Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over het Internationale arbitrageprocedure aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36800-XVII-71)
2026D28367 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben
enkele fracties de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de
Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief Internationale
arbitrageprocedure aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 71).
De voorzitter van de commissie,
Den Hollander
Adjunct-griffier van de commissie,
Prenger
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
•
Inbreng D66-fractie
•
Inbreng VVD-fractie
•
Inbreng GroenLinks-PvdA-fractie
•
Inbreng BBB-fractie
•
Inbreng PvdD-fractie
II.
Reactie van de Minister
III.
Volledige agenda
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inbreng leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief en wachten het verdere
verloop van de procedure af. Wel hebben zij nog enkele korte vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat Petrogas zowel de tijdelijke solidariteitsbijdrage
als de verhoging van de cijns aanvecht – maatregelen die de fossiele sector tijdens
een uitzonderlijke energiecrisis een eerlijke bijdrage lieten leveren en waarmee huishoudens
zijn beschermd. Deze leden hechten eraan dat zulke legitieme fiscale keuzes nooit
door de enkele dreiging van arbitrageclaims worden beperkt. Kan de Minister bevestigen
dat het risico op investeringsclaims voor het kabinet op geen enkel moment reden is
of zal zijn om fiscale crisis- of verduurzamingsmaatregelen uit of af te stellen?
Tot slot delen de leden van de D66-fractie de opvatting dat procedures waarin democratisch
vastgesteld beleid wordt aangevochten, zo veel mogelijk openbaar en controleerbaar
zouden moeten zijn. Deze leden waarderen dat het kabinet in deze zaak heeft ingezet
op maximale transparantie, maar constateren dat de uiteindelijke openbaarheid mede
afhangt van de wederpartij en het scheidsgerecht, omdat de UNCITRAL-transparantieregels
niet automatisch op oudere verdragen van toepassing zijn. Deze leden vragen het kabinet
daarom hoe het transparantie structureel borgt op het niveau waar Nederland daar zelf
over beslist.
Inbreng leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief omtrent de door Petrogas
aangespannen internationale arbitrageprocedure. Zij hebben hierbij nog een enkele
vraag.
De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet een overzicht kan geven van alle
lopende arbitrage- en investeringsprocedures die door energiebedrijven tegen Nederland
zijn aangespannen, en indien mogelijk, inclusief de financiële risico’s die daarmee
gemoeid zijn?
Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met afkeuring kennis genomen van het
nieuws dat Petrogas, een Omaans olie- en gasbedrijf dat twee gasvelden in de Nederlandse
Noordzee exploiteert, de Nederlandse staat aanklaagt op basis van investeerder-staatarbitrage
(ISDS) clausules in het investeringsverdrag tussen Nederland en Oman.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de klacht toeziet op de invoering
van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage in december 2022 en het heffen van een
solidariteitsbijdrage over een deel van de winsten van Petrogas in 2022, en de tijdelijke
verhoging van de cijns op basis van de Mijnbouwwet per 1 januari 2023 voor de jaren
2023 en 2024. Gezien de solidariteitsbijdrage een vertaling van een Europese maatregel
is: geldt deze aanklacht van Petrogas specifiek voor Nederland, of wordt deze ook
gedaan tegen andere Europese lidstaten of tegen de Europese Unie?
De leden zien een bredere en zorgwekkende trend in Nederland en Europa van ISDS-zaken
tegen overheden, zoals ook in Duitsland en Denemarken. De Nederlandse staat zelf is
momenteel partij in ten minste twee andere ISDS-zaken, aangespannen door Andraous,
en door ExxonMobil vanwege de sluiting van het Groningse gasveld. Deze leden vragen
het kabinet: zien zij deze trend ook? Zo nee, waarom niet? Betekent dit dat alle fossiele
bedrijven dergelijke claims kunnen maken tegen de Nederlandse staat?
Deze leden wijzen erop dat sluiting van het gasveld en invoering van een solidariteitsbijdrage,
beleidsbeslissingen zijn die de Nederlandse overheid op democratische wijze en in
het algemeen belang heeft genomen. De sluiting van het gasveld is nota bene een beslissing
die door de Tweede Kamer in 2024 met 146 van de 150 zetels is genomen – een ongekend
brede politieke consensus. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie veroordelen stellig
dat dergelijke democratische beslissingen worden aangevochten via internationale arbitrage
en vragen het kabinet hier ook op te reflecteren. Deze leden vragen het kabinet om
te erkennen dat dit soort arbitrages impact hebben op onze mogelijkheden om beleid
te maken, en aan te geven hoe het kabinet voornemens is dit te voorkomen. Kan de Minister
een risicoanalyse delen van waar het Nederlandse klimaatbeleid – of ander beleid in
het algemeen belang – ons vatbaar maakt voor verdere arbitrageprocedures van (fossiele)
bedrijven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen weten hoe groot het financiële risico
is dat Nederland loopt op basis van deze zaak. Denk aan de totale geclaimde bedragen,
de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten, en de budgettaire risico’s bij een eventueel
ongunstige uitspraak. En wat is het totale financiële risico van alle momenteel lopende
ISDS-zaken onder Nederlandse bilaterale investeringsverdragen? En van potentiële zaken?
Kan de Minister een volledig overzicht geven van de financiële en juridische blootstelling
van Nederland onder het netwerk van bilaterale investeringsverdragen? Indien deze
informatie niet beschikbaar is, is het kabinet bereid een onafhankelijk onderzoek
te laten uitvoeren naar alle lopende en potentiële ISDS-claims, de totale geclaimde
bedragen, de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten en de budgettaire risico’s bij
een eventueel ongunstige uitspraak?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat in 2022 toenmalig klimaatminister
Rob Jetten uit het Energy Charter Treaty (ECT) stapte, met als een van de opgegeven redenen dat producenten van fossiele energie
op basis van het verdrag claims neer konden leggen bij overheden als zij worden benadeeld
door klimaatbeleid. Herinnert het kabinet zich dit?
Deze leden vragen het kabinet of zij inziet dat bilaterale investeringsverdragen,
zoals die met Oman, exact dat probleem met zich meebrengen dat voor de toenmalig Minister
van Klimaat de reden was om uit het ECT te stappen. Hoeveel van dit soort verdragen
zijn er nog, die fossiele energiebedrijven in staat stellen om de Nederlandse staat
aan te klagen op basis van maatregelen in het algemeen belang? Wat is het concrete
plan van de Minister om bestaande investeringsverdragen te heronderhandelen? Hoe haalbaar
is dit, gezien dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel
bestaand verdrag op basis hiervan succesvol is heronderhandeld en Nederland ondertussen
grote juridische en financiële risico’s loopt? Indien de Minister dit niet van plan
is, waarom niet? Waarom was het kabinet destijds wel voor het verlaten van het ECT,
maar is het kabinet niet voornemens om iets te doen aan de overige 70 verdragen die
Nederland blootstellen aan precies hetzelfde type claims?
De leden wijzen erop dat eerder dit jaar, in april 2026, maatschappelijke organisaties
SOMO en Both ENDS een routekaart1 hebben gepubliceerd voor de afbouw van ISDS in Nederland. Heeft het kabinet kennisgenomen
van deze routekaart? Is het kabinet bereid de voorgestelde opties, waaronder opzegging,
heronderhandeling en het neutraliseren van sunset-clausules, serieus te beoordelen
en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Inbreng leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de internationale
arbitrageprocedure die Petrogas Exploration & Production LLC tegen het Koninkrijk
der Nederlanden heeft aangespannen. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Deze leden lezen dat Petrogas stelt dat Nederland investeringsbeschermingsrechten
heeft geschonden door de invoering van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage en
de tijdelijke verhoging van de cijns op grond van de Mijnbouwwet. Kan de Minister
aangeven welke financiële risico’s deze procedure mogelijk met zich meebrengt voor
de Nederlandse Staat en op welke wijze de Kamer, binnen de grenzen van vertrouwelijkheid
en procesbelang, hierover wordt geïnformeerd?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast welke bredere gevolgen deze arbitrageprocedure
kan hebben voor het Nederlandse investeringsklimaat, in het bijzonder voor partijen
die investeren in energieproductie, gaswinning op de Noordzee en leveringszekerheid.
Kan de Minister aangeven of het kabinet risico’s ziet dat tijdelijke fiscale maatregelen
achteraf tot juridische procedures leiden die investeerders afschrikken, juist op
terreinen waar Nederland betrouwbare energievoorziening en binnenlandse productie
nodig heeft?
Deze leden lezen dat het kabinet inzet op zo groot mogelijke transparantie in investeerder-staatgeschillen,
met inachtneming van de procespositie van Nederland en vertrouwelijkheidsregels. Kan
de Minister toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd bij belangrijke processtappen,
procedurele besluiten, tussenbeslissingen en de uiteindelijke uitspraak, en daarbij
steeds wordt aangegeven welke stukken wel en niet openbaar kunnen worden gemaakt en
waarom?
Inbreng leden van de PvdD-fractie
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben met grote zorg
kennisgenomen van de brief over de internationale arbitrageprocedure die Petrogas
tegen Nederland heeft aangespannen. Het gaat hier om een procedure waarin een fossiel
bedrijf bezwaar maakt tegen maatregelen die zijn genomen in het kader van de uitvoering
van EU-verordening 2022/1854 inzake een noodinterventie naar aanleiding van de uitzonderlijk
hoge energieprijzen als gevolg van onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden, zoals
de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis van 2022. Het gaat daarbij om de tijdelijke
solidariteitsbijdrage en de tijdelijke verhoging van de cijns, maatregelen die specifiek
gericht waren op buitengewone winsten in de fossiele energiesector. Het is voor deze
leden niet te verantwoorden dat de Staat zich in een investeringsarbitrage moet verdedigen
over democratisch vastgestelde maatregelen, die uitvoering geven aan Europese verplichtingen,
en die juist bedoeld zijn om de lasten van een uitzonderlijke energiecrisis eerlijker
te verdelen.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister uitvoerig in te gaan op de volgende
vragen. Waarom acht het kabinet het aanvaardbaar dat een zaak over belasting- en prijsmaatregelen
van publiek belang niet bij de gewone rechter, maar bij het Permanente Hof van Arbitrage
wordt beslecht? Welke financiële risico’s loopt de Staat in deze procedure, zowel
wat betreft proceskosten als mogelijke schadevergoeding, en welke raming hanteert
het kabinet op dit moment? Uit welke gelden zullen deze proceskosten en eventuele
schadevergoedingen worden betaald, en welk effect heeft dit op andere begrotingsposten?
En hoe beoordeelt de Minister het bredere risico dat fossiele bedrijven via investeringsarbitrage
publieke klimaat- en energiemaatregelen kunnen afremmen of financieel kunnen ontregelen?
Waarom vindt deze arbitrage plaats op basis van de UNCITRALarbitrageregels uit 2010,
zonder automatische toepassing van de UNCITRAL Rules on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration uit 2014? Is onderzocht of de transparantieregels alsnog op deze procedure van toepassing
konden worden verklaard? Kan de Minister toelichten waarom Nederland het Mauritius Convention on Transparency, dat beoogt de transparantieregels ook van toepassing te maken op arbitrageprocedures
onder oudere investeringsverdragen, wel heeft ondertekend maar nog steeds niet heeft
geratificeerd? Welke stappen onderneemt het kabinet om deze ratificatie alsnog te
realiseren?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet blijft inzetten op het heronderhandelen
van bestaande investeringsverdragen aan de hand van het Nederlandse modelverdrag uit
2018. Kan de Minister aangeven welke concrete tijdlijn het kabinet voor ogen heeft
voor deze strategie? Hoe realistisch acht de Minister het om op deze wijze het volledige
Nederlandse verdragennetwerk van ruim 75 verdragen te moderniseren, gelet op het feit
dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel bestaand verdrag
op basis van deze modeltekst is heronderhandeld?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat deze aanpak naar verwachting vele jaren,
zo niet decennia, zal vergen. Ondertussen blijven investeerders gebruikmaken van bestaande
verdragen om claims in te dienen tegen staten, waaronder inmiddels ook tegen Nederland
zelf. Kan de Minister toelichten welke maatregelen het kabinet op korte termijn neemt
om de risico’s van investeerder-staat arbitrage te beperken, zolang heronderhandeling
van verdragen niet tot concrete resultaten heeft geleid?
Voorts vragen deze leden hoe de Minister de effectiviteit van de huidige strategie
beoordeelt, nu de praktijk sinds 2019 nauwelijks vooruitgang laat zien, terwijl de
juridische en financiële risico’s van arbitrage onverminderd voortduren.
De leden van de PvdD-fractie merken daarbij op dat zij ook inhoudelijke bezwaren hebben
tegen het modelverdrag zelf. Hoewel het modelverdrag enkele verbeteringen bevat ten
opzichte van oudere verdragen, blijft het investeerders toegang geven tot investeerder-staat
arbitrage buiten nationale rechtssystemen om. Ook investeringen in fossiele activiteiten
blijven in beginsel beschermd, terwijl verwijzingen naar duurzaamheid, klimaat en
maatschappelijk verantwoord ondernemen grotendeels vrijblijvend en niet afdwingbaar
zijn. Kan de Minister toelichten waarom het kabinet vasthoudt aan een model dat volgens
deze leden de fundamentele problemen van investeringsbescherming en arbitrage niet
wegneemt?
De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast om een toelichting op de ogenschijnlijke
inconsistentie in het kabinetsbeleid. Enerzijds heeft Nederland besloten zich terug
te trekken uit het Energy Charter Treaty (ECT), mede op basis van de beoordeling dat het verdrag, ook in gemoderniseerde vorm,
onvoldoende in lijn is met Nederlandse klimaat- en duurzaamheidsdoelen. Anderzijds
blijft het kabinet vasthouden aan bilaterale verdragen met landen in het mondiale
Zuiden die vergelijkbare arbitragemogelijkheden en investeringsbescherming bevatten.
Kan de Minister uitleggen hoe deze twee lijnen zich tot elkaar verhouden, en waarom
de conclusie ten aanzien van het ECT niet wordt doorgetrokken naar het bredere verdragsnetwerk?
Tenslotte vragen de leden van de PvdD-fractie of de Minister bereid is om de arbitragebepalingen
uit het verdrag tussen Nederland en Oman, waaronder Petrogas deze procedure heeft
aangespannen, te beëindigen of buiten werking te stellen.
II. Reactie van de Minister
III. Volledige agenda
• Brief regering d.d. 18-05-2026 – Internationale arbitrageprocedure aangespannen door
Petrogas. Kamerstuk 36 800 XVII-71.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.