Brief regering : Voortgang nieuwe regeling zorgkosten onverzekerden en aanpak onverzekerdheid
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 198
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
Bij brief1 van 18 december 2024 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de ambities om:
1. fraude met de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV)
en regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV) aan te pakken;
2. de SOV en OVV te harmoniseren in één nieuwe regeling;
3. onverzekerdheid waar mogelijk te verminderen;
4. de taakstelling van structureel € 40 mln op de SOV per 2027 in te vullen.
Met de brief2 van 3 juli 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze ambities.
In deze brief wordt de Tweede Kamer opnieuw geïnformeerd over de voortgang en reageert
dit kabinet op een aantal moties.
Inleiding
Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid is gebouwd op solidariteit: als samenleving
dragen we collectief zorg voor iedereen die in Nederland woont of werkt. Daar hoort
wederkerigheid bij: van iedereen wordt verwacht dat hij of zij deelneemt aan het stelsel
en het beroep op collectieve middelen beperkt tot het noodzakelijke.
Toch valt een groep mensen buiten dit stelsel. Het gaat onder meer om dak- en thuisloze
mensen die niet staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), om arbeidsmigranten
die na verlies van werk (en bijgevolg vaak ook huisvesting) ook hun zorgverzekering(srecht)
kwijtraken, en om vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die geen zorgverzekering
kúnnen afsluiten. Deze mensen moeten in beginsel zelf hun zorgkosten dragen, maar
kunnen dat in de praktijk vaak niet. Het gevolg is bijvoorbeeld dat zij niet bij een
huisarts staan ingeschreven, mede daarom noodzakelijke zorg uitstellen of mijden.
Dat schaadt niet alleen hun eigen gezondheid, maar kan ook leiden tot duurdere zorg
wanneer zij bijvoorbeeld in een acute setting toch zorg nodig hebben.
Door onverzekerdheid terug te dringen, wordt de toegang tot zorg voor een deel van
deze groepen verbeterd. Het bieden van informatie over en het terugdringen van onverzekerdheid
is daarmee een doorlopende opdracht van de overheid, maar die hangt voor een groot
deel ook samen met de aanpak van problemen bij andere domeinen dan de zorg (die per
subdoelgroep verschilt). Bij arbeidsmigranten gaat het bijvoorbeeld om betere registratie
en het bestrijden van misstanden bij uitzendbureaus en werkgevers. Bij dak- en thuisloze
mensen staat het bieden van huisvesting en een stabiel perspectief centraal.
Bij onverzekerbare vreemdelingen speelt het bieden van duidelijkheid over terugkeer
of een ander duurzaam perspectief.
Nederland is een land dat in zijn zorgstelsel ook uitgaat van barmhartigheid jegens
kwetsbare mensen. Zorgprofessionals bieden medisch noodzakelijke zorg, ook wanneer
diegene niet verzekerd is, c.q. onvoldoende middelen heeft om die zorg zelf te betalen.
Om ervoor te zorgen dat zorgaanbieders niet met onbetaalde rekeningen blijven zitten
wanneer zij deze medisch noodzakelijke zorg verlenen aan mensen zonder zorgverzekering
en met onvoldoende eigen middelen, heeft de overheid twee vangnetregelingen in het
leven geroepen. De SOV biedt zorgaanbieders sinds 2017 een subsidie voor de kosten
van zorg aan onverzekerde personen bij wie die kosten niet verhaalbaar zijn. De OVV,
gebaseerd op artikel 122a van de Zorgverzekeringswet, voorziet in een bijdrage voor
zorg aan vreemdelingen die geen zorgverzekering kunnen afsluiten. Beide regelingen
richten zich niet op de patiënt, maar op de zorgaanbieder: de regelingen nemen de
financiële drempel weg die het verlenen van zorg aan deze groepen anders zou belemmeren.
De SOV en de OVV vormen zo het sluitstuk van het zorgstelsel – een uitdrukking van
het principe dat niemand verstoken mag blijven van noodzakelijke zorg. Het is aan
de medisch professional om te beoordelen of daar sprake van is. Tegelijkertijd moet
dit vangnet houdbaar blijven en in verhouding staan tot wat de samenleving als geheel
kan dragen.
1. Aanpak fraude SOV en OVV
In de brief van 18 december 2024 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de fraude met
de SOV en OVV die is geconstateerd door de NLA en IGJ. Een werkgroep van VWS met betrokken
partijen heeft naar aanleiding hiervan de kwetsbaarheden geanalyseerd en in het najaar
van 2025 korte- en lange termijn aanbevelingen gedaan. Dit heeft geleid tot extra
controles c.q. verificatieverplichtingen in de uitvoering bij het CAK, waardoor reeds
€ 2,5 mln verdachte declaraties zijn aangehouden. Daarnaast worden de SOV en OVV per
1 juli 2026 gewijzigd, waardoor het CAK extra bewijsstukken mag opvragen bij nieuwe
zorgaanbieders. De verwachting is dat hiermee vanaf 2027 jaarlijks circa € 5 mln aan
fraude wordt voorkomen. Voor de langere termijn wordt onder andere gekeken naar een
uitbreiding van contractering van zorg, het inregelen van toezicht en het mogelijk
maken van materiële controles. Hierbij wordt gezocht naar een balans tussen fraude,
uitvoerbaarheid en administratieve lasten, en daarmee de mate waarin we kunnen werken
vanuit een «high trust regeling». Dit loopt mee met de uitwerking van de nieuwe regeling
2. Nieuwe regeling zorgkosten onverzekerden
Op advies van het CAK en veel zorgaanbieders wordt gewerkt aan een nieuwe regeling
voor de kosten van zorg aan onverzekerde personen (waaronder ook vreemdelingen zonder
rechtmatig verblijf) waarin de huidige SOV en OVV worden samengevoegd. De ambitie
is om de nieuwe regeling per 2028 in werking te laten treden.
Ten behoeve van deze nieuwe regeling heeft de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg
van het Erasmus MC onderzoek3 gedaan naar de wijze waarop de zorg aan onverzekerden doelmatiger en binnen één regeling
kan worden gefinancierd en hoe de zorg aan onverzekerden in enkele andere Noordwest-Europese
landen is georganiseerd. Het onderzoek bestaat uit een literatuurstudie en een Delphi
studie met anonieme vragenlijstrondes onder onder andere zorgverleners.
Op basis van de reacties van de respondenten en de literatuur lijken de OVV en SOV
grotendeels effectief ten aanzien van het wegnemen van onzekerheid bij zorgverleners
over de vergoeding van zorg aan onverzekerde patiënten. Er is wel vaak twijfel over
welke regeling gebruikt dient te worden. De harmonisatie wordt daarom door de respondenten
als positief ervaren, mits duidelijk is welke patiënten er onder de regeling vallen.
Daarbij geven de respondenten aan dat ze graag zien dat de vergoede zorg de Wet langdurige
zorg en het hele basispakket omvat, met idealiter ook enkele uitbreidingen zoals basistandzorg.
Het vergoedingspercentage zien ze graag kostendekkend. De administratieve lasten dienen
zo beperkt mogelijk te zijn door middel van een volledig gedigitaliseerd en geautomatiseerd
declaratieproces. Een eventuele administratieve verplichting om de verblijfsduur van
de onverzekerde patiënt aannemelijk te maken wordt onhaalbaar c.q. onwenselijk geacht.
Hierbij wordt opgemerkt dat dit nooit de bedoeling is geweest en dat zorgaanbieders
bij het bepalen van passende zorg al rekening houden met de verblijfsduur van patiënten
(tevens onderdeel van de richtlijn van commissie Klazinga4). Verder moet het duidelijk zijn hoe een inspanningsverplichting om na te gaan of
de onverzekerde patiënt (deels) zelf kan betalen, ingevuld dient te worden. Voorlichting
en (in opleidingen ingebedde) scholing zijn nodig om de bekendheid van en met de gecombineerde
regeling te waarborgen. Tot slot is geconcludeerd dat de zorgfinanciering voor onverzekerden
in Duitsland, België, Frankrijk en Ierland wat betreft complexiteit vergelijkbaar
is met Nederland of complexer. De regelingen in Nederland bieden betere toegang tot
zorg aan onverzekerden dan in onze direct aangrenzende landen. De toegang tot zorg
aan onverzekerden in Nederland behoort (samen met Frankrijk) tot de landen met de
beste toegang.
De afgelopen periode heeft VWS mede aan de hand van het bovengenoemde onderzoek de
volgende bouwstenen onderkend:
• Instrument: Voor het verstrekken van een vergoeding voor zorgkosten zijn verschillende juridische
instrumenten mogelijk, zoals subsidie, aanbesteding of het open-house-model. De verschillende
opties kennen ook verschillende voor- en nadelen (bijvoorbeeld t.a.v. fraude en uitvoeringslasten)
en worden daarom momenteel door het CAK per deelsector gewogen.
• Dekking: In lijn met het advies van de commissie Klazinga blijft het uitgangspunt, voor wat
betreft de dekking, het basispakket (hierbij kijken we nog naar uitzonderingen voor
zorg die overduidelijk geen medisch noodzakelijke zorg betreft). De beperking die
deze commissie noemt is bij verwacht kort verblijf, waarbij zorg die uitgesteld kan
worden, beperkt kan worden gehouden. Dit is aan de arts.
Daarnaast wordt de reikwijdte van de dekking voor langdurige zorg verkend in combinatie
met in te vullen randvoorwaarden en flankerend beleid, zoals ofwel het in verzekering
brengen van een persoon dan wel door in te zetten op terugkeer naar het land van herkomst
(en hiermee naar het sociale zekerheids- en zorg systeem van het desbetreffende land).
Om die reden wordt de vergoeding van zorgrepatriëring verkend. Op advies van de werkgroep
«aanpak fraude» zal in overleg met zorgaanbieders worden gekeken naar specifieke fraudegevoelige
behandelprestaties.
• Vergoeding: De vergoedingspercentages van de huidige regelingen variëren. De SOV vergoedt 100%
van de passantentarieven, de OVV 80% voor de eerste lijn en 80% tot 100% voor de tweede
lijn. Het uitgangspunt is om deze vergoedingen meer te harmoniseren waarbij ook rekening
wordt gehouden met de beschikbare middelen in de Rijksbegroting. Tegelijk valt in
de gesprekken met zorgaanbieders op dat er verschillen zijn tussen deelsectoren en
soms ook tussen zorgaanbieders binnen een deelsector. Bijvoorbeeld ten aanzien van
het percentage onverzekerde patiënten van de totale patiëntenpopulatie, de hoeveelheid
meerkosten, de complexiteit van de zorgvraag door bijkomende problematiek en de mogelijkheden
om de zorgkosten te kunnen verhalen op de patiënt. Bij het bepalen van de hoogte van
de vergoeding zal met het CAK worden verkend of rekening moet en kan worden gehouden
met deze verschillen tussen deelsectoren.
3. Aanpak onverzekerdheid
In de inleiding van deze brief is toegelicht dat onverzekerdheid met name kan worden
aangepakt door de specifieke problemen van subgroepen onverzekerde personen (die veelal
buiten de zorg liggen) aan te pakken. Dat komt ook naar voren in de verschillende
onderzoeken die de afgelopen periode zijn verschenen naar onverzekerdheid, en in bredere
context de toegang tot zorg voor onverzekerde personen. Bijvoorbeeld het onderzoek
van de IGJ5 waarin er vanuit patiëntperspectief is gekeken naar de toegang tot zorg voor onverzekerden.
Bekend is ook het onderzoek door het Erasmus MC6, in samenwerking met het Fonds Achterstandswijken (FAW) en de Ombudsman Rotterdam-Rijnmond
(ORR), waarin aan de hand van tien casussen geïllustreerd wordt welke knelpunten er
in de praktijk zijn rond de zorg aan onverzekerde personen.
In aanvulling hierop heeft adviesbureau Zorgvuldig Advies onderzoek7 gedaan naar de wijze waarop bestaande landelijke en regionale programma’s en plannen
(indirect) bijdragen aan het verminderen van onverzekerdheid en welke aanvullende
maatregelen genomen kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het Plan van aanpak Kortdurende
opvang dakloze EU-burgers8. Doordat werkloze EU-burgers kort worden opgevangen en intensieve begeleiding krijgen
(terug) naar werk (en daarmee verzekerbaar worden voor de Zvw) of bij terugkeer naar
het
land van herkomst (en zich weer kunnen inschrijven in de sociale zekerheid van het
land van herkomst), wordt indirect ook gewerkt aan het terugdringen van onverzekerdheid.
Uit berekeningen volgt dat dit plan cumulatief over enkele jaren tot circa € 7 mln
aan lagere kosten voor de SOV kan leiden. Een bedrag wat in potentie hoger kan worden.
Voor Nederlandse dakloze personen (die verzekeringsplichtig zijn in Nederland) geldt
dat zij eerst geholpen moeten worden met een woning of een briefadres en de bredere
toegang tot de sociale zekerheid (bijvoorbeeld de zorgtoeslag), voordat ze een zorgverzekering
kunnen afsluiten. De onderzoekers concluderen dat met explicietere en op de doelgroep
afgestemde aandacht voor de zorgverzekering en onverzekerdheid bestaande programma’s
en initiatieven kunnen bijdragen aan het terugdringen van onverzekerdheid. De onderzoekers
wijzen bijvoorbeeld op het belang van informatievoorziening, zoals de WorkinNl-punten,
en voorlichting over de zorgverzekering.
Het beeld uit de verschillende onderzoeken wordt bevestigd in gesprekken met onverzekerde
personen en verschillende stakeholders in de schil om hen heen. Denk aan zorgverleners,
brancheverenigingen, straatartsen en zorgverzekeraars. Overeenkomstig de eerdergenoemde
onderzoeken volgt ook uit deze gesprekken het beeld van de correlatie tussen onverzekerdheid
en kwetsbaarheid en de multiproblematiek in andere leefgebieden dan de zorg. Als mensen
zich in een kwetsbare positie bevinden en daarmee onder andere onverzekerd zijn geraakt
of dreigen te raken is dit zorgelijk. Om dat te voorkomen is het dan ook van belang
dat er blijvend vanuit verschillende domeinen gewerkt wordt aan de onderliggende oorzaken
die bijdragen aan kwetsbaarheid en multiproblematiek. Dit kabinet verkent bijvoorbeeld
welke concrete acties op lange termijn genomen kan worden in het Interdepartementaal
Projectteam Arbeidsmigranten (IPA) om onverzekerdheid bij de doelgroep arbeidsmigranten
te voorkomen en verminderen, zoals het versterken van de communicatie over de zorgverzekering
bij de WorkinNL-punten. Het hebben van een zorgverzekering is ook een instrument om
de toegang tot zorg te verbeteren, en daardoor escalatie van een zorgbehoefte zoveel
mogelijk te voorkomen en passende zorg te kunnen bieden.
Naast deze meer lange termijn verkenning worden op korte termijn de volgende maatregelen
ondernomen:
• Blijvende ontwikkeling en verbetering van (meertalige) voorlichtingsproducten (samen
met expertisecentrum SKGZ) gericht op zowel onverzekerde personen als op de professionals
om hen heen (zorgverleners, sociaal werkers, etc.). Deze voorlichting wordt gericht
op onverzekerdheid, de verzekeringsplicht en de vergoedingsregelingen voor zorgprofessionals.
• Er wordt geïnvesteerd in het faciliteren van lokale samenwerkingsafspraken rondom
zorg aan onverzekerde personen. Daarbij helpt onder andere de aanstaande wijziging
van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 op basis waarvan zorgaanbieders en
gemeenten gegevens van onverzekerde personen kunnen uitwisselen9.
• Er wordt uitvoering gegeven aan het amendement Westerveld en Beckerman10, namelijk het verstrekken van subsidie aan de Nederlandse Straatdokters Groep (NSG).
Met deze subsidie ontvangt de NSG onder andere middelen om verschillende activiteiten
voor de (regionale) organisatie van straatzorg voort te zetten. Daarbij kijkt het
kabinet ook naar hoe dergelijke activiteiten (in de regio) structureel kunnen worden
voortgezet.
Hierin zal in afstemming met de NSG ook uitvoering worden gegeven aan de motie van
lid Westerveld, over een plan om eerstelijnszorg voor dakloze mensen in alle GGD-regio’s
aan te bieden (Kamerstuk 36 600-XVI, nr. 187). Hiertoe is de afgelopen periode, in samenwerking met GGD GHOR Nederland, een inventarisatie
uitgezet onder alle 25 GGD-regio’s. Deze inventarisatie, en het straatzorgoverzicht van de NSG, schetsen het beeld dat er in meer dan 80% van de regio’s een aanbod voor
zorg aan dakloze mensen is zoals bijv. een daklozenspreekuur (al dan niet vanuit de
GGD’en zelf). In die regio’s waar er (nu nog) geen aanbod is, worden plannen verkend
en/of zijn er al initiatieven of organisaties actief die activiteiten ondernemen richting
deze doelgroep.
4. Invulling taakstelling SOV
De afgelopen jaren zijn de uitgaven aan de SOV gestegen naar € 115 miljoen euro in
2026 en voor de OVV naar € 77 mln in 2026. Dit zijn ramingen van het CAK. Dit kabinet
kijkt breed hoe we de zorg betaalbaar kunnen houden. Dat geldt ook voor deze open-einde-regelingen.
Dit kabinet vindt het redelijk om aan de in deze brief genoemde ambities te blijven
werken vanuit een taakstelling. Hierbij wordt opgemerkt dat een deel van de ambities
vaak pas op langere termijn doorwerken in lagere kosten voor de SOV (en OVV). Op korte
termijn leveren de inspanningen om fraude met de SOV en OVV aan te pakken besparingen
op die worden ingeboekt voor 2027, namelijk 5 miljoen euro. Het besluit is genomen
om voor 2027 een besparingsverlies van 35 miljoen euro te verwerken in de begroting
van het Ministerie van VWS. Voor 2028 zal opnieuw worden bekeken op welke wijze de
resterende taakstelling kan worden bereikt. Daarbij zal ook gekeken worden welke maatregelen
direct en indirect leiden tot minder onverzekerdheid en daarmee tot lagere kosten
voor de SOV en OVV.
5. Moties
De motie Daniëlle Jansen en Van den Hil11 verzoekt de regering uit te werken op welke wijze kan worden voorkomen dat dakloze
mensen hun zorgpolis verliezen door uitschrijving van hun briefadres en hierop te
acteren, en de Kamer voor 15 juni 2026 te informeren over de voortgang hiervan.
Bij uitschrijving van het briefadres gaat het vaak om mensen die niet meer voor de
overheid bereikbaar zijn en die na gedegen adresonderzoek door gemeenten in de BRP
als «vertrokken onbekend waarheen» worden geregistreerd. Zij zijn in veel gevallen
niet (meer) verzekeringsplichtig. Zorgverzekeraars hanteren werkwijzen die verkeerd
gebruik van de zorgverzekering door «ten onrechte verzekerden» voorkomen. Hierdoor
is niet altijd te voorkomen dat dak- en thuisloze mensen soms worden uitgeschreven
bij uitschrijving van hun briefadres. Er is bij zorgverzekeraars beleid voor verzekerden,
zoals bijv. dak- en thuisloze mensen, die geen adres hebben. In het kader van de aanpak
onverzekerdheid wordt ook gewerkt aan de intensivering van informatievoorziening hierover.
Uit de recente evaluatie12 van het Ministerie van BZK blijken verschillende aanbevelingen rond het briefadressenbeleid,
die ook kunnen helpen onverzekerdheid te voorkomen (als gevolg van het ontbreken van
een adres), zoals eenduidig nationaal beleid, richtlijnen voor gemeenten en het borgen
van een redelijke termijn voor aanvraagafhandeling. Dit voorkomt echter niet volledig
dat dakloze mensen hun zorgpolis verliezen door uitschrijving van hun briefadres.
Deze situatie kan dus wel worden verminderd. Dit kabinet beschouwt deze motie als
uitgevoerd.
De motie Dobbe13 verzoekt de regering om in overleg met straatartsen, maatschappelijke organisaties
die zich inzetten voor onverzekerde mensen en zorgaanbieders, met een actieplan te
komen om de toegang van onverzekerde mensen tot de zorg te verbeteren.
Het Ministerie van VWS heeft mede naar aanleiding van deze motie onderzoeken bestudeerd,
een onderzoek laten uitvoeren en gesprekken gevoerd. In de verschillende onderzoeken
en gevoerde gesprekken wordt bevestigd dat de toegang tot de zorg vooral wordt verbeterd
als wordt gewerkt aan de onderliggende- en bijkomende problematiek die verschilt per
subgroep. Onverzekerdheid en eventuele onbekendheid met de SOV en OVV bij zorgaanbieders
zijn maar beperkt de oorzaken van de verminderde toegang. Dat laat onverlet dat ook
hieraan wordt gewerkt, zoals in deze brief is toegelicht. Dit kabinet beschouwt deze
motie nog niet als uitgevoerd, omdat nog verder wordt verkend welke maatregelen mogelijk
zijn. Hierover zal het Ministerie van VWS in gesprek blijven met betrokken partijen.
De Motie Daniëlle Jansen c.s.14 verzoekt de regering om in de voortgangsbrief van de nieuwe regeling, die voor de
zomer wordt verwacht, per maatregel concreet aan te geven welk bedrag aan besparing
wordt verwacht, een onderbouwing te geven van de haalbaarheid van die besparing, en
de gevolgen voor de verschillende subgroepen van onverzekerden in kaart te brengen.
Voor 2027 is besloten € 5 mln als besparing en € 35 mln als besparingsverlies te boeken.
Voor 2028 en verder zal opnieuw worden bekeken op welke wijze de resterende taakstelling
kan worden bereikt. Hierbij wordt altijd per maatregel concreet aangegeven welk bedrag
aan besparing wordt verwacht, een onderbouwing te geven van de haalbaarheid van die
besparing, en de gevolgen beschreven voor de verschillende subgroepen van onverzekerden.
Dit kabinet beschouwt deze motie als uitgevoerd.
De motie Daniëlle Jansen15 verzoekt de regering om onderzoek te doen naar de relatie tussen niet-verleende,
medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden en de gezondheidsschade en maatschappelijke
kosten die daaruit voortvloeien.
Er zijn reeds veel nationale en internationale onderzoeken gedaan de relatie tussen
niet verleende medisch noodzakelijke zorg en de daaruit voortvloeiende kosten en effecten
(bij specifiek ook dakloze- en thuisloze mensen). Op dit moment is het Ministerie
van VWS in gesprek met onderzoeksinstituten over de meerwaarde van een aanvullend
onderzoek. Deze motie is daarom nog niet uitgevoerd.
De motie Dijk en Dobbe16 verzoekt de regering om bij het opstellen van een nieuwe regeling ervoor te zorgen
dat alle mensen in Nederland toegang houden tot alle medisch noodzakelijke zorg.
Volgens de Commissie Klazinga is medisch noodzakelijke zorg «verantwoorde en passende
zorg» die doeltreffend en doelmatig is, patiëntgericht wordt verleend en afgestemd
is op de reële behoefte van de patiënt – dit kan in beginsel alle zorg omvatten die
ook onderdeel is van het reguliere basispakket. Zoals aangegeven in deze brief is
het basispakket het uitgangspunt voor de dekking van de nieuwe regeling (waarbij nog
wel naar uitzonderingen wordt gekeken voor zorg die overduidelijk geen medisch noodzakelijke
zorg is). Dit kabinet beschouwt deze motie als uitgevoerd.
De motie Westerveld17 verzoekt de regering om bij de uitwerking van de nieuwe regeling het belang van patiënten
en zorgverleners centraal te stellen en te garanderen dat artsen hun werk conform
de artseneed kunnen uitvoeren en niet met extra werk belast worden. Bij de uitwerking
van de nieuwe regeling worden de belangen van patiënten en zorgverleners centraal
gezet en worden zij betrokken bij de uitwerking, maar zal ook het collectieve belang
worden meegewogen, zoals de betaalbaarheid. Ook moet fraude zoveel mogelijk worden
aangepakt waardoor het niet is uit te sluiten dat de administratieve lasten weer iets
zullen stijgen. Dit kabinet merkt hierbij wel op dat de laatste jaren de administratieve
lasten sterk zijn verminderd en dat door de digitalisatie van het declareren van de
zorgkosten, de administratieve lasten op veel punten zelfs lager zijn dan voor verzekerde
personen. Dit kabinet beschouwt deze motie als uitgevoerd, omdat, zoals de motie verzoekt,
bij het uitwerken van de nieuwe regeling het belang van patiënten en zorgverleners
centraal wordt gesteld en zoveel als mogelijk administratieve lasten worden voorkomen.
Met deze regeling wordt bevorderd dat artsen hun artseneed kunnen uitvoeren, omdat
gederfde inkomsten voor zorg uit het basispakket kan worden gedeclareerd bij het CAK.
De motie Westerveld18 verzoekt de regering met GGD-GHOR Nederland in kaart te brengen in welke regio's
deze vorm van medische zorg nog niet beschikbaar is en een plan te maken zodat deze
vorm van zorg wel in alle 25 GGD-regio's wordt aangeboden. Het Ministerie van VWS
heeft in samenwerking met GGD GHOR Nederland het aanbod van zorg aan dak- en thuisloze
mensen in beeld gebracht. Het vervolg hierop is onderdeel van de subsidie aan de NSG.
Deze motie is daarom nog in uitvoering.
Tot slot
Uw Kamer ontvangt in het voorjaar van 2027 een derde voortgangsbrief.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Indieners
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport