Brief regering : Reactie op commentaar Stichting Privacy First t.b.v. commissiedebat Digitale ontwikkelingen in de zorg
27 529 Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) in de Zorg
Nr. 363
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een brief ontvangen
van Stichting Privacy First te Amsterdam d.d. 11 mei 2026 over «Commentaar Stichting
Privacy First t.b.v. commissiedebat Digitale ontwikkelingen in de zorg d.d. 21 mei
2026» (zie bijgaande kopie). In de procedurevergadering van 27 mei 2026 heeft de commissie
besloten een reactie van de Minister op deze brief te willen ontvangen. Hierbij geef
ik onderstaand mijn reactie en kom ik zo tegemoet aan het verzoek van de commissie.
Ik heb de brief van 11 mei 2026 waarin Stichting Privacy First (hierna Privacy First)
aandacht vraagt voor de wijze waarop databeschikbaarheid in de zorg tot stand komt
met belangstelling gelezen. De vragen die worden gesteld over privacy, transparantie,
digitale veiligheid en zeggenschap raken direct aan fundamentele publieke waarden
in de zorg.
Privacy First onderschrijft het belang van databeschikbaarheid, maar uit in de brief
zorgen over de wijze waarop die databeschikbaarheid wordt vormgegeven. In de brief
wordt gewaarschuwd voor de risico’s van ongerichte beschikbaarstelling van medische
gegevens. Er wordt aandacht gevraagd voor een open en transparante governance, voor
het behoud van zeggenschap bij de patiënt, voor de bescherming van het medisch beroepsgeheim
van de zorgverlener en voor de risico’s voor privacy en digitale veiligheid van grootschalige
centrale voorzieningen.
Ik ben het uiteraard volledig eens dat gegevensuitwisseling en databeschikbaarheid
in de zorg nooit los kunnen worden gezien van privacybescherming, informatiebeveiliging,
zeggenschap en publiek vertrouwen. Er worden in de brief echter ook enkele aannames
gedaan die niet stroken met de laatste inzichten en stand van zaken binnen de projecten
rondom gegevensbeschikbaarheid waar mijn ministerie aan werkt. Daarom acht ik het
van belang om enkele beelden en conclusies uit de brief te nuanceren en op onderdelen
te corrigeren.
Privacy First schetst het risico dat grootschalige gecentraliseerde voorzieningen
zouden leiden tot een aantrekkelijk doelwit voor hackers, waarbij feitelijk «alles
van iedereen» potentieel toegankelijk zou worden. Dat beeld herken ik niet. Het Landelijk
Dekkend Netwerk (LDN) is geen centrale databank en ook geen voorziening waarin medische
gegevens van alle Nederlanders worden samengebracht. Medische gegevens blijven in
beginsel bij de bron: bij de zorgaanbieder of organisatie waar de data is geregistreerd
en waar de data onder verantwoordelijkheid van de bronhouder worden beheerd. Het LDN
is bedoeld om, op basis van een landelijk afsprakenstelsel (LAS) en gecontroleerde
toegang en inzage (de generieke functies), mogelijk te maken dat gegevens uit die
verschillende bronnen beschikbaar kunnen komen wanneer dat noodzakelijk is binnen
het zorgproces.
Daarmee wordt het door Privacy First geschetste beeld van een «one-stop-shop» voor
hackers niet onderschreven. Een aanval op een functie of voorziening binnen het stelsel
betekent niet dat alle medische gegevens van alle burgers op één plek beschikbaar
zijn. Doordat gegevens bij de bron blijven, onder verantwoordelijkheid van de bronhouder
worden beheerd én toegang via landelijke afspraken en generieke functies wordt begrensd,
gecontroleerd, en herleidbaar gemaakt, ontstaat een gelaagde beveiligingsstructuur.
De landelijke afspraken en generieke functies zoals uniforme beveiligingseisen (waaronder
de NEN-7510), identificatie, authenticatie en autorisatie, toestemming, logging en
toezicht zijn er specifiek op gericht de digitale weerbaarheid van de zorg te vergroten.
Zoals ik ook in mijn recente Kamerbrief1 over de voortgang van het Landelijk Dekkend Netwerk heb aangegeven: «Het gezondheidsinformatiestelsel
wordt gerealiseerd op de fundamenten regie, vertrouwen en databeschikbaarheid.» Burgers,
patiënten, zorgverleners en zorgaanbieders moeten erop kunnen vertrouwen dat gezondheidsgegevens
veilig, betrouwbaar, rechtmatig, proportioneel en transparant worden gebruikt. Zonder
dat vertrouwen kan digitalisering in de zorg haar maatschappelijke doel niet waarmaken.
Privacy First stelt daarnaast dat patiënten door digitale voorzieningen kunnen worden
belast met keuzes die zij niet kunnen overzien. Ik neem het doenvermogen van burgers
en patiënten serieus. Tegelijkertijd vind ik het te eenzijdig om daaruit te concluderen
dat digitale regie in de zorg niet haalbaar of wenselijk zou zijn. In veel maatschappelijke
domeinen nemen burgers inmiddels digitaal regie over zeer gevoelige informatie. Denk
aan bankzaken, belastingzaken en pensioeninformatie. Ook daar gaat het om vertrouwelijke
gegevens, financiële risico’s en afhankelijkheid van digitale infrastructuur. Dat
vraagt om begrijpelijke informatie, veilige voorzieningen en goede ondersteuning,
maar het uitgangspunt dat burgers digitaal geen betekenisvolle regie kunnen voeren,
deel ik niet. Daarom wordt gewerkt aan Persoonlijke Gezondheidsomgevingen (PGO’s)
en aan verdere ontwikkeling van de MGO-functionaliteit (Mijn Gezondheidsomgeving),
zodat patiënten en burgers beter inzicht krijgen in hun eigen gezondheidsgegevens
en beter in staat worden gesteld regie te nemen en te houden over hun gezondheid en
de gegevens die daarbij horen. Ook is er een divers hulp- en ondersteuningsaanbod
voor patiënten en burgers die nog niet beschikken over voldoende kennis, vaardigheden
of middelen om digitaal regie te kunnen voeren over het delen van hun gezondheidsgegevens.
Te denken valt hierbij aan initiatieven zoals Alliantie Digitaal Samenleven, Helpdesk
Digitale Zorg en het programma Digivitaler dat via alle openbare bibliotheken beschikbaar
kan worden gemaakt. Aanvullend is binnen de versnellingsagenda van de IZA/AZWA werkgroep
Hybride Zorg door Patiëntenfederatie Nederland het thema digitale vaardigheden bij
patiënten en zorgverleners geprioriteerd.
Privacy First stelt verder dat gerichte databeschikbaarheid in de zorg de standaard
zou moeten zijn. In veel zorgprocessen ligt gerichte uitwisseling tussen specifieke
zorgverleners voor de hand, bijvoorbeeld bij een verwijzing of overdracht binnen een
planbare zorgsituatie of bijvoorbeeld wanneer een patiënt meetwaarden wil delen met
een specifieke behandelaar. In andere situaties kan bredere beschikbaarheid noodzakelijk
zijn om goede en veilige zorg te leveren, bijvoorbeeld wanneer een patiënt bij de
spoedeisende hulp komt of in situaties waarbij relevante informatie uit meerdere bronnen
nodig is. Daarom maak ik, naast gericht beschikbaar stellen, ook andere uitwisselingen
mogelijk. Dat betekent echter niet dat voor deze uitwisselingsvormen andere of lichtere
eisen gelden. Ook hier zijn privacy, doelbinding, autorisatie, logging, en navolgbaarheid
randvoorwaardelijk – voor alle uitwisselingen gelden dezelfde, strikte eisen en data
worden alleen onder voorwaarden raadpleegbaar gemaakt voor bevoegde partijen. Data
raadpleegbaar maken is niet hetzelfde als het direct of daadwerkelijk delen, kopiëren
of uitwisselen. De opgave is om het stelsel zo in te richten dat gegevensbeschikbaarheid
situationeel, proportioneel en passend bij het zorgproces plaatsvindt. Daarbij moeten
ontwerpkeuzes steeds worden getoetst aan noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit,
uitvoerbaarheid en veiligheid.
De brief onderstreept terecht dat digitale veiligheid en transparantie geborgd moeten
zijn. Recente incidenten en geopolitieke ontwikkelingen bevestigen dat dit blijvende
aandacht vraagt. Vertrouwen en veiligheid ontstaan niet alleen door techniek en regelgeving,
maar ook door navolgbare besluitvorming, duidelijke verantwoordelijkheden en betrokkenheid
van relevante maatschappelijke perspectieven. Vanuit de Nationale visie en strategie
vormen transparantie en openheid kernprincipes in de governance van het gezondheidsinformatiestelsel.
In de recente Kamerbrief2 heb ik aangegeven dat met het vernieuwde LDN-beleidsafwegingskader, er transparantie
is en duidelijkheid blijft bestaan rondom de keuzes die bij de realisatie van het
LDN worden gemaakt. Ook vanuit Europa wordt het belang van transparantie en verantwoording
onderstreept. Zoals ik heb aangegeven in de EHDS-Kamerbrief3 behoort dit tot een van de taken van een nog te vormen zelfstandig bestuursorgaan
(ZBO) die de Gezondheidsdata-autoriteit (GDA) zal heten.
Privacy First wekt in haar brief de indruk dat zijzelf (en/of andere burgerrechtenorganisaties)
vooral aan de zijlijn staan van de ontwikkeling van het gezondheidsinformatiestelsel.
Dat beeld behoeft correctie. De ontwikkeling van het stelsel vindt veelal plaats in
een «community based» proces waarin zowel zorg- en welzijnsperspectieven als maatschappelijke
perspectieven zijn opgehaald en meegewogen. Denk hierbij aan werkgroepen en consultaties
die mijn ministerie faciliteert, alsook de NEN-normeringstrajecten waarvoor mijn ministerie
opdracht heeft gegeven. Stichting Privacy First is in dat proces wel degelijk meegenomen
en heeft daarbij aan tafel gezeten. Dat betekent overigens niet dat iedere inbreng
één-op-één is overgenomen. Het betekent wel dat zorgen over privacy, zeggenschap,
transparantie en digitale veiligheid onderdeel zijn geweest van de inhoudelijke afwegingen.
Voor mij staat voorop dat vernieuwing van het zorgstelsel alleen verantwoord is wanneer
zij plaatsvindt met behoud van maatschappelijk vertrouwen. Patiënten moeten kunnen
begrijpen welke gegevens worden gebruikt, door wie, voor welk doel, onder welke voorwaarden
en met welke rechten. Zorgverleners moeten kunnen vertrouwen op duidelijke kaders
voor toegang, gebruik en verantwoording. Om die reden is vertrouwen één van de drie
randvoorwaarden van de Nationale visie en strategie waaronder uitvoering wordt gegeven
aan de totstandkoming van het gezondheidsinformatiestelsel. Daarbij zijn de Algemene
Verordening Gegevensbescherming, het medisch beroepsgeheim, de relevante nationale
wetgeving, Europese verplichtingen zoals de European Health Data Space, en geldende
normen voor informatiebeveiliging, waaronder NEN-7510, kaderstellend. De verdere ontwikkeling
van databeschikbaarheid in de zorg zal steeds plaatsvinden binnen duidelijke publieke
kaders en met passende waarborgen voor patiënten, zorgverleners en instellingen.
Ik dank Stichting Privacy First voor haar bijdrage aan het debat.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport