Brief regering : Verslag Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1811
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID
EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2026
Op 26 mei jl. vond de Landbouw- en Visserijraad (hierna: Raad) plaats in Brussel.
Met deze brief informeren wij de Kamer over de uitkomsten van de Raad. Tevens informeert
de staatssecretaris de Kamer over het bereikte akkoord over de EU-Verordening Welzijn
en traceerbaarheid honden en katten.
I. Verslag Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026
Betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffen in de EU – Actieplan Meststoffen
Tegen de achtergrond van schommelende inputprijzen voor boeren, onder andere voor
kunstmest, onder meer door de afsluiting van de Straat van Hormuz, sprak de Raad over
de betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffen in de EU. Dit werd in gezamenlijkheid
besproken met het op 19 mei jl. door de Europese Commissie (hierna: Commissie) gepubliceerde
Actieplan Meststoffen (hierna: Actieplan). Het Actieplan is een vervolg op de Commissiemededeling
uit 2022 ten aanzien van de betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffen. De
daarin genoemde maatregelen zijn nog steeds relevant, maar niet meer toereikend gezien
de huidige geopolitieke situatie. Het Actieplan stelt maatregelen voor op de korte,
middellange en lange termijn. Structurele doelstellingen van het Actieplan zijn het
versterken van de open strategische autonomie van de EU, onder andere door de productie
van meststoffen in de EU op te schalen, de transitie naar duurzame, biologisch en
circulaire meststoffen te versnellen en efficiënt nutriëntenbeheer en -gebruik te
stimuleren. Daarnaast is het bevorderen van voorspelbaarheid en transparantie in de
hele toeleveringsketen door nauwe monitoring van voorraden en marktprijzen en het
faciliteren van dialoog tussen marktpartijen een prioriteit. Op de korte termijn gaf
de Commissie aan de meest zwaar getroffen boeren te kunnen compenseren met de resterende
middelen uit de landbouwreserve van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De
Commissie onderzoekt of dit bedrag (met circa € 200 miljoen) kan worden opgehoogd
uit andere EU-fondsen. De Commissie gaf aan ook meer flexibiliteit te creëren voor
lidstaten in het besteden van GLB-middelen en benoemde de vrijstelling van Most Favoured Nation-tarieven voor kunstmest, de verlaging van de opslag op importtarieven van kunstmest
onder CBAM naar 1%, naast de recente goedkeuring van het tijdelijk staatssteunkader
in verband met prijsschokken.
Verder gaf de Commissie aan het gebruik van bepaalde vormen van digestaten mogelijk
te willen maken in de ruimte voor RENURE onder de Nitraatrichtlijn en in te zetten
op betere implementatie van regels die de bedrijfspraktijk raken, bijvoorbeeld ten
aanzien van kalenderlandbouw. Tot slot gaf de Commissie aan ontwikkelingen op het
gebied van onderzoek en innovatie te willen stimuleren, gezien de kansen voor biogebaseerde
meststoffen.
Lidstaten gaven aan het Actieplan van de Commissie te verwelkomen, maar benadrukten
tegelijkertijd ook dat de voorgestelde maatregelen niet direct de uitdagingen die
worden ervaren, kunnen verhelpen. Meerdere lidstaten gaven aan zorgen te hebben over
het zaaiseizoen van 2027, door de stijgende inputprijzen en daaruit volgend concurrentienadeel
en ook vanwege extreme weersomstandigheden zoals droogte en grote hoeveelheden regen.
Daarom konden de ambities van de Commissie om de productie van meststoffen in de EU
en markttransparantie te bevorderen op veel steun rekenen. Veel lidstaten gaven aan
in te zetten op het verzekeren van productie in de EU, naast het ontwikkelen van alternatieve
meststoffen. Veel lidstaten vroegen of de Commissie kon verhelderen over welke flexibiliteit
geboden zal worden ten aanzien van GLB-middelen.
Nederland bevestigde dat de situatie voor boeren steeds lastiger wordt en gaf aan
tevreden te zijn met de prominente plek van biogebaseerde en circulaire meststoffen
in het Actieplan. Nederland stipte ook de fossiele basis van de kunstmest die boeren
gebruiken aan en pleitte voor een meer economische duurzame inzet. Meerdere lidstaten
deelden dit standpunt met Nederland en gaven aan dat de inzet op een circulaire economie
belangrijk is om het concurrentievermogen van de EU te borgen. Enkele andere lidstaten
gaven aan zorgen te hebben over klimaatinstrumenten zoals het Emission Trading System (ETS-systeem) en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). De kabinetsappreciatie van het Actieplan zal naar verwachting eind juni door
middel van een BNC-fiche met de Kamer worden gedeeld.
Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De Commissie informeerde zoals gebruikelijk de Raad over de laatste handelsontwikkelingen
en de stand van zaken van lopende bilaterale onderhandelingen over handelsakkoorden.
Dit mede tegen de achtergrond van de situatie in het Midden-Oosten en de impact daarvan
op de stijging van kosten voor transport, energie en kunstmest. De Commissie ging
daarbij in op het recent bereikte politieke akkoord tussen het Europees Parlement
en de Raad over de implementatie aan EU-zijde van de Turnberry-deal met de Verenigde Staten, de lopende gesprekken met Canada over dierlijke producten,
de voorbereidingen voor de volgende stappen in het akkoord met Australië en de gesprekken
over o.a. sanitaire en fytosanitaire afspraken met het Verenigd Koninkrijk. Ook werd
de inzet voor de gesprekken met de Verenigde Arabische Emiraten, Thailand en Maleisië
aangestipt. Met betrekking tot het EU-Mercosur-akkoord gaf de Commissie aan dat de
voorlopige toepassing van de handelsafspraken op 1 mei jl. is ingegaan en dat dit
kansen biedt voor de agro-export, terwijl tegelijkertijd de gevoelige landbouwsectoren
worden beschermd. De EU blijft voedselveiligheidsstandaarden strikt monitoren en handhaven.
De negatieve gevolgen van de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten op de inputprijzen
(kunstmest, energie) en de hogere voedselprijzen en inflatie die daar op termijn mogelijk
uit voortvloeien, leidden tot brede zorgen onder lidstaten, waarbij ook verwezen werd
naar de interventies over het Actieplan. Enkele lidstaten pleitten nogmaals voor opschorting
van CBAM voor meststoffen of voor steunmaatregelen. Een aantal lidstaten, waaronder
Nederland, dankte de Commissie voor de doorlopende inzet bij de afspraken met de VS,
waarbij de hoop werd uitgesproken dat de handelsrelatie verder stabiliseert. Ook werd
de voorlopige toepassing van het EU-Mercosur-akkoord verwelkomd waar een enkeling
nog kritisch was. Nederland en een aantal andere lidstaten benadrukten de geopolitieke
relevantie van handelsakkoorden, die bijdragen aan diversificatie van handelsstromen
en het verlagen van kwetsbaarheid op de internationale markten. Een aantal lidstaten
wees de Commissie op het belang van een actualisatie van de eerdere studie naar de
cumulatieve economische effecten van handelsakkoorden op de landbouw uit 2024 (Joint Research Centre, Cumulative economic impact of upcoming trade agreements on
EU agriculture). Het belang van het borgen van de Europese productie- en dierenwelzijnstandaarden
werd door meerdere lidstaten benadrukt, evenals de noodzaak van doorlopende monitoring
door de Commissie en een snel optreden bij problemen. Daarbij wees Nederland ook op
de belangrijke rol die organisaties als de Wereldhandelsorganistatie (WTO) en de Wereldorganisatie
voor Diergezondheid (WOAH) hebben om onder meer concurrentiekracht en hogere standaarden
te borgen. Enkele lidstaten wensten meer actieve promotie van EU-producten richting
derde landen. Nederland pleitte daarbij, conform de motie-Verkuijlen (Kamerstuk 21 501-04, nr. 297), voor een actievere rol die de Europese agro-tech- en kennisexport kan spelen in
het verbeteren van de voedselzekerheid in kwetsbare landen. Tevens vroeg Nederland
aandacht voor heldere communicatie met het bedrijfsleven om beter te kunnen profiteren
van de kansen die handelsakkoorden bieden.
Tot slot werd door meerdere lidstaten expliciet stilgestaan bij de situatie in Oekraïne
en het belang de economie daar te blijven steunen via handelsafspraken. Enkele lidstaten
keken daarbij ook al vooruit naar de EU-toetredingsonderhandelingen met Oekraïne.
Ook werd opgeroepen tot zwaardere maatregelen richting Rusland en Belarus.
Diversenpunt: Herkomstetikettering
Oostenrijk, Italië en Frankrijk agendeerden herkomstetikettering, met een pleidooi
om meer transparantie voor de consument en meer zichtbaarheid voor EU-producenten.
Deze drie lidstaten vroegen de Commissie om zo snel mogelijk te komen met een voorstel
tot een herziening en uitbreiding van de Europese algemene levensmiddelenverordening
over de verplichting van oorsprongsetikettering (Verordening (EU) 1169/2011) naar
zoveel mogelijk levensmiddelen. Deze lidstaten konden rekenen op uitgesproken steun
van 12 andere lidstaten. De lidstaten benoemden daarbij het belang van het vinden
van een balans tussen het informeren van consumenten, het beoogde concurrentievoordeel
en de mogelijke bijkomende administratieve lasten voor producenten en beïnvloeden
van de werking van de interne markt. Nederland pleitte dan ook voor het beter in beeld
krijgen hoe de behoefte van consumenten zich verhoudt tot mogelijke administratieve
lasten door middel van een impactanalyse. Daarnaast gaf Nederland aan voorstander
te zijn van het harmoniseren van wetgeving rondom herkomstetikettering door het aanpassen
van de Europese algemene levensmiddelenverordening.
Diversenpunt: Voortdurende crisis in de zuivelsector
Litouwen vroeg aandacht voor de zuivelsector in Litouwen vanwege sterk dalende melkprijzen,
stijgende kosten (onder andere mest- en brandstofkosten) en marktonzekerheid. Dit
punt kon rekenen op steun van verschillende andere lidstaten, die vroegen aan de Commissie
om snel in te grijpen door bijvoorbeeld particuliere opslag van overschotten mogelijk
te maken, financiële steun uit de EU-landbouwreserves mogelijk te maken en de interventieprijzen
voor boter en magere melkpoeder te herzien. De Commissie toonde begrip voor de situatie
en zei zich bewust te zijn van de lage melkprijzen. Tegelijkertijd gaf de Commissie
aan dat prijzen aan het stabiliseren zijn en de situatie verbetert. De Commissie benadrukte
de markt nauwlettend te blijven monitoren, in te grijpen als dat nodig is en momenteel
een scherpe, maar geen ongebruikelijke marktcorrectie te zien. Nederland heeft niet
geïntervenieerd bij dit punt.
Diversenpunt: Derogatie N+2-regel ELFPO
Bulgarije agendeerde dit voorstel om af te wijken van de N+2 betalingsregel voor het
Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) voor financieel jaar 2026
vanwege de aanhoudende druk op de sector en administratieve lasten. Bulgarije werd
daarin gesteund door acht lidstaten, waarbij één lidstaat de wens te kennen gaf dit
onderwerp te bespreken in de Europese Raad vanwege de samenhang met het Meerjarig
Financieel Kader. De Commissie reageerde met begrip op de zorgen van Bulgarije, maar
wees ook op de mogelijkheden voor lidstaten zelf om de programmering binnen het huidige
GLB aan te passen. Nederland heeft niet geïntervenieerd.
Diversenpunt: Classificering van sojaproductie onder de ILUC-verordening
Oostenrijk uitte kritiek op het voornemen van de Commissie om soja te classificeren
als hoog risico in het kader van de zogenoemde ILUC-wetgeving (indirecte veranderingen
in landgebruik). Een classificatie van soja als hoog-ILUC-risico zou betekenen dat
soja niet zonder meer kan meetellen voor hernieuwbare energiedoelstellingen zoals
vastgelegd in de Richtlijn hernieuwbare energie II (RED II). Volgens Oostenrijk zou
het uniform classificeren van soja uit de EU en van soja van buiten de EU het strategische
belang van soja voor de Europese eiwitstrategie ondermijnen en de importafhankelijkheid
van soja uit derde landen vergroten. Daarnaast wezen een aantal lidstaten erop dat
een dergelijke classificatie zou resulteren in extra administratieve lasten voor Europese
producenten.
Verschillende lidstaten riepen de Commissie daarom op de classificatie te herzien
en soja vanuit de EU, in tegenstelling tot soja uit derde landen, als laag-ILUC-risico
aan te merken. Nederland erkende de zorgen van Oostenrijk, maar gaf tegelijkertijd
ook aan zich nog te beraden op een oplossingsrichting. In haar reactie gaf de Commissie
aan begrip te hebben voor de zorgen van de sector, maar een mondiale aanpak noodzakelijk
te achten, aangezien het juridisch en wetenschappelijk twijfelachtig zou zijn om soja
uit de EU anders te classificeren dan soja van buiten de EU. De Commissie benadrukte
dat de invoering van de classificatie geleidelijk zal verlopen en dat zij werkt aan
een nieuwe eiwitstrategie.
Diversenpunt: Extreme weersomstandigheden – Droogte
Slowakije agendeerde de aanhoudende droogte en de gevolgen voor de landbouwproductie
en verzocht de Commissie om middelen uit de GLB-landbouwreserve beschikbaar te stellen
om compensatie mogelijk te maken. Slowakije kon hierbij rekenen op de bijval van verscheidene
lidstaten, die wezen op de structurele impact van klimaatverandering op productiecapaciteit
en het verwezenlijken van lange termijn oplossingen en flexibiliteit in huidige steunmogelijkheden.
De Commissie benoemde de mogelijkheid van lidstaten om rekening te houden met klimaatverandering
in Nationaal Strategische Plannen en staatssteun. Nederland intervenieerde niet.
Diversenpunt: Bosindicatoren
Zweden, gesteund door meerdere lidstaten, bracht een diversenpunt in over indicatoren
voor en monitoring van duurzaam bosbeheer. In de EU-bosstrategie voor 2030 had de
Commissie aangekondigd om indicatoren voor duurzaam bosbeheer te willen realiseren
voor doelen in relatie tot (bos)gezondheid, biodiversiteit en klimaat. De indieners
benadrukten dat indicatoren voor duurzaam bosbeheer vooral op nationaal, of zelfs
regionaal niveau gesteld moet worden, vanwege de grote verschillen tussen Europese
bossen en het beheer daarvan. De Commissie werd door lidstaten gevraagd aan te tonen
wat de toegevoegde waarde is van het stellen van indicatoren en bandbreedtes in duurzaam
bosbeheer op het niveau van de EU. Deze lidstaten vroegen de Commissie het subsidiariteitsbeginsel
in acht te nemen en om dubbel werk te vermijden. Nederland heeft niet geïntervenieerd
bij dit punt.
De Commissie benadrukte het belang van actief en lokaal beheer van bossen, voor het
bio- en klimaatbeleid in de EU en de multifunctionele functie van bossen in de EU-bosstrategie
voor 2030. Daarnaast gaf de Commissie aan op dit moment geen nieuwe richtsnoeren te
voorzien en nauw te willen samenwerken met de verschillende lidstaten.
Diversenpunt: Terugkoppeling EU-directeurenoverleg GLB
Het Cypriotisch voorzitterschap gaf een terugkoppeling van de EU-directeurenbijeenkomst
GLB, die plaatsvond van 28–30 april jl. in Cyprus. Nederland was ambtelijk vertegenwoordigd
bij deze bijeenkomst, waarbij alle EU-lidstaten aanwezig waren. Tijdens de bijeenkomst
is gesproken over de voortgang van het nationaal strategisch GLB-plan (GLB-NSP) en
het toekomstige GLB als onderdeel van het Nationaal en Regionaal Partnerschapsplan
(NRPP) voor de periode 2028–2034. Nederland heeft dit punt aangehoord.
Diversenpunt: Terugkoppeling EU-directeurenoverleg bos(bouw)
Het Cypriotisch voorzitterschap gaf een terugkoppeling van de EU-directeurenbijeenkomst
bos(bouw), die plaatsvond van 27–29 april jl. in Cyprus. Nederland was ambtelijk vertegenwoordigd
bij deze bijeenkomst, waarbij 23 EU-lidstaten aanwezig waren. Tijdens de bijeenkomst
is gesproken over bosbrandbeheersing in combinatie met biodiversiteitsbehoud. De Commissie
benadrukte ook hier het verband tussen natuurbeheer, veerkracht en preventie van natuurbranden.
Nederland heeft dit punt aangehoord.
Diversenpunt: Aalscholvers
Tsjechië vroeg onder dit diversenpunt, met steun van tien andere lidstaten, om de
ontwikkeling van een gezamenlijk beheerplan van de aalscholver. Volgens Tsjechië is
de populatie aalscholvers in sommige Europese regio’s dermate toegenomen dat er toenemende
druk ontstaat op de visserij- en aquacultuursector en op watersystemen in verschillende
lidstaten. Het European Inland Fisheries and Aquaculture Advisory Commission (EIFAAC) van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Natie (FAO), heeft
een kader opgesteld voor een beheerplan van de aalscholver, dat volgens de bedoelde
lidstaten de basis kan zijn van een Europees beheerplan. Deze lidstaten wezen op het
belang van stakeholderbetrokkenheid en regionale coördinatie tussen lidstaten bij
de verdere uitwerking. Zeven lidstaten gaven mondeling steun tijdens de Raad. Nederland
heeft begrip getoond voor de schade die de aalscholvers in verschillende lidstaten
veroorzaken en heeft daarbij steun uitgesproken voor de ontwikkeling van een gezamenlijke
aanpak, op basis van wetenschappelijke onderbouwing. In lijn met de aangenomen motie
Kostic en Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756) heeft Nederland daarbij aangegeven dat het verplicht doden van aalscholvers geen
onderdeel kan zijn van een beheerplan en dat het op dit moment te vroeg is om een
besluit te nemen over het bejaagbaar maken van de aalscholver onder Annex II van de
Vogel- en Habitatrichtlijn. In reactie hierop gaven enkele lidstaten aan dat zij enkel
vragen om oplossingen om aalscholverpopulaties in specifieke gebieden beter te kunnen
beheren, omdat de sterk gegroeide populaties in sommige gebieden disproportioneel
veel schade opleveren, zowel economisch als ecologisch. Het beheer zou de bescherming
van de aalscholverpopulatie niet in de weg mogen zitten en altijd op vrijwillige basis
zijn. Deze lidstaten gaven aan dat zij vinden dat de huidige wetgeving onvoldoende
mogelijkheden biedt voor effectief beheer en dat daarom aanpassing van de wetgeving
nodig is. Eurocommissaris Roswall erkende de problematiek in sommige EU-lidstaten
en beaamde dat een gezamenlijke aanpak op EU-niveau voordelen heeft boven een aanpak
op lidstaatniveau. De Commissie wil dit proces faciliteren op basis van wetenschappelijke
informatie. Daarnaast gaf de Eurocommissaris aan dat er ook oog moet blijven voor
andere drukfactoren op visbestanden, zoals overbevissing, milieuvervuiling en habitatdegradatie.
II. EU-Verordening Welzijn en traceerbaarheid honden en katten
Op 22 mei jl. heeft de Raad Buitenlandse Zaken ingestemd met de EU-Verordening inzake
het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten. De verordening stelt communautaire
eisen voor welzijn en gezondheid van honden en katten bij fok en handel, alsmede eisen
aan de traceerbaarheid.
Deze stemming volgde nadat het Europees Parlement op 28 april jl. in eerste lezing
zijn standpunt over de overeengekomen tekst conform de in december jl. door de Raad
goedgekeurde compromistekstversie had vastgesteld.
De verordening zal 20 dagen na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie
in werking treden. Twee jaar na deze datum zal de verordening daadwerkelijk van toepassing
zijn, waarbij enkele artikelen later van toepassing zullen worden, zoals de artikelen
die nog worden uitgewerkt in gedelegeerde handelingen.
Deze verordening is de eerste op EU-niveau op het gebied van dierenwelzijn bij honden
en katten en betekent een belangrijke verbetering voor het dierenwelzijn van honden
en katten in Europa. Door EU-brede harmonisatie van standaarden ten aanzien van traceerbaarheid,
welzijn en fokkerij zal illegale handel effectiever bestreden kunnen worden en zal
het dierenwelzijn in alle lidstaten beter geborgd zijn. In de eerstvolgende verzamelbrief
«Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» zal de Kamer nader worden geïnformeerd
over deze verordening.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
J. van Essen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur