Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Klimaat en Groene Groei 2025 (Kamerstuk 36945-XXIII-1)
36 945 XXIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Klimaat en Groene Groei 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het Jaarverslag Ministerie van Klimaat
en Groene Groei 2025 (Kamerstuk 36 945 XXIII, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
1
Waarom is het financieel belang van fiscale regelingen voor KGG – geschat op ruim
10,7 miljard euro in 2025 – niet inzichtelijk gemaakt in het jaarverslag?
Antwoord
Fiscale regelingen die betrekking hebben op het beleidsterrein van KGG worden extra-comptabel
vermeld in een tabel in de begroting. Dit betekent dat zij geen onderdeel van de begroting
uitmaken, maar wel ter informatie worden genoemd. In de begroting van 2025 is het
overzicht te vinden in tabel 27.
2
Heeft u inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van fiscale regelingen voor
de beleidsdoelen, specifiek het effect op de klimaatdoelen?
Antwoord
Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst,
verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen
naar bijlage 4 «Fiscale Regelingen» bij de Miljoenennota. Fiscale regelingen worden
geëvalueerd op doeltreffendheid en doelmatigheid, en indien klimaatdoelen onderdeel
zijn van de doelstelling van een regeling worden deze daar dus ook aan getoetst.
3
Welke fiscale klimaatregelingen worden momenteel en in de komende jaren geëvalueerd?
Antwoord
In tabel 4.6.2 van de bijlagen bij de Miljoenennota 2026 wordt een overzicht gegeven
van de geplande evaluaties en onderzoeken m.b.t. fiscale regelingen in de periode
2025–2029. In de komende jaren gaat het om de energiebelasting, klimaatmaatregelen
voor de glastuinbouwsector en de monitoring van de opbrengsten van het afschaffen
van de inputvrijstelling in de energiebelasting voor elektriciteitsopwekking.
4
Bent u van plan in deze evaluatie ook het effect op de klimaat- en circulariteitsdoelen
expliciet mee te wegen?
Antwoord
Voor elk beleidsinstrument wordt een beleidsdoel geformuleerd waaraan wordt getoetst
bij een evaluatie. In het geval dat de beleidsinstrumenten die geëvalueerd worden
doelstellingen hebben op het gebied van klimaat en/of circulariteit zal de evaluatie
het instrument daaraan toetsen.
5
Werkt u aan een tijdspad voor het uitfaseren van deze fossiele regelingen?
Antwoord
Het kabinet blijft, conform het coalitieakkoord, inzetten op uitfasering van fossiele
brandstofsubsidies met focus op een aanpak in Europees verband. Bij het uitfaseren
van fossiele brandstofsubsidies is Europese en internationale samenwerking vaak van
groot belang omdat dit het mogelijk maakt om fossiele brandstofsubsidies af te schaffen
zonder de concurrentiepositie van in Nederland gevestigde bedrijven te verslechteren.
Bovendien liggen sommige subsidies vast in internationale verdragen of Europese afspraken.
Het kabinet geeft jaarlijks via de Miljoenennota transparantie over fossiele subsidies,
inclusief voorgenomen afbouwpaden. Via de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS), zet het kabinet tevens in op internationale uitfasering van, en transparantie over
fossiele brandstofsubsidies. Daarnaast heeft het kabinet, samen met Colombia, recentelijk
in Santa Marta een internationale conferentie georganiseerd over de transitie weg
van fossiele brandstoffen met landen die hier stappen op willen zetten. In Nederland
geeft het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) richting op de afbouw van fossiel en
de opbouw van de hernieuwbare energieketens.
6
Deelt u de eerdere conclusie van de Algemene Rekenkamer dat het niet halen van het
klimaatdoel van 2030 een groot risico is voor de verantwoording van uw ministerie?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer stelt in de eerdere reactie op de begroting 2026 van KGG1 dat de Minister beleidsdoelen naar beneden bijstelt voor bijvoorbeeld wind op zee,
maar ook dat de ontwikkeling van de waterstofmarkt langzamer gaat dan verwacht. Daarom
zijn klimaatuitgaven op de KGG-begroting naar latere jaren geschoven. De Algemene
Rekenkamer concludeert dat dit er toe kan leiden dat de klimaatdoelen uit zicht raken.
De bijstellingen (het naar achter schuiven van middelen) zijn nodig om in de begroting
een realistische weergave te presenteren van uitgaven voor bepaalde beleidsdoelen.
Ramingen in de begroting moeten bovendien goed aansluiten bij de daadwerkelijke uitvoering
van beleid. Financiële verantwoording over hoe de middelen zijn besteed gebeurt op
de voorgeschreven wijze.
Wat betreft de beleidsmatige verantwoordelijkheid van KGG verwachtte het Planbureau
voor de Leefomgeving (PBL) in de KEV 2025 een CO2-reductie van 46,8–54,5% in 2030 t.o.v. 1990. Dat is een verbetering t.o.v. de KEV
2024. Het kabinet blijft inzetten op de uitvoering van maatregelen, het op orde brengen
van de randvoorwaarden en het zetten van logische (vervolg)stappen in de sectoren
om te zorgen dat onze uitstoot blijft dalen. In september publiceert PBL de KEV 2026
waarin ook de maatregelen uit het Coalitieakkoord worden betrokken. Bijsturen op de
korte termijn voor 2030 is echter maar voor een beperkt aantal maatregelen nog kosteneffectief
in de transitie richting 2040, en dat weegt het kabinet mee in de keuzes die het maakt.2 Het kabinet legt in september in de in Klimaat- en energienota verantwoording af
over de uitvoering van het klimaat- en energiebeleid van afgelopen jaar.
7
Hoe verklaart u dat er een onderuitputting is bij de DEI+ regeling terwijl er tegelijkertijd
wordt aangegeven dat er voor meer geld subsidie is aangevraagd dan beschikbaar was
in 2025?
Antwoord
De onderuitputting op de begroting bij de DEI+ regeling komt niet doordat er te weinig
belangstelling is voor de subsidie. Integendeel, afgelopen jaren is vaak voor meer
projecten subsidie aangevraagd dan er budget beschikbaar was. De onderuitputting ontstaat
doordat DEI+-projecten meerdere jaren lopen en betalingen verspreid plaatsvinden.
Dit betreffen projecten die werken aan innovatieve oplossingen. Zulke uitvoering gaat
daarom vaak gepaard met vertragingen, aanpassingen of zelfs het voortijdig beëindigen
van innovatieve projecten. Hierdoor vallen de uitgaven later of lager uit dan oorspronkelijk
geraamd. De afgelopen jaren is dit effect versterkt door onder meer inflatie, netcongestie
en hoge energie-, materiaal- en arbeidskosten.
8
Waarom staat er wel een tabel met fiscale groene subsidies, maar niet een met fiscale
fossiele subsidies?
Antwoord
De omvang en uitsplitsing van fossiele voordelen wordt elk jaar gepubliceerd in bijlage 13
Fossiele Voordelen bij de Miljoenennota. Het overzicht van fiscale groene subsidies
is toegevoegd aan het jaarverslag KGG (onderdeel van bijlage 5 Rijksbreed overzicht
klimaatuitgaven) om ervoor te zorgen dat de Kamer beschikt over een integraal overzicht
van alle subsidies op het klimaatterrein.
9
Overweegt u dit in het volgende jaarverslag aan te passen, zodat er een goed overzicht
ontstaat van fiscale regelingen met effecten op klimaat en groene groei?
Antwoord
Het kabinet is niet voornemens om het overzicht van fossiele voordelen in de bijlage
bij de Miljoenennota ook te publiceren bij het jaarverslag. Het overzicht is reeds
beschikbaar doordat beide bijlagen gepubliceerd worden: het overzicht van groene subsidies
in het jaarverslag van KGG en de begroting van KGG, en het overzicht van fossiele
voordelen bij de Miljoenennota.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier