Brief regering : Toezegging gedaan tijdens het het commissiedebat werknemersverzekeringen van 8 april 2026, over fondsensystematiek werknemersverzekeringen
32 716 Evaluatie Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Nr. 67
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2026
Tijdens het commissiedebat werknemersverzekeringen van 8 april jl. (Kamerstuk 32 716, nr. 66) heb ik een technische brief over de fondsensystematiek aan uw Kamer toegezegd.1 Ik begrijp dat de fondsensystematiek complex is. Het is goed dat we kritisch naar
de systematiek kijken. De premies zijn namelijk niet alleen gebaseerd op de verwachte
uitkeringen, maar zijn ook integraal onderdeel van de overheidsfinanciën. Met deze
brief geef ik antwoord op de verschillende technische vragen in het commissiedebat
over de werking van de fondsen en premies, de maatregelen uit het coalitieakkoord
en de doorwerking op lonen.
In het debat zijn ook vragen gesteld over het draagvlak, rolverdeling en toekomst
van de fondsensystematiek. Vragen die een laag dieper gaan dan de werking en ons vragen
ook dieper te kijken dan de techniek. Ik heb daarom, naast voorliggende technische
brief, ook toegezegd in het najaar via een brief die ziet op de toekomst fondsensystematiek
hierop te reflecteren en dit te bespreken met sociale partners. Die brief zal dieper
ingaan op de visie van het kabinet op de zeggenschap omtrent het stelsel en de relatie
tussen de begroting, het budget en de fondsen en tegemoetkomen aan motie-Grinwis/Patijn.
Deze motie gaat over de juridische houdbaarheid van het stelsel en de maatschappelijke
wenselijkheid.2
Daarnaast is de motie-Jimmy Dijk3 aangenomen die de regering verzoekt de Aof-premie niet te verhogen voor de vrijheidsbijdrage
van bedrijven. Deze heb ik ontraden met verwijzing naar de begrotingssystematiek.
In deze brief ga ik dieper in op de huidige relatie tussen de fondsensystematiek en
de begrotingsregels. Het kabinet begrijpt dat de Kamer niet tevreden is met de huidige
invulling van de vrijheidsbijdrage van bedrijven, tegelijkertijd levert deze motie
geen dekking. Met dat in het achterhoofd zal het kabinet deze motie meenemen in de
augustusbesluitvorming over de invulling van de vrijheidsbijdrage. Daarnaast gaat
het kabinet hierover ook in gesprek met werkgeversorganisaties.
Leeswijzer
De brief is opgedeeld in drie paragrafen. Paragraaf 1 gaat in op de huidige fondsensystematiek,
zodat de cijfermatige informatie die daarop volgt in de juiste context kan worden
geplaatst.
In paragraaf 2 wordt een aantal (cijfermatige) vragen van diverse Kamerleden beantwoord,
die zijn gesteld tijdens het debat van 8 april jl. Tot slot gaat paragraaf 3 in op
de processtappen die ik komende periode ga zetten om mijn andere toezegging rondom
het thema aan uw Kamer te vervullen.4
1. Huidige fondsensystematiek
In Nederland hebben we een stelsel met werknemersverzekeringen. Als een werknemer
bijvoorbeeld ziek of werkloos wordt, kan hij onder voorwaarden (verschillend per verzekering)
terugvallen op een uitkering. Deze uitkeringen worden gefinancierd uit fondsen: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), de Werkhervattingskas (Whk), het Algemeen Werkloosheidsfonds
(AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Het beheer van de fondsen wordt
gedaan door UWV als zelfstandig bestuursorgaan.
De fondsen worden gevuld met de inkomsten uit premies die werkgevers voor de werknemersverzekeringen
betalen. Als in een jaar de inkomsten bij een fonds hoger zijn dan de uitgaven dan
heeft het fonds een positief resultaat. Dat resultaat wordt toegevoegd aan het zogenaamde
fondsvermogen. Als het resultaat negatief is, dan neemt het fondsvermogen af.
De huidige fondsvermogens zijn in de afgelopen 12 jaar opgebouwd. In het verleden
waren er periodes dat de sociale fondsen een negatief saldo hadden en geen overschot.
De huidige situatie waarin er elk jaar een overschot is, bestaat vanaf 2016. Het begrotingsoverschot
dat alle sociale fondsen sindsdien gezamenlijk hebben, wordt voornamelijk verklaard
door het Aof en het AWf. De andere fondsen hebben gemiddeld vrijwel geen overschot
of tekort zoals in onderstaande grafiek duidelijk wordt.
Grafiek: Fondsvermogens UWV-fondsen, miljard euro, lopende prijzen.
Bron: UWV jaarverslagen en januarinota 2026. AWf betreft tot 2020 zowel het AWf als
de sectorfondsen; 2026 betreft voorlopige cijfers.
Er gelden verschillende regels bij het vaststellen van de premies. Het kabinet kan
sommige premies beleidsmatig aanpassen, de premiestelling van de andere premies is
wettelijk vastgelegd.
Zo moet UWV de Whk-premie lastendekkend vaststellen en moet het kabinet de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw (iab-Zvw) zodanig vaststellen dat deze de helft van de Zvw-uitgaven dekt.
De Aof-, Awf- en Ufo-premie stelt het kabinet jaarlijks vast, zonder directe koppeling
aan de uitgaven uit het betreffende fonds. De Minister heeft beleidsruimte bij het
vaststellen van de premietarieven. In de praktijk wordt die ruimte benut binnen het
inkomstenkader. De ontwikkeling van de premies is hieronder weergegeven.
Grafiek: gemiddelde premietarieven voor marktwerkgevers, procent,
bron: CPB lange tijdreeksen overheidsfinanciën, CEP 2026. Het Aof-tarief is tot 2011
inclusief de premie voor de Arbeidsongeschiktheidskas. Het WW-tarief is tot 2020 inclusief
de premie voor de Sectorfondsen. Voor de WW premie was er tot 2013 een franchise waardoor
het tarief niet vergelijkbaar is met de andere premies (stippellijn).
Vooral de Aof-premie is recent beleidsmatig verhoogd. Het gemiddelde premietarief
van het Aof is sinds 2015 gestegen van 5,25 procent naar 7,36 procent in 2026. Dit
komt met name doordat de Aof-premie met 1,5%-punt is gestegen ter compensatie van
verlagingen van de premies voor de zorgverzekeringswet (nader toegelicht onder «Overheidsfinanciën
en begrotingsregels»). De hogere Aof-premietarieven zorgen voor hogere inkomsten van
het fonds, terwijl daar geen hogere uitgaven vanuit het fonds tegenover staan. Onderstaande
grafiek laat zien dat de premiegrondslag is achtergebleven bij de fondsuitgaven, zodat
de toename van het fondsvermogen sinds 2015 niet uit grondslaggroei maar volledig
uit tariefverhogingen te verklaren is.
Grafiek: ontwikkeling Aof-tarief, inkomsten en grondslagen, 2014=100,
bron: UWV jaarverslagen, CPB ramingen, gegevens SZW.
De AWf-premie wordt beperkter ingezet als beleidsinstrument en is de afgelopen jaren
relatief stabiel gebleven rond de 4 procent. Een uitzondering hierop vormde de tijdelijke
verlaging van het premietarief in 2021. Deze beleidsmatige verlaging volgde op het
intrekken van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK), waarvoor werkgevers werden
gecompenseerd met een lager AWf-premietarief. Doordat de premietarieven een relatief
constant verloop tonen, worden tekorten en overschotten in het fondsvermogen voornamelijk
bepaald door conjuncturele ontwikkelingen.
Vanaf 2011 kende het AWf een negatief fondsvermogen als gevolg van de hoge werkloosheidsuitgaven
na de financiële crisis. Sinds 2018 is het fondsvermogen geleidelijk hersteld doordat
de premie-inkomsten hoger waren dan de uitgaven, mede door lagere uitgaven aan de
Werkloosheidswet (WW). Dit positieve saldo heeft vanaf 2023 geleid tot een overschot
in het fonds. Het huidige overschot kan daarmee deels worden gezien als herstel na
een conjuncturele dip.
1.1 Juridisch kader fondsen
De heer Ceulemans heeft tijdens het WGO5 Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(XV) voor het jaar 2026 van 18 mei jl. een vraag gesteld over de juridische en economische
kaders van de Aof-premie. Ik ga hierna verder in op deze gestelde vraag.
De specifieke inkomsten en uitgaven van de fondsen zijn geregeld in de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv).6 De premies worden vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bij ministeriële regeling. Welke premies worden vastgesteld en wat de grondslag is
voor deze premies, is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wfsv.
In hoofdstuk 7 van de Wfsv is bepaald welke inkomsten er in de fondsen vloeien en
welke uitgaven er uit de fondsen mogen worden gedaan.
De wet legt geen directe koppeling tussen de hoogte van de premie en de omvang van
die uitgaven. De Wfsv schrijft dus niet voor dat de Aof-, AWf- of Ufo-premies lastendekkend
moeten worden vastgesteld. De Minister heeft daarmee beleidsruimte bij het vaststellen
van de premietarieven. In de praktijk wordt die ruimte benut binnen het inkomstenkader.
Dit is anders bij de Whk-premie, waarvoor in de wet is vastgelegd dat UWV deze lastendekkend
vaststelt.
1.2 Overheidsfinanciën en begrotingsregels
De uitgaven en inkomsten van de fondsen zijn collectieve uitgaven en inkomsten. Zij
tellen mee in het EMU-saldo en de EMU-schuld van de collectieve sector. Vanuit het
perspectief van de overheidsfinanciën is het daarom niet het saldo van een individueel
fonds dat ertoe doet, maar het totaal van alle collectieve inkomsten en uitgaven.
Dat betekent dat elke beslissing van het kabinet over de premies of de uitgaven uit
de fondsen direct effect heeft op de overheidsfinanciën. Een verhoging van de Aof-premie
verbetert het EMU-saldo. Een verhoging van de uitkeringen verslechtert het. Als de
fondsen in een jaar een overschot hebben (dus meer inkomsten dan uitgaven) dan verbetert
dat het EMU-saldo. Daardoor kunnen andere delen van de overheid een groter tekort
hebben zonder dat het totale begrotingstekort te groot wordt. Omdat elk fonds een
eigen boekhouding heeft zijn de overschotten uit recente jaren zichtbaar als fondsvermogen.
Dat fondsvermogen heeft dus de afgelopen jaren steeds het EMU-saldo verbeterd, en
kan niet worden uitgegeven of afgebouwd zonder het EMU-saldo in de toekomst weer te
verslechteren. Het fondsvermogen vertegenwoordigt daarmee geen middelen die beschikbaar
zijn voor besteding.
Bij het aantreden van een kabinet legt de coalitie in het coalitieakkoord vast hoe
het pad van inkomsten en uitgaven eruitziet voor de kabinetsperiode. Daarbij kan het
kabinet keuzes maken over premies en uitgaven, met de gevolgen op de overheidsfinanciën
van dien.
Tijdens de kabinetsperiode gebruikt het kabinet vervolgens begrotingsregels om de
afgesproken kaders te bewaken. Sinds de jaren negentig is een van de belangrijkste
begrotingsregels de scheiding tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid.
Voor de uitgavenkant geldt een jaarlijkse maximumgrens: het zogenoemde uitgavenplafond. Het plafond wordt
aan het begin van de kabinetsperiode bepaald voor de duur van de kabinetsperiode,
al worden ze wel bijgesteld wat betreft loon- en prijsontwikkelingen. Het uitgavenplafond
zorgt voor een beheerste ontwikkeling van de uitgaven van de overheid.
Voor de inkomstenkant zorgt het zogenoemde inkomstenkader voor de financiële beheersing. Het inkomstenkader
bevat alle effecten op de belasting- en premieontvangsten die het gevolg zijn van
beleidswijzigingen. Tijdens de kabinetsperiode en structureel moeten alle extra lastenverzwaringen
en lastenverlichtingen aan de inkomstenkant elkaar opheffen. Als het kabinet een belasting
of premie verhoogt, dan is afgesproken dat een andere belasting of premie omlaag moet,
en viceversa.
De totale beleidsmatige ontwikkeling van de lastendruk voor burgers en bedrijven blijft
op die manier overeenkomstig met de afspraken aan het begin van de kabinetsperiode.
Deze scheiding werkt ook zo voor de fondsen voor werknemersverzekeringen: de fondsuitgaven
vallen onder het uitgavenkader en de premies vallen onder het inkomstenkader. Extra
fondsuitgaven moeten binnen de kabinetsperiode worden ingepast onder het uitgavenkader
en mogen niet betaald worden via hogere premies. Hogere premie-inkomsten mogen niet
worden aangewend voor hogere uitgaven. Daardoor blijven zowel het totale uitgavenniveau
als de totale lastendruk stabiel en voorspelbaar in lijn met het coalitieakkoord.
De Aof-premie is de afgelopen jaren meermaals verhoogd: soms in een coalitieakkoord
maar vaker als compensatie van mee- of tegenvallers elders binnen het inkomstenkader.
Binnen het inkomstenkader worden mee- of tegenvallers niet altijd exact gecompenseerd
met één andere maatregel. De stijging van het gemiddelde Aof-premietarief sinds 2015
van circa 2,1 procentpunt is daarom niet exact toe te rekenen aan specifieke oorzaken,
maar indicatief is de opbouw als volgt:
– Bijna 1,5 procentpunt van de stijging komt doordat de Aof premie is gebruikt om te
werkgevers te compenseren voor de premies van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daar ga
ik hieronder in meer detail op in.
– Circa 0,2 procentpunt is voor nieuw beleid dat uit het Aof wordt betaald, zoals de
compensatieregeling transitievergoedingen en betaald ouderschapsverlof, en voor beleid
dat niet uit het Aof wordt betaald zoals de tegemoetkoming voor stoffengerelateerde
beroepsziekten (TSB) en de uitgaven die samenhangen met het pensioenakkoord.
– Circa 0,25 procentpunt is ingezet als dekking binnen het inkomstenkader, onder andere
om tegenvallers in box 2 en box 3 van de inkomstenbelasting te compenseren.7
– Het resterende deel van de stijging (0,16 procentpunt) komt door technische en autonome
ontwikkelingen, en wordt deels gedempt doordat de Aof-premie ook weleens beleidsmatig
is verlaagd, bijvoorbeeld voor de compensatie van een hogere Whk-premie of voor lastenverlichting
voor bedrijven.
De compensatie van de zorgpremies licht ik uitgebreider toe omdat dit complex is,
en omdat het de belangrijkste oorzaak is van de tariefverhoging en daarmee het huidige
overschot in het Aof.
De Zvw wordt, ietwat versimpeld, gefinancierd uit een nominale premie (te betalen
aan de verzekeraar) en uit de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (iab-Zvw). Voor werknemers
betaalt de werkgever de iab-Zvw. Zelfstandigen en sommige uitkeringsontvangers betalen
de iab-Zvw zelf. De zorgpremies moeten lastendekkend worden vastgesteld. Als de uitgaven
aan de Zvw minder stijgen dan verwacht dan moet het kabinet dus ook het tarief van
de iab-Zvw lager vaststellen dan eerder geraamd. Volgens de begrotingsregels moet
deze lastenverlichting via de zorgpremies gecompenseerd worden met een lastenverzwaring
elders.
Voor het deel van de iab-Zvw dat door werkgevers wordt betaald kiest het kabinet dan
voor compensatie via een hogere Aof-premie8. Dat is de meest neutrale manier, omdat de grondslag van de iab-Zvw voor werkgevers
en de grondslag van de Aof-premie gelijk zijn. Deze worden namelijk allebei geheven
over het premieplichtige loon voor de werknemersverzekeringen. Als de lagere zorgpremies
waren gecompenseerd met een andere premie of belasting, dan zou dat leiden tot verschillen
tussen werkgevers.
Als de zorgpremies soms meevallen en soms tegenvallen, blijft het effect van de compensatie
op het Aof beperkt. De afgelopen twaalf jaar vielen de zorgpremies echter voornamelijk
lager uit dan verwacht, waardoor de Aof-premie dus in veel kleine stappen substantieel
is verhoogd.
1.3 Economische doorwerking
Het nettoloon dat een werknemer ontvangt is lager dan de totale loonkosten die een
werkgever maakt. Dit is het brutoloon minus door de werkgever ingehouden inkomstenbelasting,
premie volksverzekeringen en eventuele pensioenpremies. De werkgever betaalt boven
op het brutoloon werkgeverspremies, pensioenpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw. Het totale verschil tussen het nettoloon en de totale loonkosten is de zogenoemde
wig op arbeid.
Een grotere wig op arbeid betekent dat het verschil tussen wat een werkgever betaalt
en wat een werknemer ontvangt toeneemt. Heffingen op arbeid verstoren de arbeidsmarkt,
wat leidt tot lagere werkgelegenheid en lagere lonen.9 Daarnaast vergroot een hogere wig specifiek het kostenverschil tussen werknemers,
die wel premieplichtig zijn, en zelfstandigen, die dat niet zijn.
Bij de loonvorming spelen de totale loonkosten per werknemer een centrale rol. Een
verhoging van de werkgeverspremies leidt tot hogere loonkosten en beperkt daarmee
de loonruimte, wat leidt tot een lagere cao-loonstijging. Omgekeerd geldt dat een
verlaging van werkgeverspremies de loonruimte vergroot. Op de langere termijn werkt
een wijziging in de werkgeverslasten daardoor deels door in de cao-loonstijging en
daarmee in het besteedbare inkomen van werknemers.
Het CPB berekent het langetermijneffect op lonen van een werkgeverspremieverhoging
in het macromodel Saffier 3.010. Een toename van de werkgeverslasten komt op lange termijn voor 25% bij de werkgever
terecht in de vorm van hogere loonkosten. De overige 75% wordt via lagere lonen door
werknemers gedragen. Dit percentage is in lijn met recente economische literatuur
over de doorwerking van sociale premies op lonen.
Op korte termijn wordt een kleiner percentage afgewenteld op werknemers, doordat loononderhandelingen
en aanpassingen tijd kosten. De uiteindelijke effecten van een verhoging van de werkgeverslasten
op de lonen zijn daarnaast afhankelijk van andere factoren, zoals bestedings- en arbeidsmarkteffecten.
2. Coalitieakkoord
2.1 Effecten coalitieakkoord op premietarieven
In het commissiedebat werknemersverzekeringen van 8 april jl. zijn vragen gesteld
over onder andere de effecten van het coalitieakkoord op de premietarieven. Ik ga
hierna verder in op de gestelde vragen door de Kamerleden.
Bij het Aof zijn er drie maatregelen die invloed hebben op de geraamde premietarieven.
Ten eerste de vrijheidsbijdrage van bedrijven. Deze is in het coalitieakkoord ingevuld
als taakstellende verhoging van de Aof-premie met 0,43 procentpunt. De definitieve
invulling van de vrijheidsbijdrage van bedrijven wordt nog besproken met werkgeversorganisaties
en is onderdeel van de augustusbesluitvorming.
Ten tweede een compensatie voor een lagere iab-Zvw. De maatregelen in het coalitieakkoord
bij de Zorgverzekeringswet zorgen voor lagere geraamde zorgpremies11 (zowel de nominale premie als de iab-Zvw). Voor de iab-Zvw wordt aangenomen dat 65
procent daarvan wordt betaald door bedrijven voor hun werknemers. De rest wordt betaald
door zelfstandigen en uitkeringsontvangers (zelfstandig ondernemers en Aow-ers betalen
de iab-Zvw bijvoorbeeld zelf). Voor bedrijven worden de lagere geraamde lasten, vanwege
de iab-Zvw gecompenseerd door de Aof-premie te verhogen. Deze verhoging loopt op naar
0,30 procentpunt in 2030.12
Ten derde versmalt de grondslag voor verschillende premies voor de werknemersverzekeringen
door de maatregel uit het coalitieakkoord om het maximumpremieloon (het maximale loon
waarover premies verschuldigd zijn) met 20 procent te verlagen. Deze maatregel hangt
samen met het maximumdagloon (het maximale dagloon dat onder de verzekering valt).
Hiervoor worden compenserende premieverhogingen doorgevoerd, zodat de inkomsten gelijk
blijven. Dit komt neer op 0,45 procentpunt voor de Aof-premie, 0,22 procentpunt voor
de AWf-premie en kleinere verhogingen bij de Whk, Ufo en opslag Wko. De exacte maatvoering
is te vinden in de bijlage. Deze compenserende premieverhogingen hebben per saldo
geen effect op de fondsinkomsten.
In de bijlage is per fonds en per maatregel een totaaloverzicht van de gevolgen van
het coalitieakkoord opgenomen, zoals deze op basis van de huidige invulling zijn verwerkt
in de geraamde premietarieven.
2.2 Doorwerking premietarieven op lonen en koopkracht
Tijdens het commissiedebat verzocht het lid Patijn om in te gaan op de inkomenseffecten
van de premieverhogingen. Een precieze koopkrachtanalyse of berekening van inkomenseffecten
per huishoudtype van premieverhogingen is niet goed mogelijk, omdat de doorwerking
afhankelijk is van cao-onderhandelingen die per sector en per bedrijf verschillen
en zich over een onbekende periode uitstrekt.
Het CPB heeft bij de doorrekening van het coalitieakkoord het integrale effect van
alle maatregelen uit het coalitieakkoord op de cao-loonstijging geraamd.
Uit de doorrekening blijkt dat de cao-loonstijging in de kabinetsperiode gemiddeld
0,1 procentpunt per jaar lager uitvalt dan in het basispad. In dit cijfer zijn maatregelen
verwerkt die de loonruimte beperken (zoals de premieverhogingen), maatregelen die
de looneisen juist verhogen (zoals de hogere lasten voor werknemers) en de doorwerking
van die maatregelen via arbeidsaanbod- en algemene evenwichtseffecten. Het CPB geeft
in de doorrekening geen uitsplitsing van het effect per maatregel.
Wel kan per maatregel grofweg worden beschreven wat het verwachte effect op de loonruimte
op lange termijn is.
Tegenover de 0,30 procentpunt verhoging van de Aof-premie ter compensatie van de iab-Zvw
staat een nagenoeg gelijke verlaging van de iab-Zvw voor werkgevers. Het netto-effect
op de loonruimte is daarmee nihil.
De compenserende verhoging van de premies voor de verlaging van het maximumpremieloon
is budgetneutraal: het hogere tarief compenseert de smallere grondslag door het lagere
maximumpremieloon. Dat heeft een effect op de verdeling van premies voor verschillende
werkgevers en werknemers, maar niet op de totale loonruimte.
Hoe dit per werkgever uitpakt verschilt: bedrijven met vooral werknemers onder het
maximumpremieloon zien hun premielast per saldo eerder stijgen, terwijl bedrijven
met veel werknemers daarboven juist baat hebben bij het lagere plafond. Via de loonruimte
kan dit ook doorwerken op de betrokken werknemers. In cao-onderhandelingen wordt doorgaans
echter niet gestuurd op basis van de individuele wig per werknemer. Het is daarom
onzeker of werknemers boven en onder het maximumpremieloon in de praktijk een ander
effect zullen ervaren, of dat de premieverandering per cao verwerkt wordt in een generieke
aanpassing van het loonbod.
De vrijheidsbijdrage van bedrijven bedraagt een verhoging van 0,43 procentpunt van
de Aof-premie op basis van de taakstellende invulling in het coalitieakkoord. De vrijheidsbijdrage
van bedrijven brengt, anders dan de compensatie voor de Zvw en het maximumpremieloon,
daadwerkelijk aanvullende middelen op. Dat vergroot de wig en heeft daarmee effect
op de loonruimte.
Om een gevoel van orde van grootte te krijgen, kan de vrijheidsbijdrage van bedrijven
van 1,7 miljard gedeeld worden door de circa 10 miljoen werkenden. Dit komt gemiddeld
neer op 170 euro per werknemer per jaar aan hogere werkgeverslasten. Het CPB gaat
er op lange termijn vanuit dat circa 75% van deze lasten wordt doorberekend in de
loonruimte. Op korte termijn zal het effect kleiner zijn. Dit is nadrukkelijk een
grove inschatting, want de berekening doet geen recht aan verschillen tussen werknemers
en bovendien zijn effecten via arbeidsaanbod, bestedingen en algemene evenwichtseffecten
hierin niet meegenomen. Het is uiteindelijk aan iedere individuele werkgever om te
besluiten op welke manier zij hogere werkgeverslasten opvangen.
2.3 Structurele tegenvaller
In het commissiedebat is gevraagd of de tegenvaller bij de WIA niet eenmalig is. Het
betreft een structurele tegenvaller.
De WIA-tegenvaller zal ervoor zorgen dat de lastendekkende Whk-premie hoger wordt
vastgesteld.13 Volgens de begrotingsregels van het kabinet worden de hogere premie-inkomsten echter
niet gebruikt om hogere uitgaven te bekostigen vanwege de scheiding van inkomsten
en uitgaven (zie «Overheidsfinanciën en begrotingsregels» hierboven). Het kabinet
kiest daarom om de hogere uitkeringslasten binnen het uitgavenplafond te compenseren
met maatregelen aan de uitgavenkant van de begroting.
3. Kamerbrief over de toekomst van de fondsensystematiek
Uit deze Kamerbrief wordt duidelijk dat de fondsensystematiek werknemersverzekeringen
complex is. Dat is onder andere de situatie, omdat de premies een verzekeringskarakter
hebben maar ook functioneren als onderdeel van de rijksbegroting. Dat roept terecht
vragen op over het stelsel, zoals ook tijdens het commissiedebat van 8 april jl. naar
voren kwam. Ik heb daarom een Kamerbrief toegezegd over de toekomst van de fondsensystematiek.
Die brief zal dieper ingaan op de visie van het kabinet over zeggenschap omtrent het
stelsel en de relatie tussen de begroting, het budget en de fondsen. Daarbij betrek
ik ook de motie-Grinwis/Patijn14 over de juridische houdbaarheid en maatschappelijke wenselijkheid van de stijgende
Aof-premie. Deze brief is voor het najaar toegezegd en wordt met sociale partners
besproken.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
BIJLAGE
In onderstaande tabel staan per fonds en per maatregel de gevolgen van het coalitieakkoord
zoals deze nu in de geraamde premietarieven zijn verwerkt. De methodiek die daarbij
wordt gebruikt, luidt als volgt. Het coalitieakkoord is opgesteld in 2026. Alle maatregelen
in het coalitieakkoord zijn daarom ook weergegeven in het prijsniveau van 2026. Als
maatregelen pas in een later jaar ingaan, of niet elk jaar dezelfde omvang hebben,
dan wordt de maatregel eerst omgerekend naar lopende prijzen. Oftewel, voor elk jaar
wordt de maatregel dan omgezet naar het geraamde prijsniveau van dat jaar. De omvang
van de maatregel wordt daarna gedeeld door de geraamde grondslag van het premieplichtige
inkomen van het betreffende fonds. Hieruit volgt dan de tariefverhoging die nodig
is om de door het kabinet afgesproken lastenverlichting of lastenverzwaring voor bedrijven
en burgers te bereiken. De individuele tariefmutaties worden niet afgerond. Dat gebeurt
pas als, tegen het einde van het jaar, het definitieve premietarief voor het aankomende
jaar wordt vastgelegd in een ministeriele regeling. Daarmee wordt voorkomen dat de
premie meer of minder stijgt dan de bedoeling is enkel vanwege het meermaals afronden.
Uitgebreide toelichting verlaging maximum premieloon
Het coalitieakkoord versmalt de grondslag voor verschillende premies voor de werknemersverzekeringen
door het maximumpremieloon (het maximale loon waarover premies verschuldigd zijn)
met 20 procent te verlagen. Deze maatregel hangt samen met het maximumdagloon (het
maximale dagloon dat onder de verzekering valt).
Het CPB heeft deze gevolgen voor de premiegrondslag van de verschillende fondsen geraamd.
Voor het Aof betekent deze maatregel dat de premiegrondslag met iets meer dan 5 procent
daalt. Hierdoor dalen de geraamde premieopbrengsten met circa 1,8 miljard euro (in
prijzen 2029). Het premietarief moet daarom met 0,45 procentpunt omhoog om deze inkomstenderving
te compenseren. Hierdoor stijgt de werkgeverswig voor werknemers met lage lonen. Voor
werknemers met hoge lonen (boven het huidige maximumpremieloon) blijft de werkgeverswig
gelijk.
Het verlagen van het maximumpremieloon heeft ook invloed op de Whk-premie. Er is namelijk
een smallere grondslag door het lagere maximumpremieloon, waardoor de premie moet
worden verhoogd om dit te compenseren. De Whk-premie wordt niet door het kabinet vastgesteld
maar door UWV. UWV moet dat zodanig doen dat de geraamde premie-inkomsten van het
komende jaar de geraamde uitgaven in dat jaar dekken. Dat betekent dus dat UWV pas
in 2028 rekening zal houden met de daling van de premiegrondslag in 2029 door de coalitieakkoordmaatregel.
Voor deze maatregel raamt het kabinet een stijging van de Whk-premie van 0,08 procentpunt.
Bij de werkloosheidsfondsen heeft het verlagen van het maximumpremieloon ook een effect
op de geraamde premietarieven. Voor het AWf, het fonds voor de werkloosheidsuitkeringen
van niet-overheidswerkgevers, zorgt dit voor een tariefstijging van 0,22 procentpunt.
Dat geldt zowel voor het lage AWf-premietarief (voor vaste contracten) als het hoge
AWf-premietarief (voor niet-vaste contracten).
De Ufo-premie wordt daarentegen alleen betaald door overheidswerkgevers. Het tarief
van de Ufo-premie is veel lager dan dat van de AWf-premie omdat overheidswerkgevers
eigenrisicodrager zijn voor de werkloosheid. Uit de Ufo-premie worden dus geen werkloosheidsuitkeringen
betaald, maar alleen de uitvoeringskosten en de Zw-uitkeringen voor zieke werklozen.
De maatregel rondom het maximumdagloon zorgt voor een stijging van de Ufo-premie van
0,05 procentpunt.
Tot slot is er de opslag voor de Wet kinderopvang (Wko) Wko die werkgevers bovenop
de Aof-premie betalen, en die niet naar een fonds gaat, maar naar het Rijk. De maatregel
rondom het maximumdagloon zorgt ook voor minder inkomsten uit deze opslag. Het tarief
van de opslag stijgt daarom met 0,03 procentpunt.
Arbeidsongeschiktheidsfonds
2027
2028
2029
2030
Aof-premie, na MEV 2026 (gemiddeld tarief)
7,23%
7,19%
7,17%
7,15%
grondslag Aof (miljard euro), na MEV 2026
398
415
430
445
Vrijheidsbijdrage – prijzen 2026
1.500
1.700
Vrijheidsbijdrage – lopende prijzen
1.538
1.796
mutatie Aof premie
0,39%
0,43%
0,43%
0,43%
Compensatie zorgpremies – prijzen 2026
474
657
1.150
1.194
Compensatie zorgpremies – lopende prijzen
486
694
1.246
1.326
mutatie Aof premie
0,12%
0,17%
0,29%
0,30%
grondslag Aof (miljard euro), na coalitieakkoord
397
414
406
420
Verlaging maximumpremieloon – lopende prijzen
– 1.811
Compensatie maximumpremieloon
1.811
mutatie Aof premie
0,45%
0,45%
totale mutatie Aof-premie
0,51%
0,60%
1,17%
1,18%
Aof-premie, na coalitieakkoord (gemiddeld tarief)
7,74%
7,79%
8,34%
8,33%
Algemeen Werkloosheidsfons
2027
2028
2029
2030
AWf premie, na MEV 2026 (gemiddeld tarief)
3,99%
4,03%
4,03%
4,03%
grondslag Awf (miljard euro), na coalitieakkoord
303
316
312
323
Verlaging maximumpremieloon – lopende prijzen
– 691
Compensatie maximumpremieloon
691
mutatie AWf-premie
0,22%
0,22%
totale mutatie Awf-premie
0,00%
0,00%
0,22%
0,22%
AWf-premie, na coalitieakkoord (gemiddeld tarief)
3,99%
4,03%
4,25%
4,25%
Werkhervattingskas
2027
2028
2029
2030
Whk-premie, na MEV 2026 (gemiddeld tarief)
1,52%
1,52%
1,52%
1,52%
grondslag Whk (miljard euro), na coalitieakkoord
231
241
236
244
Verlaging maximumpremieloon – lopende prijzen
– 196
Compensatie maximumpremieloon
196
mutatie Whk premie
0,08%
0,08%
totale mutatie Whk-premie
0,00%
0,00%
0,08%
0,08%
Whk-premie, na coalitieakkoord (gemiddeld tarief)
1,52%
1,52%
1,60%
1,60%
Uitvoeringfonds voor de overheid
2027
2028
2029
2030
Ufo-premie, na MEV 2026
0,68%
0,68%
0,68%
0,68%
grondslag Ufo (miljard euro), na coalitieakkoord
89
93
92
96
Verlaging maximumpremieloon – lopende prijzen
– 50
Compensatie maximumpremieloon
50
mutatie Ufo-premie
0,05%
0,05%
totale mutatie Ufo-premie
0,00%
0,00%
0,05%
0,05%
Ufo-premie – na coalitieakkoord
0,68%
0,68%
0,73%
0,73%
Wet kinderopvang
2027
2028
2029
2030
opslag WKO – na MEV 2026
0,50%
0,50%
0,50%
0,50%
grondslag WKO (miljard euro), na coalitieakkoord
392
407
399
412
Verlaging maximumpremieloon – lopende prijzen
– 115
Compensatie maximumpremieloon
115
mutatie opslag WKO
0,03%
0,03%
totale mutatie opslag WKO
0,00%
0,00%
0,03%
0,03%
opslag WKO – stand na coalitieakkoord
0,50%
0,50%
0,53%
0,53%
Indieners
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid