Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de Fiches: Simplificatie NIS2-richtlijn (Kamerstuk 22112-4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22112-4286)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4389
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 juni 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de Fiches: Simplificatie NIS2-richtlijn
(Kamerstuk 22 112, nr. 4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22 112, nr. 4286)
De vragen en opmerkingen zijn op 3 april 2026 aan de Minister van Justitie en Veiligheid
voorgelegd. Bij brief van 19 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiches. Hierover
hebben deze leden nog enkele vragen. Zij onderschrijven het belang van versterkte
Europese samenwerking op het gebied van cyberveiligheid, mede gelet op de toename
van cyberdreigingen en de groeiende digitale afhankelijkheden. De leden van de D66-fractie
vragen het kabinet hoe zij de balans beoordeelt tussen versterkte EU-coördinatie en
het behoud van nationale bevoegdheden, in het bijzonder waar het gaat om de uitbreiding
van het mandaat van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging
(ENISA). Hoe wordt voorkomen dat overlap ontstaat met nationale structuren zoals Computer
Security Incident Response Teams (CSIRT’s), en welke inzet kiest het kabinet ten aanzien
van de voorgestelde operationele taken van ENISA?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van versterkte Europese samenwerking op het gebied
van cyberveiligheid, mede gezien het grensoverschrijdende karakter van digitale dreigingen
en de toenemende verwevenheid van digitale infrastructuren binnen de Europese Unie.
In dat licht beoordeelt het kabinet een versterking van de rol van het Europees Agentschap
voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) in beginsel positief, met name waar
het gaat om kennisontwikkeling, capaciteitsopbouw en het bevorderen van samenwerking
tussen lidstaten. Tegelijkertijd acht het kabinet het van wezenlijk belang dat nationale
bevoegdheden behouden blijven. De inzet van het kabinet is er dan ook op gericht dat
ENISA een ondersteunende en faciliterende rol vervult, en niet treedt in verantwoordelijkheden
die primair bij lidstaten liggen. In dit kader benadrukt het kabinet dat ENISA geen
operationele taken toebedeeld dient te krijgen en dient uit te voeren die raken aan
nationale competenties of overlappen met al bestaande nationale structuren en dienstverlening.
Het kabinet zal dit actief inbrengen tijdens de onderhandelingen.
2.
Voorts onderschrijven deze leden het belang van het beperken van risico’s van hoog-risicoleveranciers.
Daarnaast vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de voorgestelde bevoegdheden van
de Europese Commissie met betrekking tot ICT-toeleveringsketens en het aanwijzen van
hoog-risico leveranciers. Welke waarborgen gelden hierbij, hoe wordt de proportionaliteit
van maatregelen zoals verplichte uitfasering geborgd en welke gevolgen verwacht het
kabinet voor Nederlandse bedrijven en vitale infrastructuur? Tevens vragen de leden
van de D66-fractie hoe wordt voorkomen dat certificering feitelijk toezicht vervangt
en leidt tot onevenredige lasten.
Antwoord
Het kabinet kijkt positief naar het doel van het voorstel om op Europees niveau cyberrisico’s
te mitigeren binnen de ICT-toeleveringsketens van essentiële en belangrijke entiteiten
in kritieke sectoren. Dit draagt bij aan een gelijk speelveld binnen de interne markt,
voorkomt ongewenste overloopeffecten, en realiseert een hoger en consistenter niveau
van cyberbeveiliging in de EU. Hierbij benadrukt het kabinet het belang van een raamwerk
dat casus-gericht en risico-gebaseerd is, omdat de mate van risico sterk afhankelijk
is van het geleverde ICT-onderdeel, de geleverde (kritieke) dienst en reeds genomen
technisch-operationele en organisatorische maatregelen.
Het kabinet zal zich inzetten voor een evenwichtige rolverdeling tussen de Europese
Commissie en de lidstaten binnen het ICT-toeleveringsketen certificeringsraamwerk.
Hierbij heeft het kabinet zorgen bij de voorgestelde bevoegdheid van de Europese Commissie
om landen en leveranciers als geheel aan te wijzen als hoog-risico, vanwege de mogelijke
verstrekkende economische, juridische en geopolitieke gevolgen van dergelijke besluiten.
Daarnaast acht het kabinet het problematisch dat de onderliggende criteria en procedures
nog onvoldoende duidelijk en uitgewerkt zijn. Het kabinet acht het daarom van belang
dat deze bevoegdheden gepaard gaan met duidelijke criteria, transparante procedures
en een stevige betrokkenheid van de lidstaten. Op dit moment zijn deze criteria nog
onduidelijk en breder dan noodzakelijk om het doel van het voorstel te bereiken. Het
kabinet acht het daarnaast van belang dat certificering niet leidt tot automatische
vrijstellingen van wettelijke verplichtingen, en dat nationale toezichthouders ruimte
behouden voor risico-gebaseerd toezicht. Tevens dient te worden voorkomen dat certificering
leidt tot onevenredige administratieve lasten, met name voor kleinere entiteiten.
Het kabinet zet zich daarom in voor een proportionele en doelmatige inrichting van
het certificeringsstelsel.
3.
Deze leden steunen het streven naar vereenvoudiging en harmonisatie van het Europese
cyberbeveiligingskader. Zij vragen het kabinet hoe de voorgestelde wijzigingen bijdragen
aan lastenverlichting voor bedrijven en toezichthouders. Daarnaast zijn de leden van
de D66-fractie benieuwd hoe wordt geborgd dat vereenvoudiging niet ten koste gaat
van het cyberbeveiligingsniveau. In het bijzonder vragen deze leden hoe de introductie
van nieuwe categorieën entiteiten en aanpassingen in het toepassingsbereik van de
NIS2-richtlijn in de praktijk uitwerken?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het grensoverschrijdende karakter van cyberdreigingen én
de verwevenheid van digitale processen binnen de EU. Het kabinet onderkent de noodzaak
van Europese samenwerking op het gebied van cybersecurity én gelet daarop verdere
harmonisering en vereenvoudiging van de NIS2-richtlijn. Verschillende voorgestelde
wijzigingen van de NIS2-richtlijn beogen bij te dragen aan lastenverlichting van de
bedrijven en toezichthouders, zoals de introductie van een nieuwe categorie small mid-cap bedrijven, in lijn met de aanbeveling van de Europese Commissie 2025/1099.1 Hierdoor zullen naar verwachting verschillende entiteiten, die nu nog als essentiële
entiteit worden aangemerkt, voortaan als belangrijke entiteit worden aangemerkt. Zij
zullen daarmee onder een «lichter» toezichtregime vallen. Het kabinet kan nog onvoldoende
beoordelen in hoeverre dit bijdraagt aan lastenverlichting.
Ook het gebruik van certificering als hulpmiddel bij het aantonen van naleving van
de zorgplicht in de NIS2-richtlijn kan leiden tot lastenverlichting. Daarbij acht
het kabinet onder meer van belang dat nationale toezichthouders ruimte behouden voor
risico-gebaseerd toezicht. Certificering mag daarnaast niet leiden tot onnodige beperkingen
van de auditbevoegdheden. De wijziging in het toezichtregime laat onverlet dat de
betrokken entiteiten moeten voldoen aan de zorgplicht en de meldplicht, én het beveiligingsniveau
in relatie tot die entiteiten daarmee voldoende gewaarborgd moet blijven. Door de
voorgestelde uitbreiding van het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn zullen nieuwe
groepen van entiteiten, zoals aanbieders van European Business Wallets, onder andere
moeten voldoen aan de zorgplicht, meldplicht en registratieplicht. De verwachting
is overigens dat deze entiteiten nu, met het oog op de continuïteit van hun bedrijfsvoering,
zelf wel al beveiligingsmaatregelen treffen. Op dit moment is het voor het kabinet
nog onduidelijk hoeveel nieuwe entiteiten vanwege die voorgestelde uitbreiding aanvullend
onder de NIS2-richtlijn komen te vallen. Het kabinet streeft ernaar hier zo snel mogelijk
inzicht in te krijgen.
4.
Tot slot vragen zij hoe het kabinet de voorgestelde harmonisatie beoordeelt, waarbij
lidstaten minder ruimte krijgen om strengere eisen te stellen. In hoeverre acht het
kabinet dit wenselijk, mede gelet op nationale veiligheidsbelangen en bestaande instrumenten?
Ook vragen de leden van de D66-fractie hoe de opeenvolging van regelgeving, terwijl
de implementatie van de NIS2-richtlijn nog niet is afgerond, zich verhoudt tot rechtszekerheid
en uitvoerbaarheid voor betrokken partijen.
Antwoord
Het kabinet is op hoofdlijnen positief als het gaat om de voorgestelde harmonisatie.
Dat geldt bijvoorbeeld ook, voor het door middel van uitvoeringshandelingen, stellen
van nadere eisen aan de door essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten te nemen
zorgplichtmaatregelen. Bij de daaraan in het voorstel gekoppelde maximumharmonisatie
heeft het kabinet wel kanttekeningen, in het bijzonder omdat het onduidelijk is of
het hierdoor voor lidstaten mogelijk blijft om, in geval van specifieke dreigingen
in een lidstaat, aanvullende eisen te stellen aan zorgplichtmaatregelen. Daarbij is
ook het risico aanwezig dat lidstaten worden belet om dergelijke eisen te stellen
in situaties waarin de nationale veiligheid, naar het oordeel van een lidstaat, daartoe
noopt. In dat kader zal het kabinet in de Europese onderhandelingen aandacht vragen
voor het behoud van voldoende nationale beleidsruimte, zodat lidstaten waar nodig
aanvullende eisen kunnen stellen ter bescherming van de nationale veiligheid. De bepalingen
in de huidige NIS2-richtlijn, zullen na de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet
voor de betrokken entiteiten duidelijk kenbaar gelden. De nu voorgestelde wijzigingen
van de NIS2-richtlijn zullen, na de onderhandelingen hierover, tijdig kenbaar worden
gemaakt aan betrokken entiteiten zodat zij zich tijdig kunnen voorbereiden op deze
wijzigingen. De verwachting is dan ook dat er geen nadelige gevolgen voor de rechtszekerheid
zullen zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
5.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Fiches
Simplificatie NIS2-richtlijn (Kamerstuk 22 112, nr. 4284) en Herziening Cybersecurity Act (Kamerstuk 22 112, nr. 4286) (hierna: fiches). Deze leden onderschrijven het belang van een hoog niveau van cyberweerbaarheid
in Europa, juist in een tijd waarin statelijke dreigingen, sabotage en afhankelijkheden
in digitale ketens toenemen. Tegelijkertijd achten deze leden het essentieel dat nieuwe
Europese regelgeving uitvoerbaar blijft voor ondernemers en dat onnodige regeldruk
wordt voorkomen. Zij stellen nog enkele vragen. De leden van de VVD-fractie steunen
het uitgangspunt dat de implementatie van de NIS2-richtlijn eenvoudiger en beter uitvoerbaar
moet worden gemaakt. Tijdens het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten op 23 maart 2026 heeft de VVD-fractie reeds
benadrukt dat cyberweerbaarheid pas effectief is wanneer bedrijven en instellingen
niet verdwalen in overlappende meldplichten, verschillende toezichtregimes en onduidelijke
verantwoordelijkheidsverdelingen. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe wordt voorkomen
dat de voorgestelde Europese vereenvoudiging in de praktijk juist leidt tot nieuwe
complexiteit, bijvoorbeeld doordat certificering naast bestaande nationale toezichtsystemen
komt te staan in plaats van deze te vereenvoudigen?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorg dat vereenvoudiging op Europees niveau in de praktijk niet
mag leiden tot nieuwe complexiteit voor bedrijven, overheden en toezichthouders. Het
kabinet zet zich er daarom voor in dat certificering en andere instrumenten daadwerkelijk
bijdragen aan vereenvoudiging en niet naast bestaande nationale toezichtsystemen komen
te staan als extra laag. Concreet betekent dit dat het kabinet inzet op een duidelijke
samenhang tussen certificering en toezicht, het voorkomen van dubbele verplichtingen
(zoals parallelle audits en certificering) en een praktische uitvoerbaarheid voor
bedrijven, met name voor bedrijven die in meerdere lidstaten actief zijn. Indien certificering
wordt ingezet, moet deze aantoonbaar bijdragen aan vermindering van toezichtlasten
en niet leiden tot een cumulatie van verplichtingen. Het kabinet zal dit punt actief
inbrengen in de onderhandelingen.
6.
Zij constateren dat de Europese Commissie certificering nadrukkelijker wil inzetten
als bewijs van naleving van zorgverplichtingen. De leden van de VVD-fractie begrijpen
het streven naar uniformiteit, maar vragen het kabinet nadrukkelijk te bevestigen
dat certificering nooit een papieren tijger mag worden als het gaat om feitelijke
cyberweerbaarheid. Hoe voorkomt het kabinet dat nationale toezichthouders in audit-
en inspectiebevoegdheden worden beperkt zodra certificering aanwezig is? En hoe wordt
voorkomen dat bedrijven worden geconfronteerd met certificeringsverplichtingen terwijl
certificeringsschema’s nog niet volledig beschikbaar of operationeel zijn? Deze leden
wijzen daarnaast op het advies van de Raad van State over de Cyberbeveiligingswet,
waarin is gewezen op het belang van heldere taakafbakening tussen verschillende toezichthouders
en bevoegde autoriteiten. In welke mate wordt dit advies volgens het kabinet opgevolgd
met dit nieuwe voorstel?
Antwoord
Het kabinet is van mening dat certificering inderdaad nooit een doel op zich mag worden
en geen papieren exercitie mag zijn. Certificering dient daadwerkelijk bij te dragen
aan feitelijke cyberweerbaarheid en moet gebaseerd zijn op inhoudelijke eisen, technische
eisen en actuele risico’s. Het kabinet benadrukt daarom dat certificering moet aansluiten
bij reële dreigingen en risico’s. Certificering is geen substituut voor het daadwerkelijk
treffen van beveiligingsmaatregelen, en het certificeringsraamwerk moet adaptief en
flexibel worden ingericht. Deze inzet is mede ingegeven door de ervaring dat cyberdreigingen
zich snel ontwikkelen en dat formele naleving zonder feitelijke weerbaarheid onvoldoende
bescherming biedt. Het kabinet acht het van belang dat nationale toezichthouders hun
audit- en inspectiebevoegdheden behouden, ook wanneer een entiteit beschikt over een
certificaat. Het kabinet heeft daarom bedenkingen bij het voorstel om auditbevoegdheden
te beperken wanneer certificering aanwezig is. Certificering kan waardevol zijn, maar
dekt niet altijd alle ICT-onderdelen, is vaak een momentopname en biedt niet altijd
inzicht in actuele risico’s en kwetsbaarheden. Toezichthouders moeten daarom de ruimte
houden om risico-gebaseerd controles uit te kunnen voeren. Het kabinet zal zich inzetten
om te voorkomen dat certificering leidt tot een beperking van effectief toezicht.
Voorts acht het kabinet het onwenselijk dat bedrijven worden geconfronteerd met certificeringsverplichtingen
voordat certificeringsschema’s volledig zijn ontwikkeld en beschikbaar en operationeel
zijn.
Daarnaast zal het kabinet aandacht vragen voor de uitvoerbaarheid van certificeringsverplichtingen
en de beschikbaarheid van certificeringscapaciteit, zodat bedrijven niet in een situatie
komen waarin zij niet aan verplichtingen kunnen voldoen. Het kabinet onderschrijft
het belang van heldere taakafbakening tussen toezichthouders (bijv. sectorale toezichthouders,
RDI, etc.), zoals ook door de Afdeling advisering van de Raad van State is benadrukt.
In het licht van dit voorstel zet het kabinet zich in voor duidelijke rolverdelingen
tussen Europese en nationale instanties, het voorkomen van overlappende bevoegdheden
en het behouden van nationale aanspreekpunten voor bedrijven. Specifiek betekent dit
dat nationale toezichthouders leidend blijven bij toezicht en handhaving, terwijl
Europese toezichtstructuren een ondersteunende en coördinerende rol vervullen. Hiermee
wordt beoogd duidelijkheid te verschaffen aan bedrijven en de effectiviteit van toezicht
te vergroten.
7.
Zij onderschrijven dat Europa strategischer moet omgaan met risicovolle afhankelijkheden
in vitale digitale infrastructuur. Tegelijkertijd vragen zij of het kabinet van mening
is dat de Europese Commissie voldoende transparante criteria hanteert bij het aanwijzen
van derde landen of leveranciers als hoog-risico leveranciers? Op basis van welke
objectieve criteria worden landen en leveranciers als hoog-risico aangemerkt? Welke
formele rol behouden lidstaten bij deze aanwijzingen? In hoeverre kan Nederland zelfstandig
aanvullende nationale veiligheidsafwegingen blijven maken wanneer nationale dreigingsbeelden
daartoe aanleiding geven?
Antwoord
Het kabinet is van oordeel dat de huidige criteria om derde landen en leveranciers
als hoog risico aan te wijzen nog onvoldoende duidelijk zijn. Zo vindt het kabinet
het bijvoorbeeld onduidelijk of alle leveranciers, afkomstig uit het aangewezen derde
land of onder zeggenschap van het aangewezen derde land én aanwezig in de ICT-toeleveringsketen
van essentiële of belangrijke entiteiten, direct en voor al hun diensten gelden als
een hoog-risicoleverancier. Het kabinet wijst in dat geval op de mogelijk zeer omvangrijke
economische en politieke gevolgen van deze aanwijzingen. Tegelijkertijd plaatst het
kabinet een fundamentele kanttekening bij de bevoegdheid om een derde land als geheel
aan te wijzen, omdat de mate van risico sterk afhankelijk is van het specifieke geleverde
ICT-onderdeel, de te beschermen belangen, de geleverde (kritieke) dienst en reeds
genomen technisch-organisatorische maatregelen. Daarom spant het kabinet zich in voor
een risico-gebaseerd raamwerk en acht het kabinet het van groot belang dat de criteria
in het voorstel transparant, objectief, en juridisch toetsbaar zijn. Het kabinet zal
daarom inzetten op verdere verduidelijking en aanscherping van deze criteria.
Voor de landenaanwijzing (artikel 100) hanteert de Europese Commissie een aantal criteria
die zullen worden betrokken bij de beoordeling of een derde land een hoog risico vormt,
zoals het bestaan van wetten of bestaande praktijken in het derde land die inhouden
of erop wijzen dat entiteiten verplicht zijn om informatie over kwetsbaarheden te
delen met de autoriteiten. Voor wat betreft de aanwijzing van leveranciers (artikel
104) hanteert de Commissie een aantal criteria om leveranciers als hoog risico aan
te wijzen, waarbij de Commissie met name beziet of leveranciers in de ICT-toeleveringsketen
zijn gevestigd in een aangewezen derde land of onder zeggenschap staan van dat derde
land, van een in dat derde land gevestigde entiteit of van een onderdaan van dat derde
land.
De lidstaten behouden zowel een rol bij de landen- als de leveranciersaanwijzing,
omdat deze aanwijzingen via een uitvoeringshandeling worden geïmplementeerd. Deze
uitvoeringshandelingen worden namelijk aangenomen via de onderzoeksprocedure, waarbij
lidstaten met gekwalificeerde meerderheid stemmen over het voorgenomen uitvoeringsbesluit.
Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat deze aanwijzingen, naast een technisch-juridische
weging, ook een politieke weging vergt, vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen.
Bij beslissingen met grote geopolitieke gevolgen is voor het kabinet het niveau van
besluitvorming, en de betrokkenheid van lidstaten, om deze reden van essentieel belang.
Lidstaten behouden, op grond van artikel 98, derde lid, de bevoegdheid om zelfstandig
aanvullende maatregelen te nemen om hun cyberbeveiligingsniveau te waarborgen. Daarnaast
geldt uiteraard ook dat de bescherming van de nationale veiligheid een uitsluitende
verantwoordelijkheid van lidstaten is. Het kabinet vindt beide cruciaal en zal tegelijkertijd
het belang van een goede samenhang tussen nationale en Europese instrumenten blijven
benadrukken.
8.
De leden van de VVD-fractie zien dat de Commissie bedrijven verplicht kan laten overgaan
tot uitfasering van technologie van hoog-risicoleveranciers. Deze leden erkennen dat
nationale veiligheid soms ingrijpende keuzes vereist, maar wijzen erop dat verplicht
vervangen van bestaande infrastructuur grote gevolgen kan hebben voor investeringen,
leveringszekerheid en continuïteit van vitale diensten. Zij vragen daarom hoe wordt
voorkomen dat verplichte uitfasering leidt tot verstoringen van vitale dienstverlening
en welke overgangstermijnen het kabinet noodzakelijk acht om de uitvoerbaarheid te
waarborgen?
Antwoord
Het kabinet onderkent dat verplichte uitfasering van technologie van hoog-risicoleveranciers
ingrijpende gevolgen kan hebben voor de dienstverlening van betrokken essentiële of
belangrijke entiteiten. Om verstoringen te voorkomen acht het kabinet het onder meer
van belang dat dergelijke maatregelen gebaseerd zijn op gedegen risicobeoordelingen,
dat er voldoende betrouwbare alternatieven beschikbaar zijn, en dat bijvoorbeeld rekening
wordt gehouden met de technische en operationele complexiteit, en de onderlinge verscheidenheid
tussen de ICT-toeleveringsketens binnen de verschillende sectoren en lidstaten. Verder
acht het kabinet differentiatie naar het risicoprofiel van onderdelen van netwerk-
en informatiesystemen noodzakelijk, omdat niet alle onderdelen van een netwerk- en
informatiesysteem even kritiek zijn. Daarbij zijn realistische en (sector)specifieke
overgangstermijnen van groot belang. Te korte termijnen kunnen namelijk leiden tot
verstoringen van de continuïteit van de dienstverlening van essentiële entiteiten
en belangrijke entiteiten. Het kabinet zet zich er daarom voor in dat bedrijven voldoende
tijd krijgen om vervanging zorgvuldig uit te voeren, zodat de continuïteit van hun
dienstverlening niet onnodig in gevaar komt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
9.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van zowel de voorgestelde
simplificatie van de NIS2-richtlijn (en de kabinetspositie) als de herziening van
de Cybersecurity Act. Deze leden hebben vragen en opmerkingen, ook gezien recent de
Cyberbeveiligingswet is behandeld die de NIS2-richtlijn implementeert. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de gevolgen van de simplificatie voor
deze wetgeving. Deze leden zijn ervan op de hoogte dat de deadline voor de implementatie
van de NIS2-richtlijn (17 oktober 2024) door Nederland niet is gehaald. Het valt op
dat het Nederland vaker niet lukt om de implementatiedeadlines van Europese richtlijnen
te halen. Dit baart deze leden zorgen, vooral als dit richtlijnen betreft die de cyberveiligheid
van Nederland raken. Snelle implementatie is nodig om tijdig te reageren op nieuwe
ontwikkelingen in het cyberdomein. Kan het kabinet aangeven wat de redenen zijn voor
het vertraagd implementeren van verschillende richtlijnen in het verleden en wat het
kabinet wil gaan doen om ervoor te zorgen dat de richtlijnen die in deze fiches worden
besproken, en toekomstige richtlijnen, wél tijdig geïmplementeerd worden?
Antwoord
Het kabinet ziet in hoofdlijnen twee aspecten die een rol kunnen spelen bij het door
Nederland niet tijdig implementeren van richtlijnen. Allereerst kent het Nederlands
wetgevingsproces een aantal belangrijke verplichte stappen, waaronder de advisering
door de Afdeling advisering van de Raad van State en de behandeling van wetsvoorstellen
door de Tweede Kamer én Eerste Kamer. Er zijn EU-lidstaten die bijvoorbeeld beschikken
over een eenkamerstelsel en/of de verplichte voorafgaande advisering door een onafhankelijk
adviesorgaan niet kennen, dan wel in een andere vorm met een relatief kortere doorlooptijd
in vergelijking met Nederland te maken hebben. Het kabinet wijst er ten eerste op
dat deze verplichte en in de Grondwet verankerde wetgevingsstappen belangrijk zijn
vanwege de impact van die wetgeving op burgers, bedrijven en instanties. Hoewel het
wenselijk is om snel tot (implementatie)wetgeving te komen, hecht het kabinet tegelijkertijd
ook grote waarde aan een zorgvuldig wetgevingsproces, ook als dat meer tijd kost.
Zo is er bijvoorbeeld bewust voor gekozen het ontwerp van de Cyberbeveiligingswet
in (internet)consultatie te brengen vanwege de grote impact van deze wet op bedrijven
en organisaties in tal van sectoren in zowel de private als de publieke sector. Ten
tweede kan ten aanzien van sommige richtlijnen worden gewezen op een relatief korte
implementatietermijn, hetgeen botst met de tijd die in Nederland nodig is om op een
zorgvuldige wijze, rekening houdend met de impact van wet- en regelgeving op burgers,
bedrijven en instanties, te komen tot implementatiewet- en regelgeving. Specifiek
ten aanzien van de NIS2-richtlijn wordt erop gewezen dat het merendeel van de EU-lidstaten,
waaronder landen als Frankrijk, Duitsland en Spanje, er niet in zijn geslaagd om binnen
de implementatietermijn te komen met de benodigde nationale implementatiewetgeving.
Om ervoor te zorgen dat de richtlijnen die in deze fiches worden besproken en toekomstige
richtlijnen wel tijdig geïmplementeerd kunnen worden, zal in elk geval ruim voor de
vaststelling van die richtlijnen – zoals dat ook is gebeurd bij de NIS2-richtlijn
– tijdig worden gestart met de voorbereidingen voor de implementatiewet- en regelgeving.
Bij het implementatieproces hoort ook dat het kabinet vasthoudt aan het principe van
zuivere implementatie, wat inhoudt dat in de implementatieregeling geen andere regels
worden opgenomen dan voor implementatie noodzakelijk zijn, om ervoor te zorgen dat
implementatie zo spoedig mogelijk kan plaatsvinden. Bij het implementatieproces zal
het kabinet telkens bezien wanneer en in hoeverre een versnelling van dat proces mogelijk
is, bijvoorbeeld, door gebruik te maken van de mogelijkheid om niet in internetconsultatie
te gaan, het onder de aandacht brengen van het belang van spoedige advisering door
de Afdeling advisering van de Raad van State en het in de Tweede Kamer en Eerste Kamer
onder de aandacht brengen van het belang van een spoedige parlementaire behandeling.
Hierbij tekent het kabinet wel aan dat versnelling niet altijd wenselijk is vanwege
de noodzaak om tot zorgvuldige implementatiewet- en regelgeving te komen in verband
met de impact daarvan op burgers, bedrijven en instanties. Daarnaast ligt het primaat
van de parlementaire behandeling bij de Tweede Kamer en Eerste Kamer zelf.
10.
Zij lezen dat voortaan elektriciteitsproducenten alleen onder de NIS2-richtlijn vallen
als zij een totale opwekkingscapaciteit van meer dan 1 megawatt hebben. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de praktische gevolgen hiervan voor
Nederland. Hoeveel elektriciteitsproducenten die minder dan 1 megawatt produceren
kent Nederland? Wat is het totale aandeel van deze producenten van de elektriciteitsproductie
in Nederland? Betekent het feit dat deze «kleine» elektriciteitsproducenten worden
uitgesloten van de NIS2-richtlijn dat er geen controlemechanisme meer is om ervoor
te zorgen dat ook deze elektriciteitsproducenten cyberveilig zijn? En zo ja, wat zouden
dan bijvoorbeeld de gevolgen zijn voor het Nederlandse elektranetwerk indien al deze
«kleine» elektriciteitsproducenten te maken krijgen met bijvoorbeeld sabotage?
11.
Deze leden lezen dat het kabinet positief staat tegenover het beperken van het toepassingsbereik
van elektriciteitsproducenten zodat alleen producenten die daadwerkelijk impact kunnen
hebben op de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk onder het toepassingsbereik
van de NIS2-richtlijn vallen. Zij zijn hier toch enigszins verbaasd over. Kan het
kabinet aangeven wat het gevolg voor de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk
in Nederland zou zijn als alle producenten die minder dan 1 megawatt produceren gelijktijdig
verstoord raken? Is ons netwerk in staat om een dergelijke klap te ondervangen? Deelt
het kabinet de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat een dergelijke sabotageactie
van een statelijke actor, ook naar aanleiding van sabotageacties die reeds zijn waargenomen
in bijvoorbeeld Oekraïne in de afgelopen jaren, niet ondenkbaar is? Kan het kabinet
aangeven waarom het, indien een dergelijke sabotageactie denkbaar is en ons netwerk
een dergelijke klap niet op kan vangen, toch voorstander is van het uitsluiten van
dergelijke elektriciteitsproducenten van de NIS2-richtlijn?
Antwoord 10 en 11
Bij het bepalen van het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn voor elektriciteitsproducenten
heeft het kabinet oog voor zowel het waarborgen van de stabiliteit van het elektriciteitsnet
als het opleggen van proportionele en uitvoerbare uitvoeringslasten voor bedrijven
en toezichthouders. In het wetsvoorstel Cyberbeveiligingswet is gekozen om, binnen
de mogelijkheden van de huidige NIS2-richtlijn, het toepassingsbereik zo vorm te geven
dat mogelijk ook kleinere producenten met minder opwekkingscapaciteit onder de NIS2-richtlijn
vallen, zolang zij aan de gestelde omvangcriteria uit de NIS2-richtlijn voldoen en
opwekking van elektriciteit hun primaire dienst is.2 Elektriciteitsproducenten die onder de NIS2-richtlijn/Cyberbeveiligingswet vallen,
dienen zich te registreren (registratieplicht) in het centrale meld- en registratieportaal
dat bij het Nationaal Cyber Security Centrum is belegd. De drempelwaarde van 1 megawatt
is een Europees voorstel dat momenteel nog niet binnen de huidige NIS2-richtlijn bestaat.
Daarom beschikt het kabinet niet over dit overzicht. Daarnaast geldt de registratieplicht,
waarmee inzichtelijk wordt welke partijen precies onder het toepassingsbereik van
de Cyberbeveiligingswet vallen, momenteel niet omdat de Cyberbeveiligingswet nog moet
worden behandeld in de Eerste Kamer.
Het Nederlandse energiesysteem wordt beschermd door een robuust ontwerp, redundantie,
voldoende herstelcapaciteit en interconnectie met de ons omringende landen. Kleine
producenten hebben per installatie doorgaans een beperktere systeemimpact en daarmee
vormen ze een kleiner risico voor het systeem. Omdat kleine producenten vaak verschillende
digitale systemen en digitale producten gebruiken, ligt sabotage van al deze kleine
producenten tegelijk niet voor de hand.
Het inregelen van de NIS2-richtlijn als controlemechanisme voor kleinere producenten
beoordeelt het kabinet als niet-proportioneel omdat de verplichtingen en lasten die
dit met zich meebrengt niet evenredig zijn met de individuele risico’s. Het kabinet
zal de Europese Commissie vragen om de keuze voor 1 megawatt aan totale opwekkingscapaciteit
als drempelwaarde te verduidelijken. Hierbij zal het kabinet aandacht vragen voor
proportionaliteit en evenredigheid.
Dit neemt niet weg dat de digitalisering van het energiesysteem met steeds meer kleine
elektriciteitsproducenten andere risico’s met zich meebrengt dan bij grote elektriciteitsproducenten.
Het kabinet onderkent deze risico’s als prioriteit. Om deze risico’s te mitigeren,
geldt Europese wetgeving die ziet op apparaatveiligheid (Radio Equipment Directive,
RED) en wordt gewerkt aan de implementatie en uitvoering van de Cyber Resilience Act
(CRA) voor het verbeteren van productveiligheid van producten met digitale elementen.
Conform de Kamerbrief «Versterking van decentrale ontwikkelingen van het energiesysteem»
(29 023–643) verkent de Minister van Klimaat en Groene Groei momenteel of aanvullende acties
en/of maatregelen nodig zijn om de weerbaarheid te vergroten.3 De resultaten hiervan neemt het kabinet mee in zijn reactie op het recent gepubliceerde
rapport van Topsector Energie over een autonoom en veilig energiesysteem.
12.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vergelijkbare vraag ten aanzien
van DNS (Domain Name System) -dienstverleners. Hoeveel van deze dienstverleners die
binnen de Nederlandse jurisdictie vallen worden als micro of klein beschouwd? Wat
zijn de definities van een micro of kleine DNS-dienstverlener en hoe groot is hun
aandeel in de markt? Heeft de Minister zicht op hoeveel kritieke entiteiten, vitale
organisaties of organisaties die onder de NIS2-richtlijn vallen gebruik maken van
een micro of kleine DNS-dienstverlener die hiermee minder veilig zouden kunnen zijn?
Of betekent dit een effectief verbod voor dergelijke entiteiten en organisaties om
gebruik te maken van een micro of kleine DNS-dienstverlener?
Antwoord
Het kabinet heeft momenteel geen kwantitatief beeld van het aantal micro- en kleine
DNS-dienstverleners in Nederland en hun marktaandeel. De definitie van micro- en kleine
bedrijven is op Europees niveau bepaald. Artikel 6 lid 20 van de NIS2-richtlijn bepaalt
dat een DNS-dienstverlener een entiteit is die openbare recursieve domeinnaamomzettingsdiensten
voor interneteindgebruikers verleent, of die gezaghebbende domeinnaamomzettingsdiensten
voor gebruik door derden verleent, met uitzondering van root-naamservers. Deze dienstverleners
vallen momenteel nog ongeacht hun omvang onder de toepasselijkheid van de NIS2-richtlijn.
De definitie van micro- en kleine ondernemingen is als volgt: micro-ondernemingen
zijn ondernemingen met minder dan 10 personeelsleden en een jaaromzet of jaarlijks
balanstotaal van niet meer dan 2 miljoen EUR. Kleine ondernemingen zijn ondernemingen
met minder dan 50 personeelsleden en een jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van niet
meer dan 10 miljoen EUR.
Het voorstel om kleine of micro-DNS-dienstverleners niet langer onder de toepasselijkheid
van de NIS2-richtlijn te laten vallen, betekent geenszins dat andere entiteiten die
nog wel als essentiële entiteit of belangrijke entiteit onder de NIS2-richtlijn blijven
vallen geen gebruik meer zullen kunnen maken van micro- en kleine DNS-dienstverleners.
Essentiële en belangrijke entiteiten als bedoeld in de NIS2-richtlijn dienen in het
kader van hun zorgplicht hun toeleveringsketen te beveiligen. In het ontwerp van het
Concept-cyberbeveiligingsbesluit worden die maatregelen nader uitgewerkt. Zo dient
de essentiële of belangrijke entiteit bijvoorbeeld periodiek te toetsen of haar rechtstreekse
leveranciers en dienstverleners voldoen aan de beveiligingseisen van de essentiële
entiteit of belangrijke entiteit zelf. Indien DNS-dienstverleners – net zoals andere
micro- en kleine leveranciers – voldoen, kunnen zij in beginsel hun leverancier blijven
of worden.
13.
Deze leden snappen de behoefte voor een certificeringsraamwerk, maar zijn ook verbaasd
dat toezichthouders entiteiten niet (meer) mogen onderwerpen aan beveiligingsaudits
voor zover de betreffende onderdelen door de certificering worden gedekt. Zij begrijpen
dat dit iets doet aan de regeldruk, maar maken zich ook zorgen over hoe zij in de
praktijk regelmatig een «papieren» certificering zien waarbij wordt voldaan aan de
eisen die de certificering oplegt maar niet wordt gecontroleerd of die eisen ook daadwerkelijk
worden nageleefd. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie roepen de Minister op om
zich in te zetten voor het behoud van de controlemogelijkheden van toezichthouders.
Wat is de inzet van het kabinet in Brussel op dit gebied? Wat is de positie van andere
lidstaten hierop?
Antwoord
Met betrekking tot certificering en toezicht deelt het kabinet de zorg dat certificering
niet mag leiden tot een papieren werkelijkheid waarin formele naleving de plaats inneemt
van feitelijk toezicht. Het kabinet zet zich daarom in voor behoud van de controlemogelijkheden
van nationale toezichthouders. Certificering kan ondersteunend zijn, maar mag geen
automatisme worden waardoor toezichthouders niet meer kunnen toetsen of door entiteiten,
in het kader van de zorgplicht genomen maatregelen, in de praktijk daadwerkelijk toereikend
zijn. De inzet van het kabinet is er in Brussel op gericht dat audit- en inspectiebevoegdheden
van toezichthouders behouden blijven, juist omdat certificering niet altijd een volledig
en actueel beeld geeft van feitelijke cyberweerbaarheid. Nederland heeft in het fiche
expliciet bedenkingen geuit bij de beperking van de auditbevoegdheid, in het bijzonder
voor belangrijke entiteiten. Over de precieze posities van andere lidstaten kan op
dit moment nog geen definitief beeld worden gegeven, omdat de onderhandelingen onlangs
zijn gestart. Wel is duidelijk dat meerdere lidstaten kritisch kijken naar de verhouding
tussen certificering en toezicht, juist vanwege uitvoerbaarheid en de noodzaak van
effectief toezicht.
14.
Deze leden lezen tevens dat de Europese Commissie een maximumharmonisatie voorstelt
in relatie tot de uitvoeringshandelingen met betrekking tot de zorgplichtmaatregelen.
Hiermee wordt lidstaten de bevoegdheid ontzegd om, zoals nu nog wel mogelijk is, bepalingen
vast te stellen of te handhaven die een hoger cyberbeveiligingsniveau waarborgen.
Zij zijn hier hoogst verbaasd over. Hoewel de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
snappen dat dit leidt tot minder complexiteit, merken zij op dat dit in de praktijk
ook regelmatig leidt tot lagere eisen en dus minder veiligheid. Zij roepen het kabinet
dan ook op om zich in te zetten om deze maximumharmonisatie uit het voorstel te halen.
Acht het kabinet de voorgestelde maximumharmonisatie proportioneel en verstandig?
Behouden lidstaten ruimte om hogere beveiligingsniveaus te hanteren voor kritieke
infrastructuur? Welke mogelijkheden behouden nationale toezichthouders om in te grijpen
bij acute cyberdreigingen? Welke lidstaten zijn voor- en tegenstander van deze maximumharmonisatie?
Heeft Nederland medestanders in het verzet tegen deze maximumharmonisatie?
Antwoord
Het kabinet is op hoofdlijnen positief als het gaat om de voorgestelde harmonisatie
van de te nemen maatregelen door entiteiten in het kader van de zorgplicht, met name
voor entiteiten die in meer dan één lidstaat hun diensten verlenen. Ten aanzien van
de in het voorstel daaraan gekoppelde maximumharmonisatie plaatst het kabinet echter
verschillende kanttekeningen. Nog niet duidelijk is hoe verstrekkend het aan lidstaten
ontzeggen van de mogelijkheid om aanvullend eisen aan maatregelen in het kader van
de zorgplicht te stellen zal zijn én of het ontzeggen van deze mogelijkheid wel noodzakelijk
is. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of lidstaten al dan niet nog eisen kunnen stellen
met betrekking tot andere dan de in artikel 21, tweede lid, onder a tot en met j,
NIS2-richtlijn genoemde maatregelen. Ook is onduidelijk of en waarom het voor lidstaten
hierdoor eventueel niet meer mogelijk zou zijn om, in geval van specifieke dreigingen
in een lidstaat, eisen te stellen aan zorgplichtmaatregelen. Indien de voorgestelde
maximumharmonisatie lidstaten zonder onderscheid belet om in dergelijke situaties
nadere eisen aan zorgplichtmaatregelen te stellen, gaat dit voorstel naar het oordeel
van het kabinet dan ook verder dan noodzakelijk. Het kabinet zal hiervoor dan ook
nadrukkelijk aandacht vragen in de komende onderhandelingen. Voorts zal het kabinet
er ook in dit verband bij de onderhandelingen steeds op toe blijven zien dat de inhoud
van het voorstel niet op gespannen voet komt te staan met in het bijzonder, de uitsluitende
verantwoordelijkheid van de lidstaten op het gebied van de nationale veiligheid (artikel
4, tweede lid, VEU).
Het kabinet weet op dit moment nog niet welke andere lidstaten mogelijk ook kritisch
zijn als het gaat om de voorgestelde maximumharmonisatie.
15.
Deze leden hebben ook kennisgenomen van de voorgestelde herziening van de Cybersecurity
Act (CSA2). Deze bevat een herschikking van taken en verantwoordelijkheden, waarin
deze meer op Europees niveau worden belegd. Net als het kabinet zien deze leden voor-
en nadelen waar zij nog vragen en opmerkingen over hebben. Zij roepen in herinnering
dat de Kamer recent de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten (Wwke) heeft behandeld. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen
het kabinet om duidelijk toe te lichten welke gevolgen de herziening van de CSA heeft
voor de twee wetten. Op welke wijze is er rekening gehouden met de CSA2 in hoe de
wetten zijn vormgegeven, en voorziet het kabinet dat er wetswijzigingen nodig zijn
om de Cbw en de Wwke in lijn te brengen met de CSA2? Zo ja, op welke termijn verwacht
het kabinet dat deze aanpassingen nodig zullen zijn? Ook vragen deze leden de informatievoorziening
van de overheid, bijvoorbeeld via handreikingen en bewustwordingscampagnes, nog actueel
is als de CSA wordt herzien. Specifiek vragen zij om meer uitleg te geven over de
zelfscantool die TNO verzocht is te ontwikkelen. Hoe verhoudt deze zich tot de vitaalbeoordeling
die moet plaatsvinden onder de Cbw en de Wwke? Wat is het doel van die tool, wordt
hierin al rekening gehouden met de herziening van de CSA, en wat moeten vitale aanbieders
doen met de uitkomsten? Per wanneer is de tool gereed?
Antwoord
De eerste gesprekken omtrent het voorstel aangaande de herziening van de CSA-verordening
en de herziening van de NIS2-richtlijn zijn inmiddels gestart binnen de Horizontale
Groep voor cybervraagstukken. Over de gevolgen van de herziening van de CSA voor de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten, waarvan de voorstellen
recentelijk door uw Kamer zijn behandeld, kan gelet daarop nog geen uitspraak worden
gedaan. Daarbij geldt dat voor de inhoud van beide wetsvoorstellen nauw wordt aangesloten
bij de inhoud van de richtlijnen waarvan het de implementatie betreft. Het kabinet
investeert doorlopend in bewustwording, kennisopbouw en handelingsperspectief ter
versterking van digitale en fysieke weerbaarheid. Het in kaart brengen en beheersen
van risico’s in de toeleveranciersketen is namelijk van groot belang voor het digitaal
veilig functioneren van publieke en private organisaties. Daarom hebben de AIVD, CIO
Rijk, het NCSC en de NCTV gezamenlijk de handreiking «Cybercheck: ook jij hebt supply
chain risico´s!» gepubliceerd.4 Deze handreiking biedt organisaties en bedrijven handvatten om te inventariseren
of de inzet van een bepaald product of dienst afkomstig uit een land met een offensief
cyberprogramma mogelijk tot een verhoogd beveiligingsrisico leidt. Daarnaast is TNO
verzocht om een zelfscantool te ontwikkelen waarmee vitale aanbieders een risicoafweging
kunnen maken van hardware en software ten aanzien van operationele technologie van
leveranciers uit risicolanden. De inzichten uit bovengenoemde handreiking en de zelfscantool
zijn verspreid en worden geïncorporeerd in de risicobeoordelingen die op grond van
de Cbw en Wwke moeten worden uitgevoerd door kritieke entiteiten.
16.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er een verschuiving plaatsvindt
van de CSA als middel om cyberveiligheid te vergroten, naar een CSA die ook ingezet
wordt voor Europese economische veiligheid en diplomatieke doeleinden. Het is onmogelijk
om de herziening los te zien van de wens om met name Chinese leveranciers van de Europese
markt te weren. Deze leden hebben begrip voor de voorgestelde maatregelen om leveranciers
te weren, maar er bestaan zorgen over de diplomatieke gevolgen, de beperkte zeggenschap
van lidstaten, en de uitvoerbaarheid van interventies voor entiteiten. Deze leden
vragen het kabinet hoe zij kijkt naar de geopolitieke en de economische dimensie van
de CSA. Vindt het kabinet het wenselijk dat via leveranciersverboden en certificeringsschema's
de Europese strategische autonomie wordt versterkt? Ziet het kabinet het afbouwen
van strategische afhankelijkheden en het stimuleren van Europese alternatieven als
terecht doelen van de CSA? Zo niet, hoe kunnen deze doelen dan beter worden bereikt?
Antwoord
Het kabinet kijkt positief naar het doel van het voorstel om op Europees niveau cyberrisico’s
te mitigeren binnen de ICT-toeleveringsketens van essentiële en belangrijke entiteiten
in kritieke sectoren. Het kabinet erkent verder dat de herziening van de Cybersecurity
Act niet uitsluitend een technisch-cyberveiligheidsinstrument is, maar ook een duidelijke
geopolitieke en economische dimensie heeft. Dat is op zichzelf niet verrassend, gezien
de toegenomen verwevenheid tussen digitale infrastructuur, economische veiligheid
en strategische afhankelijkheden. Het kabinet acht het legitiem dat de Unie bij cyberveiligheid
mede oog heeft voor die bredere context, maar vindt wel dat het voorstel risico-gebaseerd,
casus-gericht, proportioneel en juridisch houdbaar moet blijven. Het kabinet acht
het in algemene zin wenselijk dat de Europese Unie haar strategische autonomie versterkt
waar het gaat om kritieke digitale infrastructuur en risicovolle strategische afhankelijkheden.
Tegelijkertijd moeten verboden betreffende leveranciers en certificeringsschema’s
niet worden ingezet als algemene economische beschermingsinstrumenten zonder noodzaak
voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen. De inzet van het kabinet is
erop gericht dat dit gebeurt op basis van een risico-gebaseerde aanpak, met oog voor
proportionaliteit en uitvoerbaarheid. Het kabinet merkt daarnaast op dat de CSA niet
het vanzelfsprekende instrument is om deze bredere economische en industriële doelen
te realiseren. Voor het stimuleren van Europese alternatieven zijn andere beleidsterreinen
van belang, zoals industriebeleid, innovatiebeleid, marktontwikkeling en publieke
inkoop.
17.
Zij lezen het kabinetsstandpunt over het Europese Agentschap voor Cyberveiligheid
(ENISA) met interesse. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat
ENISA een ondersteunende en faciliterende rol moet spelen richting lidstaten en toezichthouders.
Tegelijk zijn deze leden waakzaam dat de rol van lidstaten en toezichthouders niet
wordt beperkt. Kan het kabinet toelichten wat, naar haar mening, de ideale inrichting
en het takenpakket zou zijn van ENISA, zodat lidstaten maximaal ondersteund worden?
Welke concrete suggesties doet het kabinet om naar dit ideaalbeeld toe te werken?
Als de voorstellen over ENISA niet wijzigen t.o.v. het huidige Commissievoorstel,
gaat Nederland daar dan mee akkoord?
Antwoord
Het kabinet is positief over de rol van ENISA binnen het cyberlandschap, en werkt
nauw samen met de lidstaten en instanties van de EU, aan de versterking van de cyberweerbaarheid
binnen de Unie. Zo is het kabinet van mening dat ENISA een belangrijke rol speelt
als expertisecentrum op het gebied van cybersecurity, en als coördinerend en ondersteunend
orgaan fungeert binnen diverse EU-samenwerkingsverbanden (zoals het CSIRT-netwerk,
EU-Cyclone, en de NIS Cooperation Group). Ook speelt ENISA een belangrijke rol als
het gaat om de implementatie van effectieve EU-cybersecurity wetgeving, en een faciliterende
en ondersteunende rol voor de operationele samenwerking tussen lidstaten. Het kabinet
acht de ontwikkeling van cybersecurity-tools, -technieken, -en infrastructuur als
essentiële taak voor de ondersteuning van nationale CSIRT’s. Deze voorziene rollen
en taken zijn gepubliceerd in een non-paper ondertekend door 21 lidstaten waaronder
Nederland. Het kabinet pleit in de Europese onderhandelingen voor dit takenpakket
voor ENISA, en zal zich hier actief voor inzetten tijdens de onderhandelingen.
18.
Zij zijn positief over het voorstel voor een certificeringsraamwerk. Dit zorgt volgens
hen voor een eerlijkere markt, waarin Europese aanbieders vooraf kunnen aantonen dat
zij voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
hopen ook dat autonomie expliciet onderdeel wordt van het Europese raamwerk, zodat
aanbieders die bewezen autonome diensten leveren bij aanbestedingen een eerlijke kans
krijgen. Is dit het geval, en deelt het kabinet deze opvatting? Deze leden lezen voorts
dat het kabinet zich inzet «om te zorgen dat certificering technisch van aard blijft»:
zij vragen om dit standpunt uit te leggen. Hoe heeft Nederland dit bepleit? Ook vragen
deze leden welke termijn voor het opstellen van certificatieschema's wél reëel is.
Antwoord
Ten aanzien van het certificeringsraamwerk benadrukt het kabinet dat certificering
technisch van aard moet blijven. Daarmee wordt bedoeld dat certificering zich moet
richten op toetsbare, objectieve en technisch-inhoudelijke beveiligingseisen en niet
moet verschuiven naar een breed politiek of geopolitiek instrument zonder duidelijke
normatieve begrenzing. Het kabinet ziet de gedachte achter meer autonomie en een eerlijkere
markt, maar is terughoudend met het expliciet opnemen van autonomie als zelfstandig
certificeringscriterium als dat onvoldoende scherp en objectief af te bakenen is.
Certificering moet helder en voorspelbaar blijven voor marktpartijen en gebaseerd
zijn op concrete veiligheidsvereisten, zodat zij juridisch houdbaar en praktisch uitvoerbaar
blijft. Nederland heeft in het fiche benadrukt dat certificering technisch van aard
moet blijven en niet mag leiden tot onevenredige lasten, verplichtstelling zonder
voldoende basis of feitelijke vervanging van toezicht. Ten aanzien van de termijnen
voor certificatieschema’s acht het kabinet de door de Commissie beoogde snelheid ambitieus.
Een reële termijn hangt af van de complexiteit van het betreffende certificeringsschema,
de betrokken sector en de beschikbaarheid van technische standaarden. Het kabinet
vindt dat certificeringsschema’s pas moeten worden vastgesteld wanneer kwaliteit,
uitvoerbaarheid en draagvlak voldoende zijn geborgd.
19.
Zij onderschrijven de zorg dat het toezicht op orde moet blijven en niet feitelijk
verzwakt mag worden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet welke
voorstellen zij doet om de toezichthouders in positie te houden. Het pleidooi van
het kabinet voor risico-gebaseerd en niet-discriminatoir uitsluiten van leveranciers
staat op gespannen voet met wat de Commissie voorstelt en de rol van ENISA die groeit.
Ook krijgt de Commissie de bevoegdheid om hele landen aan te wijzen als riskant en
om leveranciers als «hoog risico» aan te merken. Hoe kijkt het kabinet naar deze bevoegdheid
van de Commissie in relatie tot de interventiebevoegdheid die is opgenomen in het
Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten?5 Is het weren van producten en diensten bij entiteiten onder de CSA2 nog een nationale
bevoegdheid? Hoe ziet het kabinet dit voor zich?
Antwoord
Het kabinet pleit voor een goede samenhang tussen Europese instrumenten en nationale
instrumenten, ook waar dit de interventiebevoegdheid betreft. Daarom zal het kabinet
de proportionaliteit en de uitvoerbaarheid van de nieuw voorgestelde maatregelen doorlopend
als aandachtspunt inbrengen. In dat licht benadrukt het kabinet het belang van artikel
98, derde lid, waardoor lidstaten de bevoegdheid behouden om zelfstandig aanvullende
maatregelen te nemen om hun cyberbeveiligingsniveau te waarborgen. Het kabinet onderstreept
ook dat de bescherming van de nationale veiligheid een uitsluitende verantwoordelijkheid
van de lidstaten is. Voor de inmiddels in de voorstellen voor de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten opgenomen bevoegdheid om entiteiten te
verbieden gebruik te maken van producten of diensten van specifieke leveranciers geldt
dat gebruikmaking daarvan nadrukkelijk is gekoppeld aan de noodzaak om risico’s voor
de nationale veiligheid te beheersen. Het kabinet acht het van belang dat het de lidstaten
vrijstaat om op nationaal niveau entiteiten een verbod op te leggen om producten of
diensten die van leveranciers te gebruiken, op basis van een eigenstandige afweging
ten aanzien van bijvoorbeeld specifiek voor entiteiten binnen die lidstaat geldende
dreigingen betreffende leveranciers uit derde landen.
20.
Deze leden benadrukken de noodzaak om strategische digitale afhankelijkheden af te
bouwen. Het grootste cyberveiligheidsrisico in hun ogen is de totale dominantie van
enkele niet-Europese bedrijven in de digitale markt. Dit maakt de EU als geheel gevoelig
voor politieke druk. De CSA2 mag dan ook niet uitsluitend zien op het weren van Chinese
leveranciers, terwijl keer op keer wordt erkend dat ook de Verenigde Staten de machtspositie
van haar techgiganten misbruikt om druk uit te oefenen op Europese besluitvorming.
Ook moeten deze bedrijven voldoen aan Amerikaanse spionagewetgeving, zoals de CLOUD
Act, de Foreign Intelligence Surveillance Act, en Executive Order 12333. Welke rol
ziet het kabinet voor de CSA2 weggelegd om marktmonopolies te doorbreken? Voldoen
Amerikaanse leveranciers, die moeten voldoen aan de zojuist genoemde wetgeving, aan
de criteria om aangemerkt te worden als «hoog risico» en afkomstig uit «een land dat
cyberzorgen met zich meebrengt»? Zo nee, waarom zij niet, en Chinese leveranciers
in de telecomsector bijvoorbeeld wel?
Antwoord
Het kabinet erkent zorgen over strategische afhankelijkheden, ook richting niet-Europese
aanbieders. De Cybersecurity Act dient echter primair als middel om de cyberbeveiliging
in de EU te bevorderen en risico’s daaromtrent te mitigeren. Zo is het doorbreken
van marktmonopolies geen doel op zich, maar kan een te grote afhankelijkheid van één
leverancier veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. In dit verband kan worden gewezen
op artikel 103, tweede lid, onderdeel g van de CSA2 waarin wordt bepaald dat via een
uitvoeringshandeling aan essentiële en belangrijke entiteiten ook mitigerende maatregelen
kunnen worden opgelegd met betrekking tot diversificatie van de toeleveringsketen.
Daarnaast benadrukt het kabinet het belang van een risico-gebaseerd en casus-gericht
raamwerk, waarbij op basis van objectieve criteria en een gedegen risicobeoordeling
de maatregelen geformuleerd worden die zich verhouden tot het vastgestelde risico.
In dat licht plaatst het kabinet dan ook kanttekeningen bij de generieke landen- en
leveranciersaanwijzing.
21.
Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of ook overwogen is om het
uitsluiten van producten en diensten minder afhankelijk te maken van het land van
afkomst. Een product uit een bevriend land kan evengoed een kwetsbaarheid bevatten
die cyberrisico's met zich meedraagt. Wat vindt het kabinet van een nationale, of
zelfs een Europese, bevoegdheid om productverboden of leveranciersverboden op te leggen,
los van de banden met een land? Zijn deze mogelijkheden onderzocht in het kader van
de Cbw en de Wwke, die nu enkel een interventiebevoegdheid bevatten die ziet op het
weren van producten en diensten bij specifieke entiteiten in plaats van een algemene
interventie op het mogen leveren van die producten en diensten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van een casus-gerichte en risico-gebaseerde benadering,
waarbij mitigerende maatregelen dus voornamelijk afhankelijk zijn van het vastgestelde
risico voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen. Hierdoor zijn mitigerende
maatregelen gericht en staan zij in redelijke verhouding tot het beoogde doel om risico’s
te mitigeren. Voor de in de wetsvoorstellen voor de Cbw en de Wwke opgenomen interventiebevoegdheid
geldt dat het verbod op gebruik van producten of diensten van specifieke leveranciers
aan een essentiële entiteit of belangrijke entiteit zal worden opgelegd, indien dat
gelet op hun specifiek betreffende omstandigheden ter beheersing van beveiligingsrisico’s
die de nationale veiligheid raken noodzakelijk is. De inzet van deze bevoegdheid richt
zich dus bewust op maatwerk per entiteit, om in het bijzonder ook proportionaliteit
te waarborgen. Een algemene bevoegdheid om producten of diensten in algemene zin van
de markt te weren is in dat kader niet als uitgangspunt gekozen. Het kabinet blijft
wel bezien of het bestaande instrumentarium voldoende toereikend is in het licht van
veranderende risico’s en Europese ontwikkelingen. Het kabinet mist deze risico-gebaseerde
en casus-gerichte aanpak binnen het raamwerk, en is om deze reden kritisch op de bevoegdheid
om een derde land als geheel aan te wijzen als een land dat aanleiding geeft tot bezorgdheid
over cyberbeveiliging. Het kabinet vindt daarnaast dat het voorstel op dit moment
onduidelijk is over de vraag of alle leveranciers, afkomstig uit of onder invloed
staand van het aangewezen derde land én aanwezig in de ICT-toeleveringsketen van essentiële
of belangrijke entiteiten, direct gelden als een hoog-risicoleverancier. Het kabinet
wijst op de mogelijk omvangrijke gevolgen van deze aanwijzingen. Het kabinet zal zich
daarom gedurende de onderhandelingen inspannen voor een risico-gestuurd raamwerk.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
22.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de fiches
over de herziening van de Cybersecurity Act en de vereenvoudiging van de NIS2-richtlijn.
Deze leden onderschrijven het belang van een sterker Europees cyberbeveiligingskader
en van het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden in vitale digitale
infrastructuur. Tegelijk achten zij het van belang dat nieuwe Europese bevoegdheden
voldoende risico-gebaseerd, proportioneel en uitvoerbaar blijven, en dat nationale
veiligheidsafwegingen en effectief toezicht niet onnodig worden uitgehold. De leden
van de CDA-fractie lezen dat de Commissie de bevoegdheid krijgt om derde landen en
leveranciers als hoog risico aan te wijzen en daaraan bindende gevolgen te verbinden.
Deze leden vragen op basis van welke criteria deze aanwijzingen plaatsvinden, welke
rol lidstaten in deze besluitvorming behouden en hoe wordt geborgd dat nationale dreigingsbeelden
en bestaande nationale instrumenten voldoende gewicht houden.
Antwoord
De Europese Commissie hanteert in artikel 100 een aantal criteria die worden betrokken
bij de beoordeling of een derde land als een hoog risico wordt aangewezen, zoals het
bestaan van wetten in het derde land die entiteiten verplichten informatie over kwetsbaarheden
te delen met de autoriteiten of ontbrekende juridische en rechtsstatelijke waarborgen.
In artikel 104 schetst de Commissie de criteria om leveranciers als hoog-risico aan
te wijzen, waarbij de Commissie met name kijkt naar welke leveranciers in de ICT-toeleveringsketen
mogelijk zijn gevestigd in een aangewezen derde land of onder zeggenschap staan van
dat derde land, van een in dat derde land gevestigde entiteit of van een onderdaan
van dat derde land.
Het kabinet is van oordeel dat de aanwijzing van derde landen en leveranciers geheel
als «hoog risico» onwenselijk is, omdat de mate van risico sterk afhankelijk is van
het geleverde ICT-onderdeel, de geleverde (kritieke) dienst en reeds genomen technisch-organisatorische
maatregelen. Daarnaast dienen eventuele mitigerende maatregelen uitsluitend te worden
vastgesteld op basis van transparante, objectieve en toetsbare criteria. Het kabinet
benadrukt dat dergelijke besluiten niet louter technisch zijn, maar ook aanzienlijke
veiligheids- en economische implicaties hebben. Lidstaten behouden een rol bij zowel
de landen- als de leveranciersaanwijzing, omdat in het huidige voorstel deze aanwijzingen
via een uitvoeringshandeling zullen worden geïmplementeerd. Tegelijkertijd is het
kabinet van mening dat deze aanwijzingen, naast een technisch-juridische weging, ook
een politieke afweging vergt vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen. Bij beslissingen
met grote geopolitieke gevolgen is voor het kabinet het niveau van besluitvorming
daarom ook relevant. Het kabinet zal zich om deze reden ook inzetten voor een evenwichtigere
rolverdeling tussen de Europese Commissie en de lidstaten binnen het raamwerk. Daarnaast
pleit het kabinet voor een goede samenhang tussen nationale en Europese instrumenten,
en onderstreept in dat licht in elk geval dat de bescherming van de nationale veiligheid
een uitsluitende verantwoordelijkheid van de lidstaten is. Het kabinet acht het van
belang dat het lidstaten vrij blijft staan om op basis van een eigenstandige afweging,
bijvoorbeeld ter bescherming van de nationale veiligheid, mitigerende maatregelen
te nemen.
23.
Voorts vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de proportionaliteit en uitvoerbaarheid
van de verplichte uitfasering van technologie van hoog-risicoleveranciers, in het
bijzonder in telecom- en andere vitale netwerken. Welke voorwaarden acht het kabinet
daarbij noodzakelijk ten aanzien van de continuïteit van dienstverlening, de beschikbaarheid
van alternatieve technologie, differentiatie naar het risicoprofiel van netwerkonderdelen
en realistische overgangstermijnen?
Antwoord
Het kabinet acht een aantal randvoorwaarden cruciaal bij eventuele verplichte uitfasering.
Allereerst moet de continuïteit van essentiële dienstverlening gewaarborgd blijven.
Daarnaast is het van belang dat er voldoende beschikbare en betrouwbare alternatieve
leveranciers zijn, zodat entiteiten daadwerkelijk kunnen overstappen. Verder acht
het kabinet differentiatie naar het risicoprofiel van onderdelen van netwerk- en informatiesystemen
noodzakelijk. Niet alle onderdelen van een netwerk- en informatiesysteem zijn even
kritiek; een generieke verplichting zonder onderscheid kan leiden tot onnodige lasten.
Tot slot zijn realistische overgangstermijnen essentieel, zodat entiteiten de tijd
hebben om aanpassingen zorgvuldig door te voeren zonder verstoring van hun dienstverlening.
24.
De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast dat certificering een veel centralere
rol krijgt binnen het Europese cyberkader. Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt
dat certificering in de praktijk een indirect instrument voor uitsluiting of markttoegang
wordt, terwijl de onderliggende Europese certificeringskaders nog niet volledig zijn
uitgewerkt. Ook vragen zij hoe wordt voorkomen dat het verminderen van afhankelijkheden
uiteindelijk leidt tot nieuwe afhankelijkheden van een zeer beperkt aantal leveranciers.
Antwoord
Met betrekking tot certificering onderkent het kabinet dat een grotere rol van certificering
voordelen kan bieden, maar ook risico’s met zich meebrengt. Het kabinet acht het van
belang dat certificering primair een technisch instrument blijft dat gericht is op
het aantonen van cyberbeveiligingsniveau, en niet de facto een instrument wordt voor
markttoegang -of uitsluiting zonder dat de onderliggende kaders voldoende zijn uitgewerkt.
Certificering mag niet vooruitlopen op certificeringsschema’s die nog niet volledig
operationeel of uitgekristalliseerd zijn. Daarom zet het kabinet zich ervoor in dat
certificeringsschema’s pas verplicht worden gesteld wanneer zij voldoende duidelijk,
uitvoerbaar en beschikbaar zijn en dat bedrijven niet worden geconfronteerd met verplichtingen
waaraan zij feitelijk nog niet kunnen voldoen.
Daarnaast deelt het kabinet de zorg dat het verminderen van afhankelijkheden van bepaalde
leveranciers niet mag leiden tot nieuwe afhankelijkheden van een beperkte groep alternatieve
leveranciers. Het kabinet acht het daarom van belang dat beleid gericht is op diversificatie,
het voorkomen van lock-ins en het stimuleren van een bredere en meer concurrerende leveranciersbasis, inclusief
versterking van het Europese technologische ecosysteem. Het kabinet benadrukt dat
strategische autonomie niet betekent dat afhankelijkheden worden verschoven, maar
dat deze worden verminderd en beter beheersbaar worden gemaakt.
25.
Ten aanzien van de vereenvoudiging van NIS2 vragen de leden van de CDA-fractie hoe
het kabinet zich inzet om audit- en inspectiebevoegdheden van nationale toezichthouders
te behouden, juist omdat certificering niet steeds een volledig beeld geeft van actuele
risico’s of sectorspecifieke kwetsbaarheden. Ook vragen deze leden hoe ruimte behouden
blijft voor andere bestaande normenkaders, zodat dubbel werk en onnodige lasten worden
voorkomen.
Antwoord
Om de audit- en inspectiebevoegdheden van nationale toezichthouders te behouden, evenals
ruimte te laten voor andere bestaande normenkaders, zet het kabinet in Brussel in
op meerdere sporen. In de eerste plaats zal Nederland het belang van het behouden
van zowel de bevoegdheden als de ruimte voor bestaande normenkaders, om zo onder meer
de uitvoeringslasten voor entiteiten te beperken, actief inbrengen bij de onderhandelingen.
Daarnaast zoekt het kabinet actief naar lidstaten die dezelfde zorgen hebben zodat
dit standpunt gezamenlijk ingebracht kan worden.
26.
Tot slot vragen zij hoe het kabinet de versterkte rol van het ENISA en de voorgestelde
maximumharmonisatie beoordeelt. Waar ligt voor het kabinet de grens tussen nuttige
Europese coördinatie en een onwenselijke beperking van nationale beleidsruimte, zeker
wanneer nationale veiligheid of een specifieke dreiging aanleiding geeft tot aanvullende
maatregelen?
Antwoord
Voor het kabinet is het van belang dat ENISA geen operationele taken toebedeeld krijgt
die raken aan nationale competenties of overlappen met bestaande nationale structuren.
Daarbij geldt in het bijzonder dat de bescherming van de nationale veiligheid een
uitsluitende verantwoordelijkheid van lidstaten betreft. Europese samenwerking is
noodzakelijk en wenselijk, maar mag bijvoorbeeld niet verhinderen dat lidstaten zelfstandig
aanvullende maatregelen nemen wanneer hun nationale dreigingsbeeld daartoe aanleiding
geeft.
Het kabinet zet zich daarom in voor een evenwichtige benadering, waarbij Europese
maatregelen ondersteunend zijn aan nationale inspanningen en niet beperkend. In het
bijzonder moet ruimte blijven bestaan voor sectorspecifieke maatregelen en snelle
interventies bij acute dreigingen. In dit kader beoordeelt het kabinet de versterkte
rol van ENISA in beginsel positief, maar benadrukt dat ENISA geen taken dient uit
te voeren die raken aan nationale competenties of overlappen met al bestaande nationale
structuren en dienstverlening.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
27.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige stukken inzake
de fiches over de herziening van de Cybersecurity Act en de vereenvoudiging van de
NIS2-richtlijn. Deze leden besteden graag aandacht aan de versterkte rol van ENISA
binnen het kader van het voorstel voor de herziening van de Cyber Security Act. ENISA
fungeert als expertisecentrum voor cyberbeveiliging binnen de EU en krijgt met het
voorstel een aanzienlijk uitgebreid mandaat, waarbij de organisatie zowel coördinerend
als operationeel optreedt op het gebied van beleid, regelgeving en capaciteitsopbouw.
ENISA zal een belangrijke rol vervullen bij de operationele samenwerking tussen lidstaten,
onder meer door het faciliteren van informatie-uitwisseling. Zo wordt ENISA ook verantwoordelijk
voor een early alerts-dienst voor CSIRT’s en entiteiten, en voor het monitoren van
trends en ransomware-aanvallen. Bovendien zal ENISA ondersteuning bieden bij concrete
incidenten via een helpdesk. Deze leden zien deze versterking van ENISA als een kans
voor betere samenwerking, maar wijzen ook op een aantal aandachtspunten en potentiële
risico’s op het gebied van coördinatie en verantwoordelijkheidsafbakening. Deze leden
hebben de volgende vragen: hoe voorkomen we overlap of dubbel werk tussen ENISA en
de nationale CSIRT’s, en wie grijpt in als er overlap ontstaat? Kan het kabinet toelichten
wat er gebeurt bij grensoverschrijdende incidenten die meerdere lidstaten raken: wie
heeft de leiding en regie? Kan het kabinet verduidelijken, hoe bij grootschalige grensoverschrijdende
incidenten de coördinatie wordt georganiseerd, en hoe versnippering wordt voorkomen
als operationele taken bij nationale CSIRT’s blijven?
Antwoord
Het kabinet zal zich tijdens de onderhandeling actief inzetten om duplicatie van (operationele)
taken tussen ENISA en nationale CSIRT’s te voorkomen. Het kabinet benadrukt dat ENISA
geen operationele taken toebedeeld dient te krijgen en uit te voeren die raken aan
nationale competenties of overlappen met al bestaande nationale structuren en dienstverlening.
Het kabinet kijkt om deze reden kritisch naar een early alerts helpdesk van ENISA en heeft vragen over de voorgestelde rol om steun te verlenen rondom ransomware
incidenten. Het kabinet ziet hier overlap met bestaande structuren en (nationale)
competenties, waaronder de dienstverlening van nationale CSIRT’s en het mandaat van
Europol. Voor wat betreft de rol van ENISA in relatie tot grensoverschrijdende incidenten,
ENISA vervult een ondersteunde rol bij de informatiedeling tussen de lidstatelijke
CSIRT’s en crisisbeheersingsautoriteiten. ENISA fungeert daarnaast als het secretariaat
van het EU-CyCLONe netwerk en het CSIRT-netwerk die worden geactiveerd bij grensoverschrijdende
cyberincidenten in de EU.
28.
Zij besteden verder graag aandacht aan het voorstel van de Cyber Security Act rond
de aanwijzing van hoog-risicoleveranciers binnen Europese en nationale infrastructuren.
Het voorstel geeft de Europese Commissie de bevoegdheid om leveranciers uit derde
landen, zoals China, Rusland en Noord-Korea, aan te merken als hoog-risico. Leveranciers
die als hoog-risico worden aangemerkt, mogen vervolgens niet deelnemen aan overheidsaanbestedingen
of aanspraak maken op EU-financiering. Dit kan bijdragen aan het versterken van de
cyberbeveiliging. Tegelijkertijd kunnen lidstaten zelf hoog-risico leveranciers aanwijzen,
waardoor sprake is van een combinatie van nationale en EU-brede maatregelen. Dit beleid
is gericht op het versterken van de cyberveiligheid en strategische autonomie van
Europa, blijven er belangrijke vragen bestaan op het gebied van proportionaliteit,
nationale zeggenschap en de betrouwbaarheid van de risicobeoordelingen. Het instrument
dat de Europese Commissie zal introduceren voor risicobeoordelingen is namelijk nog
niet volledig operationeel, enkel deels, waardoor extra aandacht voor waarborgen en
uitvoering nodig is. De leden van de JA21-fractie zijn tevreden over deze strategische
autonomie, maar hebben de volgende vragen: in hoeverre wordt het proportionaliteitsbeginsel
gehanteerd, zodat economische schade beperkt blijft wanneer leveranciers als hoog-risico
worden aangemerkt? Kan het kabinet verduidelijken welke mogelijkheden en criteria
er bestaan om een leverancier in de toekomst weer van de hoog-risicolijst te verwijderen?
Is er voorzien in periodieke herbeoordeling? Kan het kabinet verder toelichten in
hoeverre lidstaten zelf de controle over de aanwijzing van hoog-risico leveranciers
(preventieve uitsluiting) behouden? Kan het kabinet bovendien toelichten hoe wordt
voorkomen dat de Europese Commissie te veel macht krijgt in nationale veiligheidskwesties?
Kan het kabinet tot slot toelichten hoe betrouwbaar de risicobeoordelingen zijn, en
of er hierbij voldoende handvatten voor de uitvoering zijn, aangezien het instrument
dat de Commissie zal introduceren nog niet (geheel) aanwezig is?
Antwoord
Het kabinet acht het proportionaliteitsbeginsel essentieel bij het aanwijzen van hoog-risicoleveranciers.
Dit betekent dat daaraan gekoppelde maatregelen in verhouding moeten staan tot het
vastgestelde risico. Het kabinet zal de proportionaliteit en praktische uitvoerbaarheid
van de voorgenomen maatregelen uit het raamwerk doorlopend als aandachtspunt inbrengen
in de verdere onderhandelingen.
Het kabinet acht het van belang dat er duidelijke en transparante criteria bestaan
om leveranciers van de hoog-risicolijst te verwijderen. Het kabinet vindt het voorstel
hierover onvoldoende duidelijk. Het voorstel specificeert weliswaar in artikel 104,
zevende lid, dat de Europese Commissie de lijst regelmatig zal bijwerken «met het
oog op de schrapping of toevoeging van leveranciers met een hoog risico», maar de
criteria voor verwijdering en periodieke herbeoordeling zijn alsnog onduidelijk. Zo’n
mechanisme vereist tevens dat leveranciers aantoonbaar risico’s hebben gemitigeerd
of dat omstandigheden zijn gewijzigd. Het kabinet zet zich in voor een dynamisch systeem
waarin herbeoordeling mogelijk is.
Hoewel het kabinet een Europese aanpak onderschrijft, zal het kabinet doorlopend pleiten
voor een stevigere rol van de lidstaten in alle onderdelen van het raamwerk. Hierbij
merkt het kabinet op dat met name ook de aanwijzingscriteria van hoog-risicoleveranciers
en de criteria om op Europees niveau mitigerende maatregelen te treffen onduidelijk
en breder dan noodzakelijk zijn. Het kabinet zal dit, gedurende de onderhandelingen,
onder de aandacht brengen. Ook is het kabinet van mening dat een dergelijke aanwijzing
een politieke afweging vergt, vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen. Bij beslissingen
met grote geopolitieke gevolgen is voor het kabinet het niveau van besluitvorming
daarom ook relevant. In dat licht pleit het kabinet voor een goede samenhang tussen
nationale en Europese instrumenten en benadrukt het kabinet in dat geval de bescherming
van de nationale veiligheid een uitsluitende verantwoordelijkheid van de lidstaten
blijft. Het kabinet zal zich daarnaast inzetten voor een evenwichtigere rolverdeling
tussen de Europese Commissie en de lidstaten binnen het Europees kader voor ICT-toeleveringsketens.
Het kabinet is positief over het principe om op basis van een risicobeoordeling maatregelen
te formuleren, gericht op specifieke producten of diensten van specifieke leveranciers,
die uiteindelijk een bindend karakter kunnen krijgen binnen de EU. Tegelijkertijd
acht het kabinet de kwaliteit van de huidige beveiligingsrisicobeoordelingen onvoldoende
robuust om op basis daarvan dergelijke bindende maatregelen te formuleren. Zo is de
benodigde informatie voor een kwalitatief robuuste beoordeling, mede vanwege het gevoelige
en gerubriceerde karakter, vaak enkel op nationaal niveau beschikbaar. Het kabinet
zal daarom pleiten voor voldoende robuuste risicobeoordelingen.
29.
Deze leden willen daarnaast nog aandacht vragen voor de evaluatiebepaling van het
voorstel. Volgens het voorstel vindt een eerste evaluatie plaats na vijf jaar, gevolgd
door periodieke evaluaties elke vijf jaar. Tegelijkertijd wordt voorzien dat de implementatie
van het voorstel circa anderhalf jaar in beslag zal nemen, waardoor de regeling pas
na verloop van tijd volledig operationeel zal zijn.
Zij merken op dat dit betekent dat eventuele knelpunten of onvoorziene effecten pas
relatief laat in beeld komen. Juist bij complexe en ingrijpende regelgeving op het
gebied van cybersecurity, waarin technologische ontwikkelingen en dreigingen zich
snel opvolgen, is het van belang dat wetgeving tijdig kan worden bijgesteld indien
deze in de praktijk niet effectief of proportioneel blijkt te zijn. Een te lange evaluatietermijn
kan ertoe leiden dat inefficiënties of uitvoeringsproblemen onnodig lang blijven bestaan.
Een evaluatietermijn van drie jaar zou daarom passend zijn. Kan het kabinet toelichten
of de evaluatietermijn kan worden verkort en of een eerste evaluatie na drie jaar
niet passender zou zijn, zodat eventuele tekortkomingen eerder kunnen worden gesignaleerd
en aangepakt?
Antwoord
Het kabinet begrijpt de zorg dat een evaluatietermijn van vijf jaar relatief lang
is gezien de dynamiek van het cyberdomein. Het Kabinet staat om deze reden open voor
een kortere eerste evaluatietermijn, bijvoorbeeld na drie jaar, mits dit uitvoerbaar
is en voldoende gegevens beschikbaar zijn om een zinvolle evaluatie te doen.
30.
De leden JA21-fractie willen tevens aandacht vragen voor de samenloop van verschillende
wettelijke kaders op het gebied van cyberbeveiliging. Organisaties kunnen in de praktijk
onder meerdere wetten vallen, zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke),
de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Cybersecurity Act, die elk eigen verplichtingen
kennen, bijvoorbeeld ten aanzien van zorgplicht, meldplicht en certificering. Dit
kan ertoe leiden dat bij niet-naleving meerdere sancties worden opgelegd voor verschillende
overtredingen. Deze leden begrijpen dat niet twee bestuurlijke boetes naast elkaar
kunnen worden opgelegd indien het gaat om dezelfde overtreding. Het kan echter voorkomen
dat de overtredingen verschillend zijn. Kan het kabinet daarom toelichten hoe in de
praktijk wordt geborgd dat toezichthouders gescheiden sancties opleggen voor verschillende
wettelijke verplichtingen, en hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot onevenredige (financiële)
lasten voor organisaties, terwijl tegelijkertijd de cyberweerbaarheid en naleving
van alle relevante regels wordt gewaarborgd?
Antwoord
Het kabinet erkent dat samenloop van verschillende wettelijke kaders kan leiden tot
complexiteit. Daarom wordt geborgd dat toezichthouders hun optreden afstemmen en dat
er geen dubbele bestraffing plaatsvindt voor dezelfde overtreding. Wanneer sprake
is van verschillende verplichtingen, kunnen afzonderlijke sancties worden opgelegd.
Toezichthouders houden daarbij in de praktijk rekening met de totale lasten voor organisaties
en stemmen hun handhaving hierop af, zodat onevenredige (financiële) lasten worden
voorkomen.
31.
Zij willen tot slot ingaan op de voorgestelde verplichting tot uitfasering van apparatuur
van hoog-risicoleveranciers binnen kritieke infrastructuren. Deze verplichting kan
grote financiële en operationele gevolgen hebben voor telecombedrijven en andere aanbieders
van vitale diensten. Daarbij speelt dat niet alle netwerkonderdelen per definitie
een hoog risicoprofiel hebben, waardoor het niet noodzakelijk hoeft te zijn om alle
apparatuur te vervangen. Dit roept vragen op over de proportionaliteit en uitvoerbaarheid.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over het feit dat lidstaten verschillen
in hun afhankelijkheid van specifieke buitenlandse leveranciers, wat de onderhandelingen
complex maakt en kan leiden tot politieke spanningen. Ook is het van belang dat maatregelen
rondom uitfasering in lijn zijn met bestaande handelsafspraken en internationale verplichtingen,
en dat zij niet leiden tot nadelige effecten voor de concurrentiepositie van Europese
bedrijven. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het beperken van het aantal toegestane
leveranciers juist leidt tot nieuwe afhankelijkheden. Deze leden stellen daarom de
volgende vragen: kan het kabinet toelichten of de uitfasering van Chinese of andere
buitenlandse technologieën wordt afgestemd op bestaande handelsafspraken of internationale
verplichtingen? Kan het kabinet verduidelijken hoe het beleid bij kan dragen aan strategische
autonomie zonder Europese bedrijven te benadelen in internationale concurrentie, mede
gezien het feit dat niet elk netwerkonderdeel een hoog risicoprofiel heeft? Kan het
kabinet ook toelichten hoe de verwachte kosten eruit zien voor kleinere bedrijven
of leveranciers van kritieke infrastructuur, en kan het kabinet toelichten hoe deze
kleinere bedrijven financiële lasten redelijkerwijs kunnen dragen, wordt er rekening
gehouden met de financiële draagkracht? Hoe waarborgt het kabinet bovendien dat Cyber
Security Act niet leidt tot een te beperkte groep leveranciers en zo de strategische
afhankelijkheid vergroot? Kan het kabinet eveneens benadrukken hoe lock-ins (vastzitten
aan één leverancier) en operationele kwetsbaarheid worden voorkomen, wanneer bepaalde
leveranciers beperkt beschikbaar zijn?
Antwoord
Het kabinet acht het van belang dat de voorgestelde maatregelen in overeenstemming
met de internationale verplichtingen van de EU worden vormgegeven, waaronder de akkoorden
van de Wereldhandelsorganisatie en bilaterale handelsakkoorden. Het kabinet zal dit
gedurende de onderhandelingen onder de aandacht brengen.
Het kabinet ziet de Cybersecurity Act primair als een instrument om de cyberbeveiliging
van de EU te bevorderen, cyberbeveiligingsrisico’s te mitigeren en een geharmoniseerde
toepassing van deze maatregelen in de Unie te bevorderen. Dit draagt op termijn bij
aan de concurrentiekracht van de Europese economie, omdat een uniform kader uiteenlopende
nationale maatregelen tegengaat en rechtszekerheid biedt. Het kabinet ziet in dat
licht meerwaarde om in bepaalde gevallen op Europees niveau mitigerende maatregelen
te nemen, omdat dit bijdraagt aan een uniforme toepassing in de digitale interne markt
en ongewenste overloopeffecten tegengaat. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet een
risico-gebaseerde en casus-gerichte aanpak, waarbij maatregelen proportioneel zijn
en zich verhouden tot het vastgestelde risico. Hierbij onderschrijft het kabinet dat
de mate van risico onder meer sterk afhankelijk is van het geleverde netwerk- en informatiesysteemonderdeel.
In de impact assessment van het voorstel stelt de Europese Commissie dat het mkb profiteert
van betrouwbare technologie in ICT-toeleveringsketens, maar onderkent tegelijkertijd
dat de impact groot is voor bedrijven of leveranciers op wie de restrictieve maatregelen
van toepassing zijn.
Het kabinet pleit voor een ICT- toeleveringsketenraamwerk dat recht doet aan de onderlinge
verscheidenheid van ICT-toeleveringsketens in de Unie, en daarmee voldoende maatwerk
kan bieden. In artikel 103, vierde lid, houdt de Europese Commissie rekening met de
potentiële risico’s op afhankelijkheden, met name ook waar dit gaat om aanwezigheid
van alternatieve leveranciers. Het kabinet zal gedurende de onderhandelingen dan ook
benadrukken dat de criteria om op Europees niveau mitigerende maatregelen te treffen
duidelijk omschreven dienen te zijn, dat deze zich goed verhouden tot reeds getroffen
maatregelen en rekening houden met de onderlinge verscheidenheid van ICT-toeleveringsketens.
Het kabinet benadrukt dat ICT-toeleveringsketens in kritieke sectoren binnen de Unie
van elkaar kunnen verschillen. Wat het kabinet betreft dient het raamwerk recht te
doen aan deze onderlinge verscheidenheid en zich goed te verhouden tot eventuele operationele
kwetsbaarheden in verschillende toeleveringsketens. In dat licht pleit het kabinet
voor duidelijkere criteria waarmee op Europees niveau mitigerende maatregelen genomen
kunnen worden, zodat deze maatregelen zich goed verhouden tot specifieke nationale
omstandigheden en reeds getroffen maatregelen.
32.
Zij hebben gezien dat het voorstel een nieuwe categorie kleinere bedrijven («small
mid-cap»), introduceert, zodat zij onder lichter toezicht vallen. Ook European Business
Wallets vallen nu ook onder de Richtlijn. Bedrijven kunnen aantonen dat ze voldoen
aan de zorgplicht via een certificaat, waardoor extra audits door toezichthouders
niet nodig zijn. Dit verlaagt de regeldruk, vooral voor bedrijven die in meerdere
EU-landen actief zijn. De leden van de fractie JA21-fractie hebben de volgende vragen:
Kan het kabinet aangeven welke Nederlandse entiteiten door deze wijzigingen nieuw
in scope komen, waaronder ook European Business Wallets, en hoeveel entiteiten naar
verwachting geraakt worden door de nieuwe categorie small mid-cap? Wat betekent dit
concreet voor toezicht, regeldruk en cyberweerbaarheid? Kan het kabinet bovendien
toelichten hoeveel Nederlandse entiteiten hierdoor naar verwachting van essentieel
naar belangrijk zullen verschuiven met de introductie van de nieuwe categorie small
mid-cap?
Antwoord
Voor de uitbreiding van het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn met enkele nieuwe
soorten entiteiten, zoals aanbieders van European Business Wallets, geldt dat het
kabinet verwacht dat een bredere groep van soorten entiteiten onder deze richtlijn
zal vallen. Het kabinet beschikt op dit moment nog niet over exacte aantallen voor
Nederland. Datzelfde geldt voor de hoeveelheid entiteiten die vanwege de voorgestelde
introductie van de categorie small mid-cap, in plaats van als essentiële entiteit,
als belangrijke entiteit zullen worden aangemerkt. In algemene zin kan worden opgemerkt
dat de introductie van deze categorie zal leiden tot een lichter toezichtregime voor
bepaalde entiteiten en daarmee tot een vermindering van de regeldruk. Tegelijkertijd
blijft het van belang dat deze differentiatie niet leidt tot een afname van het daadwerkelijke
cyberbeveiligingsniveau. Daarvan zal naar het oordeel van het kabinet naar verwachting
geen sprake zijn, met name ook omdat voor zowel essentiële entiteiten als belangrijke
entiteiten verplichtingen als de zorgplicht en de meldplicht onverminderd van toepassing
zijn.
33.
Deze leden lezen verder dat het kabinet een bredere definitie van ransomware voorstaat
en wil dat essentiële informatie in de richtlijn zelf wordt opgenomen. Welke definitie
van ransomware wil het kabinet concreet bepleiten, mede gelet op nieuwe vormen van
afpersing waarbij niet uitsluitend sprake is van versleuteling, maar wel van een losgeldeis?
Acht het kabinet het verder wenselijk dat informatie over aanvalsvectoren, ransom-verzoeken,
betalingen en betaalde bedragen rechtstreeks in de richtlijn wordt opgenomen in plaats
van deels afhankelijk te maken van toekomstige uitvoeringshandelingen?
Antwoord
Het kabinet heeft een voorkeur voor een definitie die aansluit bij de definitie die
momenteel nationaal wordt gehanteerd, waarbij er niet per definitie sprake hoeft te
zijn van versleuteling van de gegevens. Nederland wil inzetten op een definitie van
ransomware waar alle gevallen waarin losgeld gevraagd wordt onder de definitie komen
te vallen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
34.
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de twee belangrijke
voorstellen om de digitale weerbaarheid van de Europese Unie te versterken en hebben
nog enkele vragen. Allereerst vragen deze leden hoe de Minister de waarschuwing van
het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) beoordeelt dat de regeldrukeffecten van
het uitgebreide toepassingsbereik en de nieuwe richtlijnen van ENISA nog onvoldoende
in kaart zijn gebracht.
Antwoord
Een aantal elementen van de voorstellen zijn op dit moment nog onvoldoende uitgewerkt,
zoals de precieze invulling van uitvoeringshandelingen, certificeringsschema’s en
de rol van ENISA in de praktijk. Het kabinet acht het van belang dat besluitvorming
over dergelijke voorstellen plaatsvindt op basis van een zo volledig mogelijk beeld
van de gevolgen voor bedrijven, overheden en toezichthouders. Daarom zet het kabinet
zich ervoor in dat de Europese Commissie de regeldrukeffecten nader onderbouwt en
dat deze conform de gebruikelijke methodieken inzichtelijk worden gemaakt.
35.
Verder lezen zij dat het kabinet aangeeft dat de voorgestelde implementatietermijn
van 12 maanden voor de NIS2-wijzigingen niet haalbaar is. Welke concrete stappen onderneemt
de Minister in Brussel om een realistische termijn van minimaal 18 maanden te bepleiten,
zodat ondernemers niet opnieuw in de knel komen door te krappe deadlines?
Antwoord
Om een realistische termijn te bepleiten, zet het kabinet in op meerdere sporen. In
de eerste plaats wordt dit standpunt actief ingebracht in de onderhandelingen in de
Raad, waarbij Nederland onder meer het belang van uitvoerbaarheid voor bedrijven,
overheden en toezichthouders expliciet onder de aandacht brengt. Daarbij wordt onderbouwd
dat een te korte implementatietermijn bijvoorbeeld kan leiden tot onduidelijkheid,
verhoogde regeldruk en risico’s voor de naleving. Het kabinet benadrukt in de onderhandelingen
dat een zorgvuldige implementatie bijdraagt aan een effectievere cyberweerbaarheid,
en dat snelheid niet ten koste mag gaan van kwaliteit en uitvoerbaarheid. Tot slot
zoekt het kabinet actief samenwerking met andere lidstaten die vergelijkbare zorgen
hebben, om gezamenlijk te pleiten voor een langere en realistischere termijn.
36.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie: waarom ondersteunt de Minister de uitbreiding
van het register bij ENISA naar alle essentiële en belangrijke entiteiten, terwijl
het kabinet zelf toegeeft dat de noodzaak hiervan ongeclausuleerd en onvoldoende onderbouwd
is?
Antwoord
Het kabinet zet kritische kanttekeningen bij de voorgestelde uitbreiding van het register
bij ENISA met gegevens over alle essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten,
onder meer omdat in het desbetreffende voorgestelde artikel niet expliciet wordt gemaakt
voor welke taken die uitbreiding van de registratie nodig is. Deze uitbreiding lijkt
vooralsnog verder te gaan dan noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van het
voorstel, met name ook omdat het voorstel niet duidelijk is gekoppeld aan specifieke
taken van het agentschap, de uitbreiding daarmee ongeclausuleerd is, en het gelet
hierop niet duidelijk is waarom deze uitbreiding noodzakelijk is. Het kabinet zal
daarom tijdens de onderhandelingen eerst vragen om een nadere onderbouwing van het
voorstel, in het bijzonder ook op bovengenoemde punten, om te kunnen beoordelen of
de voorgestelde uitbreiding van het register geacht moet worden al dan niet noodzakelijk
te zijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier