Brief regering : Voorzieningszekerheid van elektriciteit
29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie
Nr. 705
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juni 2026
Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over het voornemen om de voorzieningszekerheid
van elektriciteit in Nederland ook op de langere termijn te borgen door middel van
een marktbreed capaciteitsmechanisme. De voorzieningszekerheid van elektriciteit (voorheen
aangeduid als leveringszekerheid1) is de mate waarin Nederland met verwachte productie, opslag, vraagrespons en import
van elektriciteit op elk moment in staat is om aan de elektriciteitsvraag te voldoen.
De Monitor Voorzieningszekerheid 2026 (hierna: MVZ 2026) en de European Resource Adequacy
Assessment 2025 (hierna: ERAA 2025) schetsen een beeld van structurele uitdagingen
in de elektriciteitsmarkt, die verderop in deze brief worden toegelicht. De implementatie
van een marktbreed capaciteitsmechanisme biedt een oplossing voor deze toekomstige
uitdagingen en verlaagt de hiermee gepaard gaande risico’s. Het kabinet zal in de
komende periode de benodigde stappen zetten voor de introductie van een marktbreed
capaciteitsmechanisme, als verzekeringsmaatregel om de risico's op prijspieken en
uitval te verminderen. Daarnaast werkt het kabinet ook op andere manieren aan oplossingen
die bijdragen aan de voorzieningszekerheid, door uitbreiding van de interconnectie
met buurlanden (o.a. LionLink) en het zoveel mogelijk wegnemen van knelpunten voor
investeringen in energieopslag en vraagrespons. Om de elektriciteit daadwerkelijk
op te wekken en bij de gebruiker te laten komen, zijn de beschikbaarheid van brandstoffen
zoals (groen) gas, nucleaire brandstofstaven en biomassa en voldoende transportcapaciteit
op het net eveneens noodzakelijk. Het beleid gericht op het verminderen van afhankelijkheden
van fossiele energiedragers zoals gas alsook de aanpak van netcongestie vallen buiten
de scope van deze brief.
Deze brief geeft invulling aan de toezegging uit de brief van 15 mei 20252 over voorzieningszekerheid van elektriciteit om in de eerste helft van 2026 de Kamer
te informeren over de wijze waarop het kabinet dit in de toekomst wil borgen en aan
een drietal moties3 over de invoering van een capaciteitsmechanisme. Ook doet deze Kamerbrief een tweetal
toezeggingen4 af om de Kamer vóór dan wel rond de zomer te informeren over de voorbereidingen van
een capaciteitsmechanisme voor elektriciteit en de rol van opslag daarin. Tot slot
geeft het kabinet op deze wijze richting aan de afspraak in het coalitieakkoord om
een capaciteitsmechanisme te introduceren.
Verwachte ontwikkeling van de voorzieningszekerheid in Nederland
Jaarlijks publiceert TenneT de MVZ (tot en met 2025 bekend als Monitor Leveringszekerheid/MLZ).
Deze monitor geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van de voorzieningszekerheid
in de komende jaren. Dit doet TenneT door voor verschillende peiljaren te berekenen
hoeveel uur er gemiddeld tekorten van elektriciteit in dat jaar optreden en wat de
gemiddelde omvang van die tekorten is. In de nieuwste editie worden 2028, 2030, 2033
en 2035 als peiljaren gebruikt. Vanwege de onzekerheid over het moment waarop de verwachte
stijging van de elektriciteitsvraag in Nederland zal optreden, worden in de MVZ 2026
bandbreedtes gepresenteerd. Deze bandbreedte is gebaseerd op een snellere en tragere
verwachte ontwikkeling van de Nederlandse elektriciteitsvraag voor alle peiljaren.
Daarnaast is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd voor tragere groei in de elektriciteitsvraag
in heel Europa. De tekorten worden uitgedrukt in Loss of Load Expectation-uren (hierna: LOLE-uren) en Expected Energy Not Served (hierna: EENS). Samen geven deze twee indicatoren inzicht in respectievelijk de verwachte
frequentie en omvang van elektriciteitstekorten. De tabel hieronder geeft de uitkomsten
van de TenneT monitor van vorig jaar (MLZ 2025), de ERAA 2025 en van de MVZ 2026 weer.
Tabel 1 – vergelijking resultaten MLZ 2025, ERAA 2025 (na goedkeuring ACER) en MVZ
2026
Jaar
MLZ 2025
ERAA 2025
MVZ 2026
LOLE (uur per jaar) – gemiddeld
EENS (GWh per jaar) – gemiddeld
LOLE (uur per jaar) – gemiddeld
LOLE (uur per jaar) – gemiddeld
EENS (GWh per jaar) – gemiddeld
Gevoeligheids-analyse lagere vraag in de hele EU (LOLE)
2028
N.v.t.
N.v.t.
9,0
0,7–4,5
0,3–2,0
N.v.t.
2030
1,1
0,8
12,0
7,2–10,8
8,0–13,4
0,9
2033
12,6
14,1
15,4
18,9–31,1
18,4–44,7
0,5
2035
9,2
15,7
17,87
37,3–46,0
50,8–78,1
7,5
Uit de MVZ 2026 blijkt dat de in Nederland gehanteerde streefwaarde van vier uur aan
verwachte tekorten per jaar voor alle scenario's al in peiljaar 2030 wordt overschreden.
In 2028 is de overschrijding van de streefwaarde afhankelijk van de onzekere aannames
op de elektriciteitsvraag. Volgens de MVZ 2026 stijgen de LOLE en EENS na 2030 verder,
hetgeen betekent dat de voorzieningszekerheid van elektriciteit verder onder druk
komt te staan. De voorziene risico’s zijn het gevolg van een combinatie van factoren,
met als belangrijkste reden een verwachte stijging van de elektriciteitsvraag in combinatie
met een verwachte afname van regelbaar productievermogen in binnen- en buitenland.
De afname in Nederland is het gevolg van het verbod op het gebruik van kolen voor
elektriciteitsproductie vanaf 20305, de veroudering van bestaande gascentrales en verminderde businesscase voor dezelfde
gascentrales. Deze neerwaartse druk op de businesscase van regelbaar vermogen is het
gevolg van toenemende concurrentie van vooral zon- en windenergie, wat leidt tot minder
draaiuren van centrales. De autonome groei van andere flexibiliteitsopties als batterijen
en vraagrespons is in de scenario’s van TenneT onvoldoende om voor de afname te compenseren.
De monitor van vorig jaar ging er nog vanuit dat genoemde streefwaarde pas in 2033
zou worden overschreden. In de huidige monitor blijft alleen in de gevoeligheidsanalyse
met een lagere elektriciteitsvraag in de hele EU deze waarde tot in 2033 onder de
vier uur. Het verschil tussen de monitor van dit jaar en die van afgelopen jaren is
het gevolg van hogere aannames over de ontwikkeling van de elektriciteitsvraag, met
name gedreven door de nieuwe energievraag van datacenters. Ook stijgt de buitenlandse
vraag significant, zonder dat de productiecapaciteit, vraagrespons en opslag daar
evenredig in meegroeien.
Om de uitkomsten goed te kunnen duiden, is de volgende kanttekening op zijn plaats.
De MVZ is een simulatie gebaseerd op gemiddelden van 360 berekeningen per peiljaar,
gebaseerd op verschillende weerscenario’s in combinatie met uitvalscenario’s van centrales
en interconnectoren. De resultaten zijn in grote mate afhankelijk van deze weers-
en uitvalscenario’s. Een gemiddeld LOLE-bereik geeft een indicatie van het risico
op tekorten in Nederland voor dat peiljaar, maar is geen exacte voorspelling. In de
praktijk kan, afhankelijk van het weer en beschikbaarheid van centrales en interconnectie
met het buitenland, het daadwerkelijke tekort binnen of buiten het aangegeven bereik
vallen of zelfs helemaal niet optreden. Daarnaast zijn de uitkomsten van de MVZ sterk
afhankelijk van aannames over toekomstige vraagontwikkeling, opgesteld vermogen en
economische omstandigheden, in zowel Nederland als in omliggende landen vanwege het
grensoverschrijdende karakter van de Europese elektriciteitsmarkt. Deze aannames kennen
ook een hoge mate van onzekerheid en zijn mede afhankelijk van beleidsvorming in onze
buurlanden. De MVZ is voor het kabinet daarmee een richtinggevend document voor beoordeling
van de voorzieningszekerheid en een belangrijke basis voor de beleidsvorming van maatregelen.
Tegelijk geldt dat door genoemde onzekerheden maatregelen voor de borging van de voorzieningszekerheid
daarom ook omgeven zullen zijn met een bepaalde mate van onzekerheid over de omvang
van het te mitigeren risico. Door de MVZ jaarlijks te actualiseren worden deze onzekerheden
zo klein mogelijk gehouden.
In december 2025 is de Europese variant van de MVZ, de ERAA, gepubliceerd6 en op 24 april 2026 door ACER gewijzigd goedgekeurd7. In de ERAA 2025 zijn dezelfde peiljaren onderzocht als in de MVZ 2026. Voor de buitenlandse
situatie maakt de MVZ 2026 gebruik van de uitkomsten van de ERAA 2025. Ook de resultaten
van de ERAA 2025 laten voor deze peiljaren een verslechterd beeld van de voorzieningszekerheid
zien ten opzichte van de eerdere versies van de ERAA, al toont de ERAA 2025 een grotere
overschrijding van de streefwaarde in 2028. TenneT stelt dat de voorzieningsrisico's
pas vanaf 2030 optreden, mede omdat zij de scenario's die zijn gebruikt voor de MVZ
2026 waarschijnlijker achten dan die van de ERAA.
Bij een tekort aan elektriciteit zullen afnemers te maken krijgen met stijgende prijzen.
Hierdoor zal het elektriciteitsverbruik deels al worden verminderd, als gevolg van
marktwerking, en zullen producenten van elektriciteit in de aanloop naar een tekort
een prikkel krijgen om extra aanbod te genereren. Ook batterijen zullen op de prijzen
inspelen. Door dit prijsmechanisme wordt de kans op een daadwerkelijk tekort automatisch
verkleind. Desondanks kunnen hoge prijzen grote impact hebben op een deel van de afnemers.
Deze prijspieken zullen zonder ingrijpen naar verwachting frequenter zijn en hoger
uitvallen dan we tot nu toe gewend zijn. Daarnaast kan het, in de meer extreme gevallen
van langdurige en ernstige schaarste, voorkomen dat niet in de gehele Nederlandse
vraag naar elektriciteit kan worden voorzien. In een dergelijk extreem scenario kan
onvrijwillige afschakeling als gevolg van de onbalans tussen vraag en aanbod een noodmaatregel
zijn. Hierbij zou een netbeheerder de elektriciteitslevering naar een bepaald gebied
tijdelijk kunnen onderbreken met als doel om langduriger en grootschaliger stroomuitval
te voorkomen. Dit scenario is tot op heden in Nederland noch de rest van Europa gematerialiseerd
als gevolg van voorzieningszekerheidsproblemen. De MVZ 2026 geeft aan dat een situatie
met tekorten in de peiljaren 2028 en 2030 naar verwachting van korte duur zal zijn.
Desalniettemin blijft dit een onwenselijke ontwikkeling vanwege het belang van elektriciteit
voor onze samenleving.
Borging van de voorzieningszekerheid
De ontwikkelingen zoals geschetst in de MVZ en ERAA zijn voor het kabinet aanleiding
om te kiezen voor een marktbreed capaciteitsmechanisme, een instrument waarmee aanbieders
van elektriciteit worden vergoed voor de beschikbaarheid van productiecapaciteit,
opslag of vraagrespons. Er zijn ook andere opties om de voorzieningszekerheid te borgen,
zoals het stimuleren van vraagrespons. Om die reden zijn zowel de potentie van (a)
vraagrespons voor voorzieningszekerheid als (b) verschillende typen capaciteitsmechanismen
in de Nederlandse context onderzocht. De onderzoeken waarin dit is gebeurd, zijn reeds
aan de Kamer aangeboden8.
(a) De potentie van vraagrespons
Inzet van vraagrespons, waarbij het elektriciteitsverbruik bewust wordt aangepast
als reactie op (prijs)prikkels, kan leiden tot een beperking van de piekvraag op momenten
met weinig wind en zon. Daarmee kan de voorzieningszekerheid verbeteren. In opdracht
van het vorige kabinet heeft Magnus Energy onderzoek gedaan naar het potentieel van
vraagrespons, waarbij is gekeken naar technische en economische mogelijkheden en barrières
die de ontwikkeling ervan belemmeren. Het onderzoek constateert dat vraagrespons de
potentie heeft om een belangrijke bijdrage te leveren aan de voorzieningszekerheid
in het energiesysteem van de toekomst, maar dat deze bijdrage sterk verschilt per
sector. Zo zijn de glastuinbouw en een deel van de industrie al goed in staat om op
prijssignalen te reageren. Het niet-flexibele deel van de industrie en andere sectoren,
zoals datacenters, zijn daarentegen sterk afhankelijk van een stabiele elektriciteitsvoorziening
en hebben slechts beperkte ruimte voor vraagrespons. Magnus Energy noemt als barrières
voor het ontsluiten van vraagrespons onder andere de beperkte blootstelling aan prijsprikkels,
een gebrek aan automatisering en het ontbreken van ervaring met extreme prijspieken,
waardoor het gevoel van urgentie op dit moment bij veel afnemers ontbreekt. TNO heeft
ook een onderzoek uitgevoerd naar vraagrespons, met een specifieke scope op de industrie9. De conclusies van dit onderzoek komen grotendeels overeen met de bevindingen van
Magnus Energy voor de industrie. Op basis van beide onderzoeken concludeert het kabinet
dat vraagrespons een bijdrage kan leveren aan de voorzieningszekerheid, maar dat dit
niet voldoende zal zijn om het risico voor de voorzieningszekerheid volledig te mitigeren.
Onder andere tijdsafhankelijke nettarieven zullen op termijn de toename van vraagrespons
stimuleren. Het kabinet neemt waar nodig en mogelijk zoveel mogelijk barrières voor
vraagrespons weg. Ook een capaciteitsmechanisme kan via jaarlijkse vaste vergoedingen
investeringszekerheid in vraagrespons stimuleren. Dit wordt verderop in de brief toegelicht.
(b) Capaciteitsmechanismen in de Nederlandse context
Er zijn verschillende vormen van capaciteitsmechanismen. Guidehouse en Frontier Economics
hebben in opdracht van het vorige kabinet capaciteitsmechanismen in de Nederlandse
context onderzocht. Hiertoe hebben zij een breed scala van acht verschillende instrumenten
bestudeerd op hun geschiktheid om de voorzieningszekerheid in Nederland te borgen,
aan de hand van een uitgebreid beoordelingskader10. Doordat alle opties grondig zijn gewogen en beoordeeld op hun toepasbaarheid binnen
de Nederlandse context, levert het onderzoek een waardevolle bijdrage aan het publieke
debat. De analyse wijst uit dat twee van de acht, namelijk zowel een strategische
reserve als een marktbreed capaciteitsmechanisme11, passende instrumenten zijn voor de Nederlandse situatie, mede vanwege de mate waarop
deze twee instrumenten gericht, betrouwbaar, efficiënt en op tijd de voorzieningszekerheid
kunnen borgen. Beide instrumenten zijn in de Europese context het meest bekend en
worden breed toegepast. Net als een marktbreed capaciteitsmechanisme verkleint een
strategische reserve het risico van onvrijwillige afschakeling. Beide instrumenten
dragen zo bij aan een hogere voorzieningszekerheid van elektriciteit.
Bij een marktbreed capaciteitsmechanisme vergoedt een centrale inkoper via jaarlijkse
veilingen aanbieders van productiecapaciteit, opslag en vraagrespons om de voorzieningszekerheid
op het gewenste niveau te borgen. De voor Nederland benodigde capaciteitsbehoefte
wordt in dit geval vergoed, met uitzondering van aanbieders waarbij overstimulering
zou optreden omdat zij al op een andere wijze financiële compensatie ontvangen (bijvoorbeeld
vanuit (verduurzamings-)subsidies). Indien zij geselecteerd worden in de jaarlijkse
veilingen, blijven deelnemers aan het marktbreed capaciteitsmechanisme actief op de
Europese elektriciteitsmarkt, maar ontvangen een vast extra inkomen naast hun reguliere
opbrengsten uit de markt om een deel van de jaarlijkse vaste kosten van vraagrespons,
batterijen of centrales te dekken. Deze afspraken worden vastgelegd via capaciteitscontracten
met een looptijd van één jaar, afgesloten één tot enkele jaren van tevoren, met beschikbaarheid
tijdens schaarstemomenten als één van de kernverplichtingen in die periode. Bij investeringen
die nodig zijn voor vraagrespons, nieuwe batterijen, centrales of investeringen in
groot onderhoud daarvan, kunnen ook contracten voor meer dan één jaar beschikbaar
gesteld worden. De contractduur is dan afhankelijk van de hoogte van de investering.
Hierbij zal de maximale contractduur bij de nadere uitwerking van het capaciteitsmechanisme
worden bepaald, o.a. rekening houdend met de voorwaarden uit het EU-staatsteunkader.
Daarnaast zullen de voorwaarden voor deelname aan het capaciteitsmechanisme in lijn
zijn met de verduurzaming van het energiesysteem. Bij een strategische reserve wordt
een beperkt aantal aanbieders betaald voor hun beschikbaarheid buiten de elektriciteitsmarkt.
De capaciteit onder een strategische reserve wordt alleen ingezet in situaties van
schaarste, dit in tegenstelling tot een marktbreed capaciteitsmechanisme. Elk capaciteitsmechanisme
brengt kosten met zich mee, die in veel gevallen via de tarieven worden doorberekend
aan elektriciteitsverbruikers. De tarieven zullen dus stijgen door een capaciteitsmechanisme.
Hier staan wel baten tegenover, zoals een lager risico op stroomuitval en dus meer
beschikbaarheid van elektriciteit. Daarmee worden de bijbehorende (maatschappelijke)
kosten voor stroomuitval vermeden.
De keuze voor hetzij een strategische reserve hetzij een marktbreed capaciteitsmechanisme
is sterk afhankelijk van de timing, duur en omvang van het voorzieningszekerheidsprobleem.
Guidehouse en Frontier Economics adviseren dat een strategische reserve vooral een
oplossing is voor een tijdelijk probleem omdat bestaande centrales of vraagrespons
uit de markt worden geplaatst, terwijl een marktbreed capaciteitsmechanisme beter
past bij een structureel probleem omdat het via de beschikbaarheidsvergoeding zowel
het behoud van bestaande capaciteit als nieuwe investeringen stimuleert. Ook identificeren
genoemde onderzoeksbureaus een combinatie-optie waarbij door snel een strategische
reserve in te voeren tijd wordt gewonnen, om daarna een meer op de Nederlandse situatie
toegespitst marktbreed capaciteitsmechanisme te implementeren.
Keuze voor een marktbreed capaciteitsmechanisme
De optie om eerst een strategische reserve in te voeren en daarna een marktbreed capaciteitsmechanisme
in te stellen om tijd te winnen, heeft volgens het kabinet weinig meerwaarde omdat
deze optie een dubbele implementatielast met zich meebrengt. De Europese Commissie
heeft goedkeuringsprocessen van marktbrede capaciteitsmechanismen gestroomlijnd, waardoor
deze bij het volgen van de nieuwe staatssteungoedkeuringskaders naar verwachting sneller
geïmplementeerd kunnen worden dan in het verleden.
Een strategische reserve is minder geschikt om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren,
omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele
veranderingen op de elektriciteitsmarkt. Met name de daling in draaiuren voor regelbaar
vermogen uit elektriciteitscentrales, als gevolg van concurrentie met hernieuwbare
productie en batterijen, maakt het blijvend minder aantrekkelijk om in Nederland te
investeren. Dit effect wordt versterkt doordat buurlanden via capaciteitsmechanismen
investeringen in onder andere regelbaar vermogen ondersteunen, waardoor het voor aanbieders
van elektriciteit aantrekkelijker kan zijn om in deze landen te investeren. Tot slot
is sprake van veroudering van de Nederlandse gascentrales en het verbod op inzet van
kolen voor elektriciteitsproductie vanaf 203012. Een marktbreed capaciteitsmechanisme lost deze structurele problemen wél op doordat
het instandhouding van en investeringen in vraagrespons, batterijen en centrales stimuleert.
De beoordeling van het kabinet is daarom dat een marktbreed capaciteitsmechanisme
op de lange termijn de meest toekomstgerichte oplossing is.
Daarnaast brengt een marktbreed capaciteitsmechanisme ook een aantal aanvullende voordelen
met zich mee. Omdat het mechanisme volgens EU-regels technologieneutraal dient te
zijn, stimuleert het ook innovatieve oplossingen zoals vraagrespons en opslagcapaciteit
en kan ook meer decentrale opwek vanaf een bepaalde vermogensgrens inbieden. Zo leidt
het tot meer vraagrespons, opslag en productiecapaciteit op de elektriciteitsmarkt
dan in een situatie zonder deze maatregel. Door de resulterende lagere vraag via vraagrespons
of het hogere aanbod van elektriciteit via opslag dan wel productiecapaciteit ontstaan
gemiddeld genomen minder en lagere prijspieken, met als gevolg lagere gemiddelde groothandelsprijzen
dan zonder het marktbreed capaciteitsmechanisme het geval zou zijn. Elektriciteitsprijsverschillen
van jaar op jaar blijven tegelijkertijd in grote mate afhankelijk van de weersomstandigheden
en ontwikkelingen in de gas- en ETS-prijs. Daarnaast zijn prijspieken afhankelijk
van de situatie in de landen om ons heen en van beleidsontwikkelingen van buurlanden.
Het kabinet is van oordeel dat de voordelen van een marktbreed capaciteitsmechanisme
groter zijn dan het nadeel van de ermee gemoeide hogere kosten als gevolg van het
vergoeden van de benodigde capaciteitsbehoefte in de markt. Het kabinet wordt hierin
gesterkt door de gesprekken die het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat met
stakeholders heeft gevoerd. Uit deze gesprekken komt het beeld naar voren dat stakeholders
over het algemeen de voorkeur geven aan het beheersen van risico’s voor de voorzieningszekerheid,
ook wanneer dit tot (beheersbaar) hogere kosten leidt. Ondanks het feit dat de hoogte
van het acceptatieniveau voor risico’s omtrent voorzieningszekerheid per sector wisselt,
is er een vrij brede acceptatie van additionele kosten van een marktbreed capaciteitsmechanisme
om zo het risico op incidenteel hoge uitschieters van de elektriciteitsprijs te dempen.
Later in deze brief wordt nader ingegaan op de kosten en baten van het marktbreed
capaciteitsmechanisme.
Het kabinet heeft in de afgelopen periode intensief voorwerk verricht voor een zo
snel mogelijke en effectieve implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme
als structurele oplossing. Zo is een goed beeld opgebouwd van de relevante ontwerpkeuzes
die gemaakt moeten worden13, mede op basis van het onderzoek van Guidehouse en Frontier Economics en aanvullende
inzichten uit ambtelijke werkbezoeken aan België, dat een marktbreed capaciteitsmechanisme
heeft, en Duitsland, dat een marktbreed capaciteitsmechanisme wil invoeren. Daarnaast
heeft een voorbereidend gesprek plaatsgevonden met de Europese Commissie en zijn voorbereidingen
getroffen voor noodzakelijke implementatiestappen zoals het schrijven van een verplicht
uitvoeringsplan14.
Eerste contouren van het marktbrede capaciteitsmechanisme in Nederland
De focus van het kabinet ligt de komende periode op het vormgeven van het marktbrede
capaciteitsmechanisme. De inzet is om dit instrument in nauwe samenwerking met de
ACM en TenneT en met brede betrokkenheid van stakeholders verder uit te werken. Bij
de uitwerking zullen de laatste inzichten uit de actualisatie van het Nationaal Plan
Energiesysteem (NPE), dat rond de zomer verschijnt, worden meegenomen. Hoewel veel
van de ontwerpkeuzes nog niet definitief zijn en het uiteindelijke ontwerp door de
Europese Commissie getoetst moet worden aan de staatssteunkaders15 en de eisen in de Elektriciteitsverordening16, is het wel mogelijk om enkele contouren op hoofdlijnen te schetsen.
TenneT zal uitvoerder van het marktbrede capaciteitsmechanisme zijn17. Dit betekent dat TenneT de capaciteitsveilingen zal organiseren, de daadwerkelijke
beschikbaarheid van deelnemende capaciteit zal monitoren en eventueel boetes zal opleggen
in het geval van niet-beschikbaarheid van deze capaciteit.
De jaarlijkse kosten van een marktbreed capaciteitsmechanisme zijn lastig om precies
in te schatten. Capaciteitsmechanismen in andere Europese landen kunnen helpen om
een beeld op hoofdlijnen te vormen. In België bedroegen bijvoorbeeld de jaarlijkse
kosten van geveilde capaciteit € 183 mln. voor 2025–2026 en € 125 mln. voor 2026–2027.
Het Belgische marktbrede capaciteitsmechanisme is relatief goedkoop en betreft het
contracteren van bijna drie keer minder vermogen dan in Nederland nodig kan zijn.
Bij toepassing van vergelijkbare ontwerpkeuzes als in België, zouden de Nederlandse
ramingen uitkomen op € 300–600 mln. aan jaarlijkse kosten. De kosten worden beïnvloed
door onder andere de vraagontwikkeling naar elektriciteit, vormgeving van de veilingen,
kostenontwikkelingen van energieopslag, vraagrespons en regelbaar vermogen en de mate
waarin grote revisies of nieuwbouw nodig zijn om aan de vraag te voldoen. De baten
van een marktbreed capaciteitsmechanisme bestaan uit de vermeden elektriciteitsuitval
en uit vermeden prijspieken. Zowel de omvang van de vermeden elektriciteitsuitval
als waarde die het vermijden ervan heeft, heeft grote bandbreedtes. Al met al kan
het saldo van kosten en baten zowel positief uitgerekend worden, als bij andere aannames
per saldo negatief zijn. Een marktbreed capaciteitsmechanisme fungeert als verzekering
om het risico op uitval te verminderen. Daarbij zijn niet alleen de kwantitatieve
baten relevant, maar weegt ook de maatschappelijke impact van het eventuele uitval
mee in deze afweging. Om te bepalen of de maatregel het beoogde maatschappelijke effect
heeft, zal het ontwerp ervan jaarlijks geëvalueerd en waar nodig bijgesteld worden.
Op deze wijze zal het capaciteitsmechanisme steeds zoveel mogelijk in lijn zijn met
de op dat moment in Nederland geldende behoefte.
De kosten van het marktbrede capaciteitsmechanisme zullen door de netbeheerders bij
de eindgebruiker in rekening worden gebracht via tarieven. Volgens de EU-staatssteunkaders
moeten de kosten namelijk worden doorberekend aan de eindgebruikers van elektriciteit
op zo’n manier dat er een prikkel is om op schaarstemomenten van wind en zon minder
elektriciteit te gebruiken. De Europese Commissie heeft een voorkeur voor verrekening
van de kosten op basis van verbruik tijdens schaarste18. Deze verrekening kan gebeuren door jaarlijks een heffing toe te passen op de naar
verwachting duurste uren om daarmee de gebruikers een prikkel te geven op deze momenten
minder elektriciteit te verbruiken en daarmee het tekort te verkleinen. Dit draagt
bij aan het beperken van de kosten. Het volgen van deze eisen betekent dat gebruikers
van elektriciteit met name in perioden van risico's op schaarste geconfronteerd zullen
worden met hogere kosten voor het gebruik van elektriciteit in die uren. Het is van
belang om hierbij op te merken dat deze kosten (deels) worden gecompenseerd door de
vermeden prijsstijgingen als gevolg van de inzet van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
De netbeheerders werken aan een voorstel om de kosten van een marktbreed capaciteitsmechanisme
te verwerken in de tarieven. Het is aan de ACM om de uiteindelijke doorberekening
van kosten naar de eindgebruikers vast te stellen.
Het kabinet heeft oog voor de stijgende elektriciteitskosten en zal zich maximaal
inzetten om de kosten van het mechanisme zo laag mogelijk te houden. Hiervoor kijkt
het kabinet ook naar de ervaring in buurlanden. Net als in deze landen het geval is,
overweegt het kabinet de inzet van terugbetalingsmechanismen bij prijspieken om overwinsten
van elektriciteitsaanbieders te voorkomen en om een maximale prijs te hanteren voor
het aanbieden van bestaande capaciteit.
Het streven is om de eerste veilingen voor het marktbrede capaciteitsmechanisme te
organiseren in 2028 met oog op inwerkingtreding in 2029–2030. Dit is mede afhankelijk
van onder andere het tijdig ontvangen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie
en tijdige inwerkingtreding van het EMD-wetsvoorstel, dat in Nederland de juridische
basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme biedt, zoals binnenkort ingediend
zal worden bij de Kamer.
Bredere beleidscontext van een marktbreed capaciteitsmechanisme
Het ontwerp van een marktbreed capaciteitsmechanisme vraagt ook om keuzes die in een
bredere context moeten worden bezien, zoals het raakvlak met beleid op verduurzaming,
netcongestie en weerbaarheid en de wisselwerking met de Europese elektriciteitsmarkt.
In de Europese staatssteunkaders zijn voor deelname aan een capaciteitsmechanisme
eisen opgenomen die een bijdrage leveren aan de verduurzamingsdoelstellingen, zoals
minimale verduurzamingseisen voor fossiele capaciteit19. Deze eisen sluiten volledig kolengestookte centrales uit van deelname. Dit geldt
niet voor andere vormen van regelbaar vermogen, zoals gas, waterstof- en biomassacentrales
(eventueel met CCS/BECCS). Door het integreren van verduurzamingseisen ontstaan voor
de sector prikkels om (verder) te verduurzamen, ook voor de momenten dat geen wind
of zon beschikbaar is. Daarnaast zijn er in het ontwerp van een marktbreed capaciteitsmechanisme
mogelijkheden om keuzes te maken die deelname van CO2-vrije technieken als opslag en vraagrespons stimuleren. Het kabinet zal daarom bij
het vormgeven van het capaciteitsmechanisme aandacht hebben voor de bijdrage aan de
door het kabinet beoogde lijn van CO2-reductie in de elektriciteitsketen. In lijn met de aanbevelingen van Magnus Energy
zullen onder andere de positie van opslag en vraagrespons worden meegenomen, waardoor
een combinatie van technieken in de benodigde capaciteit kan voorzien.
Naast de verduurzamingsopgave zet het kabinet zich ook in voor het aanpakken van netcongestie,
zoals o.a. beschreven in de Kamerbrief van 2 april jl.20 Het kabinet verwacht dat de introductie van een marktbreed capaciteitsmechanisme
een positief effect zal hebben op het tegengaan van netcongestie. In eerste instantie
doordat het een prikkel geeft voor behoud van regelbaar vermogen, vraagrespons en
opslag. Dit kan bijdragen aan het vermijden, verminderen of vertragen van het ontstaan
van nieuwe congestieproblemen doordat deze capaciteit niet of pas op een later moment
op kritieke plekken verdwijnt. Om de voorzieningszekerheid verder te ondersteunen,
is het daarnaast van belang dat capaciteit die in de komende jaren voor netcongestie
én de borging van voorzieningszekerheid gecontracteerd wordt in samenhang wordt bezien,
om tot een efficiënte vergoeding te komen. Dit kan ten eerste wanneer netbeheerders
die capaciteit voor netcongestie contracteren, deze capaciteit ook toestaan om op
de markt actief te zijn. Op de markt kan deze capaciteit immers ook bijdragen aan
voorzieningszekerheid. Dit kan ten tweede doordat netbeheerders eerst zoveel mogelijk
de capaciteit contracteren op de locatie die voor netcongestie nodig is. Daarna kan
TenneT de resterende voor voorzieningszekerheid benodigde capaciteit contracteren
via het marktbreed capaciteitsmechanisme, waarbij de locatie niet meer uitmaakt.
Daarnaast heeft het kabinet aandacht voor het vergroten van de weerbaarheid van het
energiesysteem. Weerbaarheid omvat niet alleen het voldoende beschikbaar hebben van
aanbod om aan de vraag te voldoen, maar ook het vermogen van het systeem om schokken
op te vangen. Door het borgen van voldoende aanbod om aan de (piek)vraag in schaarste
periodes van zon en wind te voldoen, draagt een marktbreed capaciteitsmechanisme bij
aan de continuïteit van het energiesysteem. De directe beschikbaarheid van aanbod
binnen de eigen landsgrenzen vergroot de robuustheid van het systeem en maakt het
systeem minder kwetsbaar bij schaarste. Een marktbreed capaciteitsmechanisme kan daarmee
bijdragen aan de bredere weerbaarheidsopgave.
Met de keuze om een marktbreed capaciteitsmechanisme in te voeren sluit Nederland
aan bij buurlanden zoals Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk die
dit ook hebben of (gaan) invoeren. Daarmee wordt het gelijke speelveld voor investeringen
in Nederland verbeterd. Bovendien biedt het ruimte voor grensoverschrijdende samenwerking.
Tegelijk wil het kabinet zoveel mogelijk barrières voor marktpartijen voorkomen die
in meerdere landen actief zijn. Het kabinet zet zich daarom onder andere via het Pentalaterale
Energieforum in voor het waar mogelijk harmoniseren en coördineren van capaciteitsmechanismen
in de Noordwest-Europese regio. Deze regionale afstemming biedt mogelijkheden voor
een kosteneffectieve inrichting.
Vervolgproces
Gezien de urgentie van het borgen van de voorzieningszekerheid, zoals ook blijkt uit
de MVZ 2026, streeft het kabinet ernaar om de eerste tender voor capaciteitsveilingen
in 2028 te houden voor het leveringsjaar 2029–2030. De komende maanden zal het kabinet,
in samenwerking met TenneT en ACM, en met betrokkenheid van stakeholders, voortvarend
werken aan het ontwerpen van het marktbrede capaciteitsmechanisme, het verkrijgen
van EU-staatssteungoedkeuring en het voorbereiden van de uitvoering. In een volgende
brief, die voorzien is in de loop van de tweede helft van 2026, zal het kabinet de
Kamer informeren over de voortgang daarvan.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei