Brief regering : Reactie op verzoek commissie over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo (DRC) en Oeganda en de wijze waarop het kabinet deze ontwikkelingen volgt
33 625 Hulp, handel en investeringen
25 295
Infectieziektenbestrijding
Nr. 353
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN BUITENLANDSE
HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 juni 2026
Met deze brief informeert het kabinet de Kamer, conform verzoek (kenmerk 2026D25678 en 2026Z10285) over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de Democratische Republiek
Congo (DRC) en Oeganda en de wijze waarop het kabinet deze ontwikkelingen volgt, alsmede
hoe dit zich verhoudt tot de Europese en Amerikaanse bezuinigingen op internationale
medische hulp de afgelopen jaren en wat de kabinetsinzet op dit punt is.
Huidige situatie in de DRC en Oeganda
Op 15 mei 2026 bevestigt het Afrikaanse Centrum voor Ziektepreventie en -bestrijding
(CDC) de huidige uitbraak van het ebola-virus die zich op dit moment concentreert
in het oosten van de DRC, met daarnaast enkele besmettingen in Oeganda. Ebola is een
virus dat wordt overgedragen via direct contact met lichaamsvloeistoffen van besmette
personen of overleden patiënten en kan leiden tot koorts en ernstige inwendige bloedingen.1 De ziekte kent een hoog sterftepercentage. Snelle signalering, isolatie en bron-
en contactonderzoek zijn essentieel om verdere verspreiding tegen te gaan.
Er is nog veel onduidelijk over de omvang van de uitbraak in de DRC. Verondersteld
wordt dat transmissie enkele weken ongemerkt heeft plaatsgevonden in een gebied met
veel grensverkeer. De respons wordt bovendien bemoeilijkt door onveiligheid en humanitaire
uitdagingen in de getroffen gebieden, en moeilijke toegang tot diagnostiek. De huidige
uitbraak wordt veroorzaakt door de zeldzame Bundibugyo-variant van het virus, waarvoor
diagnostiek moeilijk was en waarvoor momenteel geen goedgekeurd vaccin of specifieke
behandeling bestaat. Dit maakt zicht op transmissie en bestrijding complexer dan eerdere
uitbraken met de Zaïre-variant en vergroot de zorg over verdere verspreiding in de
regio.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn tot 6 juni 2026 in de DRC bij meer
dan 500 patiënten besmettingen via laboratoriumtests bevestigd, en zijn 91 mensen
aan het virus overleden. Ook wordt bij meer dan 110 personen in de DRC het virus vermoed
zonder dat het officieel is vastgesteld middels laboratoriumonderzoek. Oeganda heeft
daarnaast 19 ziektegevallen en 2 overlijdens gemeld.2
De WHO heeft de uitbraak op 17 mei 2026 uitgeroepen tot een noodsituatie op het gebied
van de volksgezondheid van internationaal belang (Engels: Public Health Emergency of International Concern, PHEIC). Deze classificatie betreft – na een pandemische noodsituatie – het op een na hoogste
internationale waarschuwingsniveau binnen de Internationale Gezondheidsregeling (IGR).
Met een dergelijke verklaring geeft de WHO de ernst van de situatie aan en het belang
van het nemen van bestrijdingsmaatregelen. Tevens roept het landen op tot intensieve
internationale samenwerking, versterkte monitoring, snelle informatie-uitwisseling
en voorbereiding op mogelijke importgevallen.
De WHO heeft bij het uitroepen van de noodsituatie aanbevelingen voor maatregelen
gedaan voor de getroffen landen DRC en Oeganda, buurlanden van de getroffen landen
en overige derde landen. Voor de laatste groep, waar ook Nederland toe behoort, beveelt
de WHO aan:
– Reizigers naar en vanuit de getroffen gebieden te voorzien van informatie over de
risico’s en hoe deze te beperken en advies over hoe te handelen bij ziekte na mogelijke
blootstelling aan het virus;
– Algemene publieksinformatie toegankelijk te maken over de uitbraak in de getroffen
gebieden;
– Voorbereid te zijn op eventuele evacuatie en repatriëring van onderdanen (bijvoorbeeld
gezondheidswerkers) die zijn blootgesteld aan het virus.
Beperkingen op reizen en controles bij aankomst van passagiers die terugkeren uit
risicogebieden op luchthavens worden door de WHO als ineffectief en contraproductief
beschouwd en daarmee niet noodzakelijk geacht. Reisbeperkingen hebben het risico in
zich dat de reizigers via omwegen gaan reizen waardoor monitoring en bron- en contactopsporing
bemoeilijkt wordt. Controles bij vertrek van passagiers uit de getroffen gebieden
zijn effectiever dan controles bij aankomst omdat daarmee een mogelijk besmette persoon
al voorafgaand aan de reis tegengehouden wordt.
Kabinetsinzet internationaal
De meeste ebolagevallen bevinden zich momenteel in het oosten van de DRC, een gebied
dat al jaren wordt geteisterd door conflict. Deze volatiele context bemoeilijkt de
hulpverlening en maakt dat de gezondheidszorg beperkt beschikbaar is. Om verdere verspreiding
van het virus te voorkomen, is een internationaal gecoördineerde aanpak nodig. Landen,
regionale en internationale gezondheidsorganisaties en hulpverleningspartners in de
regio werken intensief samen om de getroffen regio te ondersteunen bij de bestrijding
van de uitbraak en preventieve maatregelen te nemen in risicogebieden.
Het kabinet erkent de noodzaak van een sterke gecoördineerde respons, bij voorkeur
onder leiding van nationale en regionale gezondheidsautoriteiten met een sterke rol
voor de WHO. Vanuit de middelen die versneld beschikbaar komen voor 2026, specifiek
de 27 miljoen euro voor mondiale gezondheid en de bestrijding van het ebolavirus,
doet het kabinet een initiële extra bijdrage van 3 miljoen euro ter ondersteuning
van de door de WHO gecoördineerde ebola respons in de Democratische Republiek Congo,
Oeganda en de regio. De WHO werkt hierin samen met het Afrikaanse CDC en nationale
overheden en versterkt onderzoek, kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit. Daarnaast
maakt het kabinet uit deze middelen tevens 7 miljoen euro beschikbaar voor de WHO
voor de bredere inzet op gezondheidscrises.3
De omvang van deze bijdrage houdt rekening met het feit dat Nederland via bestaande
programma’s en flexibele financiering al een forse bijdrage levert aan de huidige
hulpverlening. Het gaat hierbij om kernbijdragen aan VN-organisaties zoals de WHO,
UNICEF, UNOCHA, maar ook aan de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) en het Global Fund ter bestrijding van aids, malaria en tuberculose (GFATM). Met deze flexibele bijdragen
kunnen partners direct reageren op deze crisis en dat doen ze ook.
Het VN-noodhulpfonds (Central Emergency Response Fund, CERF) heeft op 20 mei jl. 60
miljoen dollar gealloceerd voor de ebola-respons. Hiervan is 50 miljoen dollar afkomstig
van de Verenigde Staten en 10 miljoen dollar uit flexibele bijdragen. Nederland is
dit jaar de grootste flexibele donor van het CERF.4 Ook andere humanitaire partners hebben middelen toegewezen. Zo heeft het door Nederland
gesteunde noodhulpfonds van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve
Maanverenigingen ruim 2.5 miljoen Zwitserse frank toegewezen aan de Rode Kruisverenigingen
in Oeganda, DRC, Zuid-Soedan en Rwanda. Via het Dutch Disaster Risk Reduction and
Surge (DRRS)-programma is bovendien een waterexpert uitgezonden naar de DRC ter ondersteuning
van de ebola-respons van UNICEF.
Het kabinet heeft er – ondanks een bezuinigingsopgave – voor gekozen om de kernbijdrage
aan de WHO vanaf 2026 op peil te houden. Nederland hecht eraan de belangrijke rol
van de WHO als overkoepelende coördinerende organisatie in dergelijke crises zoveel
mogelijk te steunen. Daarnaast steunde Nederland in 2025 het wetenschappelijk instituut
International AIDS Vaccine Initiative (IAVI) met 1 miljoen euro om een ebolavaccin
te ontwikkelen voor de Ebola Sudan variant. De WHO heeft dit vaccin nu aangeduid als
één van de meest veelbelovende vaccins tegen de huidige Bundibugyo variant. IAVI werkt
daarom aan de doorontwikkeling van het vaccin met de bestaande Nederlandse bijdrage
en financiering van de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI), een
publiek-private organisatie die investeert in de ontwikkeling van nieuwe vaccins.
De Europese Commissie is belangrijke donor van CEPI en in de periode 2020–2026 droeg
Nederland ook bij met een bedrag van 64 miljoen euro. In totaal investeert CEPI 62
miljoen euro in de ontwikkeling van de drie meest belovende vaccins tegen de nieuwe
Bundibugyo-variant, waaronder die van IAVI.
Europese en Amerikaanse bezuinigingen
De ebolacrisis vindt plaats in een context van wereldwijde bezuinigingen op het gebied
van mondiale gezondheid. De Wereldbank verwacht dat tot 2030 in 80% van de lage-inkomenslanden
zowel ODA-investeringen door donoren als uitgaven door nationale overheden voor gezondheid
zullen afnemen. Dit is zorgelijk omdat zorgsystemen in deze landen reeds fragiel zijn.
Afnemende steun van donoren voor gezondheidszorg verzwakt zorgsystemen verder en vergroot
daarmee het risico dat virusuitbraken, zoals ebola, minder effectief kunnen worden
gedetecteerd en bestreden.
Ook organisaties zoals de WHO ervaren de gevolgen van bezuinigen op mondiale gezondheid.
Als gevolg van de terugtrekking van de VS uit de WHO, voorheen de grootste donor van
de organisatie, heeft de WHO haar budget voor 2026–2027 met 21% verlaagd en haar personeelsbestand
met 22% moeten terugbrengen. Het gevolg is dat de WHO minder slagkracht heeft, hetgeen
naar alle waarschijnlijkheid doorwerkt in het uitvoeren van hun coördinerende rol
in gezondheidscrises zoals ebola.
De VS blijven een belangrijke speler op het gebied van mondiale gezondheid met een
bijdrage van 9.6 miljard dollar wereldwijd. Voor de respons op de ebola-uitbraak in
de DRC en Oeganda hebben de VS bovendien meer dan 200 miljoen dollar toegezegd. Ook
de EU en haar lidstaten, waaronder Nederland, zijn nog steeds een significante donor.
Zo heeft de Europese Commissie recent 15 miljoen euro beschikbaar gesteld en hebben
verschillende landen extra middelen toegezegd voor de bestrijding van de ebola-uitbraak.
De VS werken nu op bilaterale wijze samen met landen in het mondiale zuiden. De VS
hebben daartoe bilaterale overeenkomsten afgesloten met o.a. Afrikaanse landen. Wanneer
dergelijke overeenkomsten leiden tot fragmentatie of parallelle systemen, kan dat
afbreuk doen aan het internationale systeem dat onder de WHO is opgebouwd. Dit kan
leiden tot verminderde samenwerking en coördinatie ten tijde van een gezondheidscrisis,
zoals nu bij ebola. Het kabinet blijft daarom voorstander van multilaterale kaders
en internationale afspraken, zoals onder meer vastgelegd in de Internationale Gezondheidsregeling
uit 2005.
Europese samenwerking
Op 19 mei heeft de EC de eerste bijeenkomst van het EU-gezondheidsbeveiligingscomité,
de Health Security Committee (HSC), georganiseerd over ebola. Tijdens dit overleg,
waar alle EU-lidstaten, betrokken EU-diensten en ook de WHO aan deelnamen, heeft de
WHO een update gegeven van de epidemiologische situatie in de DRC en de reactie daarop
vanuit de WHO, zoals de inzet van verschillende experts, mobiele laboratoria en testmateriaal.
Het Europese Centrum voor Ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) heeft de risico’s
voor Europa in kaart gebracht en gezondheidsexperts naar de regio gezonden. De WHO
en het ECDC geven aan dat het grootste risico van de huidige uitbraak ligt in verdere
verspreiding binnen de regio in Centraal- en Oost-Afrika en bezien de situatie met
zorg. Risico’s voor de verspreiding naar Europa worden vooralsnog als laag ingeschat.
Op 22 mei heeft de HSC een op de ebola-uitbraak richtsnoer uitgebracht over de wijze
waarop de EU op deze uitbraak reageert.5 Op 24 mei en 4 juni jl. vonden vervolgbijeenkomsten plaats van de HSC. Daarbij werd
een verdere update gegeven van de situatie in de getroffen regio en kwamen ook de
door het ECDC onderschreven aanbevelingen van de WHO aan de orde. Op 5 juni vond een
videoconferentie met de Europese Ministers van Gezondheid plaats waarin de EU- lidstaten
hebben aangegeven te hechten aan eenheid en een gecoördineerde Europese aanpak en
bestrijding van de gezondheidscrisis in de regio. Daarnaast onderstrepen lidstaten
het belang van paraatheid en de noodzaak tot het volgen van de aanbevelingen van de
WHO/ECDC. Voorts hebben lidstaten aangegeven op dit moment niet voornemens te zijn
reisrestricties op te leggen, en moeten maatregelen proportioneel zijn. Tijdens de
EPSCO-raad van gezondheidsministers op 16 juni en de Europese Raad op 18 juni zal
ook aandacht zijn voor de ebola-uitbraak.
Paraatheid in Nederland
Voortdurende alertheid blijft noodzakelijk, zolang de situatie in de DRC en Oeganda
zorgelijk blijft. Het risico op een (grootschalige) uitbraak is volgens het RIVM in
Nederland zeer beperkt, het risico op een importgeval kan niet volledig worden uitgesloten.
Het blijft het dan ook van belang voorbereid te zijn op mogelijke opvang en behandeling
van patiënten.
Het RIVM monitort internationale signalen continu en onderhoudt nauw contact met de
WHO en het ECDC. Ook inventariseert het RIVM of er Nederlandse gezondheidswerkers
en onderwijsprofessionals werkzaam zijn in de getroffen gebieden of werkzaam zullen
zijn vanuit bijvoorbeeld Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis. De inventarisatie
dient om tijdig inzicht te hebben in mogelijke blootstelling van Nederlanders aan
het ebolavirus en om, indien noodzakelijk, passende monitoring en begeleiding bij
terugkeer naar Nederland te organiseren.
Het RIVM heeft met de hulpverleningsorganisaties afspraken wanneer medewerkers terugkomen
uit het gebied. De GGD’en worden uiteraard geïnformeerd wanneer een zorgverlener in
monitoring gaat. Vanuit de onderwijsinstellingen is gemeld dat er geen Nederlandse
studenten werkzaam zijn in de patiëntenzorg in de DRC, wel in Oeganda. Inmiddels zijn,
of worden op korte termijn, deze studenten uit voorzorg teruggehaald naar Nederland.
In Nederland zijn de structuren voor infectieziektebestrijding goed ingericht en operationeel.
Ebola is in Nederland aangemerkt als een A2-ziekte op grond van de Wet publieke gezondheid.
Dit betekent dat landelijke regie mogelijk is en dat er afspraken bestaan over meldplicht,
bron- en contactonderzoek en de coördinatie van bestrijdingsmaatregelen. Het RIVM
heeft de universitaire medische centra (UMC’S) met hoog-isolatievoorzieningen geïnformeerd
en gevraagd stand-by te staan voor eventuele opvang van patiënten met een verdenking
op ebola.
Nederland beschikt over vijf gespecialiseerde universitaire medische centra (UMC’s)
met specifieke hoge isolatie-units voor de opvang, isolatie en behandeling van hoogpathogene
infectieziekten zoals ebola. Ook bestaan duidelijke afspraken over beschermingsmaatregelen
voor zorgverleners, veilig patiëntenvervoer en landelijke coördinatie. ErasmusMC,
LUMC, Radboudumc, UMCG en UMCU zijn
aangewezen als triage- en behandelcentrum voor patiënten met (een verdenking op) ebola.
Als uit de triage blijkt dat een patiënt aan de casusdefinitie van een (verdachte)
besmetting voldoet en mogelijke symptomen heeft, zal deze naar een behandelcentrum
worden verwezen. Op dit moment zijn het Radboudumc, het LUMC en het UMCU beschikbaar
voor langdurige opvang en behandeling.
Recent was sprake van een patiënt die met een mogelijke verdenking op ebola werd opgenomen
in het Radboudumc. Conform de geldende protocollen zijn direct voorzorgsmaatregelen
getroffen, waaronder isolatie. Uit laboratoriumonderzoek bleek dat er geen sprake
was van een besmetting met het ebolavirus. Deze situatie laat zien dat de Nederlandse
procedures voor signalering, beoordeling en opvolging van mogelijke hoog-risico-infectieziekten,
zoals ebola, functioneren zoals bedoeld.
Reizigersvoorlichting en publieksinformatie
Zoals hierboven aangegeven, vragen de WHO en het ECDC aandacht voor algemene publieksinformatie
en reizigersadvisering om alertheid te bevorderen.
Naar aanleiding van de actuele ontwikkelingen in de DRC en Oeganda actualiseert het
RIVM doorlopend de algemene publieksinformatie en informatie voor zorgprofessionals
op de eigen website.6
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken houdt de reisadviezen voor de getroffen gebieden
voortdurend actueel, in samenwerking met het Landelijke Coördinatiecentrum Reizigersadvisering
(LCR) en het RIVM. Het reisadvies voor de gebieden waar de ebolasituatie het ernstigst
is, was al kleurcode rood vanwege de gewapende conflicten in dit gebied. Kleurcode
rood betekent dat alle reizen worden afgeraden. Voor Oeganda gold al kleurcode geel,
wat betekent dat Nederlanders daarheen kunnen reizen, maar dat er bijzondere veiligheidsrisico’s
gelden. Deze kleurcode is, in afstemming met het RIVM, nog altijd van kracht. In beide
reisadviezen wordt informatie gegeven over het ebolavirus en op welke wijze besmetting
kan worden voorkomen. In reisadviezen voor andere landen in de regio, waaronder voor
Tanzania, Rwanda en Angola, wordt aandacht besteed aan de gezondheidscontroles die
in deze landen aan de grens plaatsvinden.
In samenwerking met Schiphol, KLM, Veiligheidsregio Kennemerland, GGD Kennemerland
en het RIVM wordt extra aandacht besteed aan informatieverstrekking aan reizigers
van en naar de risicogebieden. Nederland heeft doorgaans directe vluchten van en naar
Entebbe, Oeganda. Reizigers van en naar Entebbe worden geïnformeerd per e-mail door
KLM, via banners met QR-code aan de gate en aan boord van het vliegtuig. In de informatie
wordt aangegeven hoe te handelen bij contact met een (mogelijke) ebolapatiënt en verwezen
naar de lokale GGD of huisarts bij klachten na terugkeer. KLM vliegt momenteel niet
meer op Entebbe vanwege maatregelen die andere landen nemen vanwege de ebola-uitbraak,
zoals het weren van mensen die de afgelopen drie weken in Entebbe zijn geweest. Dat
leidt tot problemen met het inzetten van bemanning. Bemanningsleden die de afgelopen
21 dagen in de DRC of Oeganda geweest zijn, kunnen namelijk niet meer ingezet worden
voor vluchten naar landen die reisbeperkingen hebben ingesteld, zoals de VS en Canada.
De Nederlandse inzet sluit aan bij de aanbevelingen van de WHO en het ECDC ten aanzien
van (reizigers)voorlichting en voorbereiding op mogelijke importgevallen. Het kabinet
ziet geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen.
Ten slotte
Deze uitbraak onderstreept opnieuw het belang van internationale samenwerking en pandemische
paraatheid, zoals vastgelegd in de Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie. Het
kabinet benadrukt dat in Nederland de structuren voor infectieziektebestrijding en
crisisrespons op orde zijn, maar dat het op peil houden en versterken van de structuur
nodig blijven om blijvend voorbereid te zijn op toekomstige uitbraken.
Het kabinet spreekt waardering uit voor de inzet van lokale zorgverleners, internationale
hulporganisaties en de WHO die zich onder moeilijke omstandigheden inzetten om verdere
verspreiding van het virus te voorkomen en volgt de ontwikkelingen nauwlettend. Onze
ambassades staan in nauw contact met de autoriteiten van landen in de regio.
Mocht de situatie daartoe aanleiding geven, dan wordt de Kamer daarover geïnformeerd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Indieners
-
Indiener
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking