Brief regering : Voortgang Lange-termijn Ruimtevaartagenda
24 446 Ruimtevaartbeleid
Nr. 103
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken,
Defensie, Infrastructuur en Waterstaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over de
voortgang van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR), conform de toezegging tijdens
het commissiedebat Ruimtevaart van 9 april 20251.
Met de Lange-termijn Ruimtevaartagenda heeft het kabinet voor het eerst een integraal
kompas vastgesteld voor het Nederlandse ruimtevaartbeleid voor de komende 10–15 jaar.
Het ruimtedomein is een belangrijke randvoorwaarde voor onze strategische autonomie
en veiligheid én voor het functioneren van de Nederlandse economie en samenleving.
Satellieten leveren essentiële diensten voor onder meer veiligheid en militaire operaties,
navigatie en tijdsbepaling, communicatie, klimaat- en aardobservatie en toepassingen
in landbouw, waterbeheer en infrastructuur. Tenslotte zorgt een sterk onderzoek- en
innovatie ecosysteem er voor dat Nederland op wetenschappelijk gebied tot de top blijft
behoren.
Tegelijkertijd verandert het internationale speelveld snel. De geopolitieke context
is het afgelopen jaar sterk verscherpt en de afhankelijkheid van en veiligheidsrisico’s
voor ruimte-infrastructuur nemen dagelijks toe. Een breed scala aan dreigingen, van
cyberaanvallen tot kinetische antisatellietwapens, kan grote impact hebben in het
ruimtedomein, op militair optreden en op de maatschappij.
Het ruimtedomein speelt een steeds grotere rol in zowel civiele als militaire toepassingen
en is daarmee bij uitstek een dual-use domein. De ontwikkeling, bescherming, toegang
tot en het gebruik van ruimte-infrastructuur zijn daarmee direct verbonden aan de
strategische autonomie en weerbaarheid van Europa.
Hoewel deze brief primair terugblikt op de voortgang sinds de vaststelling van de
Lange-termijn Ruimtevaartagenda, verandert de context waarin deze agenda wordt uitgevoerd
snel. Nieuwe geopolitieke ontwikkelingen, toenemende investeringen in defensie en
strategische autonomie, de opkomst van nieuwe commerciële ruimtevaartmarkten en veranderende
Europese wet- en regelgeving (EU Space Act en EUSSA) vragen om voortdurende actualisering
van accenten binnen de bestaande missies. Daarbij raakt ruimtevaart in toenemende
mate aan bredere maatschappelijke en economische transities, zoals ook onderstreept
in het rapport-Wennink, en raakt het steeds meer verweven met opgaven op het gebied
van defensie, klimaat, digitalisering en economisch verdienvermogen. Het kabinet blijft
daarom monitoren hoe de uitvoering van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda hierop aansluit.
Binnen deze context zet het kabinet in op het versterken van de Nederlandse bijdrage
aan Europese ruimtevaartcapaciteiten en het beter benutten van ruimtevaart voor nationale
en Europese belangen. Sinds de kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda2 zijn hiervoor stappen gezet in technologieontwikkeling, capaciteitsopbouw, toepassingen
van satellietdata en governance. Tegelijkertijd zijn verdere keuzes nodig om de ambities
uit de LTR te realiseren.
Tegen deze achtergrond beschrijft het kabinet hieronder de voortgang en de inzet voor
de komende periode per missie.
Missie 1: Veiligheid en defensie
Defensie werkt aan de versterking van eigenstandige capaciteiten op het gebied van
aardobservatie en Space Situational Awareness. Met de lancering van de eerste eigenstandige
Synthetic Aperture Radar-satelliet door het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten
is de eigenstandigheid van de krijgsmacht versterkt. Ook in de komende kabinetsperiode
zet Defensie stappen om deze eigenstandigheid te bestendigen. Tevens wordt binnen
Defensie het Defence Space Security Center doorontwikkeld naar een Space Command om nationale operationele capaciteiten binnen de door de NAVO vastgestelde functiegebieden
verder te ontwikkelen, in te zetten en in stand te houden.
Nederland treft diverse maatregelen om verstoringen en manipulatie van satellietnavigatiesystemen
voor plaats-, navigatie- en tijdsbepaling aan te pakken. Deze verstoring van deze
systemen hebben, mede door cascade-effecten, in potentie een groot effect op het merendeel
van onze vitale processen. Het kabinet werkt met gebruikers in vitale sectoren om
bewustwording te vergroten, afhankelijkheden in kaart te brengen en risico’s te beperken.
Daarnaast verkent het kabinet het gebruik van robuuste grondgebonden oplossingen als
alternatief voor satellietnavigatiesystemen voor plaats-, navigatie- en tijdsbepaling.
Denk hierbij aan navigatie op zee via radioantennes en tijddistributie via een glasvezelnetwerk.
Hiervoor wordt ook bilateraal met de ons omliggende landen samengewerkt. Specifiek
voor overheidsdiensten wordt ingezet op het beschikbaar maken van het beveiligde Galileo-signaal,
de Public Regulated Service.
Sinds de Lange-termijn Ruimtevaartagenda heeft het kabinet daarnaast de eerste fasen
gestart van de ontwikkeling van een nationale ontvanger voor het beveiligde Public
Regulated Service signaal (PRS-signaal) van het Europese navigatiesatellietsysteem
Galileo. Daarmee wordt gewerkt aan onafhankelijke en betrouwbare, satellietgebaseerde
positie-, navigatie- en tijdsignalen voor publieke toepassingen. Dit vergroot de open
strategische autonomie van Nederland en Europa en versterkt de weerbaarheid van de
ruimte-infrastructuur. Vitale processen zoals energie- en drinkwatervoorziening, financiële
transacties, defensie en logistiek zijn in hoge mate afhankelijk van ruimte-infrastructuur.
Deze vitale processen zijn dus gebaat bij een weerbare en storingsbestendige ruimte-infrastructuur
en robuuste grondgebonden alternatieven.
Daarnaast is technologische ontwikkeling ondersteund op het gebied van lasersatellietcommunicatie,
waaronder een stabiele verbinding tussen een vliegtuig en een satelliet. Deze demonstratie
vond plaats in februari 2026. Lasersatellietcommunicatie maakt extreem snelle, veilige
en storingsbestendige dataverbindingen mogelijk tussen satellieten onderling en tussen
satellieten en de aarde. Lasersatellietcommunicatie biedt mogelijkheden voor toepassingen
van defensie. De krijgsmacht is afhankelijk van informatie en communicatie in en vanuit
de ruimte en is dus gebaat bij snelle en betrouwbare dataverbindingen, maar ook klimaatmonitoring
en de wereldwijde internetinfrastructuur kunnen ook van lasersatellietcommunicatie
profiteren. Via onder andere het ESA-programma OpStar zijn Nederlandse partijen gepositioneerd
in de ontwikkeling van nauwkeurigere en robuustere optische navigatiesystemen.
Deze ontwikkelingen worden in de komende periode doorgezet richting operationele inzet
en verwezenlijkt daarmee de versterking van de weerbaarheid en storingsbestendigheid
van ruimte-infrastructuur. Dit is van belang voor vitale processen, die kwetsbaar
zijn in geval van uitvallen van ruimte-infrastructuur. De gevolgen beperken zich dan
niet tot een sector, maar verspreiden zich snel door de gehele samenleving. Het kabinet
werkt aan opschaling van de nationale PRS-dienstverlening via samenwerking tussen
IenW, Defensie en de Netherlands Space Agency. Daarnaast wordt de lancering voorbereid
van de observatiesatelliet PAMI-1 in 2028. In lijn met inzet van de Defensie Strategie
voor Industrie en Innovatie 2025–2029 op een sterke Nederlandse ruimte-industrie wordt
het project gedragen door een groep Nederlandse technologiebedrijven. Daarnaast versterkt
het kabinet de nationale capaciteit om verstoringen van ruimte-infrastructuur beter
te monitoren, analyseren en daarop te reageren.
Om slagvaardig op te kunnen treden bij incidenten in en vanuit de ruimte, zoals botsingen
van satellieten of de ongecontroleerde terugkeer van ruimtepuin met mogelijke impact
op Nederlands grondgebied, hebben de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie
het voortouw genomen bij de ontwikkeling van een interdepartementaal responsmechanisme.
Het eerder aangekondigde onderzoek naar de inrichting van interdepartementale samenwerking
is uitgevoerd. Interdepartementaal worden de aanbevelingen en de implementatie hiervan
momenteel besproken, met als concreet doel een gezamenlijk getest en operationeel
responsmechanische. Parallel hieraan wordt gewerkt aan het beter inrichten van verantwoordelijkheden
rond publieke communicatie bij incidenten in en vanuit de ruimte, zodat duidelijk
is welk departement of welke organisatie in welke fase het voortouw neemt.
Daarnaast werkt Nederland samen met internationale partners in het ruimtedomein. Op
deze manier kan van elkaars kennis en kunde gebruik gemaakt worden, kunnen de kosten
beheersbaar blijven en kunnen schaalvoordelen worden bereikt. Zo wordt er onder andere
samengewerkt binnen het Europese samenwerkingsverband voor Space Surveillance and Tracking (SST), waarin 15 EU-lidstaten hun kennis en middelen bundelen om om via het door
EU Space Programme (EUSPA) beheerde SST-portaal diensten aan te bieden die dreigingen in de ruimte vroegtijdig
signaleren. Deze diensten helpen om botsingen tussen satellieten te voorkomen, ongecontroleerde
terugkeer van ruimtepuin richting de aarde te voorspellen en nieuwe brokstukken in
de ruimte snel te detecteren en te analyseren.
Ook de implementatie van de CER- en NIS2-richtlijnen versterkt de weerbaarheid van
het ruimtedomein. Via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet
wordt bezien welke ruimtevaartdiensten en -entiteiten onder deze kaders vallen en
hoe cyber- en fysieke risico’s passend worden beheerst.
Missie 2: Klimaat en leefomgeving
Sinds de Lange-termijn Ruimtevaartagenda is de ontwikkeling gestart van de TANGO-missie3, waarin Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen samenwerken aan een satellietsysteem
dat broeikasgasemissies wereldwijd per individuele fabriek kan meten.
De ondertekening van het contract tussen het Nederlandse consortium en ESA voor de
bouw van de TANGO-missie tijdens het Living Planet Symposium 2025 in Wenen was een
belangrijk hoogtepunt hierin. TANGO zal broeikasgassen en stikstofdioxide met hoge
gevoeligheid en ruimtelijke resolutie meten, waardoor emissies van fabrieken en lekkende
infrastructuur nauwkeurig kunnen worden opgespoord. Dit bouwt voort op de sterke Nederlandse
positie met onder andere TROPOMI4. Het TROPOspheric Monitoring Instrument (TROPOMI) is een Nederlands onderzoeksinstrument
dat sinds 2017 luchtvervuiling wereldwijd nauwkeurig in kaart brengt, onder meer door
de samenstelling van stoffen zoals ozon, fijnstof, koolmonoxide en stikstofdioxide
te meten. Het contract voor het gebruik van TROPOMI is verlengd tot en met 2028, waardoor
deze data beschikbaar blijft voor gebruikers.
Ook in het datagebruik voor klimaat en leefomgeving is vooruitgang geboekt. De gegevens
van het Nederlandse SPEXone-instrument (als onderdeel van de NASA PACE-missie5) en de ESA EarthCARE-missie zijn gebruikt om het afkoelende effect van aerosolen
in een klimaatmodel beter in kaart te brengen. Hierdoor is de onzekerheid met circa
30% verminderd, mede dankzij de toepassing van machine learning.
Vooruitkijkend worden resultaten verwacht van het EarthInspect-project, gericht op
technologieontwikkeling voor zeer nauwkeurige detectie van ammoniakemissies, en van
het INFLAMES-project6, dat satellietdata, modellen en veldonderzoek combineert om de wereldwijde effecten
van natuurbranden beter te begrijpen en te voorspellen. Ook is via innovatiegericht
inkopen ingezet op de ontwikkeling van toepassingen, onder meer op het gebied van
biodiversiteit.
In de komende periode ligt de nadruk op het daadwerkelijk benutten van deze technologie.
Het kabinet werkt aan besluitvorming en verdere ontwikkeling van nieuwe meetinstrumenten,
waaronder voor ammoniak en aerosolen, en zet in op integratie van Nederlandse instrumenten
in satellietmissies. Daarnaast wordt het gebruik van satellietdata in beleid en uitvoering
verder vergroot, onder meer voor klimaatmonitoring en milieutoepassingen.
Missie 3: Wetenschap
Het kabinet steunt de ontwikkeling van wetenschappelijke instrumenten in een vroege
fase via nationale en ESA-programma’s en bouwt hierop verder sinds de Lange-termijn
Ruimtevaartagenda. Nederland is sterk in astrofysica en aardobservatie. In het kader
van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda worden deze sterktes verder uitgebouwd door
financiering van instrumentontwikkeling en het wetenschappelijk gebruik. Dit leidt
tot zichtbare resultaten, waaronder succesvolle Nederlandse voorstellen in Europese
selectieprocedures, zoals de NEBULA-missie van SRON, en verdere valorisatie via programma’s
als PhiLab en het Gebruikersondersteuningsprogramma.
Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen leveren daarnaast een zichtbare bijdrage
aan internationale missies, waaronder de door gerichte investeringen in de ontwikkeling
van instrumentatie voor de ESA Athena-missie en de zonnepanelen voor de Artemis-maanmissies.
Op wetenschappelijk gebied werd succes geoogst met de James Webb Space Telescope.
Vooruitkijkend kan het instrumentenprogramma Nederland in een goede positie brengen
voor toekomstige ESA-missies, waaronder de NEBULA-missie. Ook is er perspectief op
bijdragen aan internationale missies, zoals NASA’s HWO7. Daarnaast worden wetenschappelijke doorbraken verwacht in het exoplaneetonderzoek
met de PLATO-missie8 die in 2027 door ESA wordt gelanceerd.
Er wordt vanuit Nederland over de periode 2026–2028 in totaal € 102,4 miljoen bijgedragen
aan het ESA Science Programme. Daarnaast is er ondersteunend nationaal flankerend
beleid. Bezuinigingen hebben ertoe geleid dat het Gebruikersondersteuningsprogramma
van NWO in de komende jaren zal worden afgebouwd. Als gevolg hiervan wordt het eerder
gecommuniceerde nationale flankerende budget van OCW verlaagd van € 15,8 miljoen9 naar € 13,6 miljoen voor de jaren 2026–2028. NWO zal zich inzetten om het ruimtedomein
meer algemeen te verankeren als onderwerp in de financieringsprogramma’s.
De komende periode richt het kabinet zich op het scherper prioriteren van de nationale
inzet binnen aardobservatie en planeetonderzoek, het versterken van de koppeling tussen
wetenschap en toepassingen en een heroriëntatie op internationale samenwerking. Als
eerste concrete stap wordt onder de governance van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
gewerkt aan de oprichting van een thematische werkgroep wetenschap.
Missie 4: Gebruik satellietdata
Het kabinet heeft de beschikbaarheid van hoge-resolutie satellietdata geborgd via
het Satellietdataportaal, waardoor publieke en private partijen toegang houden tot
essentiële data. Daarnaast is de samenwerking tussen uitvoeringsorganisaties zoals
CBS, NVWA en RVO versterkt om satellietdata te vertalen naar concrete dataproducten.
Ook op regionaal en lokaal niveau zijn toepassingen ontwikkeld, onder meer voor waterbeheer
en slimme steden, waarbij Nederlandse bedrijven betrokken zijn. Tot slot is het initiatief
GEO Netherlands10 opgezet om de samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven te
versterken bij het gebruik en bredere toepassing van satellietdata te bevorderen.
Satellietdata worden in toenemende mate toegepast in beleid en uitvoering, onder meer
voor klimaatmonitoring, milieutoepassingen en toezicht. Door het combineren van satellietdata
met andere databronnen ontstaan nieuwe inzichten die bijdragen aan effectiever en
gerichter beleid.
De komende periode staat in het teken van opschaling en structurele inbedding. Het
kabinet werkt aan een betere koppeling van satellietdata met geodata en initiatieven
zoals digital twins, zet in op het wegnemen van juridische en organisatorische belemmeringen en op het
nemen van adequate en proportionele veiligheidsmaatregelen, en stimuleert toepassingen
die daadwerkelijk worden geïmplementeerd in de uitvoering. Daarnaast wordt gewerkt
aan het beter inzichtelijk maken van de maatschappelijke en economische meerwaarde
van het gebruik van satellietdata. Waar veiligheidsrisico’s daartoe aanleiding geven,
kunnen maatregelen rond openbaar beschikbare satellietbeelden worden bezien, waarbij
steeds een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen veiligheidsbelangen en de impact
op legitieme gebruikers, innovatie en maatschappelijke toepassingen.
Missie 5: Versterking verdienvermogen
Het kabinet investeert in de Nederlandse ruimtevaartsector via de European Space Agency (ESA). Bij de Ministeriële Conferentie in november 2025 heeft het kabinet aangekondigd
in de periode 2026–2028 in totaal € 450 miljoen te investeren via ESA. Door het geo-returnprincipe
vloeien deze investeringen rechtstreeks terug naar opdrachten voor Nederlandse industriële
partijen en kennisinstellingen.
Van dit bedrag is € 109 miljoen incidenteel toegevoegd; bij een eventuele volgende
inschrijving zal dit budget niet vanzelfsprekend opnieuw beschikbaar zijn. Met de
huidige bijdrage van € 450 miljoen wordt de in de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
geschetste uitbreiding van het ESA-budget nog niet bereikt. Om dit ambitieniveau te
realiseren en de positie van Nederland binnen ESA duurzaam te versterken, zijn op
termijn aanvullende structurele middelen nodig. Zoals gebruikelijk vindt eventuele
besluitvorming hierover plaats in het voorjaar.
De NL Space Campus in Noordwijk is verder ontwikkeld, onder meer met de ingebruikname
van het CometLab en de ontwikkeling van een gezamenlijk uitvoeringsprogramma van Rijk
en regio. Dit uitvoeringsprogramma wordt rond de zomer gepubliceerd vanuit de provincie
Zuid-Holland, de gemeente Noordwijk, de Netherlands Space Agency en het Ministerie
van EZK conform de motie Postma c.s.11.
In het kader van missie 5 is daarnaast ingezet op talentontwikkeling en het stimuleren
van jongeren om het ruimtedomein te verkennen, onder meer via het ESERO-programma
en het Space4Talent-onderzoek. In maart en april 2026 vonden de lancering en jurering
van de CanSat-competitie plaats. Daarnaast hebben in oktober 2025, tijdens de Nederlandse
«Space Week», vele ruimtevaartprofessionals een les gegeven op basisscholen in het
kader van «Space goes to school»12.
In de komende periode richt het kabinet zich op het vergroten van deelname aan Europese
programma’s zoals Horizon Europe, CASSINI en het Europees Defensiefonds, het versterken
van de samenhang in technologieontwikkeling, inclusief dual-use toepassingen, en de
verdere ontwikkeling van het ecosysteem, inclusief talent en regionale clusters. Daarnaast
is een thematische werkgroep Industrie & Innovatie gestart, gericht op het versterken
van het industriebeleid binnen het ruimtedomein.
Op 9 april 2025 is tijdens het commissiedebat Ruimtevaart gevraagd of EZK en OCW voor
uw Kamer inzichtelijk kunnen maken wat de bezuinigingen op innovatie, onderwijs, onderzoek
en wetenschap betekenen voor ruimtevaart. Deze inzichten kunnen echter niet door respectievelijk
EZK of OCW worden gegeven, omdat de rijksoverheid een stelselverantwoordelijkheid
heeft. Individuele kennisinstellingen bepalen zelf, in medezeggenschap, hoe bezuinigingen
worden opgevangen en of deze het ruimtevaartdomein raken.
Missie 6: Internationaal juridisch kader
Sinds de Lange-termijn Ruimtevaartagenda heeft het kabinet een gecoördineerde Nederlandse
inzet geleverd in onderhandelingen over de EU Space Act, de Digital Networks Act en
het ruimtevaartprogramma binnen het European Competitiveness Fund. Daarmee wordt actief
gestuurd op de Europese kaders waarbinnen ruimtevaart zich ontwikkelt.
In de komende periode richt het kabinet zich op de doorvertaling van deze Europese
regelgeving naar nationale wetgeving, waaronder de Wet ruimtevaartactiviteiten. Daarnaast
blijft Nederland actief deelnemen aan internationale fora zoals COPUOS en wordt gewerkt
aan verdere positionering binnen Europese uitvoeringsstructuren, waaronder de European Union Agency for the Space Programme (EUSPA).
De veranderende geopolitieke context vraagt om een aangescherpte Nederlandse multilaterale
inzet op ruimteveiligheid. In dat kader blijft het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in samenwerking met het Ministerie van Defensie, zich inzetten in de Open-Ended Working Group on the Prevention of an Arms Race in Outer Space, met als doel multilaterale overeenstemming te bereiken ter preventie van destabiliserende
of destructieve acties in het ruimtedomein en het voorkomen van misverstanden. Daarbij
is van belang dat de af te spreken internationale kaders voldoende ruimte blijven
bieden voor nieuwe militaire activiteiten in de ruimte ter versterking van onze defensie
en afschrikking.
Governance
Sinds de vaststelling van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda heeft het kabinet de
governance van het ruimtevaartbeleid versterkt. De Interdepartementale Raad Ruimtedomein
is inmiddels meerdere keren bijeen geweest voor strategische afstemming op hoog ambtelijk
niveau en de interdepartementale coördinatie is aangescherpt.
Daarnaast is de naam van het Netherlands Space Office gewijzigd in Netherlands Space
Agency, met een steviger mandaat en duidelijkere positionering.
Interdepartementaal zijn de governance-afspraken geactualiseerd. Een deel hiervan
zal worden vastgelegd in kaderinstructies, zodat de nationale standpuntbepaling wordt
geborgd.
In de komende periode wordt deze samenwerking verder verdiept, onder meer door versterking
van de gezamenlijke standpuntbepaling en een grotere betrokkenheid van het Ministerie
van Defensie bij de uitvoering in het ruimtedomein.
Tot slot
Het kabinet constateert dat met de uitvoering van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
een belangrijke stap is gezet naar een meer samenhangend en strategisch ruimtevaartbeleid.
Tegelijkertijd vraagt de verdere realisatie van de ambities uit de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
om blijvende keuzes, in een context waarin het belang van ruimtevaart voor veiligheid,
economie en strategische autonomie toeneemt.
Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een gerichte uitvoering van de Lange-termijn
Ruimtevaartagenda en zal, mede in het licht van internationale ontwikkelingen en de
positie van Nederland binnen ESA en de Europese Unie, bezien welke aanvullende stappen
nodig zijn.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
Indieners
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat