Brief regering : Uitvoering moties van de leden Rajkowski en Bontenbal inzake artikel 8 EVRM (Kamerstuk 36600-XX-17)
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3564
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2026
Met het van kracht worden van het Asiel- en Migratiepact en de beoogde wijzigingen
volgend uit de Wet Tweestatusstelsel, zijn veel ingrijpende veranderingen ophanden
voor het asielstelsel en de bijbehorende uitvoeringsprocessen. Een van de te verwachten
gevolgen is een toename van het aantal beroepen op artikel 8 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Mede in het licht daarvan heeft uw Kamer een van mijn ambtsvoorgangers op 7 november
2024 per motie van de leden Rajkowski (VVD) en Bontenbal (CDA)1 opgeroepen om een Werkinstructie 8 EVRM op te stellen, die voor zowel aanvragers
als de uitvoerende ambtenaren kan bijdragen aan de snelle en rechtvaardige behandeling
van deze aanvragen.
Met uw Kamer deel ik het belang van een helder en goed toepasbaar uitvoeringskader.
De Werkinstructie 8 EVRM is dan ook onderworpen aan een volledige herziening. In deze
brief informeer ik u daar verder over.
Herziening Werkinstructie
Mede naar aanleiding van de motie van de leden Rajkowski en Bontenbal en de verwachting
van een toename van het aantal beroepen op artikel 8 EVRM die ik met uw Kamer deel,
is de Werkinstructie 8 EVRM onderworpen aan een volledige herziening.2 Daarbij zijn de volgende overwegingen centraal gezet.
Het is een taak van de overheid om publieke voorzieningen, zoals zorg en onderwijs
betaalbaar aan te bieden, maar ook om beleid op economische en maatschappelijke ambities
te voeren en de publieke ruimte te verdelen.3 Om het economische belang en de brede welvaart te beschermen, hanteert Nederland
strikte eisen en strenge wettelijke kaders voor toelating en verblijf. Enkel wanneer
wordt voldaan aan deze eisen wordt de vreemdeling toelating en verblijf toegestaan.
Vreemdelingen die niet voldoen aan het op hen van toepassing zijnde verblijfskader,
of voor wie geen wettelijk toelatingskader bestaat, hebben geen recht op toelating
en verblijf in Nederland, tenzij dat in een zeer bijzonder geval in strijd is met
artikel 8 EVRM. Van een zeer bijzonder geval zal echter niet snel sprake zijn. Het
Nederlands wettelijk toetsingskader is ontworpen in overeenstemming met artikel 8
EVRM. Het algemene belang bij een effectief toelatings- en vreemdelingenbeleid weegt
dan ook zwaar. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het individuele belang
van de vreemdeling zwaarder wegen. De vernieuwde Werkinstructie dient de ambtenaren
te ondersteunen in de eenvoudigere en rechtvaardige uitvoering van dit toelatingsbeleid.
Individuele toetsing van ongehuwden onder artikel 8 EVRM
Naar aanleiding van de toezegging tijdens het debat over de asielnoodmaatregelenwet,
de Wet uitvoering tweestatusstelsel en de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal
verblijf in de Eerste Kamer op maandag 13 april jl. en dinsdag 14 april jl., is samen
met de IND de huidige werkinstructie over de toepassing van artikel 8 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bezien.
In de werkinstructie is opgenomen dat de IND in ieder geval aanneemt dat sprake is
van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen partners die een reële
en in voldoende mate met een huwelijk op één lijn te stellen relatie (homo- of heteroseksueel)
onderhouden.4 Daarbij geldt dat een niet-huwelijkse partnerrelatie in ieder geval met een huwelijk
gelijk te stellen is wanneer deze een duurzaam karakter heeft. Indien er niet aannemelijk
wordt gemaakt dat de relatie een duurzaam karakter heeft, moeten de referent en de
vreemdeling nader onderbouwen waarom de relatie toch voldoende lijkt op een huwelijk
om familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aan te nemen.
Gelet op de toezegging die ik aan uw Kamer heb gedaan, is in de Werkinstructie aangepast
dat het geen vereiste is dat er sprake is van een huwelijk om familie- en gezinsleven
in de zin van artikel 8 EVRM aan te nemen. Deze aanpassing is gelijktijdig met deze
brief gepubliceerd en hiermee is de toezegging afgedaan.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie