregelen geprioriteerd worden
in fase 2 van het NMBP, zoals verzocht in de motie van de leden Boomsma en Grinwis,
en in het vormgeven van maatregelen ter verbetering van de situatie rondom de afvalstort
op Bonaire, die nabij de kust ligt.33, 34 De Kamer wordt later dit jaar geïnformeerd over fase 2 van het NMBP.
Het Oceaanverdrag
Het lid Kostić diende op 21 januari jl. twee moties in over de «Biodiversity Beyond
National Jurisdiction (BBNJ)»-overeenkomst, ook wel het Oceaanverdrag genoemd, welke
zijn aangenomen.35, 36 De Ministeries van IenW, LVVN en Buitenlandse Zaken werken sinds begin 2024 aan de
goedkeuring en implementatie van de BBNJ-overeenkomst voor Nederland. Dit wordt, in
overeenstemming met de eerste motie, zo snel mogelijk gedaan. Vanwege uiteenlopende
onderwerpen in de overeenkomst en de verschillende uitvoeringsorganisaties die betrokken
moeten worden is dit een complex proces. Daarnaast gaat deze overeenkomst over gebieden
voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht. Voor die delen van de oceaan is nog
geen regelgeving in Nederland waarbij aangesloten kan worden. Een geheel nieuwe wet
moet worden ontwikkeld voor Nederland, inclusief Caribisch Nederland, en dat kost
tijd.
De verantwoordelijke ministeries zijn momenteel de uitvoeringswetgeving aan het afronden
voor de internetconsultatie. Deze wordt binnenkort opgestart, met als streven rond
de zomer dit jaar. Daarna moet het reguliere wetgevingsproces doorlopen worden. Dit
proces is nader toegelicht in de Kamerbrief van 16 juli 2025.37 Dit wetgevingsproces kan anderhalf tot twee jaar duren. Tegelijkertijd wordt gekeken
naar mogelijkheden om het reguliere wetgevingsproces te versnellen, zodat Nederland
als verdragspartij bij de BBNJ-overeenkomst kan deelnemen aan de eerste Vergadering
van de Verdragspartijen (BBNJ Conference of the Parties (COP)). Deze zal plaatsvinden
van 11 t/m 22 januari 2027.
Ongeacht of dit lukt zal Nederland zich ervoor inzetten om bij de eerste BBNJ COP
concrete en ambitieuze beschermingsmaatregelen voor het mariene milieu en de mariene
biodiversiteit te realiseren, in overeenstemming met de tweede motie. De Kamer zal
in aanloop naar de COP over deze inzet geïnformeerd worden. Intussen neemt Nederland
deel aan bijeenkomsten waar dergelijke beschermings-maatregelen worden besproken,
zoals van het «BBNJ First Movers Initiative».38 Deze groep landen werkt aan het ontwikkelen van de eerste BBNJ-beschermde mariene
gebieden.
World Ocean Assessment
Op 8 juni 2026 is het derde «World Ocean Assessment» gepubliceerd.39 In dit VN-rapport wordt de staat en het gebruik van de zeeën en oceanen wereldwijd
geëvalueerd. Dit rapport benadrukt het belang van de oceaan en zee voor Nederland
en de wereld. Het rapport schetst de samenhang tussen verschillende onderdelen van
zee- en oceaanbeleid. Ook biedt het rapport handelingsperspectieven om zee- en oceaanbeleid
te versterken of te actualiseren. Zo waarschuwt het rapport onder andere voor toenemende
plasticvervuiling en nieuwe soorten vervuiling, zoals PFAS en medicijnresten. Nederland
zet zich in regionaal en mondiaal verband ervoor in om deze soorten grensoverschrijdende
vervuiling tegen te gaan via o.a. het OSPAR «Regional Action Plan Marine Litter» 2022–2030.40 Ook blijft Nederland zich inzetten voor een ambitieus internationaal plasticverdrag.
Komende tijd worden de bevindingen van het rapport in meer detail bestudeerd en als
bron ingebracht bij de verschillende onderdelen van het Nederlandse zee- en oceaanbeleid.
6. Overig
Algemene maatregel van bestuur gebiedskenmerken
Per 1 januari 2026 is een wijziging van de Waterschapswet en enkele andere wetten
in werking getreden.41 Voorafgaand aan de inwerkingtreding hiervan hebben de waterschappen in 2025 hun kostentoedelingsverordeningen
van de watersysteemheffing voor 2026 vastgesteld. Waterschappen beschikken over bestuurlijke
ruimte om de kosten aan de categorieën ingezetenen, gebouwd, ongebouwd en natuur toe
te delen. Als zij die ruimte willen toepassen moeten zij aan de hand van gebiedskenmerken
motiveren hoe zij deze ruimte invullen.
Bij de behandeling van deze wet is een motie van het lid Heutink aangenomen die verzoekt
om deze gebiedskenmerken en de elementen daarvan zo snel mogelijk vast te leggen in
een algemene maatregel van bestuur (AMvB) om de rechtszekerheid te vergroten.42
Uit de huidige uitvoeringspraktijk komt naar voren dat de waterschappen voldoende
ruimte hebben binnen de huidige bestuurlijke bandbreedte. In een AMvB zou deze bandbreedte
verder worden opgerekt. Om een volledig en representatief beeld te krijgen van de
noodzaak hiervoor, is een tweede monitoringsronde van belang. Nut en noodzaak, evenals
de voor- en tegenargumenten van een AMvB, kunnen dan nader worden gewogen. Daarom
zullen ook de volgende kostentoedelingsverordeningen nauwlettend worden gevolgd. Naar
verwachting wordt een aantal van deze nieuwe verordeningen vastgesteld na de waterschapsverkiezingen
van 2027, wanneer de nieuwe algemeen besturen van de waterschappen zijn aangetreden.
Daarna kan dan een besluit genomen worden ten aanzien van de noodzaak van een AMvB.
Jaarlijkse update belastingopbrengst per waterschap
De motie van het lid Grinwis c.s. verzocht de regering onder andere de Kamer jaarlijks
te informeren over de belastingopbrengst per waterschap, de verdeling tussen de categorieën
en de relatieve en absolute stijging en daling van de lasten per categorie.43 Hierin wordt voorzien met het jaarlijkse overzicht van de Unie van Waterschappen
over de waterschapsbelastingen. Dit overzicht is als bijlage bij deze brief gevoegd.44 Conform de motie van het lid Grinwis c.s. zal dit overzicht ook in volgende jaren
aan de Kamer worden toegezonden ter voorbereiding op het Commissiedebat Water. De
motie wordt daarmee als afgedaan beschouwd.
Monitoring en handhaving dempen sloten
Op 6 mei jl. heeft de Kamer de antwoorden ontvangen op de vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer
en Podt (D66) over het bericht «Hoe de sloten in Nederland verdwijnen».45 Zoals toegezegd in het antwoord op vraag 12, is in het Bestuurlijk Overleg Water
van 9 april jl. een oproep gedaan aan de gemeenten en waterschappen om dit vraagstuk
in goed overleg en vanuit ieders verantwoordelijkheid gezamenlijk op te pakken en
te bezien waar verbetering mogelijk is in zowel de monitoring als de handhaving. Afgesproken
is dat zij dit oppakken en hierop terugkomen in het Bestuurlijk Overleg Water van
november, waarbij zij zullen aangeven welke stappen hiervoor zijn gezet en welke vervolgstappen
zij nog verwachten te moeten zetten om tot de gewenste verbetering te komen. Over
de uitkomsten hiervan wordt de Kamer daarna geïnformeerd.
Perspectief waterdomein binnen traject «Afweegproces prioritering en perspectief»
Klimaatverandering vergroot de urgentie van waterbeheer in Nederland. Door zeespiegelstijging,
extremere neerslag, langere droogteperioden en toenemende druk op de beschikbaarheid
van zoet water staat ons watersysteem voor grote uitdagingen. Zonder blijvend te investeren
in waterveiligheid komt de bescherming tegen overstromingen onder druk te staan, waardoor
niet alleen economische, maar ook risico’s voor de leefbaarheid kunnen optreden. Noodzakelijke
investeringen in de veiligheid van het Hoofdwatersysteem moeten derhalve prioriteit
krijgen.
Als laaggelegen delta zal Nederland de komende decennia blijvend moeten investeren
in waterveiligheid, klimaatadaptatie en waterkwaliteit. Dit doen we via de verschillende
programma’s, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), het programma Ruimte
voor de Rivier 2.0 en de Deltaprogramma’s. Maar het vraagt eveneens om wijzigingen
in het watersysteem, waarbij ook nadrukkelijk investeringen in herstel van het watersysteem
nodig zijn om in deze laaggelegen delta te kunnen blijven wonen, werken en recreëren.
De opgaven zijn structureel, langdurig en nauw verweven met de economische en ruimtelijke
ontwikkeling van Nederland. Hierdoor zal de vraag naar kennis, innovatie en investeringen
in waterbeheer de komende decennia verder toenemen. Het waterdomein blijft daarmee
een onmisbare pijler voor een veilig, leefbaar en klimaatbestendig Nederland.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
Indieners
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat