Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 945 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2025
Nr. 8
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 10 juni 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en van Werk en Participatie. Bij brief van 8 juni 2026 ze door de Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Werk en Participatie beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Morrin
Vraag 1
Wat was in Nederland in 2025 de gemiddelde loonwig? En wat was de loonwig in de andere
EU-lidstaten?
Antwoord 1
De totale loonwig in 2025 in Nederland is volgens de OESO 35,9%. Daarmee zitten we
erg dicht op het OESO-gemiddelde van 35,1%. De meeste EU-lidstaten kennen een hogere
loonwig.
Met de loonwig wordt het verschil bedoeld tussen de loonkosten voor de werkgever en
het nettoloon dat de werknemer ontvangt. Het verschil ontstaat doordat de werkgever
over de loonsom premies sociale zekerheid moet afdragen en daarnaast inhoudingen moet
doen op het brutoloon voor de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid en inkomstenbelasting.
Dit is dus afhankelijk van de hoogte van het inkomen en type huishouden.
Volgens het recente rapport van de OESO «Taxing Wages»1, kent Nederland de volgende loonwiggen:
Huishouden
Inkomen (% gemiddeld loon)
Wig
Eenpersoons
67
27,5%
100
35,9%
167
42,2%
Eenpersoon met 2 kinderen
67
2,5%
Stel met 2 kinderen
100–0
28,5%
100–67
28,1%
100–100
32,2%
Stel zonder kinderen
100–67
32,6%
Vraag 2
Wat is in 2025 de werkelijke gemiddelde leeftijd waarop mensen met pensioen gaan in
Nederland? Hoe heeft dit zich de afgelopen 25 jaar ontwikkeld?
Antwoord 2
In 2025 was de werkelijke gemiddelde leeftijd waarop mensen in Nederland met pensioen
zijn gegaan 66 jaar en 4 maanden. In onderstaande grafiek is zichtbaar hoe zich dit
de afgelopen 25 jaar heeft ontwikkeld.2
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Vraag 3
Wat is de Nederlandse werkgelegenheidsgraad in de leeftijdscategorie 67 jaar en ouder?
Antwoord 3
In 2025 bedroeg de netto arbeidsparticipatie van mensen op de AOW-leeftijd3 of ouder 9 procent4. De netto arbeidsparticipatie betreft het aandeel werkenden in de bevolking, in dit
geval voor de mensen op de AOW-leeftijd of ouder.
Vraag 4
Kunt u in een grafiek het aantal Nederlanders met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitdrukken sinds 2010? Met 2010 = 100?
Antwoord 4
De grafiek hieronder geeft het aantal uitkeringsontvangers aan van de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(AO) sinds 2010 (met 2010 = 100). De volumes zijn volgens de definitie van het CBS
en hebben betrekking op de WAO, WAZ, WIA, Wajong en ZW. De volumes betreffen het aantal
uitkeringen aan het eind van het kalenderjaar.
Grafiek: het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen sinds 2010 (2010 = 100)
Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 28-05-2026.
Vraag 5
Hoeveel Nederlanders ontvangen een sociale uitkering en/of toeslag?
Antwoord 5
Volgens de meest recente definitieve cijfers (november 2025) ontvangen 5.120.110 personen
een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW), Bijstandsgerelateerde wet
(Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz), arbeidsongeschiktheidswet (WAO, WIA, WAZ, Wajong,
Wet Wajong 2015) of de Algemene ouderdomswet (AOW) (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 28-05-2026).
Toeslagen worden toegekend op huishoudensniveau, waarbij in 2025 circa 6 miljoen huishoudens
één of meer toeslagen ontvingen (Bron: Dienst Toeslagen, aantallen en bedragen, geraadpleegd op 28-05-2026). Cijfers over toeslagen zijn niet beschikbaar op persoonsniveau.
Vraag 6
Wat zijn de apparaatskosten van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
in 2025? Hoeveel hiervan is kosten voor personeel? Hoe hebben beide aantallen zich
ontwikkeld?
Antwoord 6
De totale apparaatskosten van UWV bedroegen netto € 2.662 miljoen, waarvan het aandeel
personeelskosten € 2.196 miljoen betrof in 2025. Ten opzichte van 2024 betekent dat
een stijging van € 51 miljoen van de totale apparaatskosten van UWV. Voor het aandeel
personeelskosten betekent dit een stijging van € 32 miljoen in 2025 ten opzichte van
2024 (bron: UWV, jaarverslag 2025, pagina 102).
Vraag 7
Hoeveel dossiers behandelde UWV in 2025?
Antwoord 7
Elke maand ondersteunt UWV bijna 1,3 miljoen mensen. De overzichten van lopende, nieuwe
en beëindigde uitkeringen per wet, zoals weergegeven op pagina 8 van het jaarverslag,
geven een benadering van het aantal dossiers dat UWV in 2025 behandelde. UWV rapporteert
hiernaast uitgebreid in het jaarverslag over verschillende typen andersoortige dossiers,
onder meer gerelateerd aan herstel- en corrigeeracties.
Vraag 8
Wat zijn de gemiddelde premiekosten voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(WIA) per werknemer in loondienst aan zowel de werkgevers- als de werknemerskant?
Antwoord 8
Een compleet antwoord op deze vraag is niet te geven. De WIA bestaat uit twee regelingen:
de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en de Inkomensvoorziening Volledig
Arbeidsongeschikten (IVA). Deze regelingen worden op een andere manier gefinancierd.
IVA-uitkeringen en een deel van de WGA-uitkeringen worden betaald uit het arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof). De Aof-premie was in 2025 voor kleine werkgevers 6,28% en voor (middel)grote
werkgevers 7,64%. Vanuit het Aof worden ook andere zaken betaald zoals Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO)-uitkeringen en Wet arbeid en zorg (Wazo)-uitkeringen. De Aof-premie hoeft niet
lastendekkend te worden vastgesteld. Hierdoor is het niet mogelijk om de Aof-premie
uit te splitsen in een tarief per regeling of een tarief voor de WIA.
Het resterende deel van de WGA-uitkeringen wordt gefinancierd uit de werkhervattingskas
(Whk) en door eigenrisicodragers. De Whk-premie is gedifferentieerd naar de grootte
van de werkgever. Het zogenoemde «gemiddelde WGA Whk-premiepercentage» van 2025 is
0,83%. Dat percentage wordt alleen door grote (en deels middelgrote) werkgevers betaald.
De kleine (en deels middelgrote) werkgevers betalen een sectorale premie. Er zijn
69 verschillende sectoren.
Eigenrisicodragers zijn financieel zelf verantwoordelijk voor de toegekende WGA-uitkeringen,
maar zij kunnen het financiële risico wel verzekeren bij een private verzekeraar.
De gemiddelde WGA-kosten bij eigenrisicodragers zijn niet bekend, net zomin als de
gemiddelde private premie.
Een werkgever mag maximaal de helft van de betaalde WGA-premie doorbelasten aan de
werknemer. Het is niet bekend hoeveel werkgevers dit doen en voor welk deel. Het is
daardoor niet mogelijk om uitspraken te doen over de werknemerskant.
Vraag 9
Hoe lang ontvangen mensen gemiddeld een WIA-uitkering, uitgesplitst op type uitkering?
Antwoord 9
In de beantwoording is gekeken naar hoe lang mensen gemiddeld een WIA-uitkering hebben
ontvangen op het moment dat UWV de uitkering heeft beëindigd. De berekende cijfers
zijn gebaseerd op beëindigingen (oftewel de uitstroom) in 2024. Dit is het meest recente
(volledige) jaar waarvan het Ministerie van SZW gegevens beschikbaar heeft.
Mensen die in 2024 uit de WIA zijn gestroomd hebben gemiddeld 6 jaar en 3 maanden
een WIA-uitkering ontvangen. Uitgesplitst naar type uitkering is de gemiddelde duur
dat mensen een WIA-uitkering ontvangen als volgt:
• Mensen van wie hun IVA-uitkering in 2024 is beëindigd, hebben gemiddeld 6 jaar en
9 maanden een WIA-uitkering ontvangen.
• Mensen van wie hun WGA-uitkering in 2024 is beëindigd, hebben gemiddeld 5 jaar en
10 maanden een WIA-uitkering ontvangen.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat het type uitkering dat mensen ontvangen tussentijds
kan veranderen. Dit omdat het mogelijk is om van de WGA naar de IVA door te stromen
of omgekeerd, al komt dat laatste slechts beperkt voor.
De verwachting is dat de gemiddelde duur in de toekomst hoger zal liggen omdat de
WIA sinds de introductie in 2006 nog een ingroeiende regeling is. De maximale duur
op dit moment betreft 20 jaar, deze zal uiteindelijk toenemen tot circa 45 jaar.
Vraag 10
Wat zijn de demografische gegevens van het WIA-bestand? Graag uitgesplitst naar leeftijd,
man, vrouw, migratieachtergrond, beroepsachtergrond.
Antwoord 10
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op de groep mensen die op 30 juni 2025
een WIA-uitkering ontvangen. Dit is het meest recente peilmoment waarvan het Ministerie
van SZW gegevens beschikbaar heeft. De aantallen zijn naar leeftijd en geslacht uitgesplitst
in onderstaande tabel. Migratieachtergrond en beroepsachtergrond worden voor de WIA-uitkering
niet geregistreerd en zijn niet bij UWV en het Ministerie van SZW beschikbaar.
Tabel: Samenstelling van de WIA-populatie naar leeftijd en geslacht (peildatum 30 juni
2025).
Mannen
Vrouwen
Totaal
t/m 24 jaar
738
1.171
1.909
25 t/m 34 jaar
9.947
21.764
31.711
35 t/m 44 jaar
27.316
50.603
77.919
45 t/m 54 jaar
48.233
67.683
115.916
55 t/m 59 jaar
38.223
45.268
83.491
60 t/m 64 jaar
52.415
56.114
108.529
65 jaar en ouder
24.653
23.624
48.277
Totaal
201.525
266.227
467.752
Vraag 11
Hoeveel mensen zitten er in 2025 langer dan één jaar in de Werkloosheidswet (WW)?
Wat zijn de demografische gegevens van dit smaldeel van het WW-bestand? Graag uitgesplitst
naar leeftijd, man, vrouw, migratieachtergrond, beroepsachtergrond.
Antwoord 11
In 2025 zijn circa 47.000 WW-gerechtigden de grens van 12 maanden WW-uitkering gepasseerd.
Hieronder zijn de demografische gegevens van deze groep weergegeven. Gegevens over
de beroepsachtergrond kunnen niet binnen deze termijn geleverd worden. Gegevens over
de migratieachtergrond van deze populatie worden niet geregistreerd.
Tabel: Leeftijdsverdeling
< 34 jaar
3%
35 – 44 jaar
23%
45 – 54 jaar
28%
55 – 64 jaar
35%
65 – 67 jaar
11%
Bron: UWV
Tabel: Geslacht
Man
54%
Vrouw
46%
Bron: UWV
Vraag 12
Wat doet de regering aan het toezicht op UWV als uitvoeringsorganisatie met onderscheid
productiviteit kwaliteit en complexiteit?
Antwoord 12
Op grond van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en
de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet zbo’s) houdt het ministerie toezicht
op de zbo’s, waaronder UWV. Daartoe is onder meer een planning- en controlcyclus en
een gesprekscyclus ingericht. Een belangrijk aandachtspunt is of UWV de afgesproken
dienstverlening (begeleiden naar werk, verstrekkingen van uitkeringen) op tijd levert.
Naast de productie is van belang dat de dienstverlening de kwaliteit heeft die burgers
en bedrijven mogen verwachten. Bij met name de WIA was dat gedurende enkele jaren
niet het geval. Met het programma Kwaliteit op orde wordt het kwaliteitsmanagementsysteem
UWV-breed stapsgewijs verbeterd. Complexiteit van wet- en regelgeving is een van de
oorzaken die zowel de productie als de kwaliteit van dienstverlening onder druk zet.
UWV en SZW werken samen aan een vereenvoudigingsagenda om hier stappen in te zetten.
Mede naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer naar fouten in de
WIA is een reeks maatregelen aangekondigd om het toezicht op UWV te verbeteren. Op
korte termijn wordt u geïnformeerd over de voortgang van deze maatregelen.
Vraag 13
Wat is het verschil in aanpak ten aanzien van de WIA nu het een toprisico is van het
ministerie en op de hoogrisicolijst staat van de Algemene Rekenkamer? Wat betekent
dit voor de algemene aanpak van de WIA-problematiek?
Antwoord 13
Er is al vaak aangegeven dat er fors ingegrepen moet worden in het WIA-stelsel. Op
korte termijn werkt UWV aan een organisatie- en cultuurverandering. UWV heeft daartoe
de «Ontwikkelagenda sociaal-medische dienstverlening» opgesteld, waarvan de eerste
acties inmiddels lopen. Voor de middellange termijn heeft het kabinet maatregelen
aangekondigd in het coalitieakkoord. Het gaat om drie maatregelen die volgen uit het
«doenpakket» van het eind 2025 verschenen Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar
de WIA. Ten eerste gaan UWV en SZW aan de slag om verdergaande taakdelegatie en taakherschikking
zo snel mogelijk in te voeren. Ten tweede scherpen we het proces rond het aanvragen
en afhandelen van herbeoordelingen aan. Tot slot beoogt het kabinet het duurzaamheidscriterium
in de WIA vanaf 2030 af te schaffen, waarmee het onderscheid tussen de WGA en de IVA
verdwijnt. Het kabinet gaat hierover graag in gesprek met de polder. Voor de lange
termijn werkt het kabinet aan een toekomstvisie voor het arbeidsongeschiktheidsstelsel.
Vraag 14
Wat doet de regering aan de vereenvoudiging van wet en regelgeving in 2026? Wat is
de agenda in het vereenvoudigen van wet en regelgeving in 2026 en verder?
Antwoord 14
Het kabinet werkt via de Hervormingsagenda inkomensondersteuning aan vereenvoudiging
en hervorming van de sociale zekerheid. De Hervormingsagenda bevat een Routekaart
richting 2035 en schetst jaarlijks de voortgang van 35 trajecten. Deze trajecten dragen
alle bij aan een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuning waarin
(meer) werken loont. Momenteel liggen de wetsvoorstellen proactieve dienstverlening
en handhaving sociale zekerheid in uw Kamer ter behandeling. Daarnaast wordt in 2026
het ontwerpwetsvoorstel voor het nieuwe financieringsstelsel van kinderopvang voor
advies aangeboden aan de Raad van State. Ook zullen in 2026 naar verwachting de wetsvoorstellen
over het regionale loket naar werk en over verbreding van de banenafspraak aan uw
Kamer worden aangeboden. In de Hervormingsagenda staat het volledige overzicht van
voorbereidingen die in 2026 worden getroffen om ook wetsvoorstellen in de volgende
jaren aan uw Kamer aan te bieden, bijvoorbeeld over de nieuwe kindregeling, de WIA
en de modernisering van het vorderingenbeleid. Voor het zomerreces biedt het kabinet
uw Kamer een voortgangsbrief aan over de Hervormingsagenda.
Vraag 15
Waarom lukt het de regering opnieuw niet om beschikbare middelen tijdig bij mensen
en ondernemers te krijgen, terwijl bij regelingen als de Stimuleringsregeling Leren
en Ontwikkelen in Bedrijven (SLIM) en Tijdelijke Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid
en Eerder Uittreden (MDIEU) tientallen miljoenen blijven liggen door vertragingen
in beoordelingen en lagere voorschotverzoeken?
Antwoord 15
Zoals aangegeven in de Slotwet was er € 23,4 miljoen onderuitputting op het kasbudget
en € 10,3 miljoen op het verplichtingenbudget in 2025. Van de € 23,4 miljoen lagere
uitgaven dan begroot, komt circa € 6 miljoen door Slim Scholen en circa € 17 miljoen
door Slim MKB. De lagere uitgaven aan Slim in 2025 komen doordat een deel van de aanvragen
van eind 2025 in 2026 zijn beschikt. Ook is een deel van het budget, ruim € 3 miljoen,
van Slim Scholen onverwacht niet aangevraagd door ondernemers.
Aan Slim MKB is minder uitgegeven, omdat de hoeveelheid betalingen benodigd voor vaststellingen
en voorschotten te hoog ingeschat bleek te zijn. Dit komt doordat op voorhand de looptijd
van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk exact te voorspellen
zijn. Zo is de termijn voor het indienen van de vaststelling van een subsidie voor
het MKB 22 weken, waardoor het op voorhand lastig te voorspellen is wanneer SZW het
verzoek krijgt en kan vaststellen en uitbetalen.
Daarnaast was er € 6 miljoen onderuitputting op het kasbudget en € 14,5 miljoen op
het verplichtingenbudget in 2025 van MDIEU. Deze onderuitputting vloeit voort uit
het gegeven dat subsidieontvangers in hun projecten minder geld hebben uitgegeven
dan dat zij in hun subsidieaanvraag hadden begroot. Dit heeft geleid tot bijstelling
van de subsidies en de uitbetaling van lagere voorschotbedragen. Inmiddels is de tijdelijke
MDIEU-regeling op 31 december 2025 beëindigd. Alle MDIEU-projecten bij sectoren en
bij individuele bedrijven hadden op dat moment hun einddatum en zullen einddeclaraties
indienen.
Vraag 16
Hoe kan het dat er € 53,1 miljoen minder is uitgegeven aan kinderopvang dan geraamd,
terwijl gewone werkende gezinnen juist iedere maand worstelen met hoge kosten voor
kinderopvang?
Antwoord 16
In de begroting is een raming gemaakt van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag, op
basis van onder andere het verwachte gebruik van kinderopvang en de uurprijzen. De
realisatie kan om verschillende redenen afwijken van de begroting, bijvoorbeeld als
meer of minder kinderen naar de opvang gaan, het gemiddelde urengebruik per kind hoger
of lager uitvalt of als kinderopvangorganisaties hogere of lagere uurtarieven hanteren
dan verwacht. De kosten die een individueel gezin maakt zijn afhankelijk van het individuele
toetsingsinkomen, het type opvang waar een gezin gebruik van maakt, het aantal dagen
en uren opvang en de uurprijs van de kinderopvang.
In 2025 zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag verhoogd voor huishoudens
met een inkomen tussen de circa € 29.400 en € 159.200 (loonpeil 2025). Zij ontvingen
een vergoedingspercentage in de eerste kindtabel dat maximaal 8,7 procentpunt hoger
lag dan in 2024, waardoor kinderopvang voor deze ouders beter betaalbaar werd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
C.E. Morrin, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.