Brief regering : Bouwstenen nieuwe kindregeling
36 708 Toeslagen
Nr. 105
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 juni 2026
Ieder kind verdient een kansrijke start. Ongeacht waar een kind geboren wordt of opgroeit.
Ongeacht of een ouder veel of weinig te besteden heeft.1 Een kind heeft recht op verzorging en ontwikkeling. Ouders zijn hier primair verantwoordelijk
voor.2 De Nederlandse overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders in Europees
en Caribisch Nederland in de kosten van kinderen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen
dat een deel van de kinderen aan het begin van hun leven op achterstand staat. Met
de kinderbijslag en het kindgebonden budget ondersteunen we gezinnen in de kosten
voor kinderen.
Zekerheid voor gezinnen is belangrijk. Financiële onzekerheid leidt tot stress bij
ouders waardoor sommige kinderen op achterstand kunnen raken. Dit is onwenselijk.
Het toeslagenstelsel, waarvan het kindgebonden budget onderdeel uitmaakt, is voor
een deel van de ouders complex en leidt tot knelpunten zoals (hoge) terugvorderingen,
niet-gebruik en hoge marginale druk. Deze knelpunten vragen om twee sporen: verdere
verbetering van het huidige stelsel en een structurele oplossing voor de langere termijn.
Met deze brief informeren wij, de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris
van Financiën, uw Kamer over de plannen van het kabinet rond een nieuwe kindregeling.
Deze brief is bedoeld om uw Kamer mee te nemen in de eerste denkrichtingen en in het
verdere proces en beperkt zich tot Europees Nederland. Voor Caribisch Nederland geldt
een eigen wettelijke en uitvoeringscontext. Daarom wordt uw Kamer separaat geïnformeerd
over de kindregelingen in Caribisch Nederland.3
De brief is opgebouwd uit drie onderdelen:
1. Nieuwe kindregeling is nodig vanwege problemen met het huidige stelsel
2. De ambitie en keuzes van het kabinet: focus op zekerheid
3. Het vervolg: verdere uitwerking en nog te maken keuzes
1. Nieuwe kindregeling is nodig vanwege problemen met het huidige stelsel
Voorbeeld van een casus
Hannah is de moeder van Lynn en Nathan. Het gezin ontvangt kinderbijslag en kindgebonden
budget. Op een dag krijgt het gezin vervelend nieuws. Hannah moet ruim € 1.100 terugbetalen.
Dit komt omdat haar inkomen het voorgaande jaar hoger was dan verwacht.
Hannah ervaart veel stress van deze gang van zaken. Waar gaat ze die € 1.100 vandaan
halen? Moet Lynn dan maar op haar te kleine fiets blijven rijden? En Nathan zou binnenkort
op atletiek gaan. Zit dat er nog wel in?
Het voorbeeld in bovenstaand kader geeft een beeld van situaties waar ouders mee te
maken krijgen.4 Het werken met voorschotten gaat gepaard met financiële onzekerheid bij ouders. Er
zijn aanwijzingen dat financiële onzekerheid bij ouders de ontwikkeling van kinderen
negatief beïnvloedt.5 Een stressvolle thuissituatie, beperkte toegang tot middelen en een minder stabiele
opvoedomgeving zijn hierbij de belangrijkste factoren. De verminderde ontwikkeling
uit zich bij kinderen bijvoorbeeld in minder zelfvertrouwen, aantasting van de mentale
gezondheid en/of minder goed meedoen op school.
Dit probleem is niet nieuw. Diverse onderzoeken en rapporten hebben de problematiek
in het huidige toeslagenstelsel al goed in beeld gebracht. Voorbeelden zijn beleidsevaluaties6, Toeslagen terugbetalen7, het rapport Blind voor mens en recht8 en het Eindrapport Toekomst Toeslagenstelsel.9 In de verkenning naar de toekomst van de kindregelingen10 zijn de problemen die voor een deel van de ouders gelden ten aanzien van het kindgebonden
budget tevens in beeld gebracht.
Vooral als er sprake is van een stapeling van regelingen kunnen hoge terugvorderingen
ontstaan. Bijvoorbeeld omdat ouders het jaarinkomen te laag hebben ingeschat, of wanneer
er een alles-of-nietscriterium is overschreden (zoals een vermogensgrens). Ook ligt
er een hoge verantwoordelijkheid bij ouders om de juiste gegevens en wijzigingen op
tijd door te geven. Dit zorgt voor onnodige complexiteit, zowel voor ouders als de
uitvoering. Vooral als er sprake is van ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals een
scheiding, een geboorte of overlijden, kunnen ouders vergeten om gegevens en wijzigingen
tijdig door te geven.
Op dit moment heeft circa 16% van de ouders die recht hebben op kindgebonden budget
te maken met terugvorderingen. Dit gaat om een totaal van grofweg 215 duizend ouders
per jaar. In ongeveer de helft van de gevallen is het terug te betalen bedrag € 500
of hoger.
Angst voor terugvorderingen of voor de overheid is voor sommige mensen een aanleiding
om geen aanvraag te doen, terwijl zij wel recht hebben op de kindregelingen. Het niet-gebruik
van het kindgebonden budget ligt op circa 8,5%.11 Lagere inkomensgroepen met recht op een hoog bedrag aan het kindgebonden budget worden
goed bereikt. Vooral huishoudens met een hoger inkomen vragen dit budget niet aan.
Hier speelt vermoedelijk mee dat de afgelopen jaren meer huishoudens met hogere inkomens
recht hebben gekregen op kindgebonden budget (figuur 1). In 2026 heeft een paar recht
op kindgebonden budget tot een inkomen van circa drie maal modaal12 en een vermogen van € 184.633.
Figuur 1: ontwikkeling maximale bedragen kindgebonden budget en kinderbijslag naar
toetsingsinkomen (2016 t/m 2028).
Naast de bovenstaande knelpunten in het kindgebonden budget is ook sprake van andere
problemen bij de kindregelingen. Ouders hebben te maken met verschillende wettelijke
kaders, uitvoerders, betaalmomenten, begrippen en communicatiekanalen. Extra complex
is de huidige kinderbijslag voor ouders die mogelijk behoren tot specifieke doelgroepen.
Zo kan het recht op kinderbijslag verschillen op basis van het woongebied, het beroep
van ouders, de gezondheid van het kind en het onderwijs of de opleiding die het kind
volgt.
Voor de uitvoering is ook de samenloop van de Nederlandse kindregelingen met buitenlandse
gezinsbijslagen een belangrijk knelpunt. Voor de Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende
de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels worden kindgebonden budget en kinderbijslag
als één uitkering gezien. Circa 48 duizend huishoudens hebben in Nederland en ook
in een ander land recht op kinderbijslag en/of kindgebonden budget. Dit zijn bijvoorbeeld
grenswerkers, arbeidsmigranten en expats. Wanneer zich wijzigingen voordoen in het
land van voorrang, leidt dit tot ingewikkelde berekeningen en betalingen. Doordat
in het huidige stelsel sprake is van twee verschillende wettelijke kaders en twee
uitvoerders (SVB en Dienst Toeslagen), is de vaststelling van de hoogte van de financiële
bijdrage ingewikkeld. Ook verschillen in regelingen, leeftijdsgrenzen, toekenningscriteria
en de mate van inkomensafhankelijkheid maken de aanvraagprocedures en uitvoering extra
ingewikkeld. De samenvoeging van beide kindregelingen biedt de mogelijkheid om de
ondersteuning aan gezinnen eenvoudiger, herkenbaarder en juridisch samenhangender
vorm te geven.
2. De ambitie en keuzes van het kabinet: focus op zekerheid
Het kabinet wil de problemen met de toeslagen oplossen. Daarom werkt het aan een bredere
herziening van het stelsel van belastingen en toeslagen, waar het kindgebonden budget
een onderdeel van is. Naast de genoemde herziening zet het kabinet concrete stappen
om het huidige stelsel te verbeteren. Zo is met ingang van dit jaar de Wet verbetermaatregelen
toeslagen ingevoerd. Ook is het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen
onlangs naar uw Kamer gestuurd.13 Naast wetgeving nemen we maatregelen in de dienstverlening om het niet-gebruik en
het risico op terugvorderingen te verkleinen. Mensen worden geattendeerd wanneer uit
contra-gegevens blijkt dat het geschatte inkomen en kinderopvanggegevens (sterk) afwijken.
Wanneer beide gegevens betrouwbaar zijn, worden ook proactief de gegevens aangepast
om terugvorderingen te voorkomen.
Coalitieakkoord: meer zekerheid en eenvoud door samenvoegen kindregelingen
Dit kabinet wil meer zekerheid en eenvoud bieden door gezinnen met kinderen nog beter
te ondersteunen. Ten aanzien van de kindregelingen begint het kabinet door de kinderbijslag
en het kindgebonden budget samen te voegen tot één nieuwe regeling met een hoger inkomensonafhankelijk
en lager inkomensafhankelijk deel. Zoals bij iedere grote herziening is de planning
mede afhankelijk van de verdere beleidskeuzes, de uitvoerbaarheid voor de betrokken
uitvoeringsorganisaties, de benodigde gegevensuitwisseling en de wetgevingsprocedure.
Met de motie Schalk14 verzocht de Eerste Kamer om samenvoeging van kinderbijslag, kindgebonden budget en
kinderopvangtoeslag tot één kinderbijdrage te onderzoeken. De resultaten van dit onderzoek
zijn opgenomen in de bijlage bij deze brief. Een samenvoeging van de regelingen zou
een herverdeling betekenen van huishoudens met tegemoetkoming voor kinderopvang naar
huishoudens zonder tegemoetkoming voor kinderopvang. Voor de meeste huishoudens met
kinderopvang zorgt het samenvoegen voor een negatief inkomenseffect, terwijl huishoudens
met kinderen zonder tegemoetkoming voor kinderopvang profijt zouden hebben. Ook stijgt
het kinderarmoedecijfer licht.
Het kabinet vindt deze maatregel niet wenselijk. Daarom blijft dit kabinet werken
aan een eenvoudigere en zekerdere vergoeding voor kinderopvang en voegt daarnaast
de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen voor meer eenvoud en zekerheid voor
gezinnen.
Leidende principes en uitgangspunten voor een nieuwe kindregeling
Vijf principes en uitgangspunten zijn voor het kabinet leidend bij de vormgeving van
een nieuwe kindregeling. Aan de hand daarvan lichten we toe hoe een toekomstige kindregeling
met meer zekerheid en eenvoud voor gezinnen met kinderen eruit kan zien. Daarnaast
moet de regeling uitvoerbaar zijn en passen binnen de gegeven budgettaire kaders.
Over deze principes en keuzes willen wij graag met uw Kamer het gesprek voeren, zodat
we met uw Kamer een gezamenlijke afweging kunnen maken.
1. Kind centraal
Het voornaamste principe in de vormgeving van de nieuwe kindregeling is dat de ontwikkeling
en ontplooiing van het kind centraal staat. Dit houdt in dat kinderen gelijke kansen
krijgen, zich kunnen ontwikkelen en volwaardig kunnen meedoen. Belangrijk hiervoor
is onder andere dat de kindbijdrage terechtkomt waar de kinderen zijn. Ook wanneer
bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap en/of kinderen die in het buitenland verblijven.
Het uitgangspunt dat het kind centraal staat, moet doorwerken in alle elementen van
de nieuwe kindregeling. In hoe we het recht op de kindregeling vaststellen, in de
betaalfrequentie en in hoe we bijzondere doelgroepen ondersteunen.
De kindregeling is bedoeld als een zekere en stabiele basis voor kinderen om te kunnen
opgroeien. Daarom is het belangrijk dat de tegemoetkoming herkenbaar is als bijdrage
aan de kosten van kinderen. We verwachten van ouders dat zij de tegemoetkoming besteden
aan zaken die bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. Vanuit het principe dat
het kind centraal staat, willen wij onderzoeken welk betaalmoment en welke frequentie
van uitbetaling hieraan bijdraagt.
2. Focus op zekerheid
Rust in de huishoudportemonnee, waarbij ouders weten waar ze financieel aan toe zijn
en voor langere termijn financiële zekerheid ervaren, is ook een belangrijke manier
om het kind centraal te stellen. De nieuwe kindregeling moet zorgen voor meer zekerheid
voor gezinnen met kinderen. Dat betekent dat ouders minder vaak met (hoge) terugvorderingen
worden geconfronteerd, niet-gebruik afneemt en dat het duidelijker wordt hoeveel (meer)
werken loont. Zekerheid vraagt ook om voor ouders begrijpelijke beslissingen en toegankelijke
rechtsbescherming.
Liever gaat het kabinet in het bieden van zekerheid nog een stap verder. Door ervoor
te zorgen dat ouders erop kunnen vertrouwen dat zij bedragen die zij vanuit de nieuwe
regeling zullen ontvangen ook mogen houden. De inzet is bij deze extra stap om terugvorderingen
tot een minimum te beperken. In hoeverre deze extra stap wenselijk en haalbaar is
gaat het kabinet verkennen.
Concreet werken we twee richtingen verder uit. De eerste richting is definitief toekennen
in de actualiteit. Het kabinet ziet definitief toekennen in de actualiteit als een
belangrijk scenario om naartoe te werken. In de ultieme vorm is dit een stelsel waarbij
toeslagen automatisch worden toegekend op basis van beschikbare en betrouwbare gegevens,
passend bij de actuele financiële situatie, zonder dat mensen achteraf te maken krijgen
met terugvorderingen.
Dit vergt in ieder geval verbeteringen van bestaande dataregisters en mogelijk zelfs
de creatie van nieuwe dataregisters. Daarnaast zal, om een dergelijk stelsel werkbaar
te maken, waarschijnlijk aanpassing van begrippen zoals het inkomensbegrip nodig zijn,
wat nog op zijn consequenties moet worden gewogen.
Actuele gegevens helpen bij het bieden van zekerheid aan burgers en het voorkomen
van terugvorderingen. Voor het ontwerp van de nieuwe kindregeling willen wij ook het
gebruik van definities en gegevens uit de sociale zekerheid verder verkennen.
Een verkenning naar definitief toekennen in de actualiteit loopt momenteel. De Staatssecretaris
van Financiën zal uw Kamer nader over deze verkenning informeren.
Een overgang naar definitief toekennen in de actualiteit zal, als deze mogelijk blijkt,
meerdere kabinetsperiodes in beslag nemen. Daarom werkt het kabinet nog een tweede
richting uit. In deze tweede richting is het recht op kindbijdrage gebaseerd op historische
inkomensgegevens. Deze aanpak is geïnspireerd op het Vlaamse model.
In het Vlaamse model is het recht op de kindregeling gebaseerd op historische inkomensgegevens:
het inkomen van twee jaar eerder (t-2) bepaalt het recht op de kindregeling in het
huidige jaar. Daarmee is het voor ouders op voorhand helder waar ze aan toe zijn.
Een voordeel van het verschuiven van de peildatum naar t-2 is dat ouders meer zekerheid
hebben over het inkomen waarop het inkomensafhankelijke bedrag wordt gebaseerd.15 Als ouders meer of minder gaan verdienen, behouden zij recht op een bedrag dat is
gebaseerd op hun inkomen van twee jaar eerder. Dat zorgt voor rust in de huishoudportemonnee
en de kans zich voor te bereiden op een aanpassing in het bedrag in de toekomst.
Dat het kabinet de richting van historische inkomensgegevens gaat verkennen betekent
nog geen keuze voor deze richting. Verdere uitwerking is eerst nodig. Wij gaan daarmee
aan de slag. Aan deze richting zijn immers ook inherente negatieve consequenties verbonden.
Allereerst gaat het gebruik van historische inkomensgegevens gepaard met het principe
dat een daling van het inkomen pas twee jaar later leidt tot een hogere kindbijdrage.
Om gezinnen te helpen die bij zo’n inkomensdaling in de tussentijd echt in de problemen
komen, zal een vangnet nodig zijn. Dit vangnet moet om uitvoeringstechnische en budgettaire
redenen beperkt gehouden worden. Het zal daarom niet iedere inkomensdaling kunnen
opvangen. Een deel van de huishoudens zal een eventuele inkomensdaling in eerste instantie
dus zelf moeten opvangen. Dit kan zorgen voor financiële problemen, aangezien deze
groep in tegenstelling tot nu 2 jaar moet wachten alvorens zij een hogere tegemoetkoming
ontvangen. Het behapbaar houden van het vangnet heeft daarnaast ook consequenties
voor de vormgeving van de inkomensafhankelijkheid van de nieuwe regeling.
Ten tweede zullen de maximale reguliere bedragen bij het gebruik van historische inkomensgegevens
gemiddeld lager uitvallen dan in een stelsel dat uitgaat van het actuele inkomen.
Dit komt doordat een deel van de middelen niet via die reguliere bedragen, maar via
genoemd vangnet zijn weg naar gezinnen zal vinden. Het is de inzet van het kabinet
dat het inkomen van huishoudens met lage- en middeninkomens voldoende op peil blijft.
Dat zal ten koste gaan van de bedragen voor andere inkomensgroepen. Afhankelijk van
de vormgeving kan een vangnet ook leiden tot meer complexiteit voor de uitvoering.
Over de uitwerking van deze richting willen wij uw Kamer in een later stadium in meer
detail informeren.
Verder verbeteren bestaande stelsel in één nieuwe regeling
Definitief toekennen in de actualiteit
Historische inkomensgegevens gebruiken
Volledig inkomens-onafhankelijke regeling
Zekerheid is hier
Minder/lagere terugvorderingen;
juiste ondersteuning op het juiste moment
Minimale terugvorderingen; juiste ondersteuning op het juiste moment
Minimale terugvorderingen; ouder weet lang van tevoren welk bedrag hij/zij gaat ontvangen
Minimale terugvorderingen; ouder weet lang van tevoren welk bedrag hij/zij gaat ontvangen;
gelijke bedragen
Zo kan het
Hoger vast en lager variabel bedrag, langere afbouw, vermogenstoets, en dienstverlenings-acties
zoals attenderen en muteren
Kabinet verkent momenteel de mogelijkheden
Vaststellen op inkomensgegevens t-2 jaar, met vangnet
Geen afbouw meer op inkomen
Consequenties
Er blijven terugvorderingen en nabetalingen
Nu nog niet duidelijk wat wel/niet kan
Deel van huishoudens moet inkomensdaling zelf opvangen (dit kan zorgen voor financiële
problemen)
Potentieel hoge kosten (€ 6 mld) waarvoor dekking ontbreekt, of negatieve inkomenseffecten
voor gezinnen met laag inkomen
Benodigde gegevens vergen meerdere kabinetsperiodes voorbereiding
Lagere reguliere maximale bedragen
Tijdens de uitwerking houdt het kabinet oog voor andere alternatieven (zie figuur
2). Een alternatief is verder gaan met de bestaande inzet op het stapsgewijs verbeteren
van het bestaande toeslagenstelsel. Deze inzet kan worden gecombineerd met een samenvoeging
van het huidige kindgebonden budget en de kinderbijslag in een nieuwe regeling. Meer
zekerheid in de actualiteit kan bijvoorbeeld worden bereikt door het inkomensafhankelijke
deel minder steil af te bouwen, later in het inkomensgebouw te beginnen met de afbouw,
en niet-gebruik te verminderen. Hiermee kan zowel het aantal als de hoogte van de
terugvorderingen naar verwachting worden beperkt. Ook verdere verbeteringen in de
dienstverlening dragen bij aan meer zekerheid.
Zo kan de hoogte van de toeslag steeds vaker door Dienst Toeslagen zelf aangepast
worden (muteren) als meer en betere gegevens beschikbaar zijn.
Een laatste alternatief is een volledig inkomensonafhankelijke regeling. Een geheel
inkomensonafhankelijke kindregeling biedt veel zekerheid en verlaagt de marginale
druk voor ouders, maar gaat gepaard met negatieve inkomenseffecten voor gezinnen met
lage inkomens. Dit komt doordat een inkomensonafhankelijke regeling minder gericht
inkomenssteun biedt dan het huidige stelsel. Een volledig inkomensonafhankelijke regeling
zonder negatieve inkomenseffecten kent forse budgettaire consequenties (circa € 6
miljard). Hier is echter geen financiële dekking voor. Bovendien komt de regeling
dan terecht bij ouders voor wie een dergelijke mate van inkomensondersteuning niet
nodig is.
3. Meer vertrouwen in het systeem
Het kabinet wil een betrouwbare overheid zijn die ouders en kinderen geeft waar zij
recht op hebben. Daarvoor is het nodig dat ouders vertrouwen hebben in een goed functionerend
systeem. De nieuwe kindregeling beoogt hieraan bij te dragen door ouders zoveel mogelijk
te ontlasten in het doen van een aanvraag of het wijzigen van gegevens. Ook het recente
wetsvoorstel proactieve dienstverlening op het terrein van werk en inkomen (SZW) en
toeslagen draagt hieraan bij door mensen actief te benaderen als hun situatie verandert.
Op dit moment voert de SVB de kinderbijslag uit en Dienst Toeslagen het kindgebonden
budget. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling zal het kabinet eerst
onderzoeken aan welke dienstverlening gezinnen behoefte hebben. Het voornemen is de
nieuwe kindregeling vervolgens vorm te geven binnen één wettelijk kader, namelijk
de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (SUWI). Dit ten behoeve van
eenvoud voor burgers, uitvoerbaarheid en verbetering van dienstverlening en gegevensuitwisseling
tussen uitvoeringsorganisaties. Op termijn is het de bedoeling dat ouders in de dienstverlening
nog maar met één uitvoerder te maken krijgen.
Uw Kamer ontvangt voor de zomer een brief van de Minister van SZW over het harmoniseren
van de begrippen partner, vermogen en inkomen in inkomensondersteunende regelingen.
We onderzoeken of deze geharmoniseerde begrippen toepasbaar zijn in de nieuwe kindregeling.
Het kabinet heeft de ambitie uitgesproken om vanuit het perspectief van ouders en
toegankelijke dienstverlening te onderzoeken of (financiële) ondersteuning van ouders
en kinderen zoveel mogelijk op één centraal punt samen kan worden gebracht. Hierdoor
ontstaat overzicht voor ouders en kinderen waarmee niet-gebruik van de kindregelingen
en voorzieningen kan worden tegengegaan. Dit is in lijn met de motie-Flach16, die oproept om toe te werken naar één online gezinsportaal waarin alle gezinsregelingen
zijn ondergebracht. Hoe een dergelijk ouder-kind portaal het best kan worden vormgegeven,
willen wij samen met de betrokken uitvoeringsinstanties verder onderzoeken.
4. Werk moet lonen
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen die mee kan doen op de arbeidsmarkt
meedoet. Nu is het voor ouders niet altijd eenvoudig om in te schatten wat (meer)
werken betekent voor hun inkomen.
Deze onzekerheid kan voor ouders een rem zijn om de arbeidsmarkt te betreden. Met
de nieuwe kindregeling willen wij deze drempel zoveel mogelijk wegnemen. Een systematiek
zoals t-2, waarbij ouders niet onmiddellijk hun recht op kindregeling zien verminderen
op het moment dat ze (meer) gaan verdienen, kan onzekerheid wegnemen. Het kabinet
verwacht dat mensen daardoor eerder de stap durven te zetten om (meer) te gaan werken.
Zeker op het moment dat we – net als in Vlaanderen – ouders een extra jaar gunnen
om een hoger inkomensafhankelijk deel te ontvangen, voordat dit deel gebaseerd wordt
op hun hogere inkomen. Ook kan een groter inkomensonafhankelijk deel bijdragen aan
dat (meer) werken relatief aantrekkelijker wordt door een lagere marginale druk. In
de verdere uitwerking zullen wij ingaan op de verwachte gevolgen voor de deelname
van ouders op de arbeidsmarkt.
5. Aandacht voor specifieke doelgroepen
Binnen het huidige stelsel van de kindregelingen is er aandacht voor specifieke doelgroepen.
Die aandacht krijgt vorm in verschillende regelingen en onderdelen. Bijvoorbeeld de
dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ), de dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen
(DKOR), een extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) en een extra bedrag aan alleenstaande
ouders (ALO-kop). Deze regelingen dragen bij aan de gerichtheid van het stelsel door
een deel van de ouders te ondersteunen in specifieke omstandigheden. Tegelijkertijd
kan die gerichte ondersteuning ook zorgen voor meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking
van de kindregeling willen wij daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een
eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.
3. Het vervolg: verdere uitwerking en nog te maken keuzes
Uitwerking opties en alternatieven
Samen met de SVB en Dienst Toeslagen gaan wij de komende periode hard aan de slag
om tot een toekomstbestendige, nieuwe en zekere kindregeling te komen. Hierbij geldt
dat er nadere keuzes te maken zijn die in sommige gevallen ook nadelen kennen. Een
perfect stelsel en daarmee een ideale regeling bestaat niet. De vormgeving van de
nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Voor het einde van
2026 verwachten wij uw Kamer te kunnen informeren over de volgende stappen in de uitwerking.
Verdere verbetering van het huidige stelsel en transitie naar nieuwe regeling
De komende jaren zullen een transitie vormen naar een nieuwe regeling. In deze periode
blijft het kabinet het huidige stelsel stapsgewijs verbeteren. Waaronder het proactief
aanpassen van gegevens om terugvorderingen te voorkomen.
De komende periode wordt ook de verhouding tussen het inkomensonafhankelijke deel
en het inkomensafhankelijke deel van de kindregeling nader onderzocht. Het inkomensonafhankelijke
bedrag is eenvoudig en leidt slechts in uitzonderlijke situaties tot terugvorderingen.
Een bedrag dat afhankelijk is van het inkomen kent, zoals hiervoor beschreven, een
bepaalde mate van complexiteit. Om meer zekerheid te bieden, gaat het coalitieakkoord
uit van het verhogen van het inkomensonafhankelijke bedrag en het verlagen van het
inkomensafhankelijke bedrag. Zekerheid gaat tijdens de transitie naar een nieuwe regeling
ook over de hoeveelheid en omvang van terugvorderingen.
De effecten van verschillende opties voor de verhouding van het inkomensonafhankelijke
en het inkomensafhankelijke deel worden nader in kaart gebracht, inclusief het effect
op terugvorderingen bij diverse inkomensgroepen. Hierbij wordt de motie Ceder en Flach
c.s. meegewogen, die vraagt om negatieve inkomenseffecten voor lage inkomens in de
nieuwe regeling te beperken. We geven wel vast aan dat een overgang naar een nieuwe
regeling, gegeven een andere vormgeving dan nu, voor sommige groepen huishoudens inkomenseffecten
zal hebben. Bij het uitwerken van varianten hebben we hier oog voor en kijken we op
welke wijze dit gemitigeerd kan worden. Met Prinsjesdag zal het kabinet uw Kamer informeren
over de voornemens van het kabinet ten aanzien van de bestaande kindregelingen in
2027.
Tot slot
Het ontwerp van de nieuwe kindregeling zien wij als één van de prioriteiten binnen
onze portefeuilles. Samen met alle betrokken organisaties willen wij de bovenstaande
principes en uitgangspunten verder uitwerken. Een technische briefing over dit onderwerp,
als uw Kamer daar behoefte aan heeft, kan eraan bijdragen om uw Kamer hier meer in
detail op mee te nemen.
Ook willen wij de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid graag uitnodigen
om samen met ons op werkbezoek te gaan in Vlaanderen om te leren van de Vlaamse integrale
gezinsaanpak.
Alle kinderen verdienen een kansrijke start. Het is onze ambitie om samen met uw Kamer
te komen tot een nieuwe kindregeling die dit waarmaakt. Wij gaan hier graag met uw
Kamer over in gesprek.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Indieners
-
Indiener
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Medeindiener
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën