Brief regering : Nazending Geannoteerde Agenda juni 2026
21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken
Nr. 2197
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
Hierbij zend ik u een nazending op de geannoteerde agenda van de vergaderingen van
de Eurogroep en Ecofinraad van 11 en 12 juni, zoals al aangekondigd bij de verzending
van de betreffende geannoteerde agenda.
De reden voor deze nazending is dat het zogenoemde «lentepakket» van de Europese Commissie
in het kader van het Europees Semester, dat op 3 juni jl. is gepubliceerd. Gelet op
de gedeelde beleidsverantwoordelijkheid voor het Europees Semester stuur ik u deze
nazending mede namens de Ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Tevens informeer ik u hiermee dat het tabaksbelastingpakket niet meer op de agenda
staat van de Econfin op 12.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Nazending Geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 11 en 12 juni 2026 – Lentepakket
Europese Commissie
Ecofinraad
Agendapunt: Lentepakket Europees Semester 2026 – overkoepelende mededeling
Document: alle documenten van het lentepakket zijn beschikbaar op de website van de Europese
Commissie: https://reforms-investments.ec.europa.eu/publications-0/2026-european-s…
Aard bespreking: presentatie
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
Op 3 juni jl. heeft de Europese Commissie (de Commissie) het lentepakket in het kader
van het Europees Semester gepubliceerd. Het Europees Semester is het jaarlijkse proces
waarin EU-lidstaten hun economisch, arbeidsmarkt- en begrotingsbeleid coördineren.
De oorsprong hiervan ligt in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU), in bijzonder artikel 121(2), 126(3) en 148(4), en de afspraken die daarin
zijn gemaakt over het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid. Zo is afgesproken
dat de lidstaten hun economisch beleid als aangelegenheid van gemeenschappelijk belang
beschouwen en het coördineren in de Raad en dat de lidstaten buitensporige tekorten
vermijden. Ook is afgesproken dat de lidstaten door middel van hun werkgelegenheidsbeleid
bijdragen aan het bereiken van de bevordering van scholing, opleiding en het aanpassingsvermogen
van werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen.
Deze afspraken over het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid hebben als
doel om bij te dragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Unie, zoals die
zijn opgenomen in artikel 3 VWEU.
Het Semester combineert het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden, overheidsfinanciën,
arbeidsmarktbeleid en het bevorderen van inclusieve economische groei in de EU. Dit
lentepakket valt binnen de 2026 Semestercyclus en volgt op het herfstpakket dat is
gepubliceerd in november 2025, waarover de Kamer destijds is geïnformeerd.1
Hieronder volgt een overzicht van de overkoepelende mededeling bij het lentepakket.
De verschillende specifieke onderdelen van het lentepakket die leiden tot besluitvorming
in de Raad worden in aparte bijdragen in deze geannoteerde agenda uiteengezet.
Overkoepelende mededeling
De Commissie heeft als onderdeel van het lentepakket een overkoepelende mededeling
gepubliceerd waarin zij ingaat op de doelen van het pakket en de bredere context waarin
het pakket moet worden bezien. In de overkoepelende mededeling zet de Commissie de
economische situatie van de EU uiteen. Centraal staat dat de EU het concurrentievermogen,
de strategische autonomie en economische- en sociale weerbaarheid moet versterken.
De economische situatie wordt gekenmerkt door vergaande geopolitieke onzekerheid,
aanhoudende mondiale spanningen, verhoogde veiligheidsrisico's en de gevolgen van
klimaatverandering. Daarnaast hebben de volatiliteit van energieprijzen en stijgende
handelstarieven invloed op de kosten van levensonderhoud, zetten ze toeleveringsketens
onder druk en verhogen ze operationele kosten.
Het lentepakket van 2026 draagt, via de coördinatie van het macro-economische beleid
van de lidstaten, bij aan het versterken van concurrentievermogen, strategische autonomie
en weerbaarheid van de EU, met inachtneming van de houdbaarheid van overheidsfinanciën.
De Commissie heeft in de context van het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK)
het voorstel gedaan om het Europees Semester te verbinden met de Nationale en Regionale
Partnerschapsplannen. In dit kader biedt het lentepakket, met de daarin voorgestelde
landspecifieke aanbevelingen, een analytische basis om hervorming- en investeringsbehoeften
op een breed scala aan beleidsterreinen te identificeren en te prioriteren. De Commissie
benadrukt in de mededeling dat bij dit lentepakket een sterke nadruk is gelegd op
het beoordelen van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke
aanbevelingen van het lentepakket van 2025.2
In de mededeling identificeert de Commissie diverse thematische dimensies die de belangrijkste
beleidsuitdagingen vormen waaruit de voorstellen voor landspecifieke aanbevelingen
volgen, te weten: het reageren op externe dreigingen ten aanzien van energie en defensie,
het waarborgen van macro-economische stabiliteit, het makkelijker kunnen inzetten
van spaargelden naar productieve investeringen, het dichten van de innovatiekloof,
het leveren van eenvoudige, hoogkwalitatieve en digitale overheidsdiensten, het optimaal
benutten van de interne markt, het versnellen van een betaalbare transitie naar schone
energie en decarbonisatie, het bevorderen van vaardigheden, onderwijs en kwaliteitsbanen,
het bevorderen van sociale rechtvaardigheid, het vergroten van het aanbod en de betaalbaarheid
van woningen en territoriale cohesie. Deze thema's worden in de horizontale mededeling
van de Commissie nader toegelicht.
Tenslotte gaat de Commissie in op het gebruik van de nationale ontsnappingsclausule.
Zie hiervoor een aparte paragraaf in deze nazending op de geannoteerde agenda.
Het kabinet kan zich vinden in de nadruk die de Commissie met dit lentepakket legt
op het belang van hervormingen en investeringen om het concurrentievermogen van de
EU te versterken, de strategische autonomie te waarborgen en de weerbaarheid te vergroten,
met inachtneming van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het lentepakket wijst
menselijk kapitaal aan als een drijver van concurrentievermogen, met voortaan landspecifieke
aanbevelingen voor alle lidstaten om de toenemende tekorten aan arbeidskrachten en
vaardigheden aan te pakken. Mede door de aanhoudende oorlog in Iran die de prijzen
blijft beïnvloeden voorziet de Commissie grote banenverliezen, bijvoorbeeld in sectoren
zoals de bouw, metaal, chemie en transport. Tegelijkertijd kunnen bedrijven niet genoeg
gekwalificeerd personeel vinden. Het kabinet verwelkomt dit verhoogd ambitieniveau
op menselijk kapitaal. De door de Commissie aangehaalde thematische dimensies bieden
een nuttige analytische basis voor de identificatie en prioritering van uitdagingen
voor verschillende lidstaten. Het kabinet acht het doorvoeren van hervormingen door
lidstaten, onder andere in het kader van het Semester, van belang voor de productiviteit,
concurrentiekracht, financiële stabiliteit en weerbaarheid van de EU.
Lentepakket Europees Semester 2026 – Landspecifieke aanbevelingen
Document: alle documenten van het lentepakket zijn beschikbaar op de website van de Europese
Commissie: https://reforms-investments.ec.europa.eu/publications-0/2026-european-s…
Aard bespreking: presentatie
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
In de Ecofinraad zal een presentatie worden gegeven over het lentepakket, waaronder
over de Commissievoorstellen voor landspecifieke aanbevelingen van de Raad. De Commissie
doet haar voorstellen voor de landspecifieke aanbevelingen op basis van de aanbeveling
van de Raad over het economische beleid van de eurozone3, de economische analyse in de landenrapporten voor de individuele lidstaten en de
door lidstaten ingediende voortgangsrapportages in het kader van het Stabiliteits-
en Groeipact.
De Commissie heeft haar voorstellen voor de landspecifieke aanbevelingen van de Raad
aan de lidstaten dit jaar onderverdeeld in 7 delen:
1. Een aanbeveling over het begrotingsbeleid, inclusief fiscale en structurele hervormingen,
waar relevant.
2. Een aanbeveling over de woningmarkt
3. Een aanbeveling over het gebruik van EU-instrumenten.
4. Aanbevelingen over innovatie en obstakels voor investeringen.
5. Aanbevelingen over energieverbruik, netcongestie en stikstof.
6. Aanbevelingen over de arbeidsmarkt, vaardigheden en onderwijs.
7. Aanbevelingen over territoriale cohesie.
Het kabinet hecht waarde aan het Europees Semester en de landspecifieke aanbevelingen,
omdat de Raad de lidstaten hiermee wijst op belangrijke mogelijkheden om hun financieel-economische
beleid te versterken en zo ook het functioneren en stabiliteit van de Economische
en Monetaire Unie te versterken. De huidige geopolitieke ontwikkelingen hebben het
belang voor Nederland van een financieel-economisch sterke Unie nog verder vergroot.
Vanzelfsprekend hoort daar ook bij dat we in Nederland, als onderdeel van de EU, blijven
werken aan ons duurzame groeipotentieel en het versterken van onze financieel-economische
stabiliteit.
Het kabinet hecht aan het behouden van de focus van het Semester op economisch, begrotings-
en werkgelegenheidsbeleid. Dit is met de voorliggende landspecifieke aanbevelingen
voldoende het geval. De landspecifieke aanbevelingen die de Commissie voorstelt zijn
in de ogen van het kabinet gebaseerd op een grondige analyse in de landenrapporten
die de Commissie opstelde en aanbevelingen van de Raad voor het economische beleid
van de eurozone. Hierbij hecht het kabinet eraan dat de landspecifieke aanbevelingen
de lidstaten een voldoende mate van beleidsvrijheid geven om deze te adresseren. Voldoende
beleidsvrijheid is van belang voor nationaal draagvlak, eigenaarschap en uitvoerbaarheid.
In de volgende sectie worden de door de Commissie voorgestelde landspecifieke aanbevelingen
voor Nederland beschreven en wordt een toelichting gegeven van het kabinetsbeleid
dat relevant is voor de voorgestelde aanbevelingen.
1.1 Zorg ervoor dat netto uitgaven in lijn zijn met het uitgavenpad dat is aangenomen
in de Raadsaanbeveling op [datum] 2026.4 Versterk de defensie-uitgaven en -gereedheid en zorg tegelijkertijd voor efficiënte
uitgaven en pas de begroting geleidelijk aan voor houdbare structureel hogere defensie-uitgaven.
Zorg ervoor dat maatregelen om de impact van de stijgende energieprijzen te beperken
tijdelijk zijn, gericht op de bescherming van kwetsbare huishoudens of energie-intensieve
bedrijven, behoud prikkels voor energiebesparing, en zorg ervoor dat de budgettaire
kosten ervan verenigbaar zijn met de aanbevolen uitgavenpaden.
Het kabinet heeft op 14 april 2026 een budgettair structureel plan voor de middellange
termijn (Fiscal Structural Plan, FSP) ingediend bij de Commissie. In dit plan komt de door het Centraal Planbureau
geraamde uitgavengroei gedurende de budgettaire aanpassingsperiode overeen met de
maximaal toegestane uitgavengroei op basis van het zogenaamde debt sustainability (DSA)-model van de Commissie en onderliggende aangepaste technische informatie.
Het kabinet onderschrijft het belang van begrotingsdiscipline. Het kabinet voert trendmatig
begrotingsbeleid, waarbij aan het begin van de kabinetsperiode afspraken worden gemaakt
over wat in één jaar maximaal mag worden uitgegeven (het uitgavenkader) en hoe hoog
de beleidsmatige aanpassing van de belastingen en de premies per jaar is (het inkomstenkader).5 Dit betekent dat er gedurende de kabinetsperiode niet (aanvullend) hoeft te worden
bezuinigd in de vorm van een lagere uitgaven(groei) of het verhogen van de lasten
als het economisch tij tegenzit, tenzij dit betekent dat de Europese grenswaarden
niet voldoende in acht worden genomen.
Het kabinet investeert structureel in defensie. Hiermee groeien de Nederlandse NAVO-uitgaven
naar 2,8% van het bbp in 2030 en 3,5% bbp in 2035.
Op 20 april 2026 heeft het kabinet een Kamerbrief naar het parlement verstuurd met
daarin verschillende scenario’s en beleidsmaatregelen.6 Het kabinet neemt concrete stappen op drie thema’s: (1) verduurzaming versnellen,
(2) onafhankelijkheid van olie en gas uit het buitenland vergroten, en (3) het gericht
steunen van kwetsbare burgers en bedrijven. Het pakket aan maatregelen sluit aan bij
de huidige situatie en is budgettair gedekt. Het kabinet heeft goed gekeken of deze
maatregelen tijdig, tijdelijk en toegepast zijn. De uiteindelijke economische gevolgen
van de situatie in het Midden-Oosten hangen af van de duur en de omvang van het conflict.
Het kabinet moet rekening houden met scenario’s waarin de situatie verder verslechtert.
In zwaardere scenario’s kan aanvullende actie nodig zijn en dan wil het kabinet kunnen
klaarstaan, zonder dat het een gegeven is dat direct tot deze maatregelen wordt overgegaan.
Hier is de Kamer eerder over geïnformeerd.7 Zoals hierboven vermeld hangen de economische gevolgen van de situatie in het Midden-Oosten
hangen van de duur en de omvang van het conflict. In de budgettaire gegevens uit de
Voorjaarsnota 2026 is nog geen rekening gehouden met deze potentiële effecten.
1.2. Breng de belastingheffing op de verschillende soorten inkomsten uit vermogen
op één lijn, inclusief een geleidelijke uitfasering van de hypotheekrenteaftrek.
De Commissie oordeelt net als vorig jaar dat bepaalde vermogenstypen door belastingvoordelen
anders worden behandeld, met gevolgen voor de toewijzing van kapitaal en economische
beslissingen. De Commissie doelt hier met name op de preferentiële fiscale behandeling
van verschillende typen vermogen, waaronder eigen woningbezit (hypotheekrenteaftrek
en lage eigenwoningforfait), regelingen voor pensioenopbouw, ondernemingsvermogen
(box 2) en beleggingen/sparen (box 3).
Het kabinet onderstreept het belang van rust op de woningmarkt en het betaalbaar houden
van het eigen huis. Daarom is in het coalitieakkoord opgenomen dat de huidige regeling
rond hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait ongewijzigd blijven.
In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die
voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is
per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd en de bijbehorende schijfgrens. In 2023 is de
Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd.
Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. De
Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf
in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht het kabinet een goed
beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Daarnaast is het maximum
pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en is in het coalitieakkoord
afgesproken dat dit maximum ook voor de komende zes jaren geldt. Daardoor wordt de
fiscale ondersteuning voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt en zorgt dit
voor meer evenwicht in het belasten van vermogen. Tenslotte werkt het kabinet aan
het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3. Met het wetsvoorstel
Wet werkelijk rendement box 3 wordt gestreefd naar vergroting van de rechtvaardigheid,
neutraliteit en houdbaarheid van het fiscale stelsel. Dit wetsvoorstel ligt thans
voor ter behandeling bij de Eerste Kamer. Ten aanzien van het investeringsklimaat
voor innovatieve ondernemingen werkt het kabinet aan een aanpassing van de huidige
fiscale definitie van start-ups. Daarnaast wordt de invoering van een mogelijkheid
tot achterwaartse verliesverrekening (carry-back) overwogen. De voorgestelde regeling
voorziet reeds in een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening, maar introductie
van een carry-back zou de systematiek verder symmetrisch maken. De beoogde inwerkingtredingsdatum
van de wet is 2028.
1.3 Neem en implementeer maatregelen om barrières voor nieuwbouw weg door het versimpelen
van planning- en vergunningenprocedures. Ondersteun de ontwikkeling van een betaalbare
private huurmarkt, onder meer door het herijken van gereguleerde huur.
Het kabinet zet zich in voor het sneller, efficiënter en goedkoper realiseren van
woningen. De adviesgroep8 STOER heeft voorstellen gedaan ten aanzien van regels voor ruimtelijke inhoudelijke
beoordelingsregels en procedurele regels voor woningbouw. Het kabinet werkt nu aan
de implementatie van de voorstellen opgenomen in kabinetsreactie STOER. Het wetsvoorstel
Versterking regie volkshuisvesting9 bevat meerdere elementen die bijdragen aan de versnelling van processen en procedures
en de verlaging van administratieve lasten. Ook draagt de wet bij aan het doel jaarlijks
100.000 woningen te bouwen, waarvan twee-derde betaalbaar. Om dit doel te behalen
heeft het kabinet een Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. In september 2026
zal het kabinet haar actieplan presenteren. In de Kamerbrief Eerste resultaten taskforce
versnelling woningbouw10 meldt het kabinet al concrete stappen. Daarnaast zet het Programma Innovatie en Opschaling
Woningbouw in op innovatieve werkwijzen om de woningbouwopgave te versnellen, betaalbaarder
en duurzamer te maken.
Ten opzichte van voorgaande jaren is er een toevoeging in de aanbeveling om meer grond
beschikbaar te maken voor woningbouw. Het kabinet zet in op een combinatie van effectiever
gebruik van al bebouwd land, het beter benutten van de bestaande voorraad en van woningbouw
buiten bestaand stedelijk gebied. Het kabinet onderschrijft daarom de aanbeveling
om waar nodig grond via een bestemmingswijziging beschikbaar te maken voor woningbouw.
Het kabinet ziet als aandachtspunt bij de aanbeveling dat sommige Europese regelgeving
is gericht op het ontmoedigen van verstedelijking op nog onbebouwde grond.
De Wet betaalbare huur heeft ten doel het verbeteren van betaalbaarheid van woningen
in de bestaande huurvoorraad. Met die wet is de bestaande huurprijsbescherming uitgebreid
tot huurwoningen in het middensegment, waar nu ook maximale huurprijzen gelden. Een
bijwerking van de Wet is dat de balans tussen betaalbaarheid voor huurders en investeringsbereidheid
van verhuurders, nu uitslaat naar de investeringsbereidheid. Dit kan negatieve gevolgen
hebben voor de beschikbaarheid van huurwoningen. Om die balans te verbeteren heeft
het kabinet aangekondigd gerichte aanpassingen te doen aan de huurregulering.11
1.4 Adreseer de verwachte toename van leeftijdsgerelateerde uitgaven in het stelsel
van langdurige zorg, door het systeem kosteneffectiever te maken.
Het kabinet erkent dat er op termijn financiële uitdagingen zijn in de langdurige
zorg. Daarom heeft het kabinet samen met 15 andere organisaties die betrokken zijn
bij de ondersteuning en zorg van ouderen in 2025 afspraken gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO). In dit akkoord zet het kabinet zich in samen met veldpartijen om
de tekorten op de arbeidsmarkt in de langdurige zorg aan te pakken en de financiële
houdbaarheid van leeftijdsgerelateerde uitgaven te waarborgen. Daarnaast start het
kabinet een verkenning om zorgwetten beter op elkaar te laten aansluiten. In het tweede
kwartaal van 2026 is het kabinet ook voornemens om een staatscommissie in te stellen
over hoe het zorgstelstel in Nederland toekomstbestendig en weerbaar kan worden gemaakt
waarbij expliciet rekening wordt gehouden met de zorg en ondersteuning voor ouderen.
Er worden door het kabinet aanvullende afspraken gemaakt met de drie sectoren uit
de Wet langdurige zorg (ouderenzorg, gehandicaptenzorg, ggz-wonen). Voor de ouderenzorg
zal er een addendum op hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO) komen.12 Deze afspraken beperken de jaarlijkse uitgavengroei tot en met 2031.
2. Zorg voor een voortzetting van hervormingen en investeringen die gedaan zijn onder
het Herstel en Veerkracht plan (HVP). Behoud het momentum van implementeren van cohesieprogramma’s,
waar passend voortbouwend op de herschikking naar strategische prioriteiten in de
tussentijdse evaluatie en gebruikmakend van de flexibiliteit binnen het cohesiebeleidskader
tot het einde van de programmeringsperiode.
Het kabinet onderkent het belang van hervormingen voor een veerkrachtige economie.
In het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) worden een aantal belangrijke
hervormingen doorgevoerd, op het o.a. de arbeidsmarkt, woningmarkt en klimaat- en
energiegebied. De beoogde effecten van deze hervormingen zullen op termijn zichtbaarder
worden. Daarom is continuïteit van deze hervormingen belangrijk, met inachtneming
van veranderende omstandigheden.
Het kabinet zet zich in om het bedrijfsleven en kennisinstellingen optimaal te laten
profiteren van de mogelijkheden die Europese fondsen bieden. De implementatie van
de cohesieprogramma’s verloopt goed en het merendeel van het beschikbare budget is
reeds aan projecten toegewezen. Naar verwachting zijn de cohesieprogramma’s volgend
jaar volledig benut. Hoewel de ruimte voor herschikking en herprioritering van middelen
beperkt is, worden bestaande kansen maximaal benut. Zo zijn de beheerautoriteiten
van de cohesieprogramma’s gewezen op de mogelijkheden die de tussentijdse herziening
biedt voor projecten met een focus op defensie en veiligheid. Medio 2026 opent het
EFRO Zuid programma een specifieke call voor projecten die de industriële capaciteit
voor dual-use toepassingen en strategische dual-use technologieën versterken, waarmee
gerichte innovatie en strategische versterking van de sector worden gestimuleerd13. Ook binnen het Just Transition Fund wordt een deel van het budget geherprioriteerd
naar de strategisch belangrijke tech-sectoren (STEP-prioriteiten), zoals biotech,
cleantech en digitalisering.
3. Versterk de publieke en private onderzoeks- en ontwikkelingsintensiteit door investeringen
in strategische sleuteltechnologieën te ondersteunen en in te zetten op regionale
innovatieve ecosystemen. Adresseer het financieringsgat voor startups en scale-ups
door onder andere prikkels te bieden om institutionele investeerders aan te trekken.
Ondersteun het midden- en kleinbedrijf bij het innoveren en het gebruik van nieuwe
technologieën, onder meer door directe subsidies en belastingvoordelen.
Het kabinet erkent het belang van investeren in onderzoek en innovatie voor ons toekomstig
verdienvermogen.
Middels de Nationale Technologiestrategie werkt het kabinet aan het gericht versterken
van innovatie in Nederland, door in te zetten op specifieke sleuteltechnologieën.14 Aanvullend heeft het voorgaande kabinet een actieplan gepresenteerd om in 2030 te
komen tot 3% van het bruto binnenlands product (bbp) investeringen in R&D.15 Verschillende beleidsopties uit dit actieplan zijn onderdeel van de scope van de
nieuwe ministeriele Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen. Het kabinet
zet in op gerichte publieke investeringen die private R&D-investeringen uitlokken.
Ook programma’s uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) spelen een
rol, door gericht te investeren in regionale innovatie-ecosystemen en de samenwerking
tussen kennisinstellingen, bedrijven en overheden te versterken.
Hoewel de Nederlandse durfkapitaalmarkt zich sterk ontwikkelt, blijft de financiering
van scale-ups met grote financieringsbehoeften, met name voor de deeptech sector,
een knelpunt. Voor het ondersteunen van de doorgroei van startups naar scale-ups blijft
het kabinet inzetten op instrumenten als de SEED Capital regeling, de Vroegefasefinanciering,
de ROM’s en Invest-NL. Met Invest-NL wordt gewerkt aan een nieuw Blended Finance Instrument,
gericht op de opschaling van start- en scale-ups met een significante kapitaalbehoefte
en is voorgenomen additioneel budget beschikbaar voor de uitbreiding van het Deep
Tech Fund. Verder wordt ingezet op het mobiliseren van institutioneel kapitaal, bijvoorbeeld
via initiatieven als ETCI 2.0 en een fonds-in-fonds van Invest-NL voor pensioenfondsen.
Momenteel wordt de oprichting van een nationale investeringsinstelling, als belangrijkste
partner voor de EIB, verder uitgewerkt, en onderzoekt het kabinet de mogelijkheid
om een fiscale regeling te introduceren om individuen te stimuleren financiering te
verstrekken aan het mkb en startups. Een overzicht van alle lopende initiatieven om
de financiering van start- en scale-ups te verbeteren wordt gegeven in een Kamerbrief
over durfkapitaal die in het tweede kwartaal met de Kamer zal worden gedeeld.
Het kabinet onderschrijft dat de verdergaande digitalisering van het mkb een belangrijke
bijdrage kan leveren aan de productiviteitsgroei in Nederland. De meeste mkb bedrijven
hebben een basisniveau van digitalisering bereikt, maar de toepassing van geavanceerde
digitale technologieën (zoals automatisering, cloud, robotisering en AI) is voor velen
een uitdaging. De oorzaken zijn divers en liggen op technologisch, organisatorisch,
strategisch en menselijk niveau. Het overheidsbeleid moet zich daarom niet alleen
richten op technische implementatie, maar ook op bewustwording en randvoorwaarden.
Gezien de diversiteit binnen het mkb is een generieke aanpak voor het mkb niet effectief.
Het is belangrijk om oog te hebben voor sector, bedrijfsgrootte en digitale volwassenheid
van mkb-bedrijven en daarop in het beleid aan te sluiten. De aanbeveling om te komen
tot een generieke subsidie (vouchers)- dan wel fiscale regeling voor de digitalisering
van het mkb wordt daarom niet onderschreven. Wel ondersteunt het kabinet met de Europese
Digitale Innovatie Hubs (EDIH’s) de versnelling van digitalisering van het mkb in
de maakindustrie. Het EDIH’s programma is tot en met 2028 verlengd en wordt door de
EU, EZK en provincies gefinancierd. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda
Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028, waarin onder andere
innovatieve methodieken ontwikkeld worden om de productiviteit in de maakindustrie
te verhogen. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal uitgerold door
de EDIH’s.
4.1 Verminder de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen door de uitrol van hernieuwbare
energie en energie-efficiëntie te vergroten, specifiek in de gebouwde omgeving.
Het kabinet onderstreept het belang van het inzetten op hernieuwbare energie en het
verminderen van het energiegebruik en is volop bezig met het uitfaseren van fossiele
brandstoffen. Om energiebesparing te stimuleren is energie meegewogen in het pakket
voor Groene Groei.16 Daarnaast wordt de energiebesparingsplicht aangescherpt en wordt er een energiebesparingsfonds
opgezet.17 Ook bestaan er veel subsidiemogelijkheden18 en werkt het kabinet hard aan verduurzaming in de industrie.19 Nederland blijft investeren in de uitrol van hernieuwbare energie, met een ambitie
van 40 GW voor windenergie op zee in 2040. Daarnaast is de subsidieregeling Duurzame
Energie en Klimaattransitie (SDE++) met 6 nieuwe openstellingsrondes (2027–2032) verlengd
voor de grootschalige uitrol van hernieuwbare energie en CO2 reducerende technieken. De SDE++ wordt bovendien regelmatig verbreed en verdiept.
Daarnaast biedt het klimaatfonds extra financiering voor de ontwikkeling en uitrol
van innovatieve, duurzame energieprojecten.
Voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving is een omvangrijk pakket aan maatregelen
getroffen, gericht op het collectieve spoor (de wijkgerichte aanpak), het individuele
spoor (koop- en huurwoningen, VvE’s) en de utiliteitsbouw.20 De Klimaat- en Energieverkenning 2024 laat zien dat de verduurzaming van de gebouwde
omgeving gestaag vordert. Het maatschappelijk vastgoed verduurzaamt met behulp van
de subsidie voor het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed (DUMAVA-subsidieregeling).
Verder treden de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Wet collectieve
warmte op 1 januari 2027 in werking.21 Daarnaast werkt het kabinet aan het opstellen van een Nationaal Gebouwen Renovatie
Plan.22
4.2 Verminder netcongestie door het vergroten van de capaciteit van het transmissie-
en distributienet, het implementeren van flexibiliteitsoplossingen, het maximaliseren
van grensoverschrijdende handel en het verder vereenvoudigen van vergunningsprocedures.
Het kabinet werkt samen met diverse partners aan de aanpak van netcongestie in het
Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN). De acties in dit programma zijn gericht
op snellere fysieke uitbreiding en betere benutting van het net.23 Ook is voor de jaren 2025 en 2026 een subsidie beschikbaar gesteld (Flex-e) om flexibiliteitstoepassingen
bij grootverbruikers te stimuleren.24 Om betere benutting van het net verder te stimuleren zijn er in februari 2026 acht
doorbraken gepresenteerd met als doel om de huidige wachtrij significant te laten
afnemen.25 Voor wat betreft de snellere realisatie van infrastructuur wordt gewerkt aan een
versnellingspakket om de doorlooptijden van hoogspanningsprojecten te verkorten. Dit
pakket is in het voorjaar van 2025 aangekondigd.26
De aanbeveling om de zone-overschrijdende elektriciteitshandel te maximaliseren geldt
in Nederland uitsluitend voor het maximaliseren van grensoverschrijdende elektriciteitshandel,
aangezien Nederland één biedzone kent. Conform de EU-verordening Elektriciteitsmarkt
moest namelijk vanaf 2020 minimaal 70% van de capaciteit gereserveerd worden voor
zone-overschrijdende handel. Om de capaciteit van grensoverschrijdende verbindingen
(interconnectoren) beter te benutten heeft het kabinet in 2019 het «Actieplan om met
investeringen de grensoverschrijdende capaciteit te verhogen» vastgesteld. Onder toezicht
van de ACM heeft TenneT de afgelopen jaren maatregelen getroffen om te voldoen aan
de eisen in het actieplan. TenneT heeft vastgesteld, en middels een brief aan de Commissie
laten weten, dat vanaf 1 januari 2026 de 70%-eis gehaald is. Daarmee is ook het actieplan
voltooid. In verdere gevallen waar toch onvoldoende thermische capaciteit beschikbaar
is om de 70%-eis te behalen, zal TenneT door middel van remedial actions («corrigerende
maatregelen») in de vorm van redispatch («herverdeling») deze eis, en daarmee een
veilig net, bereiken.
4.3 Implementeer structurele maatregelen om overmatige stikstofdepositie en de verslechtering
van waterkwaliteit effectief aan te pakken, met bijzondere aandacht voor duurzame
landbouw.
Het kabinet is ervan doordrongen dat de stikstofdepositie en de verslechtering van
waterkwaliteit omvangrijke en urgente problemen zijn. Om die reden heeft het kabinet
dit voorjaar de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingesteld om met een geborgd
pakket aan maatregelen te komen en heeft het recent de eerste contouren hiervan gepresenteerd.27
Het kabinet maakt duidelijke keuzes voor een sterke en toekomstbestendige agrarische
sector en het structureel verbeteren van de natuur. Dit maakt, stapsgewijs, vergunningverlening
voor de woningbouw, het verduurzamen van de landbouw en de industrie weer mogelijk.
Om deze doelen te realiseren heeft het kabinet 20 miljard euro tot en met 2035 beschikbaar
gesteld. Het kabinet heeft hierbij voor een geborgde aanpak gekozen; aanvullende maatregelen
worden getroffen indien de emissiedoelen voor landbouw, industrie en mobiliteit voor
2035 (of het tussenliggende streefdoel voor de landbouw in 2030) niet worden bereikt.
Tot de zomer geeft het kabinet daarom prioriteit aan de uitwerking van onder meer
een maatregelpakket met generieke reductiemaatregelen, een maatregelpakket met faciliterende
en stimulerende instrumenten om boeren te ondersteunen bij verduurzaming en omschakeling
naar minder intensieve- of meer natuurinclusieve landbouw, een opvolger van het legalisatieprogramma
PAS-melders, een beleidsmatige invulling van de zoneringsaanpak, het bepalen van kaders
en invulling van het beleid gericht op sociaaleconomische vitaliteit, en de afronding
van het ontwerpNatuurplan. Het kabinet streeft ernaar om de uitwerking van deze aanpak
voor de zomer te presenteren.
Wat betreft waterkwaliteit is de Kamer in juli 2025 nader geïnformeerd over de voortgang
van de implementatie, aanvullende maatregelen en vervolgstappen van de Kaderrichtlijn
Water (KRW).28 Daarnaast is het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn gericht op het voorkomen van
waterverontreiniging van grond- en oppervlaktewater door nutriënten afkomstig van
de landbouw en deze te verminderen, eutrofiëring van het oppervlaktewater tegen te
gaan en te voldoen aan de norm van 50 mg/l nitraat in het bovenste grondwater.29 Daarmee zal worden bijgedragen aan het behalen van de doelen van de KRW, voor wat
betreft nutriënten afkomstig van de landbouw.
5.1 Neem en implementeer maatregelen om de prikkels voor flexibele en tijdelijke arbeidscontracten
te verminderen
Net als vorige jaren beveelt de Commissie aan de prikkels te verminderen om flexibele
of tijdelijke contracten te gebruiken. Het kabinet herkent zich in deze aanbeveling.
In nauw overleg met sociale partners zijn de afgelopen jaren een aantal belangrijke
stappen gezet om de doorgeschoten flexibilisering op de arbeidsmarkt terug te dringen.
Hierbij is naar een nieuwe balans op de arbeidsmarkt gezocht, met voldoende wendbaarheid
voor werkgevers.
Het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers30 ziet erop dat werknemers met een oproepcontract meer inkomens- en roosterzekerheid
krijgen. Door oproepcontracten in beginsel af te schaffen en te vervangen door bandbreedte-contracten,
hebben werkenden de zekerheid van een minimaal inkomen. Verder krijgen uitzendkrachten
meer zekerheid door het inkorten van de meest onzekere fasen binnen uitzendwerk en
door het recht op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden ten opzichte van werknemers
in dienst bij de inlener. Om draaideurconstructies bij tijdelijk werk te voorkomen,
vervalt verder de huidige 6-maanden-onderbrekingstermijn voor ketens van tijdelijke
contracten, en wordt deze vervangen door een administratieve vervaltermijn van drie
jaar.
De inwerkingtreding van de wet is voorzien met ingang van 1 januari 2028, behalve
voor het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten. Beoogde
inwerkingtreding hiervan is rond 1 januari 2027.
5.2 Pak de tekorten op de arbeidsmarkt en het gebrek aan vaardigheden aan, onder meer
door onbenut arbeidspotentieel beter te benutten en door sterker in te zetten op bij-
en omscholingsmaatregelen. Moedig mobiliteit aan naar hoogproductieve sectoren en
sectoren waar een maatschappelijke uitdaging is. Verbeter de werk en leefomstandigheden
van arbeidsmigranten van binnen en buiten de EU.
De Commissie heeft vorig jaar een vergelijkbare aanbeveling gedaan, met dit jaar een
toevoeging op arbeidsmigratie. Het kabinet kan zich vinden in de aanbeveling. De Nederlandse
arbeidsparticipatiegraad behoort tot de hoogste in Europa.31 Desalniettemin blijft het kabinet zich inzetten voor het verminderen van belemmeringen
die verschillende groepen ervaren om (meer) te werken. Bijvoorbeeld via het tegemoetkomen
van het combineren van werk met zorg voor kinderen (o.a. via de hervorming van het
kinderopvangstelsel), het aan het werk helpen van statushouders en nieuwkomers (o.a.
via de Werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt en de aankomende brede aanpak over
werk voor nieuwkomers), de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur en het actieprogramma
«NL Werkt». Het resterende onbenutte arbeidspotentieel is beperkt en vaak niet eenvoudig
aan te wenden.32 Verhoging van het arbeidsaanbod is daarmee onvoldoende om de schaarste van arbeid
op te lossen.
Om keuzes te maken over de inzet van schaars talent werkt het kabinet aan een Talentstrategie.33 Hiermee wil het kabinet beleid rondom onder andere de arbeidsmarkt, onderwijs en
migratie meer in samenhang inzetten om talent op te leiden voor en te bewegen naar
sectoren die van belang zijn voor onze economische groei en voor het realiseren van
de belangrijke maatschappelijke doelen. De Talentstrategie geeft ook richting voor
het instrumentarium voor een Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Het kabinet spreekt een
ambitie uit voor het oprichten van een nieuwe LLO-regeling op korte termijn en het
toewerken naar een overzichtelijk, toegankelijk en bestendig LLO-stelsel op langere
termijn, inclusief een stelsel van leerrechten.34
Meer gerichte arbeidsmigratie kan verder verlichting brengen waar de arbeidsmarktkrapte
het meest knelt. Zo werkt het kabinet aan een pilot om gericht en onder strenge voorwaarden
goed geschoolde krachten naar Nederland te halen voor specifieke maatschappelijk cruciale
beroepen. Arbeidsmigratie legt echter ook druk op het realiseren van gematigde bevolkingsgroei,
zoals geadviseerd door de Staatscommissie Demografie, en vormt geen structurele oplossing
voor arbeidsmarkttekorten. De inzet op een hoogproductieve economie vergt tevens vermindering
van de afhankelijkheid van laagbetaalde arbeid. Het kabinet neemt in dat kader onder
meer maatregelen om de inzet van flexibele contracten voor structureel werk te verminderen
en om de werk- en inkomenszekerheid van flexwerk te verhogen. Verder zet het kabinet
zich in voor de aanpak van misstanden door onverminderd de aanbevelingen van het Aanjaagteam
bescherming arbeidsmigranten en door het SER-advies «Arbeidsmigratie naar waarde»
uit te voeren. Zo treedt vanaf 2027 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten
(Wtta) in werking. Verder verhoogt het kabinet boetes bij overtreding van arbeidswetten
en houdt het kabinet de mogelijkheid tot een sectoraal uitzendverbod bij aanhoudende
misstanden.
5.3 Verbeter basisvaardigheden van studenten, onder andere door het lerarenberoep
aantrekkelijker te maken en achterstandsscholen gericht te ondersteunen. Stimuleer
deelname aan STEM-programma’s (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde)
De Commissie heeft vorig jaar een vergelijkbare aanbeveling gedaan Het kabinet erkent
het belang van deze aanbeveling. Een belangrijke stap in het verbeteren van basisvaardigheden
is in 2022 gezet met het meerjarige masterplan basisvaardigheden voor het funderend
onderwijs35 en de Aanpak basisvaardigheden mbo.36 Verder zijn onderdelen van het actieprogramma Tel mee met Taal voortgezet, voornamelijk de regionale aanpak.37 Naast ondersteuning van achterstandsscholen zijn er verschillende maatregelen ingevoerd
om segregatie in het onderwijs te bestrijden.38
Wat betreft het lerarentekort wordt ingezet op het aantrekken, opleiden en behouden
van voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel, het versterken van de professionaliteit
en aantrekkelijkheid van het lerarenberoep en het duurzaam organiseren van kwalitatief
en toekomstbestendig onderwijs, ook bij aanhoudende personeelsschaarste.39
Met betrekking tot het versterken van het STEM-onderwijs, stimuleert het kabinet het
funderend onderwijs via twee projecten het techniek- en technologie onderwijs: Sterk Techniek Onderwijs40 (structureel programma gericht op het beroepsgericht vmbo) en Techkwadraat (Nationaal Groeifondsprogramma gericht op primair en voortgezet onderwijs)41. Ook wordt ingezet op instroom in bèta technisch vervolgonderwijs via het Actieplan
Groene en Digitale Banen.42 Het kabinet werkt daarnaast aan een talentstrategie waarvan het stimuleren van deelname
aan STEM-programma’s een belangrijk onderdeel is. Het kabinet ondersteunt een betere
genderbalans en inclusie van leerlingen en studenten met een migratieachtergrond in
STEM-onderwijs middels verschillende maatregelen.43
Vervolgproces
In de Ecofinraad van 12 juni 2026 zal de Commissie een presentatie geven van het lentepakket,
met inbegrip van de landspecifieke aanbevelingen. Vervolgens zal een horizontale notitie
over de landspecifieke aanbevelingen voorliggen in de Raad Algemene Zaken van 16 juni
a.s. Deze notitie dient als input voor de gebruikelijke bespreking van de voorgestelde
landspecifieke aanbevelingen in de Europese Raad van 18 en 19 juni. Door de uitzonderlijke
krappe tijdslijnen voor de behandeling van het lentepakket dit jaar, wordt de horizontale
notitie opgesteld door het Raadsvoorzitterschap met input van de voorbereidende comités
van de Raad. Het kabinet verwacht dat deze notitie een feitelijke en nuttige weergave
van de voorstellen zal bevatten en verwacht dat Nederland zal kunnen instemmen met
de horizontale notitie tijdens de Raad Algemene Zaken van 16 juni. Op 29 juni liggen
de werkgelegenheids- en sociale aspecten van de landspecifieke aanbevelingen ter goedkeuring
voor in de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. Tenslotte liggen alle landspecifieke
aanbevelingen ter aanname voor in de Ecofinraad van 10 juli.
Agendapunt: Lentepakket Europees Semester 2026 – macro-economische onevenwichtigheden
procedure
Document: de diepteonderzoeken onder de macro-economische onevenwichtighedenprocedure zijn beschikbaar
op: https://economy-finance.ec.europa.eu/economic-governance-framework/macr…
Aard bespreking: presentatie
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
De Commissie heeft op 20 mei jl. de diepteonderzoeken onder de macro-economische onevenwichtighedenprocedure
(MEOP) gepubliceerd voor Nederland,44 Griekenland, Italië, Hongarije, Roemenië, Slowakije en Zweden. In het Alert Mechanism Report (AMR) 2026, gepubliceerd in november 202545, stelde de Commissie vast dat ze voor deze zeven lidstaten diepteonderzoeken zou
gaan uitvoeren naar mogelijke macro-economische onevenwichtigheden. Hierover is de
Kamer op 12 januari jl. geïnformeerd.46
Met de publicatie van het lentepakket heeft de Commissie, op basis van deze diepteonderzoeken,
voor Hongarije, Italië en Slowakije macro-economische onevenwichtigheden vastgesteld.
Roemenië ondervindt buitensporige macro-economische onevenwichtigheden. Voor Nederland,
Zweden en Griekenland zijn naar aanleiding van de diepteonderzoeken geen macro-economische
onevenwichtigheden vastgesteld. De Commissie heeft in het diepteonderzoek voor Nederland
mogelijke macro-economische onevenwichtigheden onderzocht die verband houden met het
overschot op de lopende rekening, de woningmarkt, en hoge huishoudschulden. De Commissie
geeft aan dat het overschot op de lopende rekening is afgenomen en dat het overschot
voor een deel te verklaren is door structurele kenmerken van de Nederlandse economie.
De Commissie noemt in haar beoordeling ook aangekondigde beleidsmaatregelen op de
woningmarkt en de investeringsagenda die op middellange termijn kan bijdragen aan
het verminderen van het overschot op de lopende rekening. Het kabinet kan zich vinden
in de beoordeling van de Commissie.
Nederland kan de presentatie van het lentepakket, met daarbij de resultaten van de
diepteonderzoeken, aanhoren. In de Ecofinraad van 10 juli zullen zoals gebruikelijk
Raadsconclusies voorliggen over de resultaten van de diepteonderzoeken van de Commissie.
Hieronder volgt een nadere toelichting op de onderzochte macro-economische aspecten
voor Nederland en de beoordeling van de Commissie.
Overschot op de lopende rekening
Het overschot op de lopende rekening was volgens Commissieberekeningen in 2025 7,9%
bbp, een afname ten opzichte van 2024 (toen nog 9,2%). Volgens de Commissieramingen
zal dit naar verwachting weer tot boven de 9% stijgen in 2026 en ook in 2027 hoog
blijven. Zie voor een uitgebreide toelichting op de drijvende factoren achter het
saldo op de lopende rekening van Nederland een eerdere Kamerbrief die hier nader op
ingaat.47
Het spaarsaldo wordt bepaald door bedrijven, huishoudens en de overheid. Het hoge
spaarsaldo van Nederland komt voort uit besparingen van bedrijven. Een substantieel
deel van de besparingen van bedrijven wordt gedreven door de relatief hoge concentratie
multinationals in Nederland die hier zijn door het aantrekkelijke vestigingsklimaat.
Achter de bijdrage van multinationals aan het spaaroverschot gaat een statistische
vertekening schuil, die te maken heeft statistiekregels over de toerekening van ingehouden
winsten aan de lopende rekening. Winsten die zij wereldwijd maken slaan via de primaire
inkomens neer in het Nederlandse lopende rekeningsaldo. Doordat Nederlandse multinationals
relatief weinig dividend uitkeren en hun winsten veelal investeren in het buitenland,
komen die winsten in het Nederlands spaarsaldo terecht. Zoals de Commissie in het
diepteonderzoek ook aangeeft, berekende De Nederlandsche Bank dat het anders toedelen
van ingehouden winsten aan buitenlandse aandeelhouders zou leiden tot een reductie
van het gemeten overschot op de lopende rekening met gemiddeld 1,3% van bbp over de
periode 2021–2023. Daarnaast draagt ook het mkb bij aan het spaarsaldo, sinds 2015
tussen de 1,5% en 2,2%. Het spaarsaldo van huishoudens nam volgens de ramingen in
2025 toe naar 2,9% in 2025. Het spaarsaldo bevat onder andere pensioenbesparingen
(die het saldo opstuwen) en hypotheekschulden (die het saldo drukken). Naar schatting
verklaart het uitgebreide en grotendeels kapitaal gedekte pensioenstelsel van Nederland
2% bbp van het spaarsaldo. Ten slotte had het overheidssaldo van -1,9% in 2025 op
basis van de Commissieramingen een drukkend effect op het overschot op de lopende
rekening.
Het lopende rekeningsaldo is een uiting van structurele kenmerken van de Nederlandse
economie, macro-economische ontwikkelingen in andere landen en conjunctuur. Het kabinet
voert dan ook geen beleid om de lopende rekening te sturen. Alhoewel het hoge spaarsaldo
van Nederland goeddeels te verklaren is door enkele van onze fundamenten – zoals multinationals
die in het buitenland investeren en het pensioenstelsel – erkent het kabinet dat het
verstandig is om verstoringen die mogelijk ten grondslag liggen aan het overschot
op de lopende rekening, te adresseren. In Nederland betekent dat vooral dat private
binnenlandse investeringen omhoog moeten. Het kabinet herkent dat er voor bedrijven
investeringsbelemmeringen zijn in Nederland. Daarom worden er verschillende stappen
genomen. Zo werkt het kabinet samen met diverse partners aan de aanpak van netcongestie
in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. Ook maakt het kabinet keuzes voor een
sterke en toekomstbestendige agrarische sector, wat stapsgewijs, vergunningverlening
voor de woningbouw, het verduurzamen van de landbouw en de industrie weer mogelijk
maakt. Daarnaast is een belangrijke inzet van het kabinet de oprichting van een nationale
investeringsinstelling. Een nationale investeringsinstelling kan het Nederlandse concurrentievermogen
versterken door financieringsknelpunten op te vangen, de toegang tot Europese financiering
en samenwerking met de EIB te verbeteren en versnippering van publieke financieringsinstrumenten
te verminderen.48 Daarnaast dragen de investeringen via het project Beethoven en de investeringen in
defensie bij aan het terugdringen van het overschot op de lopende rekening, zoals
ook benoemd door de Commissie in het diepteonderzoek.
Woningmarkt en huishoudsschulden
In eerdere jaren betrok de Commissie het onderwerp huishoudschulden bij het onderzoek
naar de woningmarkt. Dit jaar zijn deze analyses gesplitst in het diepteonderzoek.
Aangezien deze onderwerpen nauw verbonden zijn, worden ze in deze geannoteerde agenda
samen bezien. Volgens de Commissieberekeningen namen woningprijzen, ondanks een toename
in het aanbod van koopwoningen, met 8,5% toe in 2025 ten opzichte van het jaar ervoor.
De Commissie benoemt verschillende drijvende factoren achter hoge woningprijzen, waaronder:
demografische trends, een mismatch in de woningvoorraad (grote huizen, kleinere huishoudens),
stijgende besteedbare inkomens, fiscale prikkels voor eigenwoningbezit en de kleine
omvang van de private huurmarkt (14,3% van totale woningaanbod in 2025). De omvang
van de private huurmarkt is volgens de Commissie verder ingeperkt door de toegenomen
verkoop van deze woningen, mede gedreven door de inwerkingtreding van de Wet betaalbare
huur in combinatie met hogere rentes en belastingwijzigingen. Volgens de Commissie
was er in 2025 een tekort van 400.000 woningen.
De Commissie geeft aan dat de huishoudschulden in 2025 zijn gedaald naar 92,6% bbp
ten opzichte van 93,3% in 2024. Desondanks bleven huishoudschulden als percentage
van het bbp in Nederland het hoogste van de EU. Hypotheken maken ongeveer 90% uit
van de huishoudschulden. De Commissie beoordeelt dat inspanningen om hervormingen
door te voeren teneinde met schulden gefinancierd eigen woningbezit te ontmoedigen,
beperkt zijn gebleven.
De Commissie onderkent in het diepteonderzoek dat het kabinet actief maatregelen treft
om uitdagingen op de woningmarkt aan te pakken. De Commissie noemt verschillende maatregelen
die al worden getroffen, waaronder de Wet versterking regie op de volkshuisvesting,
concrete voorstellen uit het Eindrapport adviesgroep STOER, de Realisatiestimulans
en de inzet uit het coalitieakkoord om de private huursector uit te breiden. Een uiteenzetting
van de kabinetsinzet ten aanzien van uitdagingen op de woningmarkt is opgenomen in
de appreciatie van de relevante landspecifieke deelaanbeveling (1.3) in deze geannoteerde
agenda. Daarnaast erkent het kabinet dat huishoudschulden in Nederland relatief hoog
zijn. Tegelijkertijd onderstreept het kabinet het belang van rust op de woningmarkt
en het betaalbaar houden van het eigen huis. Daarom is in het coalitieakkoord opgenomen
dat de huidige regeling rond hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait ongewijzigd
blijven. De maatregelen die worden genomen om de woningmarkt te verbeteren kunnen
op termijn een dempend effect hebben op de hoge private schulden.
Implementatie Stabiliteits-en Groeipact – jaarlijkse voortgangsrapportage
Aard bespreking: gedachtewisseling
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
In het kader van het herziene Stabiliteits- en Groeipact (SGP) hebben lidstaten budgettair-structurele
plannen (hierna: plannen) voor de middellange termijn opgesteld49. Deze plannen bevatten een pad voor de maximale groei van de uitgaven gedurende een
aanpassingsperiode van vier of zeven jaar (uitgavenpad), en daarnaast voorgenomen
structurele hervormingen en investeringen. De naleving van het uitgavenpad en de implementatie
van hervormingen en investeringen worden jaarlijks gemonitord. Daartoe dienen alle
lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een voortgangsrapport in. De Commissie heeft
op basis van deze voortgangsrapporten beoordeeld of de uitgavengroei voor 2025 in
lijn is met het aanbevolen uitgavenpad voor dat jaar, en of de verwachte uitgavengroei
in 2026 in lijn zal zijn met het aanbevolen uitgavenpad voor 2026. Op aanbeveling
van de Commissie kan de Raad een buitensporig tekort vaststellen wanneer de afwijking
van het uitgavenpad de drempelwaarden50 overschrijdt en de schuld van de betreffende lidstaat boven de 60% ligt (zie andere
paragraaf in deze nazending over buitensporige tekorten).
De Commissie oordeelt dat voor 18 lidstaten de uitgavengroei in 2025 in lijn is met
het aanbevolen uitgavenpad. Daarnaast oordeelt de Commissie dat de uitgavengroei van
Italië, Portugal, Litouwen en Slovenië grotendeels in lijn is met het aanbevolen uitgavenpad.
Deze lidstaten wijken beperkt af en blijven binnen de toegestane drempelwaarden. De
Commissie ziet voor Ierland, Luxemburg, Nederland, Malta, Bulgarije, Hongarije en
Tsjechië over 2025 een afwijking van het aanbevolen uitgavenpad die groter is dan
de toegestane drempelwaarden. Voor Nederland is dit conform verwachting, zoals gecommuniceerd
in het voortgangsrapport en eerder gedeeld met de Kamer51. Deze beoordeling is nog gebaseerd op het ingediende budgettair structurele plan
uit 2024.
Het kabinet heeft in april 2026 een herzien plan ingediend. Dit plan zal naar verwachting
worden goedgekeurd in de Ecofinraad van 10 juli 2026 (zie andere paragraaf in deze
nazending over Raadsaanbeveling herziene budgettair-structureel plan van Nederland).
Voor 2026 en verder geldt dat de Commissie de uitgavengroei van Nederland al beoordeelt
op basis van dit herziene plan.
Bij de beoordeling van de raming van de uitgavengroei voor 2026 concludeert de Commissie
dat de uitgavengroei in 16 lidstaten naar verwachting in lijn is met het aanbevolen
uitgavenpad. Daarnaast oordeelt de Commissie dat de uitgavengroei van Frankrijk, Spanje,
Portugal, Luxemburg en Nederland naar verwachting grotendeels in lijn is met het aanbevolen
uitgavenpad. Deze lidstaten wijken beperkt af en blijven binnen de toegestane drempelwaarden.
De Commissie ziet voor Hongarije, Zweden, Litouwen, Slovakije, Malta, Bulgarije, Hongarije
en Tsjechië een risico op afwijking van het aanbevolen uitgavenpad die groter is dan
de toegestane drempelwaarden.
De Commissie benadrukt dat het algemene begrotingstekort en de schuld van Nederland
naar verwachting in zowel 2025 als 2026 onder de Europese referentiewaarden van 3%
bbp respectievelijk 60% bbp blijven. Zolang lidstaten binnen de referentiewaarden
blijven, kan de Raad geen handhavingsmaatregelen opleggen.
De beoordelingen door de Commissie voor 2026 zijn gebaseerd op de Lenteramingen van
de Commissie. Op basis van deze beoordelingen doet de Commissie aanbevelingen aan
lidstaten om de uitgavengroei in lijn te brengen met het aanbevolen uitgavenpad (zie
ook een andere paragraaf in deze nazending over «Landspecifieke aanbevelingen»). In
het najaar beoordeelt de Commissie opnieuw of de (geraamde) uitgavengroei voor 2026
in lijn is met het aanbevolen uitgavenpad. In het voorjaar van 2027 volgt een definitieve
beoordeling op basis van de gerealiseerde uitgavengroei in 2026.
Implementatie Stabiliteits-en Groeipact – Beoordeling buitensporige tekorten en effectief
gevolg aan aanbevelingen
Document: het 126.3-rapport van de Commissie52 en het voorstel voor het Raadsbesluit om het bestaan van een buitensporig tekort
in Malta op te heffen53 zijn publiek beschikbaar.
Aard bespreking: presentatie (126.3-rapport) en besluitvorming (Raadsbesluit opheffen buitensporigtekort
Malta)
Besluitvormingsprocedure: gekwalificeerde meerderheid
Toelichting:
De Commissie beoordeelt jaarlijks op grond van artikel 126, lid 3, VWEU of sprake
is van buitensporige tekorten in lidstaten. Deze beoordeling vindt plaats wanneer
de overheidsschuld boven de referentiewaarde van 60% bbp ligt en onvoldoende snel
daalt (schuldcriterium), of wanneer het begrotingstekort de referentiewaarde van 3%
bbp overschrijdt (tekortcriterium). De toepassing van het schuldcriterium verdient
enige toelichting. De Commissie kijkt hiervoor alleen naar lidstaten die niet al in
een buitensporigtekortprocedure zitten, een schuld boven 60% bbp hebben en géén begrotingspositie
dicht bij evenwicht of in overschot kennen. Dit laatste wordt geoperationaliseerd
als een tekort van meer dan 0,5% bbp. Voor lidstaten waarvoor aan deze voorwaarden
is voldaan, beoordeelt de Commissie of de afwijking van het door de Raad aanbevolen
uitgavenpad – dat moet voorzien in een daling van de schuld op middellange termijn
– boven de drempelwaarden in de controlerekening uitkomt54.
Dit jaar vindt voor de eerste keer sinds de herziening van het begrotingsraamwerk
in 2024 de toetsing van het schuldcriterium plaats, omdat het uitgavenpad pas in januari
2025 is aanbevolen. De Commissie heeft in 2024 en 2025 wel getoetst op het tekortcriterium,
op basis waarvan 10 lidstaten reeds in een buitensporigtekortprocedure zitten. Bij
de beoordeling van buitensporige tekorten houdt de Commissie rekening met de toename
van defensie-uitgaven voor de 16 landen die reeds gebruik maken van de nationale ontsnappingsclausule.
Op basis van de Lenteraming van de Commissie55 blijkt dat van de lidstaten die nog niet in een buitensporigtekortprocedure zitten,
Duitsland, Griekenland, Spanje, Portugal en Slovenië een schuld hebben hoger dan 60%
in 2025. Griekenland en Portugal voldoen volgens de Commissie aan het schuldcriterium,
omdat zij in 2025 een begrotingsoverschot hadden en daarmee een begrotingspositie
kenden die dicht bij evenwicht of in overschot was. Daarom zijn deze lidstaten niet
verder beoordeeld onder het schuldcriterium. Voor Duitsland, Spanje en Slovenië lagen
de afwijkingen van het uitgavenpad binnen de afgesproken drempelwaarden, mede door
activatie van de nationale ontsnappingsclausule. Op basis hiervan concludeert de Commissie
dat er voor deze landen op dit moment geen sprake is van buitensporige tekorten op
basis van het schuldcriterium.
Daarnaast heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de naleving van het tekortcriterium.
De Commissie baseert zich daarbij op de realisatiecijfers voor 2025 en de ramingen
voor 2026. Deze cijfers waren aanleiding om onderzoek te doen naar het bestaan van
een buitensporig tekort in Bulgarije, Duitsland, Estland, Letland en Slovenië. Daarbij
gaat het om een verwachte overschrijding in 2026 voor Duitsland, Estland, Letland
en Slovenië, en een overschrijding in zowel 2025 als 2026 voor Bulgarije. Voor Bulgarije,
Estland en Letland kunnen zogeheten «relevante factoren» door de Commissie worden
meegewogen bij de beoordeling, omdat hun overheidsschuld lager is dan de referentiewaarde
van 60% bbp56. Voor Duitsland en Slovenië kunnen relevante factoren niet worden meegewogen, omdat
hun schuld hoger is dan de 60%-referentiewaarde en de overschrijding van de 3%-referentiewaarde
niet tijdelijk is. Voor Bulgarije kunnen relevante factoren wel worden meegewogen,
maar deze werken per saldo in het nadeel van Bulgarije. Ook wordt het tekort niet
als uitzonderlijk en tijdelijk beoordeeld. Voor Estland en Letland stelt de Commissie
géén buitensporig tekort vast, vanwege de toepassing van extra defensie-investeringen
als relevante factor. Voor Duitsland en Slovenië wordt géén buitensporig tekort vastgesteld,
omdat de overschrijding van de 3%-norm volledig wordt verklaard door defensie-uitgaven
waarvoor de nationale ontsnappingsclausule (NEC) is geactiveerd. Voor Bulgarije is
de NEC eveneens geactiveerd, maar wordt de tekortoverschrijding niet volledig verklaard
door defensie-uitgaven. De Commissie concludeert op basis van het onderzoek dat Bulgarije
niet voldoet aan het tekortcriterium en stelt voor om een buitensporig tekort vast
te stellen voor Bulgarije.
Naar verwachting zal de Commissie in de Ecofinraad op 12 juni het onderzoek naar het
bestaan van buitensporige tekorten toelichten. Vervolgens stelt het Economisch en
Financieel Comité (EFC) een opinie vast, waarna de Commissie een aanbeveling doet
aan de Raad om een buitensporig tekort vast te stellen voor Bulgarije. De Raad besluit
hierover op 10 juli.
Naast het onderzoek naar nieuwe buitensporige tekorten heeft de Commissie onderzocht
of lidstaten voor wie eerder al door de Raad een buitensporig tekort was vastgesteld
effectief gevolg hebben gegeven aan de aanbevelingen om aan deze tekorten tijdig een
einde te maken. Dit betreft België, Finland, Frankrijk, Italië, Hongarije, Malta,
Oostenrijk, Polen, Roemenië en Slowakije. Deze aanbevelingen werden voor een groot
deel in januari 2025 door de Raad vastgesteld en bevatten een correctief uitgavenpad.
De Commissie concludeert dat al deze lidstaten voldoende maatregelen hebben genomen
ter correctie van het buitensporig tekort. Malta heeft zijn overheidstekort in 2025
teruggebracht tot onder 3% bbp en blijft daar volgens de lenteraming ook in 2026 en
2027 onder, waardoor de Commissie de Raad aanbeveelt om het besluit van 26 juli 2024
inzake het bestaan van een buitensporig tekort in Malta op te heffen. De Raad besluit
waarschijnlijk in de Ecofinraad van juni hierover. Nederland kan zich vinden het oordeel
om het buitensporig tekort voor Malta op te heffen en is voornemens om in te stemmen
met het Raadsbesluit hierover.
Implementatie Stabiliteits-en Groeipact – aanvraag activatie nationale ontsnappingsclausule
Spanje
Aard bespreking: Goedkeuring Raadsaanbeveling activatie nationale ontsnappingsclausule Spanje
Besluitvormingsprocedure: versterkte gekwalificeerde meerderheid
Toelichting:
Zoals toegelicht in de nazending van de Geannoteerde Agenda van de Eurogroep en Ecofinraad
van juni 202557 heeft de Commissie op 19 maart 2025 voorgesteld om lidstaten tijdelijk en gericht
de mogelijkheid te bieden een verzoek in te dienen tot activering van de nationale
ontsnappingsclausule (National Escape Clause, NEC) binnen de Europese begrotingsregels,
met als doel ruimte te bieden voor een verhoging van nationale defensie-uitgaven op
korte termijn. De clausule kan op verzoek van een lidstaat worden ingezet onder drie
voorwaarden: (i) uitzonderlijke omstandigheden buiten de controle van de lidstaat,
(ii) substantiële impact op overheidsfinanciën, en (iii) behoud van schuldhoudbaarheid
op de middellange termijn. Lidstaten mogen volgens het Commissievoorstel tussen 2025–2028
afwijken van het door de Raad vastgestelde (correctieve) uitgavenpad wanneer dit het
gevolg is van een toename van defensie-uitgaven tot een maximum van 1,5% bbp, gemeten
t.o.v. referentiejaar 2021. Zie voor een nadere toelichting de Kamerbrief van 28 maart
202558.
De nationale ontsnappingsclausule is reeds geactiveerd voor zeventien lidstaten, te
weten België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Griekenland, Hongarije,
Kroatië, Letland, Litouwen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije en Tsjechië59.
Spanje heeft op 13 april ook een aanvraag ingediend voor activatie van deze ontsnappingsclausule.
De Commissie heeft beoordeeld dat de aanvraag voldoet aan de drie bovengenoemde voorwaarden.
De Commissie doet een aanbeveling aan de Raad om de ontsnappingsclausule voor Spanje
te activeren.
Het kabinet volgt de beoordeling van de Commissie en is voornemens in te stemmen met
de Raadsaanbeveling voor Spanje tijdens de Ecofinraad van 12 juni. Bij de jaarlijkse
monitoring van de toepassing van de nationale ontsnappingsclausule zal het kabinet
aandacht blijven vragen voor schuldhoudbaarheid en financiële stabiliteit, inclusief
het onvermijdelijke belang van herprioritering van uitgaven ten behoeve van structureel
hogere defensie-uitgaven.
Implementatie Stabiliteits-en Groeipact – nationale ontsnappingsclausule voor energiemaatregelen
Aard bespreking: Dit onderwerp is niet apart geagendeerd, maar kan bij de overkoepelende mededeling
aan bod komen.
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
De Commissie geeft in de overkoepelende mededeling bij het Lentepakket aan dat lidstaten
de bestaande nationale ontsnappingsclausule (National Escape Clause; NEC) binnen het SGP ook zouden kunnen benutten voor energie-gerelateerde steunmaatregelen
en investeringen. Daarbij zou de bestaande ruimte die de NEC biedt an maximaal 1,5%
bbp per jaar, die momenteel is bedoeld voor extra defensie-uitgaven, deels kunnen
worden benut voor maatregelen gericht op energie-onafhankelijkheid60. De Commissie geeft aan dat jaarlijks maximaal 0,3% bbp en over de periode 2026–2028
cumulatief maximaal 0,6% bbp kan worden aangewend, met behoud van de beoogde einddatum
van de NEC in 2028.
De NEC is een bestaand instrument binnen het Europese begrotingsraamwerk. Op verzoek
van een lidstaat kan de clausule worden geactiveerd (of in dit geval, op een andere
manier ingezet) indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden buiten de controle
van de lidstaat die een aanzienlijke impact hebben op de overheidsfinanciën, mits
de schuldhoudbaarheid op middellange termijn niet in gevaar komt. Op basis van een
beoordeling van de Commissie zal de Raad hierover besluiten met versterkte gekwalificeerde
meerderheid. Nederland acht het van belang dat toepassing van de NEC tijdelijk, gericht
en verenigbaar met schuldhoudbaarheid blijft.
Implementatie Stabiliteits-en Groeipact – Raadsaanbeveling herziene budgettair-structureel
plan van Nederland
Aard bespreking: Presentatie
Besluitvormingsprocedure: n.v.t.
Toelichting:
In het kader van het herziene Europese begrotingsraamwerk hebben lidstaten budgettair-structurele
plannen voor de middellange termijn (hierna: plannen) ingediend, met daarin hun voorgenomen
begrotingsbeleid, hervormingen en investeringen. Alle lidstaten hebben hun plan ingediend61. Nederland heeft inmiddels een herzien plan ingediend wegens het aantreden van een
nieuw kabinet62. De Ecofinraad van 12 juni a.s. zal spreken over het herziene plan van Nederland
en de beoordeling daarvan door de Commissie.
De Commissie merkt op dat Nederland in het plan op enkele punten afwijkt van de oorspronkelijke
technische informatie, met name door het gebruik van recentere CPB-cijfers voor het
structureel primair saldo en een hogere inflatie als gevolg van externe economische
omstandigheden. Deze afwijkingen acht de Commissie gerechtvaardigd. Nederland presenteert
in het plan zowel de nationale CPB-raming van de uitgavengroei als de maximaal toegestane
uitgavengroei volgens de SGP-vereisten, waarbij Nederland de berekening op deze punten
heeft geactualiseerd.
De Commissie beoordeelt de plannen op basis van Verordening 2024/1263. De Commissie
oordeelt dat het uitgavenpad zoals voorgesteld door Nederland voldoet aan de vereisten.
De Commissie doet op basis daarvan een aanbeveling aan de Raad om het uitgavenpad
vast te stellen.
In de Ecofinraad van 10 juli 2026 zal naar verwachting een Raadsaanbeveling voor Nederland,
inclusief het uitgavenpad zoals opgenomen in het Nederlands plan, voorliggen. Besluitvorming
hierover vindt plaats met gekwalificeerde meerderheid.
Tabel kerncijfers begrotingsbeleid
2026
2027
2028
2029
2030
2039
Uitgavengroei technische informatie van de Commissie (%)
4,7
3,5
3,1
3,5
3,7
n.v.t.
Uitgavengroei volgens het CBP zoals vermeld in Nederlandse plan (%)
4,7
3,5
3,1
3,5
3,7
n.v.t.
Schuldratio in plan (in % bbp)
46,8%
46,5%
46,1%
45,6%
45,2%
51,2%
Begrotingstekort in plan (in % bbp)
– 2,4%
– 1,5%
– 1,3%
– 1,2%
– 1,2%
– 3,0%
Indieners
E. Heinen, minister van Financiën