Brief regering : Stand van zaken screening kennisveiligheid
31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 1260
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
In april 2025 heeft mijn ambtsvoorganger het wetsvoorstel screening kennisveiligheid
openbaar gemaakt voor internetconsultatie.1 Parallel daaraan is een aantal organisaties en adviescolleges, zoals de beoogde uitvoerders
en toezichthouder, gevraagd om uitvoeringstoetsen te doen of advies te geven.2
Het kabinet is van mening dat kennis veilig moet zijn. Kennisinstellingen, inlichtingen-
en veiligheidsdiensten en de overheid blijven samenwerken om Nederlandse kennis veilig
te houden. Er komt een screeningswet kennisveiligheid die mogelijk maakt dat we waar
nodig onderzoekers en PhD-studenten van buiten de Europese Unie die met onze kennis
werken kunnen screenen. We trekken daarbij gelijk op met het kennisintensieve bedrijfsleven
en houden rekening met de internationale praktijk. Met deze brief informeer ik uw
Kamer, mede namens de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Economische Zaken
en Klimaat, over de stand van zaken van de screening kennisveiligheid.3
Leeswijzer
Allereerst schets ik de criteria effectiviteit, uitvoerbaarheid en proportionaliteit
op basis waarvan het kabinet de haalbaarheid van de screening kennisveiligheid beoordeelt.
Vervolgens schets ik per criterium de bevindingen. Tot slot geef ik aan hoe het kabinet
verder gaat met de screening kennisveiligheid en geef ik in deze brief een beleidsreactie
op het rapport Aan de poort.4
Criteria haalbare screening
De screening kennisveiligheid moet voor inwerkingtreding effectief, uitvoerbaar en
proportioneel zijn. Dit zijn de criteria op basis waarvan het kabinet beoordeelt of
de screening kennisveiligheid haalbaar is.
1) Een effectieve screening is een scherp afgesteld instrument dat de grootste risico’s adresseert
en ruimte laat voor open en strategische internationale samenwerking. Dit vraagt dat
er een continue afweging plaats moet kunnen vinden tussen de belangen van open en
strategische onderzoekssamenwerking en nationale veiligheid. Alleen zo blijven hoger
onderwijs, onderzoek, wetenschap en innovatie in het Nederlandse ecosysteem van topniveau,
en kunnen we op deze gebieden concurreren met andere landen. Gelijke speelvelden binnen
Nederland en internationaal zijn daarvoor van essentieel belang.
2) De screening moet uitvoerbaar zijn voor uitvoeringsorganisaties, de toezichthouder, de rechtspraak én voor kennisinstellingen.
3) De screening is proportioneel als de (regel)druk die hieruit voortkomt voor kennisinstellingen, screeningsplichtigen
en de Nederlandse samenleving in verhouding staat tot de risico’s die ermee worden
aangepakt. Ook moeten er geen minder zware alternatieve instrumenten zijn waarmee
hetzelfde doel kan worden bereikt.
Daarnaast hanteert het kabinet als algemene voorwaarde dat een instrument als screening
rechtmatig en juridisch houdbaar moet zijn; boven alle twijfel verheven. In het coalitieakkoord
staat dat de screening gericht wordt op onderzoekers en PhD-studenten van buiten de
Europese Unie. Daarover is al eerder gebleken dat deze keuze juridisch niet houdbaar
is. Hierover heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer reeds geïnformeerd.5 Dat maakt dat dit kabinet de doelgroep van de screening kennisveiligheid niet kan
beperken tot derdelanders.6
Haalbaarheid brede screening kennisveiligheid
Het wetsvoorstel in de vorm waarin het in internetconsultatie is gegaan is een brede
screening kennisveiligheid qua scope en omvang. De consultatiereacties, adviezen en
uitvoeringstoetsen hebben laten zien dat de brede screening kennisveiligheid niet
aan de criteria van effectiviteit, uitvoerbaarheid en proportionaliteit voldoet en
daarom niet haalbaar is. Ik voer daarom de komende tijd samen met de Minister van
Justitie en Veiligheid en de Minister van Economische Zaken en Klimaat een analyse
uit naar hoe de screening kennisveiligheid in aangepaste, meer beperkte en gerichtere
vorm wel haalbaar te maken is. Ook de kosten voor de overheid en de kennisinstellingen
wil ik meewegen. Vanuit het oogpunt van een gelijk speelveld betrek ik ook de samenhang
met een risicogerichte aanpak om ongewenste kennis- en technologieoverdracht in het
kennisintensieve bedrijfsleven tegen te gaan, waarover de Minister van Economische
Zaken en Klimaat uw Kamer in het najaar nader zal informeren. Internationale en nationale
samenwerking in het kennisecosysteem is van cruciaal belang voor hoger onderwijs en
wetenschap op topniveau. Tegelijkertijd laat het dreigingsbeeld zoals geschetst door
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten7 zien dat de statelijke dreiging onverminderd hoog is en niets doen geen optie is.
Ik kijk daarom ook naar alternatieven voor screening.
Bevindingen op effectiviteit
Screening is effectief als je het inzet daar waar het echt nodig is. Als er meer beschermd
wordt dan nodig is, belemmert dat de beoefening van onderzoek en wetenschap onnodig.
In de screening kennisveiligheid zoals voorgelegd in internetconsultatie lukt het
nog niet goed om te komen tot een manier van aanwijzen waar de screening precies wél
moet plaatsvinden, en daarmee ook waar het níet nodig is.
Het ontbreken van die scherpte heeft consequenties voor de omvang van de screening.
Zoals blijkt uit de reacties in internetconsultatie, zouden mogelijk veel meer screenings
plaatsvinden dan nodig. Een veel hoger aantal screenings dan voorzien drukt zwaar
op de capaciteit van uitvoerders, toezichthouder en kennisinstellingen en kan leiden
tot het oplopen van doorlooptijden. Dit ondermijnt de effectiviteit van de screening.
De knelpunten in de uitvoering hiervan door de Rijksoverheid staan onder het kopje
uitvoerbaarheid in deze brief toegelicht.
De mogelijkheid om het internationaal en nationaal gelijk speelveld te behouden is
medebepalend voor de effectiviteit van de screening kennisveiligheid. In het coalitieakkoord
is opgenomen dat wat betreft de screening kennisveiligheid gelijk wordt opgetrokken
met het kennisintensieve bedrijfsleven en rekening wordt gehouden met de internationale
praktijk. Als oplopende doorlooptijden het aantrekken van (internationaal) student-
en onderzoekstalent belemmert, schiet de screening zijn doel voorbij, omdat de gewenste
balans ontbreekt. Dat wil ik voorkomen. Daarnaast is het voor de effectiviteit van
belang om nationaal beleid ter bescherming van sensitieve kennis op Nederlandse kennisinstellingen
in nauwe samenhang vorm te geven met beleid in omliggende en gelijkgezinde landen
waar Nederlandse kennisinstellingen intensief mee samenwerken. Door de sterke samenwerking
met de kennissector in deze landen kan sensitieve kennis en technologie anders nog
steeds weglekken.
Een soortgelijk effect kan ook op nationaal niveau optreden. De kennisketen in Nederland
moet over de volle breedte weerbaar zijn. Kennisinstellingen en het kennisintensieve
bedrijfsleven zijn in hoge mate met elkaar verweven in kennisecosystemen en het kabinetsbeleid
is erop gericht de publiek-private samenwerking verder te versterken. Screening heeft
niet veel zin wanneer binnen een samenwerkingsverband van kennisinstellingen en bedrijven
alle betrokken personen toegang hebben tot sensitieve technologie, en slechts een
deel van hen wordt gescreend. Dit betekent dat de maatregelen om ongewenste kennis-
en technologieoverdracht in deze sectoren tegen te gaan, goed op elkaar afgestemd
moeten zijn. Hierbij trek ik nauw samen op met de Minister van Justitie en Veiligheid
en met de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna ATR) wijst er in haar advies op dat uit
de consultatieversie van het wetsvoorstel onvoldoende blijkt dat de screening kennisveiligheid
werkbaar is voor kennisinstellingen. In de internetconsultatie geven kennisinstellingen
zelf aan grote uitdagingen, zowel praktisch als financieel, te zien in de verplichting
om sensitieve kennis en technologie gericht af te schermen. Scherp toegangsbeleid
is randvoorwaardelijk om alleen daar waar de risico’s voor de nationale veiligheid
het grootst zijn te screenen. Ik erken dat kennisinstellingen een grote opgave hebben
op het gebied van compartimentering en beveiliging van sensitieve kennis en technologie.
Met een incidentele impuls van € 17,6 miljoen eind 2025 kwam mijn ambtsvoorganger
hen deels tegemoet in de kosten die zij hiervoor moeten maken. Zij hebben deze middelen
inmiddels ontvangen. In aanvulling hierop maak ik, zoals aangekondigd in mijn beleidsbrief8, extra incidentele middelen vrij. Over de uitwerking hiervan informeer ik uw Kamer
voor de zomer in de brede voortgangsbrief kennisveiligheid.
Bevindingen op uitvoerbaarheid
Ik werk aan de totstandbrenging van een geheel nieuwe uitvoeringsketen van verschillende
uitvoerende en toezichthoudende organisaties binnen de Rijksoverheid. Deze keten staat
in verbinding met kennisinstellingen en de rechtspraak. Voor al deze organisaties
moet de screening kennisveiligheid uitvoerbaar zijn. De consultatiereacties, adviezen
en uitvoeringstoetsen wijzen uit dat het wetsvoorstel in de vorm waarin het voorstel
in consultatie is gegaan niet uitvoerbaar is. Hieronder geef ik per categorie de bevindingen
op het gebied van uitvoerbaarheid tot nu toe weer.
Beoogd centraal uitvoerder Justis heeft inmiddels de uitvoeringstoets opgeleverd en
geeft aan dat die in de rol van screeningsautoriteit uitvoering kan geven aan het
wetsvoorstel, mits aan drie randvoorwaarden wordt voldaan: (1) het wetsvoorstel moet
op enkele punten worden aangepast om de uitvoerbaarheid te garanderen, zoals bijvoorbeeld
een beperkte en gefaseerde startperiode; (2) de huisvesting en de noodzakelijke beveiligde
digitale infrastructuur moeten op tijd op orde zijn; en (3) er moet voldoende financiering
beschikbaar zijn. Justid en Nuffic, twee van de beoogd leveranciers van informatie
ten behoeve van de screening, geven ook aan dat hun taak onder voorwaarden uitvoerbaar
is.
Een toezichthouder is een vereiste voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Beoogd
toezichthouder Inspectie van het Onderwijs (hierna IvhO) heeft aangegeven dat het
wetsvoorstel in de huidige vorm onvoldoende is uitgewerkt om te kunnen beoordelen
of het toezicht op de wet uitgevoerd kan worden. De IvhO heeft onder andere vragen
over de interpretatie van een aantal definities, waaronder het begrip «toegang» en
bepalingen in het wetsvoorstel. Aanpassing van het wetsvoorstel op verschillende punten
is nodig om de screening kennisveiligheid uitvoerbaar en handhaafbaar te maken voor
de IvhO.
Een volgend vraagstuk betreft de aanwijzing van screeningsplichtige onderdelen binnen
sensitieve vakgebieden in kennisinstellingen. Uit een nadere juridische analyse, heb
ik de conclusie getrokken dat het wenselijk is het wetsvoorstel op dit punt te wijzigen.
In het huidige ontwerp zou die taak bij kennisinstellingen liggen, maar de analyse
wijst onder meer uit dat zij die aanwijzingsbesluiten openbaar bekend moeten maken.
Het is onwenselijk dat dergelijke sensitieve informatie op deze manier toegankelijk
wordt. Mede daarom wil ik deze verantwoordelijkheid en taak bij de Rijksoverheid beleggen.
Dit brengt een aantal complexe en nieuwe uitvoeringsvragen met zich mee die nu nog
niet beantwoord zijn. Hoe deze taak er exact uitziet en door welk onderdeel van de
Rijksoverheid deze kan worden uitgevoerd is onderdeel van de haalbaarheidsanalyse
die ik uitvoer. Ook hierbij moet het internationaal en nationaal gelijk speelveld
gewaarborgd worden.
Wel is al het volgende duidelijk. Om goed te kunnen besluiten welke onderdelen binnen
kennisinstellingen onder de werking van het wetsvoorstel moeten vallen, is zogenaamde
actuele technische duiding noodzakelijk. Dit bestaat uit expertise op het gebied van
de laatste (internationaal) wetenschappelijke ontwikkelingen, de te beschermen belangen
en risico’s voor de nationale veiligheid. Technische duiding is bijvoorbeeld nodig
als een kennisinstelling geen risico ziet bij een bepaalde toepassing van hun onderzoek,
maar het Rijk hierover twijfelt. Technische duiding kan ook nodig zijn als de kennisinstelling
niet met zekerheid kan zeggen of een technologie sensitief is. Op die momenten kan
technische duiding de doorslag geven bij het besluit van OCW om een onderdeel wel
of niet aan te wijzen voor een verplichte screening.
Technische duiding is een structureel te organiseren taak. De combinatie van expertise
op het gebied van technologische innovatie, nationale veiligheid, te beschermen belangen
en geopolitieke ontwikkelingen is enerzijds schaars en is anderzijds versnipperd over
verschillende organisaties en de kennissector. De ervaringen met het Verscherpt Toezicht9 op kennisinstellingen leert dat technische duiding niet alleen van essentieel belang
is voor de uitvoerbaarheid maar ook voor het inrichten van een effectief, risicogericht
en dynamisch screeningsinstrument.10 Op basis van de beperkte beschikbaarheid van de benodigde expertise kan technische
duiding nu niet worden georganiseerd. Omdat OCW deze expertise niet alleen kan samenbrengen,
is het noodzakelijk om hier Rijksbreed mee aan de slag te gaan.
De screening kennisveiligheid vraagt daarnaast om de inrichting van rechtsbescherming.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak
onderschrijven in hun adviezen de keuzes die hiervoor in het wetsvoorstel zijn gemaakt.
De beoogde uitvoeringsorganisaties, beoogd toezichthouder en de rechtspraak is gevraagd
om een inschatting te maken van de financiële gevolgen voor hun organisatie bij inwerkingtreding
van het wetsvoorstel screening kennisveiligheid. Niet alle organisaties konden deze
inschatting op basis van de consultatieversie van het wetsvoorstel maken. Een bijzonder
aandachtspunt is hierbij dat de werkprocessen en informatiestromen aan hoge veiligheidseisen
moeten voldoen, omdat er met vertrouwelijke en (persoons)gevoelige informatie gewerkt
wordt. Dit heeft consequenties voor het tijdpad en de kosten die nodig zijn om deze
uitvoeringsketen tot stand te brengen. Op basis van de inschattingen die ik tot nu
toe heb gekregen, acht ik het aannemelijk dat de uitvoeringskosten op basis van het
huidig wetsvoorstel een stuk hoger uitvallen dan eerder verwacht. Als de kosten van
het wetsvoorstel inderdaad hoger zijn dan op het ogenblik op de begroting staat, dan
zal OCW deze kosten conform de begrotingsregels op de eigen begroting dekken. U wordt
hierover op een later moment geïnformeerd.
Ook de kennisinstellingen moeten voorbereidingen treffen. De ATR geeft aan dat onvoldoende
blijkt dat het wetsvoorstel werkbaar is voor kennisinstellingen en adviseert om dit
beter te onderbouwen. Kennisinstellingen en koepelorganisaties hebben bij de internetconsultatie
hun zorgen uitgesproken over de uitvoerbaarheid van het voorstel en over welke impact
de screening zal hebben op de kennissector. Kennisinstellingen spreken hun zorgen
uit over de doorlooptijden van de screening en de effecten daarvan op hun concurrentiepositie
ten opzichte van buitenlandse kennisinstellingen bij het aantrekken van studenten
en onderzoekers, het ontbreken van een gelijk speelveld internationaal én tussen kennisinstellingen
en bedrijven. Ook zijn er grote zorgen over de eis om sensitieve technologie door
compartimentering te beschermen en te beveiligen. Deze uitdagingen heb ik eerder in
deze brief beschreven. Dit maakt het voor kennisinstellingen lastig om uitvoering
te geven aan het voorstel zoals dit in consultatie is gebracht. Tegelijkertijd onderschrijven
zij het belang van het beschermen van sensitieve kennis en technologieën waar het
gaat om de nationale veiligheid. Het is geen optie om de bestaande risico’s niet te
adresseren.
Bevindingen op proportionaliteit
Ik vind het van groot belang dat de screening een proportioneel instrument is. Ik
streef naar een risicogerichte aanpak en de screening kennisveiligheid moet daarin
passen.
De screening mag niet onnodig zwaar drukken op de uitvoerders, kennisinstellingen
en screeningsplichtigen. Dit kan pas worden beoordeeld als de vragen ten aanzien van
effectiviteit en uitvoerbaarheid zijn beantwoord. Screening is een maatregel die ingrijpt
op de persoonlijke levenssfeer van een individu en moet alleen bij de grootste risico’s
voor de nationale veiligheid worden ingezet. Ik zal daarbij dus scherpe keuzes moeten
maken, in het besef dat risico’s niet 100% af te dekken zijn met de screening. Een
persoonsgerichte screening is bovendien bedoeld als sluitstuk van de bredere aanpak
kennisveiligheid waarbij kennisveiligheidsbeleid binnen instellingen het zwaartepunt
vormt. Dit betekent dat screening alleen daar zou gelden waar risico’s niet via andere
instrumenten, bijvoorbeeld met de Nationale Leidraad Kennisveiligheid en het Loket
Kennisveiligheid, kunnen worden beheerst.
Bij proportionaliteit hoort ook dat de inbreuk die de screening maakt op de persoonlijke
levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens, niet onevenredig mag zijn. Het
door de Autoriteit Persoonsgegevens uitgebrachte advies geeft vertrouwen dat het wetsvoorstel
in dit opzicht een goede balans heeft getroffen.
Proportionaliteit is tot slot een aspect van regeldruk. De ATR wijst er in haar advies
op dat nut en noodzaak van de screening kennisveiligheid op enkele punten in het wetsvoorstel
meer moeten worden onderbouwd, om te kunnen beoordelen of de verwachte regeldruk in
verhouding staat tot het doel van de screening.
Vervolg
Het is van belang om het doel van wat we willen bereiken voor ogen te houden. Voor
onderwijs en wetenschap van wereldklasse is het essentieel dat internationaal kan
worden samengewerkt en dat een open uitwisseling van resultaten, data en onderzoekers
binnen het nationale ecosysteem van kennis en innovatie met het bedrijfsleven mogelijk
is. Tegelijk zijn er geopolitieke verschuivingen gaande en wordt Nederland in toenemende
mate geconfronteerd met statelijke dreigingen. Diverse statelijke actoren stellen
als strategisch doel het verwerven van hoogwaardige kennis en technologie en het beïnvloeden
van onderwijs en wetenschap.11 Niets doen is geen optie.
Daarom werk ik, via de kabinetsbrede aanpak kennisveiligheid en samen met kennisinstellingen
en inlichtingen- en veiligheidsdiensten, aan het versterken van de weerbaarheid van
Nederlands onderzoek en wetenschap. Zelfregulering en bewustwording zijn het fundament
van deze aanpak. Uit de nulmeting naar de ontwikkeling van het beleid bij kennisinstellingen
bleek in 2023 en 2024 al dat zij kennisveiligheid serieus oppakken en het kennisveiligheidsbeleid
volop in ontwikkeling was.12 Het Rijk ondersteunt instellingen daarbij, bijvoorbeeld via het Loket kennisveiligheid,
en werkt samen met het veld aan de doorontwikkeling van het kennisveiligheidsbeleid,
bijvoorbeeld met het gezamenlijk opstellen van uniforme risico-indicatoren.13 In een separate brief die gelijktijdig wordt verzonden informeer ik uw Kamer over
de voortgang op deze onderdelen van mijn aanpak.
De screening kennisveiligheid is het sluitstuk van de brede aanpak kennisveiligheid.
Het heeft tot doel ongewenste overdracht van sensitieve kennis- en technologie via
personen tegen te gaan, om daarmee de grootste risico’s voor de nationale veiligheid
te verkleinen, en tegelijkertijd de openheid van samenwerking in het ecosysteem met
het kennisintensieve bedrijfsleven en internationaal te behouden. Op basis van mijn
bevindingen op het gebied van effectiviteit, uitvoerbaarheid en proportionaliteit
concludeer ik dat de brede screening kennisveiligheid niet haalbaar is. De komende
tijd voer ik daarom een haalbaarheidsanalyse naar een screening kennisveiligheid in
aangepaste, meer beperkte en gerichtere vorm, zodat het kabinet een besluit kan nemen
over het vervolg. Hierbij houd ik rekening met het gelijk speelveld op nationaal en
internationaal niveau. Ik kijk ook naar alternatieven voor screening. Bij de besluitvorming
zal het kabinet ook de verplichtingen betrekken die op grond van internationale sanctieregelgeving
gelden voor het voorkomen van ongewenste kennis- en technologieoverdracht, in het
kader waarvan op dit moment het Verscherpt Toezicht op grond van de Sanctiewet 1977
plaatsvindt. Na de zomer informeer ik uw Kamer over de voortgang van de haalbaarheidsanalyse.
Reactie rapport Aan de poort
Op 24 september jl. heb ik het onderzoeksrapport Aan de poort met uw Kamer gedeeld, met de aankondiging dat een reactie zou volgen.14 Die geef ik bij dezen. In voorbereiding op de uitvoering van de screening kennisveiligheid
heeft het WODC een onderzoek laten uitvoeren naar de wijze waarop kennisinstellingen
documenten controleren van wetenschappers en studenten, zoals paspoorten en cv’s.
Dit is belangrijke informatie voor de inrichting van een eventuele screeningsprocedure.
De controle van identiteitsdocumenten vindt op verschillende momenten in het proces
van toetreding van wetenschappers en studenten tot de instelling plaats. Cv’s en referenties
worden in mindere mate gecontroleerd. Ik heb het rapport onder de aandacht van de
kennisinstellingen gebracht. Ik ga ervan uit dat kennisinstellingen de uitkomsten
van dit rapport gebruiken om hun processen waar nodig te verbeteren.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap