Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36800-VIII-146)
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 171
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 17 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief
van 15 april 2026 inzake de beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk
36 800 VIII, nr. 146).
De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 17 juni
2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
1
Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren ingezet om de beheersing van basisvaardigheden
op het mbo1 te versterken, hoe worden de voortgang en effectiviteit van deze inzet gemonitord
en welke eventuele aanvullende maatregelen kunnen worden overwogen om het mbo-basisvaardighedenniveau verder te verhogen?2
Met de aanpak basisvaardigheden mbo is de afgelopen jaren stevig ingezet op het verhogen
van de onderwijskwaliteit van de basisvaardigheden. De aanpak bestaat uit:
• Het versterken van de kwaliteit van docenten basisvaardigheden: in de wet komen aanvullende
eisen voor docenten basisvaardigheden. Hiervoor worden er aanvullende opleidingstrajecten
ontwikkeld. Het wetsvoorstel zal naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking treden.
• Het versterken van de kwaliteit van het taal-, reken- en burgerschapsonderwijs: er
komen nieuwe taaleisen en een passende examinering voor het vak Nederlands. In het
derde kwartaal van 2026 zullen wij uw Kamer hier uitgebreider over informeren. De
nieuwe rekeneisen worden in 2027 geëvalueerd. Ook komt er een hernieuwde inrichting
van het burgerschapsonderwijs. Het wetsvoorstel dat dit regelt zal per 1 augustus
2027 ingaan.
• Het verbeteren van de monitoring van het beheersingsniveau van de basisvaardigheden
van studenten: er worden peilingsonderzoeken ontwikkeld voor rekenvaardigheid, leesvaardigheid
en burgerschap. De afname voor rekenen heeft inmiddels plaatsgevonden in het najaar
van 2025.
• Mbo-instellingen hebben aanvullend geld ontvangen voor het bijspijkeren van het taal-
en rekenniveau van startende mbo-studenten. Vanaf studiejaar 2025/2026 tot en met
studiejaar 2030/2031 is in totaal € 147 miljoen beschikbaar gesteld aan mbo-instellingen.
Een aantal jaar na inwerkingtreding van de maatregelen worden de voortgang en effectiviteit
ervan geëvalueerd, te beginnen met rekenen, en wordt het beleid aangescherpt of bijgesteld
indien hier aanleiding voor is. Ook de informatie uit de monitoring van de werkagenda
geeft informatie over de bereikte resultaten.
2
In hoeverre houdt het mbo-basisvaardighedenniveau verband met het opleidingsniveau
en de didactische vaardigheden van mbo-docenten?
Het niveau van basisvaardigheden van mbo-studenten hangt samen met meerdere factoren.
De kwaliteit van het onderwijs en de didactische vaardigheden van docenten spelen
daarbij een belangrijke rol. Tegelijkertijd hebben ook het instroomniveau van studenten,
eerdere onderwijservaringen en persoonlijke omstandigheden invloed op de ontwikkeling
van basisvaardigheden. Om de kwaliteit van het onderwijs in basisvaardigheden verder
te versterken, werken we aan aanvullende eisen voor docenten die onderwijs verzorgen
in onder meer Nederlands en rekenen in het mbo. Het doel hiervan is dat studenten
les krijgen van docenten met voldoende vakinhoudelijke en didactische deskundigheid
op het gebied van basisvaardigheden. Van mbo-instellingen wordt verwacht dat zij structureel
investeren in de kwaliteit en professionalisering van hun docententeams.
3
Welke voorwaarden worden precies gesteld aan mbo-docenten en over welke kwalificaties
dienen mbo-docenten concreet te beschikken?
De wet aanvullende eisen docenten basisvaardigheden gaat gelden voor docenten die
les willen geven in een basisvaardigheid Nederlands, rekenen en/of burgerschap. Docenten
met een pedagogisch-didactisch getuigschrift (pdg) of een diploma van een lerarenopleiding
gericht op een ander vak, worden verplicht een aanvullend opleidingstraject te volgen
voordat zij onderwijs mogen geven in een basisvaardigheid. Docenten met een passende
lerarenopleiding, bijv. een lerarenopleiding Nederlands, beschikken reeds over de
juiste kennis en vaardigheden. Aan hen worden geen extra eisen gesteld. Het wetsvoorstel
ligt nu bij de Raad van State. Wij streven ernaar het wetsvoorstel na de zomer met
het RvS-advies naar de Kamer te sturen. Doel is dat per 1 augustus 2027 de wet in
werking treedt, waarbij rekening wordt gehouden met een passende overgangstermijn
voor zittende docenten.
4
Waaruit bestaan precies de gerichte investeringen in lezen, schrijven en rekenen in
het mbo-onderwijs?
Voor het mbo is vanaf studiejaar 2025/2026 tot en met studiejaar 2030/2031 in totaal
€ 147 miljoen beschikbaar gesteld aan mbo-instellingen. Met deze middelen kan extra onderwijspersoneel in dienst genomen worden
of worden behouden om startende mbo-studenten die met onvoldoende basisvaardigheden
instromen bij te spijkeren. De verwachting is dat deze extra inzet bijdraagt aan het
voorkomen van onnodige studievertraging en uitval. Bovendien is goede beheersing van
basisvaardigheden essentieel om goed mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt en in onze
maatschappij.
5
Hoeveel scholen zijn er in totaal als onvoldoende dan wel zeer zwak beoordeeld, uitgesplitst
naar regio en denominatie?
Inspecteurs beoordeelden tijdens de steekproef kwaliteitsonderzoeken in 2023–2024
en 2024–2025 scholen in de regio midden (Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland en
Utrecht), in de regio noord (Groningen, Friesland, Drenthe), in de regio oost (Overijssel,
Gelderland) en in de regio zuid (Limburg, Noord-Brabant, Zeeland). In tabel 1 staat
het aantal scholen dat als onvoldoende of als zeer zwak werd beoordeeld naar regio.
De inspectie heeft alleen voor het primair onderwijs naar denominatie gekeken. De
resultaten hiervan staan in tabel 2. Naast steekproef kwaliteitsonderzoeken vonden
in dezelfde periode risico-kwaliteitsonderzoeken plaats die ook tot een onvoldoende of zeer zwak oordeel kunnen leiden.
In de tabellen 3 en 4 staan de aantallen en percentages onvoldoende of zeer zwak op
basis van deze onderzoeken.
Tabel 1 Uitkomsten steekproef kwaliteitsonderzoeken naar regio
Regio
Oordeel
Primair onderwijs
Voortgezet onderwijs
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Midden
Onvoldoende
34
16
209
29
19
155
Zeer zwak
3
1
2
1
Noord
Onvoldoende
5
5
104
19
35
55
Zeer zwak
3
3
2
4
Oost
Onvoldoende
12
12
100
9
18
49
Zeer zwak
4
4
1
2
Zuid
Onvoldoende
9
9
101
8
11
71
Zeer zwak
2
2
0
–
Tabel 2 Uitkomsten steekproef kwaliteitsonderzoeken in het primair onderwijs, naar
denominatie
Denominatie
Oordeel
Primair onderwijs
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Openbaar
Onvoldoende
24
14
171
Zeer zwak
5
3
Overig bijzonder
Onvoldoende
10
15
67
Zeer zwak
2
3
Protestants-christelijk
Onvoldoende
15
14
106
Zeer zwak
2
2
Rooms-katholiek
Onvoldoende
11
8
130
Zeer zwak
2
2
Tabel 3 Uitkomsten risico-kwaliteitsonderzoeken naar regio
Regio
Oordeel
Primair onderwijs
Voortgezet onderwijs
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Midden
Onvoldoende
116
41
283
103
45
231
Zeer zwak
48
17
24
10
Noord
Onvoldoende
45
45
100
18
41
44
Zeer zwak
16
16
6
14
Oost
Onvoldoende
66
44
149
37
66
56
Zeer zwak
22
15
4
7
Zuid
Onvoldoende
58
45
130
24
44
55
Zeer zwak
16
12
5
9
Tabel 4 Uitkomsten risico-kwaliteitsonderzoeken in het primair onderwijs, naar denominatie
Denominatie
Oordeel
Primair onderwijs
Aantal
%
Aantal onderzochte scholen
Openbaar
Onvoldoende
118
45
264
Zeer zwak
43
16
Overig bijzonder
Onvoldoende
60
42
142
Zeer zwak
28
20
Protestants-christelijk
Onvoldoende
52
44
118
Zeer zwak
13
11
Rooms-katholiek
Onvoldoende
56
40
140
Zeer zwak
18
13
6
Hoeveel scholen zijn er onvoldoende dan wel zeer zwak beoordeeld die vorig jaar een
soortgelijke beoordeling hadden?
In schooljaar 2024–2025 kregen 32 scholen voor primair onderwijs een herstelonderzoek,
omdat zij in 2023–2024 tijdens een steekproef kwaliteitsonderzoek onvoldoende of zeer
zwak waren. Van deze 32 scholen kregen 8 opnieuw het oordeel onvoldoende of zeer zwak.
In het voortgezet onderwijs werden 41 scholen opnieuw onderzocht vanwege onvoldoende
kwaliteit tijdens het steekproefonderzoek. 20 scholen kregen opnieuw een onvoldoende
eindoordeel.
Naast steekproefonderzoeken vonden ook risico-kwaliteitsonderzoeken plaats. In schooljaar
2024–2025 kregen 85 scholen voor primair onderwijs een herstelonderzoek, omdat zij
in 2023–2024 tijdens een risico-kwaliteitsonderzoek onvoldoende of zeer zwak waren.
Van deze 85 scholen kregen 43 opnieuw het oordeel onvoldoende of zeer zwak. In het
voortgezet onderwijs werden 46 scholen opnieuw onderzocht vanwege onvoldoende kwaliteit
tijdens een risico-kwaliteitsonderzoek. 16 scholen kregen opnieuw een onvoldoende
eindoordeel.
7
Wat is de gemiddelde duur van een herstelopdracht?
Een gemiddelde hersteltermijn waarbinnen aan een herstelopdracht moet zijn voldaan
is lastig te geven. Het gaat immers om maatwerk. Bij een eerste wettelijke tekortkoming
geeft de inspectie een hersteltermijn van maximaal 12 maanden. Het herstelonderzoek
vindt bij het verstrijken van die termijn plaats. In sommige situaties is de gegeven
termijn (aanzienlijk) korter, bijvoorbeeld als er sprake is van acute risico’s die
snel moeten en ook kunnen worden weggenomen, bij herhaalde tekortkomingen, of als
het gaat om relatief eenvoudige zaken, bijvoorbeeld administratieve onvolkomenheden.
8
Hoeveel herstelopdrachten hadden specifiek betrekking op burgerschapsonderwijs?
Naar aanleiding van het steekproefonderzoek van 2023–2024 en 2024–2025 kreeg 53% van
de 506 basisonderwijs (bo)-scholen, 49% van de 185 (voortgezet) speciaal onderwijs
((v)so)-scholen en 65% van de 348 onderzochte voortgezet onderwijs (vo)-scholen een
herstelopdracht voor burgerschap (SvhO, p. 63).
9
In welke type mbo-opleidingen komt het oordeel onvoldoende of zeer zwak het vaakst
voor?
Dit heeft de inspectie niet onderzocht. De steekproef van opleidingen is niet volledig,
waardoor een uitsplitsing naar type mbo-opleiding geen representatief beeld geeft.
10
Welk kwaliteitsniveau op mbo’s ambieert u, welke maatregelen worden genomen om de
kwaliteitszorg op mbo’s te versterken, hoe beoordeelt u in algemene zin de verbeterplannen
van mbo’s en welke gerichte verbeteractiviteiten ondersteunt u vanuit het departement?
Van mbo-instellingen verwachten we dat ze onderwijs bieden dat studenten optimaal
voorbereidt op deelname aan de samenleving, de arbeidsmarkt en een eventuele vervolgopleiding.
Studenten kunnen na het voltooien van een mbo-opleiding volwaardig meedoen in de maatschappij
en daar een duurzame positie innemen. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
van onder andere de overheid, onderwijsbesturen en docenten. Als overheid stellen
we hiervoor kaders om een minimale basiskwaliteit te kunnen borgen. Daarnaast stimuleren
en faciliteren we kwaliteit door middel van bijvoorbeeld de Werkagenda mbo en het
Stagepact. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de basiskwaliteit en stimuleert
daarnaast het ambitieniveau van instellingen. In de Staat van het Onderwijs 2026 constateert
de Inspectie van het Onderwijs dat nog niet elke opleiding voldoet aan de kaders voor
kwaliteitszorg. De inspectie heeft op basis hiervan herstelopdrachten gegeven aan
opleidingen. Mbo-opleidingen verbeteren zich aan de hand van herstelplannen voldoende
(84% voldoet na de gestelde termijn). Opleidingen lijken hiermee verantwoordelijkheid
te nemen voor het op orde brengen van de kwaliteitszorg. Tegelijkertijd is het van
belang dat de kwaliteitszorg bij elke opleiding voldoende is. Daarom ondersteunen
we zowel inhoudelijk als financieel het Kwaliteitsnetwerk mbo. Dit netwerk van en
voor mbo-instellingen werkt stelselmatig aan de verbetering van de kwaliteitszorg.
Met het zogeheten Referentiewaardenmodel is een uniforme kwaliteitszorgsystematiek
in de sector geïntroduceerd. Momenteel is de sector hard aan het werk om zich deze
systematiek eigen te maken en te integreren in de bestaande kwaliteitscycli. We hebben
er vertrouwen in dat dit een impuls gaat geven aan de kwaliteitszorg op zowel instellingsniveau
als opleidingsniveau.
11
Uit steekproefonderzoek blijkt dat 18 procent van de scholen in het funderend onderwijs
(po3, vo4 en (v)so5) en 29 procent van de vmbo b-/k-afdelingen als onvoldoende of zeer zwak wordt beoordeeld;
zijn er regionale verschillen zichtbaar in de beoordeling van scholen in het steekproefonderzoek?
De inspectie heeft voor het primair onderwijs (po) verkend of er regionale verschillen
zijn in de kwaliteit van scholen. Uit deze analyse komen geen significante verschillen
tussen regio’s naar voren.
12
Op welk onderdeel scoren veel scholen in het voortgezet onderwijs onvoldoende, gezien
het feit dat kwaliteitszorg een hardnekkig zwak punt blijkt en 20 tot 32 procent van
de scholen in het voortgezet onderwijs een onvoldoende krijgen op de kwaliteitszorgstandaarden?
Uit het steekproefonderzoek van 2023–2024 en 2024–2025 blijkt dat vo-scholen relatief
vaak het oordeel onvoldoende krijgen voor de drie kwaliteitszorgstandaarden (en daarbinnen
het vaakst voor de standaard «Evaluatie, verantwoording en dialoog» (32%)). Het tekortschieten
van de evaluatie is veelal doorslaggevend voor het oordeel Onvoldoende. Na de kwaliteitszorgstandaarden
beoordeelt de inspectie in het vo de standaard Pedagogisch-didactisch handelen het
vaakst als Onvoldoende (16%).
13
Bij herstelonderzoeken in het funderend onderwijs blijkt dat een derde van de scholen
er na een jaar nog steeds niet in slaagt om de basiskwaliteit te bereiken; hoe succesvol
zijn hersteltrajecten in het funderend onderwijs volgens deze cijfers?
Hersteltrajecten in het funderend onderwijs (fo) zijn, gelet op de genoemde cijfers,
in twee van de drie gevallen binnen de afgesproken termijn (meestal een jaar) succesvol.
Het aandeel scholen dat de basiskwaliteit niet binnen een jaar bereikt is hoog en
stijgt. In die situaties vergt het hersteltraject meer tijd. Als een school er niet
in slaagt om binnen een jaar tot herstel te komen, kan de inspectie haar toezicht
aanscherpen en een financiële sanctie opleggen.
14
Hoe vaak zorgde een onvoldoende kwaliteitszorgstandaard voor een onvoldoende dan wel
zeer zwakke beoordeling van een school?
Kwaliteitszorgstandaarden spelen een rol in de beslisregels over het eindoordeel in
gevallen waarin de leerresultaten niet te beoordelen zijn. In het steekproefonderzoek
van 2023–2024 en 2024–2025 werden 4 scholen voor primair onderwijs en 2 afdelingen
in het voortgezet onderwijs waarvan de leerresultaten niet beoordeeld konden worden,
als onvoldoende beoordeeld omdat de kwaliteitszorgstandaard Visie, ambities en doelen
onvoldoende was. Daarnaast werden 5 scholen voor primair onderwijs en 5 afdelingen
in het voortgezet onderwijs als zeer zwak beoordeeld omdat de leerresultaten niet
beoordeeld konden worden, de kwaliteitszorgstandaard Visie, ambities en doelen onvoldoende
was en minimaal nog één andere beslisstandaard ook onvoldoende was.
15
Slechts 70 procent van de leraren in het primair onderwijs heeft de complexe differentiatievaardigheden
onder de knie; welke factoren kunnen verklaren dat niet alle leraren deze vaardigheden
onder de knie hebben?
Er spelen verschillende factoren een rol waardoor leraren de complexe differentiatievaardigheden
niet altijd onder de knie hebben of niet genoeg tijd hebben om deze actief toe te
passen en zich hierin te ontwikkelen. Dit is een vaardigheid die vooral in de eerste
fase van het beroep in de praktijk moet worden geleerd; beginnende leraren moeten
hierin nog stappen zetten. Daarom wordt er gewerkt aan verschillende aspecten, zoals
het scherper formuleren wat van leraren direct na de opleiding kan worden verwacht
en wat daarna moet worden geleerd. Daarop aansluitend worden duidelijke ontwikkelpaden
geformuleerd, waaronder doorgroeien naar vakbekwaamheid, die richting moeten geven
aan te ontwikkelen professionaliseringsactiviteiten. Binnen scholen is het daarnaast
belangrijk om samen aan expertise, vaardigheden en kwaliteit te werken met het hele
team. Door gebruik te maken van expertrollen en kennisdeling kunnen leraren elkaar
ondersteunen en samen werken aan beter onderwijs voor alle leerlingen.
16
Welke wettelijke vereisten blijken het vaakst niet te worden gehaald dan wel nageleefd
in het burgerschapsonderwijs?
De eisen waaraan scholen het vaakst niet voldoen zijn de eisen voor de doelgerichtheid
en samenhang van het in de praktijk gerealiseerde aanbod van het burgerschapsonderwijs
en de aansluiting van dat onderwijs bij de kenmerken van de leerlingenpopulatie (SvhO,
p. 63).
17
In het mbo worden 40 procent van de onderzochte opleidingen als onvoldoende of zeer
zwak beoordeeld, waarbij onvoldoende studiesucces het meest doorslaggevend is; welke
factor speelt volgens deze bevinding de grootste rol bij de negatieve beoordeling
van mbo-opleidingen?
Bij de negatieve beoordeling van mbo-opleidingen speelt een onvoldoende voor de standaard
Studiesucces de grootste rol. Een onvoldoende op deze standaard betekent dat te veel
studenten de opleiding zonder diploma verlaten. De inspectie beoordeelt de standaard
Studiesucces bij de mbo-niveaus 2, 3 en 4 aan de hand van 3 indicatoren. Voor deze
indicatoren geldt per niveau een absolute norm, variërend van 61% tot 82% (gediplomeerden
of nog aan de opleiding studerenden). De inspectie heeft niet onderzocht wat de onderliggende
factoren zijn voor het grote aantal onvoldoendes op de standaard Studiesucces.
De inspectie spreekt overigens niet zonder meer het oordeel onvoldoende over de opleiding
uit, als alleen de onderwijsresultaten onder de norm zijn. De inspectie gaat dan na
welk beeld de instelling zelf heeft van de onderwijskwaliteit, om welke redenen studenten
zijn uitgevallen, welke aspecten daarvan beïnvloedbaar zijn, welke maatregelen de
opleiding heeft getroffen ter vermindering van de uitval en verbetering van de kwaliteit
en hoe hierop gestuurd wordt.
18
Het percentage havo-afdelingen met onvoldoende berekende resultaten is spectaculair
gestegen van 4 procent in 2024 naar 21 procent in 2025; hoeveel havo-afdelingen zijn
in 2025 opnieuw beoordeeld en hoeveel daarvan zijn verbeterd?
In principe berekent de inspectie elk jaar voor iedere afdeling opnieuw de onderwijsresultaten,
tenzij dit door fusies of om andere redenen niet mogelijk is. In 2024 hadden 23 havo-afdelingen
op basis van deze berekening, die uitgaat van een driejaarsgemiddelde, onvoldoende
resultaten. In 2025 kon daarvan voor 21 afdelingen opnieuw een berekening worden gemaakt.
Op basis van deze berekening hadden 3 afdelingen voldoende resultaten. Vanwege het
werken met een driejaarsgemiddelde kan het nog enige tijd duren voordat de berekende
resultaten weer voldoende zijn, bij de berekening van de resultaten in 2025 tellen
immers de resultaten van de twee voorafgaande jaren nog mee. Een definitief oordeel
volgt pas na een kwaliteitsonderzoek.
19
Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aangenomen motie Ergin cs. uit
2024 over de herinvoering van de ministersplaatsen voor Caribische kandidaten op de
onderwijs- en loopbaankansen van scholieren in het Caribisch deel van het Koninkrijk?6
Zoals de Kamer op 16 december jl. is geïnformeerd, wordt de motie Ergin cs. (2024)
samen met VWS uitgevoerd in de vorm van een bredere integrale aanpak om de aansluiting
te verbeteren tussen zorgopleidingen met selectie in Europees Nederland en het Caribisch
zorgveld. Hiermee zetten we in op het terugdringen van de tekorten aan zorgprofessionals
daar, door verbetering van de instroom, doorstroom én uitstroom van Caribische studenten.
Daarnaast is het streven om via de Variawet voor Hoger Onderwijs de toegankelijkheid
van selectieprocedures voor Caribische aspirant-studenten te verbeteren, zodat ze
op een gelijkwaardige manier daaraan kunnen deelnemen. Het kabinet is pas recent met
deze aanpak gestart, waardoor de gevolgen daarvan nog niet direct zichtbaar zijn.
De instroom van Caribische studenten en de integrale programmatische aanpak zal tussentijds
gemonitord worden en over drie jaar vindt er een evaluatie plaats.
20
Welke specifieke sectoren of regio’s lopen voor de periode 2026–2030 het grootste
risico op financiële instabiliteit vanwege de verwachte daling van de rijksbijdragen
voor alle onderwijssectoren door onder andere bezuinigingen van het vorige kabinet
en dalende leerlingaantallen hierdoor?
Het kabinet-Jetten heeft ervoor gekozen een deel van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof
terug te draaien en daarnaast in het onderwijs te investeren. Op die manier worden
de financiële randvoorwaarden voor goed onderwijs verstevigd. Zoals aangegeven in
reactie op eerdere Kamervragen7 is het positieve saldo van investeringen en extensiveringen van het kabinet-Jetten
groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van het kabinet-Schoof.
Bij dalende leerlingaantallen dalen de rijksbijdragen. Scholen in primair en voortgezet
onderwijs met dalende leerlingenaantallen die de toekomst van de school beïnvloeden
– bijvoorbeeld in de regio’s waar de Incidentele Middelen Leerlingendaling (IML) zijn
ingezet – moeten zoveel mogelijk met elkaar samenwerken en/of fuseren. Dit is ook
van belang vanwege de lerarentekorten. Het voornemen om de kleinescholentoeslag om
te vormen naar een dunbevolktheidstoeslag kan hierbij helpen. In het vo is er al aanvullende
bekostiging voor geïsoleerde vestigingen om het aanbod in de regio in stand te houden.
In het vmbo combineren scholen bij dalende leerlingaantallen, steeds vaker leerwegen
en leerjaren om het onderwijs organiseerbaar te houden. In december 2025 ontving de
Tweede Kamer een eerste tussenstand van de verkenning naar de toekomstbestendigheid
van het vmbo: er zijn verschillende experimenten gestart zijn en er loopt een verkenning
naar de profielen in het vmbo. Eind 2026 wordt de Tweede Kamer opnieuw geïnformeerd
over de stand van zaken.
Het mbo heeft een sterke regionale functie en werkt daarom in arbeidsmarktregio’s.
De volgende arbeidsmarktregio’s hebben te maken met een forse daling van het aantal
mbo-studenten, waardoor de toegankelijkheid en beschikbaarheid van het onderwijs daar
onder druk komt te staan: Friesland, Groningen, Drenthe, Twente, Achterhoek, Noord-Holland
Noord, Zeeland, Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het kabinet heeft daarom circa € 30
miljoen per jaar beschikbaar gesteld van 2025 tot en met 2028 om de ergste krimp in
deze regio’s op te vangen. Daarnaast werkt het kabinet aan een wijziging van de bekostiging
waardoor deze minder afhankelijk wordt van fluctuaties in de studentenaantallen. De
beoogde inwerkingtreding van de nieuwe bekostigingssystematiek in het vervolgonderwijs
is per 2029. Uw Kamer wordt hier voor de zomer nader over geïnformeerd.
In het hbo en wo hebben instellingen een bovenregionale functie, daarom zijn deze
cijfers op een hoger aggregatieniveau geanalyseerd. In beide sectoren zijn de verschillen
in de ontwikkeling van de verwachte studentenaantallen voor de periode 2026–2030 tussen
regio’s beperkt. In het hbo is de daling in de regio’s Noord (– 3,8%), Oost (– 4,3%)
en Zuid (– 4,1%) vrijwel gelijk, terwijl deze in de Randstad lager ligt (– 1,2%).
In het wo is een vergelijkbaar patroon zichtbaar. Ook hier liggen de regio’s Noord
(– 6,3%), Oost (– 6,1%) en Zuid (– 6,4%) zeer dicht bij elkaar, met een beperktere
daling in de Randstad (– 4,1%). Aandachtspunt hierbij is dat deze prognoses zijn gebaseerd
op historische marktaandelen en demografische bevolkingsvoorspellingen, andere factoren
zoals het effect van (krimp)maatregelen vanuit het Rijk of de instellingen zijn hierin
dus niet (volledig) meegenomen. Mede hierdoor sluiten deze prognoses niet altijd aan
bij de voorspellingen in bijvoorbeeld jaarverslagen van de onderwijsinstellingen zelf.
Voor het hbo is in de periode 2022 tot 2026 eenmalig in totaal € 90 miljoen beschikbaar
gesteld voor sterk krimpende regio’s, met als doel samen een toegankelijk en gevarieerd
onderwijsaanbod te behouden dat aansluit op de regionale arbeidsmarkt. Desalniettemin
is de demografische krimp een van de redenen voor het kabinet om ook de toekomstvastheid
van de financiering van het hbo en wo te onderzoeken en is een herziening van deze
bekostigingssystematiek voorzien. Hierover wordt uw Kamer daarom uiterlijk in het
vierde kwartaal van 2026 geïnformeerd.
21
93 procent van de bestuurders van samenwerkingsverbanden geeft aan dat de wettelijke
scheiding tussen onderwijs- en zorgmiddelen een passend aanbod voor leerlingen in
de weg staat; welke mogelijkheden zijn er om die wettelijke scheiding tussen onderwijs-
en zorgmiddelen te verkleinen?
Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel Maatwerk in het funderend onderwijs waarin
samenwerkingsverbanden meer ruimte krijgen om een deel van hun budget flexibel in
te zetten. Daarnaast is in het wetsvoorstel Reikwijdte van het Ministerie van VWS
opgenomen dat scholen en gemeenten, en samenwerkingsverbanden waar het cluster 3 en
4 in het speciaal onderwijs betreft, afspraken maken over goede samenwerking tussen
onderwijs en zorg.
22
In 2024–2025 beheerste een derde van de gediplomeerden het referentieniveau 2F voor
Nederlands feitelijk niet door de systematiek van cijferdifferentiatie in het mbo
2; welke structurele maatregelen kunnen worden genomen om te borgen dat het percentage
gediplomeerden op termijn het referentieniveau 2F behaalt en welke tijdspanne heeft
u gesteld om deze doelstelling te verbeteren?
Uit een evaluatie naar de huidige taalniveaus uit 2022 bleek dat deze niet passend
zijn voor de diverse mbo-niveaus en studentengroepen. Om die reden heeft een expertgroep
beter passende taaleisen per mbo-niveau geformuleerd. Dit betekent dat er voor mbo
2 en mbo 3 een eigen set passende taaleisen is geformuleerd, waarmee cijferdifferentiatie
voor mbo 2 kan worden afgeschaft. Deze taaleisen voor mbo 2 en 3 zijn binnen de bandbreedte
van het huidige 2F niveau geformuleerd, waarmee het gevraagde beheersingsniveau gelijk
blijft. Wij zullen uw Kamer in het derde kwartaal informeren over de beoogde tijdspanne
voor de nieuwe taaleisen en bijpassende examinering.
23
Welke structurele maatregelen kunnen worden genomen om te borgen dat de resultaten
voor het centraal examen Nederlands op mbo 4-niveau stijgen, gezien het feit dat in
2024–2025 38 procent van de gediplomeerden onvoldoende lees- en/of kijk- en luistervaardig
was op niveau 3F, en welke tijdspanne heeft de u gesteld om deze doelstelling te verbeteren?
Uit een eerdere evaluatie naar de taalniveaus bleek dat deze niet passend zijn voor
het mbo, waarna onze ambtsvoorganger een expertgroep heeft ingesteld voor advies.
In de Kamerbrief van 19 mei 20258 is uw Kamer geïnformeerd over de adviezen van de expertgroep voor nieuwe passende
taaleisen en examinering voor het mbo. Er zijn taaleisen per mbo-niveau geformuleerd
die uitgaan van mbo-praktijksituaties voor werk, maatschappij en doorstroom. Deze
worden op bruikbaarheid voor mbo-docenten getoetst. Deze bruikbaarheidstoets zullen
wij u Kamer nog voor de zomer toesturen. Daarnaast wordt een voorstel uitgewerkt voor
examinering die passend en haalbaar is en de examenkwaliteit waarborgt. In het derde
kwartaal informeren wij uw Kamer hierover.
24
Hoeveel leerlingen in po, vo, vso en mbo kunnen momenteel daadwerkelijk gevolgd worden
op de referentieniveaus taal en rekenen, uitgesplitst per onderwijssector?
Aan het eind van het primair onderwijs is van alle leerlingen die doorgaan naar het
voortgezet onderwijs bekend of ze de referentieniveaus taal en rekenen beheersen.
In de onderbouw van het voortgezet onderwijs volgen de meeste scholen de beheersing
van de referentieniveaus via toetsen uit leerlingvolgsystemen. Deze beheersing wordt
echter niet centraal geregistreerd. De centraal examens zijn weliswaar geijkt op de
referentieniveaus, maar de eindexamenniveaus zijn onvoldoende vergelijkbaar met de
referentieniveaus (Staat van het Onderwijs, 2025). Hierdoor kunnen de prestaties van
leerlingen op de referentieniveaus aan het eind van het voorgezet onderwijs niet goed
gevolgd worden. Daardoor is niet bekend met welke beheersingsniveaus zij het vervolgonderwijs
binnenkomen. Dit is een gemis. Het voornemen is om dit bij de komende herziening van
de referentieniveaus op te lossen. SLO, CvTE en Stichting Cito zullen hier in het
najaar 2026 mee starten. De herziening van de referentieniveaus zal naar verwachting
in 2028 gereed zijn.
25
Op welke onderdelen wijken de huidige mbo-rekeneisen af van de referentieniveaus rekenen?
Uitgangspunt voor de nieuwe rekeneisen voor het mbo zijn de referentieniveaus (2F
en 3F) zoals vastgelegd in het Besluit Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
De resultaten van het rekenexamen moeten inzicht geven in het beheersingsniveau van
mbo-studenten gebaseerd op de referentieniveaus. In hoeverre het rekenexamen gebaseerd
is op de referentieniveaus zal onderdeel zijn van de evaluatie van de rekeneisen in
2027. Indien nodig volgt dan een bijstelling.
26
Welke rol spelen klassenomvang en lesmethodes in de uitkomst dat bijna een derde van
de basisschoolleerlingen aan het einde van de basisschool referentieniveau 1F voor
gespreksvaardigheid nog niet beheerst?
Het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) heeft een overzicht gemaakt van nationale
en internationale studies naar het verband tussen klassengrootte en de prestaties
van leerlingen.9 Hieruit concludeert het NKO dat het effect van klassenverkleining op leerlingprestaties
positief is, maar dat het bewijs hiervoor niet heel sterk is. Leerlingprestaties zijn
namelijk van veel verschillende factoren afhankelijk. De concrete impact van klassenomvang
is dus niet bekend.
Volgens het recente peilingsonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar de mondelinge
taalvaardigheid van leerlingen uit groep 8 gebruikt bijna 90 procent van de scholen
een taalmethode om aan mondelinge taalvaardigheid te werken.10 Op basis hiervan kunnen we concluderen dat lesmethodes van invloed zijn op de resultaten
van leerlingen. Volgens de Inspectie ontbreken in methodes vaak expliciete, meetbare
doelen voor mondelinge taalvaardigheid en monitoren leraren de mondelinge taalvaardigheid
van leerlingen niet consequent. Hierdoor hebben leraren geen zicht op de ontwikkeling
van de mondelinge taalvaardigheden van leerlingen en kunnen zij niet tijdig ingrijpen.
27
Welke kortetermijnmaatregelen kunnen er worden genomen om basisschoolleerlingen wel
de doelstelling van het basisschoolreferentieniveau 1F voor gespreksvaardigheid te
laten behalen, gezien het feit dat bijna een derde van de basisschoolleerlingen aan
het einde van de basisschool referentieniveau 1F voor gespreksvaardigheid nog niet
beheerst?
Volgend schooljaar treden de nieuwe kerndoelen Nederlands in werking. Stichting Leerplan
Ontwikkeling (SLO) ontwikkelt hier leerlijnen bij, die vanaf 2027 beschikbaar zijn.
De kerndoelen en leerlijnen geven leraren concrete handvatten om doelgericht met mondelinge
taalvaardigheid aan de slag te gaan. Met heldere doelen kunnen leraren de ontwikkeling
van de mondelinge taalvaardigheid van leerlingen beter volgen en hun lessen hierop
inrichten. Ook sturen de kerndoelen erop aan dat taalvaardigheden in alle vakken aan
de orde komen. Hiermee bieden de nieuwe kerndoelen volop gelegenheid om gespreksvaardigheden
te verbeteren. De verwachting is dat dit binnen enkele schooljaren tot zichtbare verbeteringen
leidt.
28
Welke beleidskeuzes volgen uit de constatering dat een onvoldoende voor het centraal
examen wiskunde in het vmbo een sterke voorspeller voor een gebrek aan succes in het
eerste studiejaar van het mbo blijkt te zijn; wordt het niveau van het vmbo verhoogd,
de begeleiding van het mbo bereikt of beide?
De inspectie constateert dat ongeveer 15% van de vmbo-leerlingen met een onvoldoende
voor het centraal examen (CE) wiskunde in 2021 zich na een jaar niet meer op het mbo-niveau
bevond waarop ze gestart waren. Hierbij moet opgemerkt worden dat het CE wiskunde
in 2021 onder uitzonderlijke omstandigheden heeft plaatsgevonden, in verband met de
toen geldende coronamaatregelen. Zo was er de «duimregeling» die examenkandidaten
de mogelijkheid gaf om één onvoldoende cijfer weg te strepen, waardoor dat niet meetelde
voor de diplomering. We weten op basis van onderzoek dat er in 2021 een grote toename
was aan vmbo-kandidaten met een lage score op het wiskunde-examen.11 Deze examenkandidaten konden immers ook slagen door een minimale inspanning te leveren
bij wiskunde. Een cohortanalyse van DUO toonde vervolgens aan dat wanneer de studenten
die met en zonder gebruikmaking van de «duimregeling» waren ingestroomd in het vervolgonderwijs
vergeleken werden, opviel dat de eerstgenoemde groep vaker uitviel in het vervolgonderwijs.12 Deze resultaten toonden het belang aan om na 2022 te stoppen met de examenversoepelingen.
Sinds het examenjaar 2023 zijn de exameneisen daarom weer teruggegaan naar het niveau
van voor de coronapandemie. Daarnaast wordt er momenteel gewerkt aan een herziening
van het wiskundecurriculum in het vmbo, waarbij er wordt gekeken naar wat leerlingen
moeten kennen en kunnen aan het einde van het vmbo. De inzet van deze herziening is
dat alle leerlingen in de bovenbouw van het vmbo een vorm van wiskunde of gecijferdheid
volgen.
29
Nederlandse vo-leerlingen in leerjaar 2 presteren onder het internationaal gemiddelde
op het gebied van computer- en informatiegeletterdheid (niveau 1, waar niveau 2 het
basisniveau is); welke extra middelen komen er beschikbaar om te voorkomen dat een
grote groep leerlingen digitaal achterblijft voordat de kerndoelen in 2027 wettelijk
van kracht worden?
Dit is een bekend probleem. Daarom is het zo belangrijk dat de kerndoelen digitale
geletterdheid worden ingevoerd. Scholen hoeven ook zeker niet te wachten tot 2027
als zij voor hun leerlingen alvast met digitale geletterdheid aan de slag willen gaan.
De kerndoelen liggen er immers en die bieden een mooie gelegenheid om digitale geletterdheid
sterker te verwerken in het schoolcurriculum. Voor de implementatie van alle kerndoelen
is cumulatief € 50 miljoen gereserveerd voor de periode 2026–2031. Hiermee worden
scholen door o.a. OCW, raden, bonden en vakverenigingen ondersteund in het toepassen
van het nieuwe curriculum op school. Er is geen deel geoormerkt voor digitale geletterdheid.
Uit hetzelfde onderzoek13 blijkt overigens ook dat schoolleiders het belang inzien van digitale geletterdheid
en dat de meeste Nederlandse scholen beschikken over voldoende voorzieningen, zoals
laptops en internetverbinding. Nederland loopt hierin voorop vergeleken met veel andere
landen. Dat is een goede basis van waaruit scholen kunnen gaan werken aan de nieuwe
kerndoelen digitale geletterdheid.
30
Hoe verhoudt de voorgestelde wetswijziging van de WHW14 zich tot de aanbevelingen uit het NRO Consortiumonderzoek «Onbedoelde effecten van
selectie op de diversiteit van de geneeskundestudenten-populatie en de kandidatenpool:
Wat kunnen we eraan doen?»15 (NRO project 40.5.18650.007)?
In het voorstel voor de Variawet HO, zoals gepubliceerd in het kader van internetconsultatie,
worden bachelor- en masteropleidingen verplicht om hun selectieprocedure te onderbouwen
en rekening te houden met onbedoelde benadeling(bias) van bepaalde groepen studenten.
Dit voorstel16 sluit deels aan bij de aanbevelingen uit het aangehaalde NRO project. De onderzoekers
bevelen namelijk aan om de voorlichting over selectieprocedures te verbeteren en om
oog te houden voor kansengelijkheid bij het ontwerpen van selectieprocedures. Het
voorstel behelst dat opleidingen voortaan verplicht worden om te beargumenteren waarom
ze bepaalde selectiecriteria en selectie-instrumenten inzetten en hoe onbedoelde bias
(vertekening) zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ook moet deze onderbouwing gepubliceerd
worden op de website. Zo wordt het voor aspirant-studenten niet alleen inzichtelijk
hoe zij worden geselecteerd, maar ook waarom de instelling hen op dergelijke wijze
selecteert. De fase van internetconsultatie is recent gesloten en suggesties voor
verbetering worden betrokken in de verdere voorbereiding van het wetsvoorstel.
De onderzoekers bevelen ook aan om ruimte te bieden aan instellingen voor het voeren
van vormen van voorkeursbeleid. Dat is momenteel niet toegestaan binnen de huidige
wettelijke kaders. Het kabinet onderschrijft het probleem van kansenongelijkheid in
selectie, maar kiest voor een andere aanpak om dit probleem tegen te gaan. Deze aanpak
is, met de voorgestelde wetswijziging, gericht op verbetering van de onderbouwing
van selectieprocedures en het zoveel mogelijk tegengaan van onbedoelde benadeling.
De introductie van voorkeursbeleid brengt complexe juridische en uitvoeringsvragen
met zich mee. Zo moet worden aangetoond dat het beoogde doel niet ook met andere,
minder vergaande middelen bereikt kan worden.
31
Hoeveel meldingen van schorsing of verwijdering wegens fysiek geweld ontving de inspectie17 in 2024–2025?
In schooljaar 2024–2025 werden er in totaal 6248 leerlingen geschorst of verwijderd
op grond van een incident met als voornaamste reden fysiek geweld. Het kan hierbij
gaan om (dreigen met) fysiek geweld tegen medeleerlingen of personeel, maar ook om
vernieling of bezit van vuurwerk of wapens. (SvhO, 2026)
32
Welke leerlinggroepen rapporteren de laagste veiligheidsbeleving volgens de jaarlijkse
monitor?
Dit heeft de inspectie onderzocht door te kijken naar de scholen waarvan de leerlingen
gedurende drie opeenvolgende jaren relatief lage scores hebben in de veiligheidsmonitor
(de scholen behoren tot de 20% scholen met de laagste scores). Deze groep scholen
heeft een populatie met een hogere schoolweging. Dit betekent dat deze scholen een
complexere leerlingenpopulatie hebben, vaak met meer risico op onderwijsachterstanden.
Het maakt ook uit in welke regio de school staat. Leerlingen van po-scholen in het
midden van het land hebben lagere scores op veiligheidsbeleving dan leerlingen van
scholen in het Oosten of Zuiden van het land.
Voor schoolgrootte, denominatie en stedelijkheid zijn geen robuust significante effecten
op de veiligheidsbeleving gevonden. (IvhO, Technisch rapport Monitor sociale veiligheid,
2026). Wel is er in het po een significant effect van schoolgrootte op het welbevinden
van leerlingen voor de op veiligheidsbeleving hoogst scorende po-scholen. Scholen
met een grotere schoolpopulatie zitten vaker in de categorie scholen met hoogste scores
voor veiligheidsbeleving.
Voor het voortgezet onderwijs was de groep scholen (uitgesplitst naar afdelingen)
die drie jaar achter elkaar lage scores had te klein (enkele tientallen afdelingen)
om er betrouwbare uitspraken over te kunnen doen. In het (v)so is de variatie in gebruikte
instrumenten te groot om een dergelijke vergelijkende analyse te maken.
33
Bij situaties van islamofobe of homofobe uitingen kunnen verschillen in normen en
waarden en politieke opvattingen een rol spelen, terwijl bij andere type veiligheidsincidenten
scholen vaak een protocol hebben dat aangeeft hoe te handelen; wat is de reden dat
scholen bij situaties van bijvoorbeeld islamofobie niet weten hoe ze moeten handelen
en welke maatregelen kunnen er worden genomen om dit wel te weten?
De inspectie heeft niet onderzocht wat de reden is dat scholen bij situaties van bijvoorbeeld
islamofobie niet weten hoe ze moeten handelen. Dit vraagstuk hangt samen met de bredere
zorg voor (sociale) veiligheid op scholen. De inspectie is daarom voornemens om onderzoek
te doen naar hoe leraren worden voorbereid op deze zorg voor (sociale) veiligheid
in het praktijkdeel van hun opleiding. Los daarvan is wel bekend dat scholen het soms
lastig vinden schurende gesprekken te voeren. We blijven daarom met leraren in gesprek
over de vraag welke behoeften zij hebben aan ondersteuning. Daarnaast ondersteunen
we scholen via Stichting School en Veiligheid. Zij hebben handreikingen en protocollen,
ook specifiek als het gaat om het omgaan met discriminerend gedrag zoals bij homofobie
of islamofobie18. Ook bij het Expertisepunt Burgerschap kunnen scholen terecht voor ondersteuning
en voor trainingen in schurende gesprekken.
34
Hoe verklaart u dat 6 procent van de onderwijsbesturen in 2024 nog steeds geen verantwoording
aflegden over informatiebeveiliging en privacy in hun jaarverslag, ondanks de verantwoordingsplicht?
De constatering van de inspectie is dat in 6% van de jaarverslagen niets staat over
maatregelen op het vlak van digitale weerbaarheid en veiligheid, ondanks de verantwoordingsverplichting
op dit punt. De inspectie heeft niet onderzocht wat hiervan de redenen of oorzaken
zijn.
35
Op welke wijze gaat u scholen ondersteunen nu 80 tot 88 procent van de leraren aangeeft
niet over de benodigde kennis en vaardigheden te beschikken om AI19 effectief en veilig in te zetten in de lessen?
Het kabinet onderschrijft het belang van het veilig en effectief gebruik van AI in
het onderwijs en ondersteunt scholen en leraren op verschillende manieren hierbij.
Ontwikkelingen rond digitalisering en AI worden goed meegenomen in professionaliseringsinitiatieven.
In de nieuwe subsidieregeling van het programma Nationale Aanpak Professionalisering
Leraren (NAPL) is opgenomen dat digitalisering en AI integraal onderdeel moeten zijn
van professionalisering en curriculumontwikkeling, zodat deze duurzaam worden ingebed
in het onderwijs. Ook krijgen AI en digitale geletterdheid een vaste plek in de nieuwe
kerndoelen en in de lerarenopleidingen, zodat zowel huidige als toekomstige leraren
beter worden voorbereid op het werken met AI.
In het najaar deel ik het Regieplan Digitalisering in het funderend onderwijs met
uw Kamer. Hierin worden de behoeften van scholen en leraren en de bestaande ondersteuningsmogelijkheden
in kaart gebracht, en wordt bezien welke aanvullende ondersteuning nodig is om scholen
en leraren te helpen AI verantwoord in te zetten.
36
Hoe heeft het aantal thuiszitters zich ontwikkeld sinds 2020?
Op 21 mei jl. is uw Kamer geïnformeerd over de meest recente leerplichttelling waarin
de verzuimcijfers over het schooljaar 2024–2025 zijn weergeven. Het totale schoolverzuim
– zo blijkt uit deze rapportage – stijgt al enige jaren. Dit betreft met name het
absoluut verzuim, waarbij leerplichtige kinderen geen schoolinschrijving hebben, en
in minder mate het langdurig relatief verzuim, waarbij ingeschreven leerlingen meer
dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn. Zie voor de ontwikkeling de tabel hieronder.
Het kabinet ziet dit als een zorgelijke ontwikkeling en zet zodoende sinds 2022 in
op het terugdringen van verzuim. Hiertoe heeft het kabinet onder meer meerdere wetsvoorstellen
in voorbereiding, zoals het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim en het wetsvoorstel
maatwerk. Over onder meer deze maatregelen en verklaringen van de stijging is uw Kamer
op 21 mei jl. geïnformeerd.
Schooljaar
Absoluut verzuim
Langdurig relatief verzuim
2017–2018
4.515
4.174
2018–2019
4.985
3.917
2019–2020
5.570
3.385
2020–2021
5.491
3.328
2021–2022
10.240
3.246
2022–2023
13.707
3.881
2023–2024
14.979
4.294
2024–2025
16.351
4.804
37
Wat verstaat de inspectie onder lichte interventies?
Elke actie die de inspectie uitvoert, is een interventie die gericht is op beter onderwijs.
Lichte interventies zijn laagdrempelige acties waarmee de inspectie informeert en
naleving stimuleert. Er is dan geen sprake van door de inspectie geconstateerde ernstige
risico’s. Voorbeelden van lichte interventies zijn een (telefoon)gesprek met een bestuur
of school over een specifieke situatie of over de uitkomsten van de jaarlijkse prestatie-
en risicoanalyse van de inspectie, of een schriftelijke herinnering om bijvoorbeeld
de uitkomsten van de monitor sociale veiligheid of het jaarverslag naar de inspectie
te zenden. Overigens zijn veel activiteiten om het reguliere toezicht van de inspectie
heen ook (lichte) interventies, bijvoorbeeld webinars die de inspectie organiseert of brochures die de inspectie uitbrengt.
38
Hoe gaat de inspectie ervoor zorgen dat er meer onaangekondigde bezoeken afgelegd
worden aan de verschillende scholen?
De inspectie is in 2025 een pilot gestart met meer onaangekondigde, minder intensieve
bezoeken in het primair onderwijs. In 2025 ging het om 211 basisscholen. In 2026 zijn
800 bezoeken in het basisonderwijs gepland. Ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs
en voortgezet onderwijs is een start gemaakt met deze onaangekondigde, minder intensieve
bezoeken, dit jaar zijn er in deze sectoren 10 respectievelijk 30 gepland.
39
Wanneer wordt er zwaarder toezicht ingezet?
De inspectie komt tot zwaardere interventies wanneer risico’s voor de (financiële)
kwaliteit van het bestuur of het onderwijs of geconstateerde (herhaalde) tekortkomingen
daarom vragen. Dat kan zijn op basis van signalen, op basis van de jaarlijkse prestatie-
en risicoanalyse van de inspectie of op basis van bevindingen uit een onderzoek dat
de inspectie doet, zoals een onaangekondigd onderzoek of een steekproefonderzoek.
40
Hoe worden de inspectiebezoeken omgezet naar kwalitatief goede resultaten?
De inspectie heeft als belangrijke wettelijke taak het beoordelen en bevorderen van
de kwaliteit van het onderwijs. Op basis van de Wet op het onderwijstoezicht ziet
de inspectie toe op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften
(verder dan dat mag de inspectie bij haar oordelen niet gaan) en bevordert de inspectie
de ontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen
als bedoeld in de onderwijswetten. Deze rol is voor het hoger onderwijs beperkter
op basis van de genoemde wet.
Inspectiebezoeken kunnen bijdragen aan beter onderwijs en daarmee aan betere resultaten,
bijvoorbeeld waar de inspectie risico’s voor de onderwijskwaliteit constateert, herstelopdrachten
geeft, en vervolgens herstelonderzoek doet. In die gevallen houdt de inspectie vast
totdat herstel heeft plaatsgevonden. Maar een inspectiebezoek op zichzelf kan niet
direct leiden tot verbetering van kwaliteit.
Alle interventies van de inspectie, niet alleen inspectiebezoeken en -onderzoeken,
maar ook thematisch onderzoek en de inzet van communicatie-instrumenten zoals bijvoorbeeld
nieuwsbrieven en webinars – gericht op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.
De inspectie brengt met een evaluatie-programma in kaart wat er goed gaat en wat er
beter kan in het toezicht. De inspectie doet daarbij ook onderzoek naar de effecten
van het toezicht; of het toezicht bijdraagt aan beter onderwijs en betere naleving
van wet- en regelgeving. Daarbij blijven het steeds de instellingen en hun besturen
die aan de lat staan voor het feitelijk realiseren van beter onderwijs en betere resultaten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier