Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 945 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2025
Nr. 8
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 11 juni 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Bij brief van 10 juni 2026 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
De griffier van de commissie, Schukkink
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Welke lessen trekt u uit het feit dat uitgaven op onderdelen moesten worden doorgeschoven
naar 2026 vanwege administratieve, juridische of organisatorische knelpunten?
Antwoord 1
Vooropgesteld staat dat de inzet is om de voorgenomen uitgaven in lijn met de begroting
te realiseren. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de vertragingen samenhangt met
externe factoren, zoals marktomstandigheden, vergunningprocedures en de voortgang
bij projectpartners. Hoewel dergelijke factoren zich in een complexe uitvoeringspraktijk
niet volledig laten uitsluiten, is het belangrijk om hiervan te leren. Daarom worden
regelingen steevast geëvalueerd en worden de lessen die daaruit volgen meegenomen
bij nieuwe regelingen. Waar uitgaven doorgeschoven moesten worden, blijven de middelen
beschikbaar voor uitvoering in 2026.
Vraag 2
Welke concrete maatregelen neemt u om de kwaliteit van begrotingsramingen te verbeteren,
nu op meerdere beleidsterreinen blijkt dat prognoses van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) en subsidie-inschattingen structureel afwijken van de uiteindelijke
realisatie?
Antwoord 2
De kwaliteit van begrotingsramingen heeft voortdurend aandacht. Het klopt dat op enkele
beleidsterreinen verschillen zichtbaar zijn tussen de oorspronkelijke ramingen en
de uiteindelijke realisaties, met name bij instrumenten die sterk afhankelijk zijn
van subsidieaanvragen door derden. Subsidie-uitputting is per definitie moeilijk volledig
voorspelbaar, omdat deze afhankelijk is van marktgedrag, investeringsbereidheid en
externe factoren zoals economische ontwikkelingen. Daarom zijn wij voor een belangrijk
deel aangewezen op de meest recente prognoses van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), die gedurende het jaar worden geactualiseerd op basis van feitelijke
aanvragen en trends. Tegelijkertijd is het niet wenselijk om vooraf structureel lager
te ramen, omdat dit het risico met zich meebrengt dat wij zelf vertraging creëren
in de uitvoering van beleid en investeringsprogramma’s. Een te lage raming kan immers
leiden tot onnodige beperkingen in kasruimte en verplichtingenruimte, terwijl de daadwerkelijke
vraag naar subsidies hoger ligt. Daarom blijven wij uitgaan van de best beschikbare
en meest actuele prognoses van RVO.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.