Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden inzake het Jaarverslag Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (Kamerstuk 36945-XVI-1)
36 945 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van
20 mei 2026 inzake het Jaarverslag Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
2025 (Kamerstuk 36 945 XVI, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Op welke punten binnen de VWS-begroting en binnen de niet via de begroting gefinancierde
delen van de zorg was er in 2025 sprake van onderbesteding? Kunt u dit in een tabel
weergeven?
Antwoord 1
Voor de onderuitputting is gekeken naar de standen ten tijde van de begroting 2025
en de stand bij het Jaarverslag 2025. In de stand van de begroting zijn zaken als
loon- en prijsbijstelling niet meegenomen omdat die bij de eerste suppletoire begroting
2025 pas aan de begroting zijn toegevoegd. Het verschil tussen vastgestelde stand
begroting 2025 en stand jaarverslag 2025 bepaalt de onderuitputting en is te zien
in onderstaande tabel. Hierin zijn de posten van € 10 miljoen en groter opgenomen.
Onderuitputting
Bedragen in miljoenen euro
Begrotingsgefinancierde uitgaven
Hogere ontvangsten sport (artikel 6)
– 50,1
Begrotingsreserve stimuleringsregeling wonen (artikel 3)
– 50
Meevaller verhuiskosten RIVM (artikel 9)
– 41,3
Meevaller ontvangsten (artikel 4)
– 35,2
Meevaller apparaatskosten VWS (artikel 10)
– 30,5
Meevaller subsidies (artikel 4)
– 29,6
Hogere ontvangsten SPUK IZA (artikel 3)
– 25,5
Meevaller ZonMw uitvoering project PharmaNL (artikel 2)
– 21,1
Meevaller IOHVV-middelen (artikel 4)
– 19,1
Meevaller opdrachten (artikel 4)
– 16,1
Meevaller ZonMw (artikel 1)
– 16
Bekostiging zorg BES-eilanden (artikel 4)
– 14,3
Hogere ontvangsten betalingsachterstand zorgpremie (artikel 2)
– 12,9
Afrekening bijdragen RIVM 2022 en 2023 (artikel 1)
– 12,3
Ruimte SOV-regeling (artikel 2)
– 11,6
Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (artikel 3)
– 10,5
Premiegefinancierde uitgaven
Kraamzorg (Zvw)
– 12,1
Wijkverpleging (Zvw)
– 252,1
Overig ziekenvervoer (Zvw)
– 18,6
Gehandicaptenzorg Zorg in natura (ZIN) (Wlz)
– 25,8
Langdurige ggz Zorg in natura (ZIN) (Wlz)
– 38,9
Beheerskosten (Wlz)
– 27,0
NB: De sectoren gehandicaptenzorg (ZIN), langdurige ggz (ZIN) en ouderenzorg (PGB)
zijn onderdeel van het Wlz-kader. De negatieve bijstelling op deze sectoren is het
gevolg van een herschikking tussen deze sectoren. Het totale Wlz-kader 2025 in het
jaarverslag 2025 t.o.v. de ontwerpbegroting 2025 is met € 648,2 miljoen naar boven
bijgesteld (zie tabel 7 in het jaarverslag).
Vraag 2
Hoeveel zou het kosten om per centrumgemeente 1 fte voor maatschappelijke opvang &
beschermd wonen aan de loonlijst toe te voegen?
Antwoord 2
Er zijn 44 centrumgemeenten maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Het is lastig
om precies aan te geven wat de kosten zullen zijn van 1 fte extra per centrumgemeente.
Zeker in een krappe arbeidsmarkt zal dit sterk afhangen van de beschikbaarheid van
medewerkers, de inschaling bij de betreffende gemeente en of het een vast dienstverband
of externe inhuur betreft. Ook zijn er additionele interne kosten zoals huisvesting,
ICT, HR en administratie. Op basis van een grove schatting van VWS zouden de totale
kosten per jaar op zo’n 4 miljoen euro uitkomen.
Vraag 3
Hoeveel geld komt er binnen via de inspanningsverplichting om mensen voor de CAK-regelingen
(SOV en OVV) te laten meebetalen aan de ontvangen zorg?
Antwoord 3
Het is maar gedeeltelijk zichtbaar voor het CAK hoeveel geld er binnenkomt via de
inspanningsverplichting voor zorgaanbieders om de zorgkosten te verhalen op de onverzekerde
patiënt. Dit geldt alleen als de declaraties waarbij de onverzekerde patiënt een deel
van de zorgkosten betaalt. Als de onverzekerde patiënt de gehele factuur betaalt dan
is dit niet zichtbaar, want dan wordt er geen declaratie ingediend bij het CAK. Dit
komt regelmatig voor. Met name onverzekerde of onvoldoende verzekerde toeristen betalen
de zorgkosten zelf.
In 2025 hebben zorgaanbieders ten laste van de subsidieregeling medisch noodzakelijke
zorg aan onverzekerden (de SOV) circa € 102 miljoen aan zorgkosten gedeclareerd. Zorgaanbieders
hebben gemeld dat onverzekerde patiënten circa € 0,8 miljoen zelf hebben meebetaald.
In 2025 hebben zorgaanbieders ten laste van de regeling onverzekerbare vreemdelingen
(de OVV) circa € 67 miljoen aan zorgkosten gedeclareerd. Zorgaanbieders hebben gemeld
dat onverzekerbare patiënten circa € 0,7 miljoen zelf hebben meebetaald.
Vraag 4
Wat zouden de financiële gevolgen zijn als de inspanningsverplichting om mensen voor
de CAK-regelingen (SOV en OVV) te laten meebetalen aan de ontvangen zorg zou worden
versoepeld of afgeschaft?
Antwoord 4
Het is niet duidelijk wat de financiële gevolgen zijn als de inspanningsverplichting
om mensen voor de CAK-regelingen (SOV en OVV) te laten meebetalen aan de ontvangen
zorg zou worden versoepeld of afgeschaft. Het is immers maar gedeeltelijk zichtbaar
voor het CAK hoeveel geld er binnenkomt via de inspanningsverplichting voor zorgaanbieders
om de zorgkosten te verhalen op de onverzekerde patiënt. Dit geldt namelijk alleen
voor de declaraties waarbij de onverzekerde patiënt een deel van de zorgkosten betaalt.
Als de onverzekerde patiënt de gehele factuur betaalt dan is dit niet zichtbaar. Dit
komt regelmatig voor. Met name onverzekerde of onvoldoende verzekerde toeristen betalen
de zorgkosten zelf.
Het versoepelen of afschaffen van de inspanningsverplichting om de zorgkosten te verhalen
op de onverzekerde patiënt zou in ieder geval betekenen dat de kosten van de SOV en
OVV met circa € 1,5 miljoen omhooggaan. Dit zal waarschijnlijk veel hoger zijn, omdat
er dan ook minder motivatie is bij zorgaanbieders om de zorgkosten te verhalen op
onverzekerde patiënten die de gehele factuur zelf kunnen betalen.
Vraag 5
Hoeveel zou het kosten om de vergoedingspercentages van de SOV- en de OVV-regeling
gelijk te trekken met de vergoedingspercentages die gelden onder de Zorgverzekeringswet
en (waar relevant) de Wet langdurige zorg?
Antwoord 5
Het is op deze korte termijn niet te berekenen wat het gelijktrekken van de vergoedingspercentages
bij de curatieve en langdurige zorg zal kosten of besparen gegeven ook de doorgaans
hogere kosten van een onverzekerde patiënten door bijkomende problematiek.
Vraag 6
Hoeveel zou het kosten om het pakket dat wordt vergoed vanuit de SOV- en de OVV-regeling
gelijk te trekken met het pakket dat wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet en
de Wet langdurige zorg?
Antwoord 6
De subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) en de regeling
onverzekerbare vreemdelingen (OVV) gaan al uit van het basispakket (minus IVF en genderzorg
bij de OVV). Met betrekking tot de langdurige zorg vergoedt de OVV langdurige zorg
wel (PGB is uitgezonderd) en de SOV niet. Om te berekenen wat het zou kosten om het
pakket dat wordt vergoed vanuit de SOV- en de OVV-regeling gelijk te trekken met het
pakket dat wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg,
zouden potentiële kosten van IVF en genderzorg moeten worden berekend en de potentiële
extra zorgkosten langdurige zorg door een verbreding van de doelgroep. Hierbij moet
worden opgemerkt dat een deel van de onverzekerde «SOV» personen met een langdurige
zorg behoefte wordt verzekerd, waardoor de zorgkosten alsnog ten laste komen van de
Wet langdurige zorg.
Vraag 7
Hoeveel zou het kosten om mondzorg volledig op te nemen in de SOV- en OVV-regeling,
zoals het nu ook is opgenomen in de Zorgverzekeringswet voor minderjarigen?
Antwoord 7
Het is op deze korte termijn niet mogelijk om te berekenen wat het zou kosten om mondzorg
volledig op te nemen in de SOV- en OVV-regeling, zoals het nu ook is opgenomen in
de Zorgverzekeringswet voor minderjarigen. Bij de berekeningen kan niet zomaar worden
uitgegaan van de gemiddelde mondzorgkosten per persoon in Nederland.
Vraag 8
Hoeveel zou het kosten om abortuszorg op te nemen in de SOV- en OVV-regeling?
Antwoord 8
Binnen de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) en de
regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV) wordt alleen zorg vergoed die is opgenomen
in het wettelijk aansprakenpakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige
zorg (Wlz). Abortuszorg valt daar niet onder omdat abortuszorg niet in het aansprakenpakket
van Zvw of Wlz zit.
De inschatting wat het zou kosten om abortuszorg op te nemen in de SOV- en OVV-regeling
zijn niet te maken vanwege het feit dat deze vergoeding een aannemelijke toestroom
van vrouwen uit het buitenland met zich mee zou kunnen brengen.
Vraag 9
Hoeveel zou het kosten om alle onverzekerde kinderen voortaan standaard uit te nodigen
voor het Rijksvaccinatieprogramma?
Antwoord 9
Het Rijksvaccinatieprogramma is er voor alle kinderen tot 18 jaar en zwangere vrouwen
(vanaf 22 weken) die in Nederland wonen, ongeacht of zij een zorgverzekering hebben.
Onverzekerde kinderen komen dus al in aanmerking voor het Rijksvaccinatieprogramma.
Vraag 10
Hoeveel zou het kosten om alle onverzekerde mensen voortaan uit te nodigen voor de
voor hen relevante bevolkingsonderzoeken?
Antwoord 10
Voor uitnodiging en deelname aan de bevolkingsonderzoeken hebben mensen geen zorgverzekering
nodig. De programma’s vallen namelijk onder de publieke gezondheidszorg, en niet onder
de reguliere zorg onder de Zorgverzekeringswet. Dat het hebben van een zorgverzekering
geen vereiste is voor uitnodiging dan wel deelname, betekent niet dat álle onverzekerden
daadwerkelijk worden uitgenodigd dan wel deelnemen aan de bevolkingsonderzoeken. Dat
komt doordat mensen voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker uitgenodigd worden op
basis van de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). Onverzekerden die geregistreerd
staan in het BRP, worden nu al uitgenodigd voor de bevolkingsonderzoeken. In het geval
iemand onverzekerd is én niet in het BRP is opgenomen, wordt diegene momenteel niet
uitgenodigd. Het kabinet kan niet aangeven hoe vaak dit voorkomt. Daarmee kan het
kabinet ook niet aangeven hoeveel het zou kosten om deze mensen voortaan uit te nodigen
voor de voor hen relevante bevolkingsonderzoeken.
Vraag 11
Hoeveel zou het kosten om ongedocumenteerde mensen voortaan toegang te geven tot de
voor hen relevante bevolkingsonderzoeken?
Antwoord 11
Het kabinet kan niet aangeven hoeveel het zou kosten om ongedocumenteerde mensen toegang
te geven bij de voor hen relevante bevolkingsonderzoeken. Eerst zou moeten worden
uitgezocht of het uitvoeringstechnisch überhaupt mogelijk gemaakt kán worden om deze
mensen uit te nodigen. De uitnodigingen voor de bevolkingsonderzoeken verlopen namelijk
via de Basisregistratie Personen (BRP), waarin ongedocumenteerden niet zijn opgenomen.
Uitvoeringsorganisatie Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) heeft geen ander systeem
beschikbaar om mensen actief te benaderen voor deelname aan een bevolkingsonderzoek.
Bovendien is er geen alternatieve registratie van ongedocumenteerden waar BVO NL zich
op zou kunnen baseren.
Vraag 12
Hoeveel zou het kosten om ervoor te zorgen dat de locaties waar de (mobiele) borstonderzoekscentra
de afgelopen jaren zijn verdwenen weer terug te laten keren?
Antwoord 12
Het kabinet kan niet aangeven hoeveel het zou kosten om ervoor te zorgen dat de locaties
waar de mobiele units de afgelopen jaren zijn verdwenen weer terug te laten keren.
Het besluit van BVO NL om de routes van de mobiele units voor het bevolkingsonderzoek
borstkanker te wijzigen, is namelijk geen financiële afweging geweest. Als gevolg
van deze wijziging van routes staan de units soms niet meer op plaatsen waar ze eerder
wel stonden en staan ze vaker langer op één plaats. Concreet betekent dit dat voor
sommige mensen de unit verder weg komt te staan, maar voor sommige anderen komt die
juist weer dichterbij. BVO NL heeft de routes van de units gewijzigd vanwege de grote
arbeidsmarktkrapte waar BVO NL mee te maken heeft. Met deze nieuwe routes kan BVO
NL zo efficiënt mogelijk het bevolkingsonderzoek uitvoeren, en landelijk gezien de
totale doelgroep het best bedienen en ervoor zorgen dat de vertraging in uitnodigingen
zoveel mogelijk beperkt blijft.
Deze vraag sluit overigens aan bij de motie van het lid Dobbe van 3 maart 2026 die
de regering verzoekt om samen met Bevolkingsonderzoek Nederland in kaart te brengen
wat ervoor nodig is om op meer plekken testlocaties te krijgen voor het bevolkingsonderzoek
borstkanker en deze stappen vervolgens te zetten.1 Het kabinet heeft een brief aan de Kamer in voorbereiding over de bevolkingsonderzoeken
naar kanker, die verder ingaat op deze motie. De verwachting is dat deze brief nog
voor het zomerreces wordt verzonden.
Vraag 13
Hoeveel zou het kosten om ervoor te zorgen dat er geen borstonderzoekscentra of locaties
die worden bezocht door de mobiele borstonderzoekscentra meer verdwijnen?
Antwoord 13
Het kabinet kan niet aangeven hoeveel het zou kosten om ervoor te zorgen dat er geen
mobiele units of locaties die worden bezocht door de mobiele units meer verdwijnen.
Het besluit van BVO NL om de routes van de mobiele units voor het bevolkingsonderzoek
borstkanker te wijzigen, is namelijk geen financiële afweging geweest. Dit heeft te
maken met de grote arbeidsmarktkrapte waar BVO NL mee te maken heeft en niet met beperkte
financiële middelen. Bij de planning van de inzet van de units houdt BVO NL rekening
met beschikbaarheid van personeel, het uitnodigingsinterval van de cliënt en de reisafstand
voor deelnemers. Met deze nieuwe routes kan BVO NL zo efficiënt mogelijk het bevolkingsonderzoek
uitvoeren, en landelijk gezien de totale doelgroep het best bedienen en ervoor zorgen
dat de vertraging in uitnodigingen zoveel mogelijk beperkt blijft.
Vraag 14
Bent u op schema met het doel van het halveren van de administartietijd voor zorgmedewerkers?
Antwoord 14
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is afgesproken dat zorgprofessionals
in 2030 nog maximaal 20 procent van hun werktijd aan administratie besteden. De cijfers
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten eind 2025 een lichte daling
zien. Zorgbreed besteedden zorgprofessionals eind 2025 gemiddeld 30,1 procent van
hun werktijd aan administratie. Uit de rapportage van het CBS blijkt ook dat meer
werkgevers activiteiten uitvoeren om de administratietijd te verkorten2.
Het kabinet constateert dat er dus nog een weg te gaan is om de doelstelling van maximaal
20 procent administratietijd in 2030 te behalen. Middels verschillende routes wordt
aan de realisatie van de doelstelling gewerkt: in het AZWA zijn afspraken gemaakt
over het opschalen van doorbraakprojecten en vermindering van regeldruk als gevolg
van machtigingen, verklaringen en (verschillen tussen) inkoop- en verantwoordingseisen.
Ook zetten we in op het opschalen van AI, toepassingen zoals spraakgestuurd rapporteren
en versnelling van implementatie van gegevensuitwisseling. Verder wordt in de Regiegroep
Aanpak Regeldruk gewerkt aan het uitvoeren van de acties in de werkagenda’s van alle
leden, alsmede aan het uitvoeren van het gezamenlijke plan van aanpak.
Dat zorgorganisaties lokaal ontregelen en dat het hierbij regelmatig wél lukt om substantiële
impact te maken en de administratietijd flink te verlagen, is ook te zien aan het
aantal goede voorbeelden. Zo heeft ouderenzorgorganisatie Aafje naar voorbeeld van
Carintreggeland de dubbele medicatiecontrole voor risicovolle medicatie afgeschaft,
wat zonder toename van het aantal fouten resulteerde in 25 minuten tijdswinst per
zorgprofessional per dienst. Ook zette ouderenzorgorganisatie Carinova de afgelopen
jaren grote stappen met bijvoorbeeld het afschaffen van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst
en het stoppen met de dubbele medicatiecontrole. Daarmee realiseerden zij 2 uur regeldrukvermindering
per zorgprofessional per week. Alle goede voorbeelden worden gedeeld op ordz.nl.
Verder kennen acties uit het AZWA en de werkagenda’s van de Regiegroep Aanpak Regeldruk
aanlooptijd voordat de effecten ervan merkbaar worden. Een voorbeeld van een afspraak
die aanlooptijd kent is het verminderen van de regeldruk door machtigingen en aanvullende
verklaringen en verschillen in inkoop- en verantwoordingseisen: er is afgesproken
dat branche- en beroepsverenigingen jaarlijks een lijst van 10 knellende eisen en
machtigingen aanleveren. Doordat er in de loop der jaren steeds meer knellende eisen
en machtigingen zijn behandeld, zou de administratietijd van zorgprofessionals in
de loop van de jaren navenant moeten dalen.
Vraag 15
Hoeveel artsen maatschappij en gezondheid heeft Nederland momenteel? Hoeveel studeren
er naar verwachting dit jaar af?
Antwoord 15
Er zijn volgens het register van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialismen
op peildatum 31 december 2025 682 artsen maatschappij en gezondheid geregistreerd.
Naar verwachting studeren er in 2026 circa 38 nieuwe artsen maatschappij en gezondheid
af.
Vraag 16
Wanneer kan de Kamer nadere informatie verwachten over of de acties rondom het voorkomen
van uithuisplaatsingen, door het stelsel van jeugd- en gezinsbescherming te vereenvoudigen
en te verbeteren, tot minder uithuisplaatsingen geleid hebben?
Antwoord 16
Het toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming heeft als doel de aanpak van huiselijk
geweld en kindermishandeling te verbeteren en overheidsingrijpen waar mogelijk te
voorkomen, door de aanpak gezinsgericht, transparant, eenvoudig, rechtsbeschermend
en lerend te maken. In proeftuinen wordt een andere manier van werken nu al getoetst.
Ieder half jaar wordt de Tweede Kamer over de voortgang geïnformeerd.3 De cijfers en effecten vragen nog een nadere duiding en onderbouwing maar lijken
positief: huishoudens en gezinnen voelen zich in de proeftuinen beter gehoord en geholpen,
en de samenwerking tussen de lokale teams en de veiligheidsorganisaties verloopt beter.
Waar de afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren
in proeftuinen binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam
verankeren van werkzame elementen in de praktijk en om wat beproefd is te verbreden,
verdiepen en op te schalen naar landelijke dekking. Dit is onderdeel van de Veranderstrategie
van het Toekomstscenario. Tijdens het bestuurlijk overleg op 8 juli a.s. zal worden
besloten over de Veranderstrategie met de eerste acties en tijdpad, waarna het kabinet
de Kamer over de uitkomsten zullen informeren.
Vraag 17
Op welke wijze worden deze initiatieven om de beweging tot langer zelfstandig thuis
wonen voor ouderen te ondersteunen gestimuleerd?
Antwoord 17
Het kabinet stimuleert onder meer de bouw van zorggeschikte woningen en geclusterde
woningen met 2 regelingen. De stimuleringsregeling zorggeschikte woningen en de stimuleringsregeling
ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening maakt afspraken met woondealregio’s en gemeenten om (straks via volkshuisvestingsprogramma’s)
de bouw van de woningtypen voor ouderen te stimuleren. Ook gemeenschapsvorming kan
bijdragen aan het langer thuis wonen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de Thuisplusflats
en de Langer Leven thuisflats. Het kabinet is aan het onderzoeken hoe gemeenschapsvorming
in woonvormen kan worden betrokken bij het aanvullend Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg
(HLO).
Vraag 18
Op welke wijze wordt geborgd dat instellingen voldoende in staat zijn om stagiairs
te begeleiden die willen werken in de zorg, aangezien in de rapportage van de Algemene
Rekenkamer is geconcludeerd dat het Stagefonds ondoelmatig en ondoeltreffend is?
Antwoord 18
Het is zorgelijk dat de stagetekorten in de zorg oplopen, want juist in de zorg hebben
we mbo’ers keihard nodig. Het gebrek aan begeleidingscapaciteit is op dit moment het
grootste knelpunt. De arbeidsmarktkrapte in de zorg maakt ook dat de begeleiding onder
druk staat. Dit vraagt om vernieuwende en innovatieve aanpakken. Die zien we op sommige
plekken al, maar lang niet overal. Daarom wil de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd
en Sport op korte termijn met alle partijen zoals onderwijs, werkgevers en OCW om
de tafel. We moeten een doorbraak forceren en samen komen tot nieuwe oplossingen voor
dit probleem. Voldoende financiële middelen zijn hierbij ook belangrijk. Werkgevers
kunnen vanuit VWS een tegemoetkoming krijgen in de (begeleidings-)kosten die zij maken
bij het opleiden van zorgmedewerkers via de subsidie strategisch opleiden zorg en
welzijn (2026) en via het Stagefonds Zorg (tot en met schooljaar 2026–2027). Momenteel
is de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport met partijen aan het kijken naar
hoe beschikbare AZWA middelen voor het versterken van de lerende omgeving buiten het
ziekenhuis per 2027 het beste besteed kunnen worden. De focus ligt hierbij op tekortsectoren.
Oplopend naar 2029 tot en met 2035 gaat het om 185 miljoen per jaar.
Vraag 19
Tot hoeveel extra capaciteit hebben de extra middelen voor opvangplaatsen in de vrouwenopvang
tot dusverre geleid?
Antwoord 19
Per 2026 is 12 miljoen euro voor de uitbreiding van de capaciteit van de vrouwenopvang
beschikbaar gesteld aan gemeenten. Gemeenten en vrouwenopvanginstellingen zetten zich
momenteel in voor de realisatie van extra opvangplaatsen. Gegevens van de brancheorganisatie
vrouwenopvang maken inzichtelijk dat per april 2026 15 extra opvangplaatsen reeds
gerealiseerd en in gebruik zijn en er zijn daarbovenop 57 extra opvangplaatsen in
voorbereiding voor dit jaar. De verwachting is dat er einde 2026 70–75 opvangplekken
gerealiseerd zijn. In 2027 zal vervolgens worden gewerkt aan verdere uitbreiding op
basis van de per 2026 beschikbaar gekomen 12 miljoen euro. Het is van belang te benadrukken
dat deze cijfers met enige voorzichtigheid bekeken moeten worden. Of daadwerkelijke
realisatie van dit aantal opvangplaatsen lukt, is afhankelijk van verschillende factoren,
zoals beschikbaarheid van panden. Gemeenten en opvanginstellingen spannen zich ervoor
in zo snel als mogelijk extra opvangplaatsen te realiseren.
Vraag 20
Hoe verklaart u het dat de totale uitgaven van het Ministerie van VWS in 2025 zijn
uitgekomen op ruim € 34,8 miljard en welke uitgavenposten waren daarbij het grootst?
Antwoord 20
De totale gerealiseerde uitgaven van VWS zijn lager dan vooraf was begroot. Dit komt
onder andere door onderuitputting of beleid dat vertraging heeft opgelopen, waardoor
uitgaven niet in 2025 maar in 2026 zullen plaatsvinden. De grootste uitgavenposten
(vanaf 200 miljoen) in 2025 op de VWS-begroting waren:
Uitgavenposten
2025
Rijksbijdragen
€ 20.500 miljoen
Zorgtoeslag
€ 7.500 miljoen
RIVM
€ 621 miljoen
Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt
€ 508 miljoen
ZonMw
€ 426 miljoen
Pallas
€ 367 miljoen
Bevolkingsonderzoeken
€ 272 miljoen
Zorg op Caribisch Nederland
€ 220 miljoen
Duurzame en toegankelijke sportlocaties
€ 219 miljoen
Vraag 21
Waarom worden zorgreservisten op dit moment niet ingezet, gezien de grote tekorten
aan personeel in de zorg?
Antwoord 21
Het staat iedereen die zorgprofessional is vrij om – ongeacht de situatie – aan de
slag te gaan in de zorg in Nederland en het kabinet nodigt iedereen daartoe van harte
uit.
De inzet van de zorgreservisten die zich aanmeldden bij de Nationale Zorgreserve is
ingericht op tijdelijke oproepbaarheid. Zij stellen zich op basis van vrijwilligheid
beschikbaar. Zij hebben veelal een andere hoofdfunctie of zijn gepensioneerd. Deze
inzet is bovendien aan voorwaarden4 gebonden:
1) Er is sprake van een crisis.
2) Zorgreservisten worden uitsluitend ingezet als last resort.
3) De inzet is tijdelijk.
Hierbij wordt een crisis gedefinieerd als een onvoorziene, acute regionale of landelijke
situatie waardoor het functioneren van het zorgstelsel verstoord raakt en de continuïteit
van zorg in gevaar komt. Deze situatie is op dit moment niet aan de orde.
Vraag 22
Wordt het nieuwe budget voor pandemische paraatheid voldoende geacht om goed voorbereid
te zijn op een nieuwe pandemie?
Antwoord 22
In het kader van de bezuinigingen is bezien wat er echt essentieel is om de kern van
de maatregelen pandemische paraatheid in stand te houden en om de basisnoodzorg te
kunnen borgen. We moeten namelijk in gedachten houden dat de uitdagingen in de bredere
context van de zorg groot zijn en dat we elke euro maar één keer uit kunnen geven.
Het kabinet acht deze middelen voldoende om de belangrijkste onderdelen van de pandemische
paraatheid en de basisnoodzorg in Nederland in stand te houden en verder te versterken.
Vraag 23
Kan nader worden toegelicht waarom het wetsvoorstel verlaging eigen risico en de algemene
maatregel van bestuur (AMvB) tranchering eigen risico zijn aangehouden, terwijl het
eigen risico voor veel Nederlanders een financiële drempel tot zorg blijft vormen?
Antwoord 23
Op 20 maart jl. is de Kamer geïnformeerd over het intrekken van het wetsvoorstel tot
verlaging van het eigen risico.5
Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit tussen mensen die gezond zijn en mensen
die geconfronteerd worden met aandoeningen of beperkingen. Gezonde mensen betalen
mee aan de zorgkosten van burgers die ziek zijn. Mensen met een hoog inkomen betalen
meer dan mensen met een laag inkomen. We betalen veel samen, en als je daadwerkelijk
zorg gebruikt, hoort daar ook een eigen financiële bijdrage bij. Zo houden we de premies
beheersbaar. Die solidariteit is een groot goed en moeten we behouden.
Het eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich sindsdien niet mee ontwikkeld
met de zorgkostenontwikkeling, waardoor de relatieve medefinanciering aan de zorg
door verzekerden evenals het reële remgeldeffect6 structureel zijn afgenomen. Dit kabinet kiest er daarom voor om het verplicht eigen
risico per 2027 weer te indexeren. Hierdoor beweegt het verplicht eigen risico weer
mee met de ontwikkeling van de zorguitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het
verplicht eigen risico komt daarmee volgens huidige inzichten uit op € 395. Daarnaast
kiest het kabinet voor een verhoging van het verplicht eigen risico met € 60. Naar
verwachting komt het eigen risico daardoor in 2027 uit op € 455. Het wetsvoorstel
hiervoor is op 12 mei jl. aan de Kamer aangeboden.7
De maatregelen die het kabinet neemt leiden ertoe dat de zorg toegankelijk blijft,
maar ook dat de zorguitgaven minder hard stijgen. Zo zorgen we ervoor dat gezonde
mensen ook in de toekomst solidair willen blijven met mensen die zorg nodig hebben.
Tegelijkertijd zorgen we ervoor dat mensen die medisch-specialistische zorg nodig
hebben niet in één keer het hele eigen risico kwijt zijn door het eigen risico voor
die zorg te trancheren op maximaal € 150 per behandelprestatie. Het ontwerpbesluit
hiertoe is op 13 mei jl. voor de voorhangprocedure aan de Kamer aangeboden.8
Vraag 24
Hoeveel Nederlanders hebben in 2025 gebruikgemaakt van een verhoogde zorgtoeslag door
de verruiming van de inkomensgrens?
Antwoord 24
De inkomensgrens betreft het maximale bedrag tot waar recht op zorgtoeslag is. Jaarlijks
worden diverse parameters bijgesteld, die bepalend zijn voor de inkomensgrens. Zo
wordt het drempelinkomen in de zorgtoeslag verhoogt met de stijging van het minimumloon.
Daarnaast is de inkomensgrens afhankelijk van de stijging van de (standaard)premie.
Het gebruik van zorgtoeslag is daarnaast afhankelijk van de daadwerkelijke ontwikkeling
van de inkomens van de gebruikers. In 2025 is de inkomensgrens voor alleenstaande
gestegen van € 37.496 in 2024 naar € 39.719. Het gebruik aan zorgtoeslag is in 2025
afgenomen ten opzichte van 2024, wat er op duidt dat de inkomensontwikkeling een groter
effect heeft gehad dan het verhogen van de inkomensgrens door aanpassing van parameters.
Vraag 25
Hoeveel geneesmiddelentekorten zijn er in 2025 geregistreerd en bij hoeveel tekorten
moest gebruik worden gemaakt van import uit het buitenland?
Antwoord 25
Er is niet één definitie van een geneesmiddelentekort. Om deze vraag zo volledig mogelijk
te beantwoorden, wordt in beantwoording van deze vraag de melding van een handelsvergunninghouder
over een verwachte leveringsonderbreking als uitgangspunt genomen. Deze meldingen
kunnen namelijk leiden tot maatregelen waarbij geneesmiddelen uit het buitenland geïmporteerd
worden.
In 2025 heeft het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten 2.763 van deze meldingen
ontvangen.9 Handelsvergunninghouders zijn wettelijk verplicht om een verwachte leveringsonderbreking
uiterlijk twee maanden van tevoren te melden bij het Meldpunt. Dit zijn meldingen
van verwachte leveringsonderbrekingen. Dat betekent dat de leveringsonderbreking niet altijd tot
een daadwerkelijk tekort voor de patiënt hoeft te leiden. In 2025 is voor 253 geneesmiddelen
gebruik gemaakt van import uit het buitenland om de negatieve gevolgen van het tekort
zoveel mogelijk te beperken. Hieronder valt zowel het verlenen van toestemming door
het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) voor een «Tijdelijk Afwijkende
Verpakking»10 (132 keer), als het afgeven van een vrijstelling door de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ) aan fabrikanten, groothandelaren of apotheekhoudenden om een vergelijkbaar
geneesmiddel tijdelijk uit het buitenland in te voeren (121 keer).
Vraag 26
Hoeveel meldingen van dreigende tekorten aan medische hulpmiddelen zijn sinds de Europese
meldplicht van 10 januari 2025 binnengekomen?
Antwoord 26
Sinds 10 januari 2025 zijn fabrikanten verplicht om leveringsonderbrekingen van kritische
medische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. Dat geldt alleen als de leveringsonderbreking
langer dan 60 dagen duurt of als een kortere leveringsonderbreking kan leiden tot
ernstige schade voor patiënten of de publieke gezondheid. In Nederland komen de meldingen
binnen bij het CIBG. Er zijn sinds de Europese meldplicht van 10 januari 2025, 120
meldingen binnengekomen van dergelijke leveringsonderbrekingen. Daar zitten ook meldingen
tussen die gaan over meerdere producten van dezelfde fabrikant.
Daarnaast komen meldingen binnen bij het Nederlandse meldpunt tekorten medische hulpmiddelen
van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland. Dit kunnen ook tekorten van niet-kritische
hulpmiddelen zijn en meldingen van leveringsonderbrekingen die korter dan 60 dagen
duren. Er zijn tussen 1 januari 2025 en 1 april 2026 over 1.112 medische hulpmiddelen
meldingen binnengekomen.
Vraag 27
Hoeveel tijd besteden zorgverleners momenteel gemiddeld aan administratie en ligt
de doelstelling van maximaal twintig procent administratietijd in 2030 nog op koers?
Antwoord 27
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is afgesproken dat zorgprofessionals
in 2030 nog maximaal 20 procent van hun werktijd aan administratie besteden. De cijfers
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten eind 2025 een lichte daling
zien. Zorgbreed besteedden zorgprofessionals eind 2025 gemiddeld 30,1 procent van
hun werktijd aan administratie. Uit de rapportage van het CBS blijkt ook dat meer
werkgevers activiteiten uitvoeren om de administratietijd te verkorten11.
Het kabinet constateert dat er dus nog een weg te gaan is om de doelstelling van maximaal
20 procent administratietijd in 2030 te behalen. Middels verschillende routes wordt
aan de realisatie van de doelstelling gewerkt: in het AZWA zijn afspraken gemaakt
over het opschalen van doorbraakprojecten en vermindering van regeldruk als gevolg
van machtigingen, verklaringen en (verschillen tussen) inkoop- en verantwoordingseisen.
Ook zetten we in op het opschalen van AI, toepassingen zoals spraakgestuurd rapporteren
en versnelling van implementatie van gegevensuitwisseling. Verder wordt in de Regiegroep
Aanpak Regeldruk gewerkt aan het uitvoeren van de acties in de werkagenda’s van alle
leden, alsmede aan het uitvoeren van het gezamenlijke plan van aanpak.
Dat zorgorganisaties lokaal ontregelen en dat het hierbij regelmatig wél lukt om substantiële
impact te maken en de administratietijd flink te verlagen, is ook te zien aan het
aantal goede voorbeelden. Zo heeft ouderenzorgorganisatie Aafje naar voorbeeld van
Carintreggeland de dubbele medicatiecontrole voor risicovolle medicatie afgeschaft,
wat zonder toename van het aantal fouten resulteerde in 25 minuten tijdswinst per
zorgprofessional per dienst. Ook zette ouderenzorgorganisatie Carinova de afgelopen
jaren grote stappen met bijvoorbeeld het afschaffen van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst
en het stoppen met de dubbele medicatiecontrole. Daarmee realiseerden zij 2 uur regeldrukvermindering
per zorgprofessional per week. Alle goede voorbeelden worden gedeeld op ordz.nl.
Verder kennen acties uit het AZWA en de werkagenda’s van de Regiegroep Aanpak Regeldruk
aanlooptijd voordat de effecten ervan merkbaar worden. Een voorbeeld van een afspraak
die aanlooptijd kent is het verminderen van de regeldruk door machtigingen en aanvullende
verklaringen en verschillen in inkoop- en verantwoordingseisen: er is afgesproken
dat branche- en beroepsverenigingen jaarlijks een lijst van 10 knellende eisen en
machtigingen aanleveren. Doordat er in de loop der jaren steeds meer eisen en machtigingen
zijn behandeld, zou de administratietijd van zorgprofessionals in de loop van de jaren
navenant moeten dalen.
Vraag 28
Hoeveel geld is in 2025 uitgegeven aan AI-toepassingen in de zorg en welke concrete
resultaten zijn hiermee bereikt?
Antwoord 28
De inzet van AI-toepassingen in de zorgsector is primair de verantwoordelijkheid van
zorgorganisaties. Het Ministerie van VWS houdt geen cijfers bij van de totale uitgaven
aan AI-toepassingen in het zorgveld. Ook worden er geen exacte resultaten bijgehouden
die direct aan AI-toepassingen zijn toe te bedelen op landelijke schaal. Wel is in
het AZWA afgesproken dat voor 2027, 2028 en 2029 doorbraakmiddelen beschikbaar komen
om onder andere de opschaling van de AI-toepassingen in de zorg te stimuleren. Hierbij
gaat het specifiek om spraakgestuurd rapporteren en capaciteitsplanning. Bij de uitwerking
van de modelplannen wordt bekeken in hoeverre monitoring van de mijlpalen voldoende
geschikt is om de inzet van de middelen ook te evalueren of dat hier nog iets aanvullends
voor nodig is.
Vraag 29
Hoeveel subsidieaanvragen zijn er in totaal ontvangen voor de «Stimuleringsregeling
Technologie in Ondersteuning en Zorg» regeling in 2025 en hoeveel daarvan konden uiteindelijk
worden toegekend?
Antwoord 29
In 2025 zijn er 1.283 STOZ subsidieaanvragen ontvangen. Daarvan zijn er tot op heden
617 toegekend.
Vraag 30
Hoeveel minder zzp’ers werkten er in 2025 in de sector zorg en welzijn ten opzichte
van 2024?
Antwoord 30
Het aantal zzp’ers was in het vierde kwartaal van 2025 128.000. Dat is een daling
van 15.000 personen ten opzichte van het vierde kwartaal 2024.
Vraag 31
Hoeveel meldingen van agressie tegen zorgverleners zijn er in 2025 gedaan en is sprake
van een stijging of daling ten opzichte van eerdere jaren?
Antwoord 31
In de Werknemersenquête van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn,
gaf in kwartaal 4 van 2025 60% van de medewerkers in zorg en welzijn aan dat zij het
afgelopen jaar te maken hebben gehad met agressie op het werk door patiënten of cliënten.
Dit percentage is sinds 2020 nagenoeg gelijk gebleven.
Vraag 32
Hoe wordt het bedrag van bijna € 70 miljoen per jaar voor medische preventie binnen
het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) precies besteed?
Antwoord 32
In het AZWA is afgesproken dat medische preventie wordt ondersteund daar waar het
de zorgvraag voorkomt. In het AZWA is afgesproken om de volgende maatregelen te implementeren:
RSV-immunisatie, gordelroosvaccinatie, inzet AI bevolkingsonderzoek borstkanker, MRI-screening
vrouwen met zeer dicht borstweefsel en een intensivering van de Regeling Aanvullende
Seksuele Gezondheidszorg (ASG). Hier is langjarig € 68 miljoen per jaar voor.
Vraag 33
Welke belangrijke acties van de 445 lopende AZWA-acties lopen nog vertraging op?
Antwoord 33
Het kabinet zet de beweging die is gestart met het Integraal Zorgakkoord (IZA) en
Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) onverminderd voort. Dat doet het kabinet
niet alleen, dat is een gezamenlijke inspanning van de partijen met wie de akkoorden
zijn gesloten. Het kabinet heeft waardering voor de betrokkenheid en toewijding waarmee
deze organisaties bezig zijn de zorg voor ons allemaal te verbeteren. Het is op dit
moment niet te voorzien welke afspraken in de toekomst vertraging oplopen, wel zal
het kabinet samen met partijen nauwgezet de voortgang van de uitvoering volgen. Hierover
zullen we de Tweede Kamer ook over blijven informeren, de laatste rapportage dateert
van april dit jaar (Kamerstuk 31 765, nr. 976).
Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat het uitvoeren van de acties uit
de akkoorden niet hetzelfde is als merkbare verandering in de praktijk in de verschillende
sectoren. Hiervoor zal – zoals eerder aangegeven – aandacht zijn in de later dit jaar
te verschijnen jaarlijkse rapportage (2-meting) van «De beweging van het Integraal
Zorgakkoord» (Kamerstuk 31 765, nr. 976).
Vraag 34
Welke concrete resultaten zijn tot nu toe bereikt met de 178 toegekende transformatieplannen
binnen het Integraal Zorgakkoord (IZA)?
Antwoord 34
Veel projecten zijn pas concreet in uitvoering vanaf 2025. Daardoor zijn er nog weinig
harde cijfers over de impact en effecten op het zorggebruik. De Kamer wordt wel reeds
via voortgangsrapportages en jaarlijkse «monitoring van de beweging» geïnformeerd
over de voortgang van het IZA. In de Kamerbrief van 9 april jl. (Kamerstuk 31 765, nr. 976) is toegelicht dat de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor
te komen.
Vraag 35
Hoeveel kosten zijn tot nu toe gemaakt voor de voorbereiding van het nieuwe zelfstandige
bestuursorgaan (zbo) rondom digitale gezondheidsdata en de European Health Data Space
(EHDS)?
Antwoord 35
Voor de in- en oprichting van het nieuwe zelfstandig bestuursorgaan (zbo) zijn in
2025 geen kosten gemaakt.
Wel is in 2025 gewerkt aan de voorbereiding van het wetsvoorstel Wet op het Gezondheidsinformatiestelsel
(Wet GIS). Dit wetsvoorstel vormt de eerste tranche van de EHDS en regelt de oprichting
van de Gezondheidsdata-autoriteit (GDA), waarin de taken van de Autoriteit voor digitale
gezondheid (ADG) en de Health Data Access Body (HDAB) worden belegd. De eerste wetgevingstranche
is 26 mei 2026 in internetconsultatie gegaan. Daarnaast zijn in het kader van de voorbereiding
van de GDA verkennende gesprekken gevoerd met betrokken partijen. Tenslotte zijn binnen
het HDAB-NL programma voorbereidende activiteiten verricht en daarmee in totaal 3,2
miljoen over 2024 en 2025 aan kosten gemaakt voor het HDAB-deel van de zbo.
Vraag 36
Welke concrete verbeteringen merken ouderen inmiddels van het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg?
Antwoord 36
Het hoofdlijnenakkoord ouderzorg beoogt veranderingen in de ouderenzorg op de middellange
termijn te bereiken. Onder meer de wetswijziging om een nieuw afwegingskader voor
Wlz-zorg met verblijf en de nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis te kunnen introduceren,
zullen enige jaren in beslag nemen.
Op korte termijn zijn/worden ook al een aantal merkbare verbeteringen doorgevoerd,
zoals:
• de gesprekken met ouderen die onder leiding van onder meer de senioren coalitie plaatsvinden
over de toekomst van de ouderenzorg, zodat ze actief betrokken worden bij de ontwikkelingen
in de ouderenzorg;
• de vereenvoudiging van het herindicatieproces bij de verpleeghuiszorg die snel wordt
ingezet;
• de beschikbaarheid van de interventietool ouderenzorg via Vilans, waarbij zorgverleners
op eenvoudige wijze passende werkwijzen kunnen vinden om ouderen te ondersteunen en
verzorgen;
• de veranderingen in de praktijk, thuis en in instellingen. Zo is een belangrijke ontwikkeling
dat steeds meer zorgaanbieders werken volgens de gedachte van reablement waarin ouderen
worden ondersteund in hun zelfstandigheid. Dit draagt bij aan eigen regie en kwaliteit
van leven van ouderen.
Vraag 37
Wat levert het beëindigen van het systeem van herindicaties voor verpleeghuisbewoners
naar verwachting op aan minder administratieve lasten?
Antwoord 37
Met veldpartijen is afgesproken dat we inzetten op vereenvoudiging en versnelling
van het proces van herindicaties in alle sectoren, zowel binnen als buiten het verpleeghuis.
Hiertoe wordt het aanvraagformulier met 2/3 verkort zodat zorgverleners en cliënten
minder informatie bij het CIZ hoeven aan te leveren. Ook wordt duidelijker welke informatie
relevant is door te werken met standaardgegevenssets.
Vraag 38
Hoeveel mensen maakten in 2025 gebruik van casemanagement dementie en hoe ontwikkelt
dit aantal zich?
Antwoord 38
De NZa ontvangt elk kwartaal informatie van Dementienetwerken over gebruik en wachttijden
van casemanagement dementie. In de informatiekaart van oktober 2025 (Informatiekaart wachttijden casemanagement dementie – oktober 2025 – Nederlandse Zorgautoriteit) geeft de NZa aan dat op dat moment 80.588 mensen in zorg waren voor casemanagement
dementie. Dit is in vergelijking met 7 jaar geleden met 30% gestegen (zie figuur 1).
Figuur 1. Data is gecorrigeerd voor netwerken die in de eerste jaren niet hebben aangeleverd.
In schaduw is de statistische onzekerheid getoond. De cijfers onder ieder meetpunt
tonen het aantal netwerken dat werkelijk aangeleverd heeft die peildatum.
Vraag 39
Hoeveel vrijwilligers waren in 2025 actief binnen de palliatieve terminale zorg?
Antwoord 39
In 2025 waren 14.737 opgeleide vrijwilligers actief binnen de palliatieve terminale
zorg, zoals blijkt uit de Registratierapportage 2025 van Vrijwilligers Palliatieve
Terminale Zorg (VPTZ) Nederland en Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN): vptz.nl/vptz-in-cijfers.
Vraag 40
Hoeveel gemeenten hebben inmiddels een woonzorgvisie opgesteld in het kader van het
Nationaal Actieplan Dakloosheid?
Antwoord 40
Op dit moment wordt niet bijgehouden hoeveel gemeenten een woonzorgvisie hebben opgesteld
waarin de opgave voor dakloze mensen is meegenomen. De woonzorgvisie waarover wordt
gesproken in het Nationaal Actieplan Dakloosheid wordt wettelijk verankerd met het
wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting. In het volkshuisvestingsprogramma
nemen gemeenten onder meer informatie op over de verwachte huisvestingsopgave en bijbehorende
zorg- en
ondersteuningsopgave voor de brede groep (dreigend) dakloze mensen. Deze opgave wordt
regionaal afgestemd. De beoogde inwerkingtreding van de wet is 01-07-2026. Na inwerkingtreding
geldt een invoeringstermijn die per koninklijk besluit wordt vastgesteld.
Vraag 41
Hoe wordt de extra € 3,7 miljard voor de Hervormingsagenda Jeugd verdeeld over gemeenten?
Antwoord 41
De totale 3,7 miljard is aan de Algemene Uitkering van het gemeentefonds toegevoegd.
De middelen zijn dus via de reguliere verdeelsystematiek van het gemeentefonds verdeeld
over de gemeenten.
Vraag 42
Welke concrete resultaten zijn in 2025 bereikt om uithuisplaatsingen van kinderen
te voorkomen?
Antwoord 42
Volgens het CBS is het aantal jongeren met een door de rechter opgelegde machtiging
uithuisplaatsing licht gedaald van 9.225 in 2024 naar 9.190 in 2025. Het is momenteel
niet mogelijk om één reden voor deze lichte daling aan te tonen. Maar het kabinet
blijft zich o.a. via de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
inzetten om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk
voorkomen. In de antwoorden op de vragen van Westerveld (PvdA), Synhaeve (D66) over
het onderzoek «Van Inzicht naar uitvoering» van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht
van Het Vergeten Kind12 is daar recent nog uitgebreid op ingegaan. Concrete voorbeelden van resultaten die
hier aan bijdragen zijn: Op 1 januari 2026 is de Wet Verbetering Beschikbaarheid in
werking getreden waaraan gemeenten per 1 januari 2027 moeten voldoen, het kabinet
werkte aan het verbeteren van stevige lokale teams, waarvoor begin 2026 een convenant
is ondertekend, en het kabinet beproefde voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming
samen met de praktijk in verschillende proeftuinen een nieuwe manier van systeem-
en gezinsgericht werken.
Vraag 43
Kunt u aangeven welke aanvullende maatregelen naar aanleiding van het advies van de
Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd in 2025 zijn genomen, en welke daarvan
al aantoonbaar effect hebben gehad op wachttijden, beschikbaarheid of kwaliteit van
jeugdzorg?
Antwoord 43
In haar eerste advies gaf de Deskundigencommissie aan dat de richting van de Hervormingsagenda
goed is, maar dat duidelijkere prioriteiten gesteld moeten worden. Daarom is in 2025
een routekaart opgesteld met de prioriteiten voor de komende periode. Dit zijn de
volgende actielijnen:
1. We faciliteren en ondersteunen een sterke, inclusieve sociaal-pedagogische basis.
2. We creëren stevige lokale teams die zelf hulp bieden
3. We dringen het gebruik van aanvullende jeugdhulp terug.
4. We zorgen voor minder uithuisplaatsingen en minder gesloten jeugdhulp.
5. We verbeteren de kwaliteit van de jeugdzorg.
Van deze aangescherpte acties uit de Hervormingsagenda verwachten we dat ze – in samenhang
– het meest (kunnen) bijdragen aan de transformatie in het jeugddomein. Dit is een
ontwikkeling die tijd vraagt en waarvan de effecten op lange termijn zichtbaar worden.
Om op korte termijn beeld te krijgen van de ontwikkeling op de actielijnen zijn in
de routekaart indicatoren opgesteld. Ook zijn voor een aantal onderwerpen aanvullende
onderzoeken (o.a. uitgavenonderzoek) uitgezet om op kortere termijn beter inzicht
in het stelsel te krijgen.
Daarnaast wordt gewerkt aan een centrale monitor van het jeugdstelsel, waarbij indicatoren
zijn opgesteld rond de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de jeugdzorg
en over de staat van de Nederlandse jeugd. Het CBS werkt op dit moment aan de data-infrastructuur
voor deze monitor en zal in het najaar van 2026 de eerste versie van de monitor lanceren.
Vraag 44
Hoeveel boetes zijn er in 2025 opgelegd voor de verkoop van illegale vapes?
Antwoord 44
Er zijn in 2025 283 boetes opgelegd door de NVWA voor de verkoop van illegale vapes.
Vraag 45
Hoeveel jongeren hebben sinds de start gebruikgemaakt van het platform «In je Bol»?
Antwoord 45
In het eerste jaar waren er 522.000 unieke bezoekers en 25.000 chat en telefonie momenten.
De eerste maanden hiervan waren nog in proeflancering. Pas na 4,5 maand is actief
campagne gevoerd voor naamsbekendheid.
Vraag 46
Hoeveel geld is in 2025 uitgegeven aan campagnes tegen vapen, problematisch alcoholgebruik
en drugsgebruik?
Antwoord 46
In 2025 is aan campagnes tegen vapen, problematisch alcoholgebruik en drugsgebruik,
respectievelijk € 1,8 miljoen, € 3,4 miljoen en € 1,2 miljoen uitgegeven.
Vraag 47
Welke nieuwe vaccinatie is sinds het najaar van 2025 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma
voor baby’s?
Antwoord 47
Sinds het najaar van 2025 is de prik tegen RSV opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma.
Alle baby’s geboren vanaf 1 april 2025 komen tijdens hun eerste RSV-seizoen in aanmerking
voor de RSV-immunisatie. De eerste effecten lijken erg positief, want afgelopen winter
zijn er fors minder baby’s op een kinder-intensive care (PICU) opgenomen door een
RSV-infectie. In het vaccinatiegraadrapport van 2025 zal de immunisatiegraad worden
gepubliceerd.
Vraag 48
Welke maatregelen zijn genomen in wijken waar de vaccinatiegraad achterblijft?
Antwoord 48
In 2025 is een pilot met de G4-gemeenten gestart om de wijkgerichte aanpak te intensiveren
en uit te breiden. Deze aanpak richt zich op een laagdrempelig aanbod van vaccinaties
en voorlichting afgestemd op lokale behoeften in gebieden waar de vaccinatiegraden
achterblijven. De G4-gemeenten geven aan dat de wijkgerichte aanpak werkt. Met maatwerk
gericht op verschillende doelgroepen en samenhangende interventies wordt gebouwd aan
vertrouwen en lijkt een trendbreuk te ontstaan in de daling van de vaccinatiegraden
van het RVP. Een stijging in de opkomst en het aantal gezette vaccinaties in Den Haag13 en Amsterdam14, die al een aantal jaar bezig zijn met de aanpak, stemt hoopvol en is veelbelovend
voor een meerjarige aanpak. Daarom investeert het kabinet in een structurele uitbreiding
van de aanpak naar meer gemeenten.
Vraag 49
Hoeveel sportverenigingen hebben in 2025 gebruikgemaakt van de BOSA-regeling voor
energiebesparende maatregelen?
Antwoord 49
In 2025 hebben 620 unieke sportverenigingen gebruik gemaakt van de BOSA-regeling.
Hierbij zijn in totaal 653 aanvragen toegekend waarmee geld is verstrekt voor energiebesparende
maatregelen.
Vraag 50
Welke resultaten zijn bereikt met de Hitte-aanpak 2025?
Antwoord 50
Dat heeft het kabinet nog niet in beeld. Bij de presentatie van de Hitte aanpak 2025
heeft het kabinet toegezegd te rapporteren over de voortgang van de aanpak in juni
2027.
Vraag 51
Hoeveel zorgverleners hebben gebruikgemaakt van het experiment «Verkennend gesprek»
binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Antwoord 51
De afgelopen jaren is sterk ingezet op de ontwikkeling van mentale gezondheidsnetwerken,
die onder meer verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van het verkennend gesprek.
Recent zijn bij deze netwerken diverse monitors uitgezet om inzicht te krijgen in
hoe vaak de functies van de mentale gezondheidsnetwerken, waaronder het verkennend
gesprek, worden ingezet en welke resultaten dit oplevert. De resultaten van deze monitor
verwachten we rond de zomer van 2026. Deze monitor geeft inzicht in het aantal verkennende
gesprekken. Bij ieder verkennend gesprek sluiten in ieder geval een ggz-professional
en een professional uit het sociaal domein aan. De monitor geeft echter geen inzicht
in het aantal zorgverleners dat gebruikmaakt van het verkennend gesprek.
Vraag 52
Hoeveel gemeenten nemen inmiddels deel aan het ondersteuningsprogramma suïcidepreventie?
Antwoord 52
Het ondersteuningsprogramma suïcidepreventie heeft als doel gemeenten vanuit kennis
te ondersteunen bij hun nieuwe wettelijke taak om suïcidepreventie lokaal en regionaal
vorm te geven. De VNG voert dit ondersteuningsprogramma samen met GGD GHOR Nederland
en Stichting 113 Zelfmoordpreventie uit. Vanuit het ondersteuningsprogramma worden
onder meer ondersteuning (vraagbaakfunctie), kennisdeling en praktijkvoorbeelden gedeeld.
De producten vanuit het ondersteuningsprogramma zijn (online) beschikbaar voor alle
gemeenten, maar het is onbekend hoeveel gemeenten hiervan gebruik maken. Wel is duidelijk
dat aan het landelijk netwerk suïcidepreventie (community) dat vanuit het ondersteuningsprogramma
wordt opgebouwd en gefaciliteerd ruim 300 (beleids)professionals deelnemen van gemeenten
en gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en).
Vraag 53
Op welke datum is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) in werking
getreden?
Antwoord 53
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) is per 1 januari 2025 in
werking getreden.
Vraag 54
Sinds wanneer maakt u adviesaanvragen aan formeel ingestelde adviescolleges en commissies
actief openbaar?
Antwoord 54
Vanaf 1 juli 2025 worden adviesaanvragen aan formeel ingestelde adviescolleges en
-commissies actief openbaar gemaakt door VWS-kern. Adviezen en adviesaanvragen over
individuele gevallen zijn uitgezonderd.
Vraag 55
Wat is het totale bedrag aan onderuitputting op de VWS-begroting in 2025?
Antwoord 55
De totale onderuitputting op de VWS-begroting bedroeg € 363,7 miljoen in 2025. De
tabel met de verdere uitsplitsing kunt u vinden op pagina 43 van het jaarverslag.
Hierin staan de grootste posten weergegeven.
Vraag 56
Waarom viel in 2025 ruim € 40 miljoen vrij dat eerder was gereserveerd voor de verhuizing
van het RIVM?
Antwoord 56
Eind 2025 heeft de Minister van VWS de Kamer geïnformeerd dat de oplevering van het
gebouw meer tijd kost dan aanvankelijk voorzien en dat de verhuizing nu in 2026 is
voorzien. Hierdoor zijn de eerdere toegezegde en overgemaakte middelen ad € 20 miljoen
weer teruggehaald. Omdat er € 20 miljoen euro was gereserveerd op de begroting, en
de dubbele huisvestingskosten teruggeboekt zijn naar de VWS begroting heeft dit geleid
tot het vrijvallen van € 40 miljoen. Dit is echter technisch van aard omdat de dubbele
verhuiskosten in 2026 weer aan de begroting worden toegevoegd.
Vraag 57
Wat was in 2023 het totale verlies aan gezonde levensjaren door voedselinfecties in
Nederland?
Antwoord 57
Het aantal verloren gezonde levensjaren als gevolg van voedselinfecties door ziekteverwekkers
in Nederland is in 2023 geschat op 4.700 DALY’s (Disability Adjusted Life Years).
Dit betreft de DALY’s veroorzaakt door 14 voedseloverdraagbare pathogenen die zijn
toegeschreven aan voedsel. (https://www.rivm.nl/publicaties/disease-burden-of-food-related-pathogen…)
Vraag 58
Kunt u uitsplitsen hoe de cumulatief circa € 3,7 miljard extra middelen voor de jaren
2025–2027 aan het Gemeentefonds concreet worden verdeeld over de verschillende maatregelen
binnen de Hervormingsagenda Jeugd?
Antwoord 58
Bij Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 circa € 3 miljard beschikbaar gesteld
voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds.
In augustus 2025 hebben kabinet en de VNG aanvullend afspraken gemaakt over de compensatie
van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Naar aanleiding daarvan
is aanvullend € 728 miljoen beschikbaar gesteld die gemeenten kunnen inzetten ter
ondersteuning van de transformatie van de Jeugdhulp conform de afspraken in de Hervormingsagenda.
De totale € 3,7 miljard is aan de Algemene Uitkering van het gemeentefonds toegevoegd
voor jeugdzorg en gemeenten. De gelden zijn niet gekoppeld aan specifieke maatregelen
uit de Hervormingsagenda Jeugd. De Algemene Uitkering is vrij te besteden door gemeenten.
Zij kunnen bij de besteding van de middelen een afweging maken die past bij de lokale
situatie.
Vraag 59
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in 2025 daadwerkelijk stappen hebben gezet om
lokale teams te versterken, en hoe wordt gemeten of deze teams kinderen en gezinnen
sneller passende hulp bieden?
Antwoorden 59
In de Meta-analyse startfoto’s HvA Jeugd (VNG april 2024), heeft 52% van de gemeenten
aangegeven voldoende stevige lokale teams te hebben, dan wel dat het merendeel van
de lokale teams voldoende stevig is in lijn met het Richtinggevend kader «toegang,
lokale teams en integrale dienstverlening». 15% van de gemeenten geeft aan dat de
helft van de lokale teams in hun gemeente voldoende stevig is. En 33% van de gemeenten
geeft aan dat (het merendeel van) de lokale teams in hun gemeente nog onvoldoende
stevig is dan wel zijn.
Via de ondersteuningslijn stevige lokale teams van de VNG kunnen gemeenten via werkpakketten,
advies en coaching door transformatiecoaches worden geholpen om te komen tot een meer
stevig lokaal team. Inmiddels zijn 125 gemeenten geholpen door de ondersteuningslijn
van de VNG (vanaf de start van de ondersteuningslijn in het voorjaar van 2024 tot
en met 2025).
In de Hervormingsagenda zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van het inzicht
in jeugdstelsel. Zo wordt gewerkt aan een centrale monitor van het jeugdstelsel, waarbij
indicatoren zijn opgesteld rond de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van
de jeugdzorg en over de staat van de Nederlandse jeugd. Het CBS werkt op dit moment
aan de data-infrastructuur voor deze monitor en zal in het najaar van 2026 de eerste
versie van de monitor lanceren.
Vraag 60
Kunt u toelichten hoe u uw verantwoordelijkheid voor het monitoren en evalueren van
de werking van het jeugdstelsel invult, en welke indicatoren daarbij leidend zijn?
Antwoord 60
In de Hervormingsagenda zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van het inzicht
in jeugdstelsel. Zo wordt gewerkt aan een centrale monitor van het jeugdstelsel, waarbij
indicatoren zijn opgesteld rond de toegankelijkheid (bijv. relatief jeugdhulpgebruik),
kwaliteit (bijv. herhaald beroep) en betaalbaarheid van de jeugdzorg en over de staat
van de Nederlandse jeugd. Het CBS werkt op dit moment aan de data-infrastructuur voor
deze monitor en zal in het najaar van 2026 de eerste versie van de monitor lanceren.
Daarbij wordt ook gewerkt aan het verbeteren van de beschikbaarheid en kwaliteit van
data.
Daarnaast zijn in de Routekaart van de Hervormingsagenda indicatoren vastgesteld om
inzicht te krijgen in hoe de hoofdbewegingen van de Hervormingsagenda zich ontwikkelen.
En als laatste worden en zijn voor een aantal onderwerpen aanvullende onderzoeken
(o.a. uitgavenonderzoek) uitgezet om op kortere termijn beter inzicht in het stelsel
te krijgen.
Vraag 61
Kunt u toelichten hoeveel jongeren in 2024 en 2025 in gesloten jeugdhulp verbleven,
zodat zichtbaar wordt in welk tempo wordt toegewerkt naar «zo dichtbij mogelijk nul
gesloten plaatsingen in 2030»?
Antwoord 61
Jaar
Aantal plaatsingen gesloten jeugdhulp
Aantal unieke jongeren
2021
1.182
1.034
2022
988
841
2023
893
768
2024
711
654
2025
656
569
Bovenstaande tabel toont het aantal plaatsingen per jaar en het aantal geplaatste
jongeren.15 Jongeren kunnen meerdere keren per jaar geplaatst worden, daarom is het aantal plaatsingen
hoger dan het aantal geplaatste jongeren.
Vraag 62
Kunt u aangeven of alle instellingen voor gesloten jeugdhulp inmiddels daadwerkelijk
werken met groepsgroottes van maximaal zes jeugdigen, en wat wordt gedaan bij instellingen
die hier nog niet aan voldoen?
Antwoord 62
Alle instellingen zijn erop ingericht om kleinschalig te werken met groepen van maximaal
zes jeugdigen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt hier, op basis van de veldnormen,
toezicht op. Daarnaast doen instellingen in het kader van gezamenlijk ontwikkelen,
leren en verbeteren, onderlinge visitaties om elkaar te toetsen op deze veldnormen.
Vraag 63
Kunt u concreet maken welke alternatieven voor gesloten jeugdhulp in 2025 zijn uitgebreid,
in welke regio’s dat is gebeurd en hoeveel extra plekken of trajecten dit heeft opgeleverd?
Antwoord 63
Elke jeugdregio moet een passend zorglandschap inrichten. Wat er nodig is qua uitbreiding
of versterking van zorg om een alternatief te bieden voor gesloten jeugdhulp verschilt
per jeugdregio. Zo zijn er in de ene regio tiny houses bij een gezinshuis gebouwd
terwijl een andere regio ervoor kiest om een kleinschalige woonvoorziening in te richten.
Het kabinet werkt aan de inrichting van een monitor om structureel zicht te krijgen
op de ontwikkelingen van de transformatie in de verschillende landsdelen.
Vraag 64
Kunt u toelichten wanneer de landelijk uniforme productstructuur voor specialistische
jeugdzorg volledig operationeel moet zijn, en op welke wijze deze daadwerkelijk gaat
leiden tot minder administratieve lasten?
Antwoord 64
Op dit moment zijn experts van onder meer gemeenten, jeugdzorgaanbieders en het Rijk
bezig met het inrichten van deze landelijk uniforme productstructuur. Deze voeren
we stap voor stap in. Een landelijk uniforme productstructuur leidt tot gestandaardiseerde
registratie-eisen aan jeugdzorgaanbieders en jeugdzorgprofessionals. Hierdoor neemt
de variatie in eisen af en daarmee ook de administratieve lasten. Het volledige effect
zal bereikt zijn als deze standaarden zijn vastgelegd in wet- en regelgeving en in
de softwaresystemen. Dit zal zo snel mogelijk, maar na 2029 zijn.
Vraag 65
Kunt u aangeven welke informatie over specialistische jeugdhulp straks beter beschikbaar
komt door de nieuwe productstructuur, en of daarmee ook beter zichtbaar wordt waar
wachttijden, tekorten en regionale verschillen ontstaan?
Antwoord 65
De nieuwe productstructuur gaat leiden tot eensluidende informatie over geleverde
zorg. Anders dan nu is er dan één landelijk productenboek. Daardoor ontstaat er inzicht
in aantallen en kosten per jeugdzorgcategorie, per regio en per aanbieder. Ook wordt
het mogelijk om wacht- en doorlooptijden eensluidend te meten en onderling te vergelijken.
Het volledige effect zal bereikt zijn als deze standaarden zijn vastgelegd in wet-
en regelgeving en in de softwaresystemen.
Vraag 66
Kunt u aangeven hoeveel uithuisplaatsingen in 2025 hebben plaatsgevonden, hoe dit
zich verhoudt tot voorgaande jaren, en of de ingezette vereenvoudiging van het stelsel
van jeugd- en gezinsbescherming al tot meetbare daling heeft geleid?
Antwoord 66
Volgens het CBS is het aantal jongeren met een door de rechter opgelegde machtiging
uithuisplaatsing licht gedaald van 9.225 in 2024 naar 9.190 in 2025. We zien elk jaar
een vergelijkbare lichte daling. Het CBS geeft geen verklaring voor deze daling.
Vraag 67
Kunt u toelichten in welke regio’s het werkpakket Werken aan veiligheid in 2025 is
toegepast en welke concrete verbeteringen dit heeft opgeleverd voor kinderen in onveilige
thuissituaties?
Antwoord 67
De leidraad Werken aan Veiligheid is in 2019 ontwikkeld als hulpmiddel waarmee gemeenten
kunnen bepalen of ze voldoende invulling geven aan hun wettelijke taken en verantwoordelijkheden
op het gebied van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties of ontwikkelingsbedreiging
van minderjarigen. Het werkpakket helpt om sneller, beter en samenhangender in te
grijpen bij onveilige situaties, met als doel dat kinderen veilig opgroeien en gezinnen
duurzaam herstellen. In 2022 is het document geactualiseerd op basis van de uitgangspunten
van het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de Hervormingsagenda. Omdat
de leidraad een hulpmiddel is, is er geen landelijk beeld welke regio’s het werkpakket
Werken aan Veiligheid toepassen.
Vraag 68
Hoeveel procent van de personele uitgaven is in 2025 besteed aan externe inhuur en
hoe verhoudt dit zich tot de Roemer-norm?
Antwoord 68
In 2025 bedroegen de totale uitgaven aan eigen personeel € 988,6 miljoen, waarvan
€ 189,7 miljoen uitgaven aan externe inhuur. Dit resulteert in een inhuurpercentage
van 19,2%. Hiermee is de roemernorm (10,0%) overschreden met 9,2 procentpunt.
Vraag 69
Hoe hoog waren de totale netto zorguitgaven in 2025 voor beschermd wonen die betaald
zijn vanuit de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg en Wet maatschappelijke ondersteuning
2015?
Antwoord 69
Een onderdeel van de Wmo 2015 is Beschermd Wonen. De Wlz bevat geen Beschermd Wonen,
maar wel leveringsvormen met verblijf voor ggz-cliënten. De Zvw kent geen Beschermd
Wonen.
De omvang van de integratie uitkering Beschermd Wonen is circa € 1,8 miljard.16 In de Wlz is gekeken naar de kosten van ggz-wonen met de leveringsvorm verblijf.
In 2025 waren deze uitgaven aan ggz-wonen (zzp met verblijf voor de groepen ggz-w
en ggz-b) afgerond € 2,0 miljard.17
Vraag 70
Hoeveel onderbesteding was er in 2025 in de wijkverpleging? Ging het hierbij om € 252,1
miljoen of om € 430,6 miljoen?
Antwoord 70
In 2025 bedroeg bij de wijkverpleging de onderbesteding ten opzichte van het afgesproken
IZA-kader € 430,6 miljoen.
De genoemde neerwaartse bijstelling van € 252,1 miljoen is de som van alle mutaties
ten opzichte van de stand in de Ontwerpbegroting 2025. In het jaarverslag wordt namelijk
voor alle Zvw-sectoren (waaronder de wijkverpleging) een vergelijking gemaakt tussen
de uitgaven 2025 ten tijde van ontwerpbegroting en de uitgaven 2025 ten tijde van
het jaarverslag.
Het verschil van € 178,5 miljoen is de loonprijsbijstelling. Deze zat nog niet in
de stand van de ontwerpbegroting 2025, omdat de loonprijsbijstelling namelijk pas
bij de 1e suppletoire begroting is toegevoegd aan de stand van de ontwerpbegroting.
Terwijl het IZA-kader dat relevant is voor het bepalen van de onderbesteding altijd
inclusief de loonprijsbijstelling is.
Vraag 71
Met welk bedrag is de gemiddelde nominale premie in 2025 gestegen ten opzichte van
de oorspronkelijke raming?
Antwoord 71
De nominale premie voor 2025 is in de ontwerpbegroting 2025 geraamd op € 1.868 per
jaar. De zorgverzekeraars hebben hun nominale premie gemiddeld € 8 hoger vastgesteld
op € 1.876 per jaar.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier