Brief regering : Voortgang modernisering staatsnoodrecht
29 668 Beleidsplan Crisisbeheersing
26 956
Beleidsnota Rampenbestrijding
Nr. 74
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van het traject modernisering
staatsnoodrecht, zoals ook toegezegd door de voormalig Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid, namens de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid, tijdens het
commissiedebat Staats- en bestuursrecht van 11 december 2025. De Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid heeft daarbij toegezegd dat in deze brief wordt meegenomen
welke stappen al gezet zijn en welke stappen nog genomen moeten worden, de prioriteiten
wat betreft het dreigingsniveau daarbij en de in het verleden voorgenomen inzet van
noodbevoegdheden uit de Vreemdelingenwet 2000. Met deze brief doe ik deze toezeggingen
gestand.
In deze brief worden de waarborgen tegen oneigenlijk gebruik van staatsnoodrecht uiteengezet.
Vervolgens wordt ingegaan op de toezegging om in te gaan op de in het verleden voorgenomen
inzet van noodbevoegdheden uit de Vreemdelingenwet 2000. Daarna wordt per departement
ingegaan op de voortgang van de modernisering van het staatsnoodrecht in het afgelopen
jaar en de beoogde planning voor komend jaar waarbij alle departementen rekening houden
met de Rijksbrede Risicoanalyse (RbRa).
Tot slot heeft de Staatssecretaris tijdens het commissiedebat in december toegezegd
de Raad van State om advies te vragen over de invulling van het begrip «buitengewone
omstandigheden» in het kader van waarborgen rondom het inzetten van het staatsnoodrecht.
Dit verzoek heb ik inmiddels aan de Afdeling advisering van de Raad van State gedaan.
Een afschrift van het verzoek daartoe treft u aan als bijlage bij deze brief.
Waarborgen staatsnoodrecht
Bij brief van 6 december 2022 is het stelsel van staatsnoodrecht eerder aan de Tweede
Kamer uiteengezet.1 Tijdens het commissiedebat over staats- en bestuursrecht van 11 december 2025 bleek
dat in uw Kamer met name zorgen bestaan of er wel voldoende waarborgen bestaan tegen
oneigenlijk gebruik van de zogenaamde separate toepassing van één of meerdere bepalingen
van staatsnoodrecht, buiten een noodtoestand.
Systematiek
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de noodzaak om niet elke buitengewone bevoegdheid
pas in werking te kunnen stellen na het uitroepen van een noodtoestand, heeft geleid
tot de keuze separate toepassing mogelijk te maken. Dat betekent dat één of meerdere
bepalingen uit het staatsnoodrecht in werking kunnen worden gesteld zonder eerst een
noodtoestand uit te roepen. Deze mogelijkheid is bedoeld voor situaties waarin zich
buitengewone omstandigheden voordoen die niet zo ernstig zijn dat zij tot afkondiging
van een noodtoestand hoeven te leiden, maar die wel van dien aard zijn dat over één
of meerdere noodbepalingen moet worden beschikt.2
Bij de invoering van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden is daarom met een separate
invoeringswet in tientallen wetten3 een standaardbepaling opgenomen waarin de zogenaamde separate toepassing is geregeld.4 Deze standaardbepaling bevat procedurele en materiële waarborgen tegen oneigenlijk
gebruik.
Procedurele waarborgen zijn dat deze noodbevoegdheden pas in werking kunnen worden
gesteld na een koninklijk besluit, op voordracht van de Minister-President. Vervolgens
moet de regering onverwijld een voorstel voor een voortduringswet indienen bij de
Tweede Kamer, zodat het parlement in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te spreken
over de inwerkingstelling. Verwerpen de Staten-Generaal het voorstel, dan wordt de
inwerkingstelling onverwijld bij koninklijk besluit, op voordracht van de Minister-President
beëindigd.
Naast deze procedurele waarborgen, gelden ook materiële waarborgen. De aanwezigheid
van buitengewone omstandigheden moet worden onderbouwd. Daarbij moet gemotiveerd worden
dat sprake is van een toestand waarin vitale belangen van de staat worden bedreigd
en normale bevoegdheden niet volstaan om deze bedreiging tegen te gaan.
De maatregelen moeten voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Dat betekent dat de getroffen maatregelen noodzakelijk moeten zijn om die buitengewone
omstandigheden het hoofd te bieden. De maatregelen moeten geschikt zijn om hun doel
te bereiken, niet verder gaan dan nodig, en er moeten geen minder vergaande maatregelen
zijn om dat doel te bereiken. De maatregelen moeten bovendien in overeenstemming zijn
met het recht van de Europese Unie en het internationale recht. Op alle beleidsterreinen
is dit een belangrijke factor.
Naast de specifiek voor het staatsnoodrecht geldende waarborgen zijn er ook elementen
van de democratische rechtsstaat die van belang zijn om oneigenlijk gebruik van staatsnoodrecht
te voorkomen.
Zo vormt ambtelijke advisering een drempel tegen oneigenlijk gebruik van staatsnoodrecht.5 Bij die ambtelijke advisering zal, naast het bovenstaande, ook rekening worden gehouden
met de (internationale) rechtspraak, wetenschappelijke inzichten en beschikbare feiten.
In dit verband kan vanzelfsprekend ook de rechterlijke macht niet ongenoemd blijven.6
Tot slot zijn er binnen een democratische samenleving voorts tal van actoren die besluitvorming
beïnvloeden zoals organen van internationale organisaties, de media, de wetenschap,
belangenorganisaties en het overige maatschappelijke veld. Ook daar liggen waarborgen
in besloten.
Toepassing
Waar mogelijk zal het kabinet altijd het parlement vooraf informeren7 als wordt gemeend dat inzet van staatsnoodrecht noodzakelijk is, in aanvulling op
de wettelijke verplichting om onverwijld een voortduringswet in te dienen. Het zal
echter niet altijd mogelijk zijn om het parlement vooraf over de inzet van staatsnoodrecht
te informeren, omdat het staatsnoodrecht nu juist is ingericht op snel en adequaat
handelen. Daarom is voorzien in verantwoording achteraf. De verplichting om uit eigen
beweging het parlement gegevens te verstrekken, blijft natuurlijk ook voor bewindspersonen
bestaan nadat staatsnoodrecht is geactiveerd.8 Daarbij staan het parlement ook alle middelen die het normaliter heeft ter beschikking,
in aanvulling op de specifieke waarborgen voor het staatsnoodrecht. Als de situatie
zodanig is dat het parlement niet vooraf kan worden geïnformeerd, dan zal dat onverwijld
daarna gebeuren. Het kabinet heeft voorts, in lijn met de motie van het lid Stoffer
(SGP)9, aangegeven uiterst terughoudend om te gaan met de inzet van het staatsnoodrecht
en bijbehorende bevoegdheden.10
In het licht van het voorgaande is er daarom vooralsnog geen noodzaak om de bestaande
waarborgen aan te passen. De beste waarborgen tegen oneigenlijk gebruik van staatsnoodrecht
zijn het koesteren van de democratische rechtsstaat, de grondrechten en de parlementaire
democratie. Mocht de het eerder gevraagde voorlichting van de Afdeling advisering
van de Raad van State andere inzichten komen, dan zal het kabinet dit standpunt uiteraard
heroverwegen.
Gang van zaken noodmaatregelen op asielterrein
In het debat van 30 juni 2022 is door de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid toegezegd nader in te gaan op de gang van zaken rond de voorgenomen inwerkingstelling
van artikel 111 van de Vreemdelingenwet 2000.11
Op 4 november 2022 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer een
juridische verkenning toegezonden naar de mogelijkheden van een asielbeslisstop en
enkele andere maatregelen, onder andere op de voet van artikel 111 van de Vreemdelingenwet
2000.12 Het kabinet heeft in deze brief toen toegelicht dat het de inwerkingstelling van
artikel 111 op dat moment niet gerechtvaardigd achtte.
In het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 van PVV, VVD, NSC en BBB13 kondigden deze partijen aan dat het voornemen bestond artikel 111 van de Vreemdelingenwet
2000 in werking te stellen op grond van artikel 110 van die wet om daarmee bij algemene
maatregel van bestuur, mits dragend gemotiveerd, bepalingen van de Vreemdelingenwet
2000 buiten werking te stellen.
In het regeerprogramma van september 202414 heeft het toenmalige kabinet Schoof dit voornemen nader uitgewerkt. Over dit onderwerp
is vervolgens uitgebreid gedebatteerd in de Tweede Kamer.15 Tijdens de debatten die hierover werden gevoerd, uitten diverse Kamerleden hun zorg
over deze voorgenomen inwerkingstelling.
Na deze debatten heeft het kabinet het voornemen niet doorgezet. In de brief van 25 oktober
202416 meldde het toenmalige kabinet daarover dat er voor is gekozen om te komen met een
asielnoodmaatregelenwet via een regulier wetgevingstraject, en een aantal belangrijke
aanvullende maatregelen. In deze brief werd de inwerkingstelling van artikel 111 van
de Vreemdelingenwet 2000 niet meer genoemd. Dit artikel is dan ook nooit in werking
gesteld.
Voortgang departementen
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft het afgelopen jaar een fundament gelegd
voor de brede (interdepartementale) moderniseringsopgave. Hierbij is een nauwe samenwerking
ontstaan met alle betrokken departementen en stakeholders. De voorgenomen planning
uit de routekaart blijkt echter niet haalbaar door de complexiteit, samenhang met
andere wetten en de zorgvuldige afweging van vergaande bevoegdheden die het staatsnoodrecht
kent.
Gelet op de huidige stand van zaken, de toenemende geopolitieke spanningen, hybride
dreigingen en de aandacht voor (maatschappelijke) weerbaarheid en de beschikbare capaciteit,
is ervoor gekozen om de volgende planning en prioritering aan te houden.
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden wordt
naar verwachting rond de zomer van 2026 bij uw Kamer ingediend. Er wordt naar gestreefd
om de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag in 2027 in consultatie te brengen
waarin de herziening van de staatsnoodrechtbepalingen uit de Wet veiligheidsregio's
en de Veiligheidswet BES worden meegenomen. Met deze herziening vindt een noodzakelijke
modernisering plaats van huidige bevoegdheden op het domein van openbare orde en veiligheid
tegen allerhande huidige en toekomstige dreigingen. Regels die zien op rijksheren
zullen worden geharmoniseerd. De Wet verplaatsing bevolking zal daarna worden opgepakt
naarmate het wetsvoorstel met betrekking tot de herziening van de Wet buitengewone
bevoegdheden burgerlijk gezag verder gevorderd is.
De Noodwet rechtspleging, de onteigeningswet, de Onteigeningswet BES worden zo spoedig
mogelijk naar gelang prioritering in behandeling genomen. Ook wordt bezien of de verschillende
wetten op het terrein van rechtsbescherming en schadeloosstelling moeten worden geharmoniseerd.
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) werkt aan de modernisering van
de economische staatsnoodwetgeving. Dit doet het in nauwe samenwerking met de Ministers
van Klimaat en Groene Groei (KGG) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(LVVN), gelet op de bevoegdheden van deze bewindspersonen in de economische staatsnoodwetgeving.
In de Kamerbrief van 13 februari 2025 staat aangegeven dat bij de modernisering wordt
gewerkt aan een wetsvoorstel ter vervanging van de Distributiewet, de Hamsterwet en
de Vorderingswet.
Het afgelopen jaar is, in aanvulling op de eerdere inventarisatie, de economische
staatsnoodwetgeving in haar geheel tegen het licht gehouden met het oog op de benodigde
modernisering. Hieruit komt de conclusie voort dat het, gelet op de inhoudelijke samenhang
van de onderlinge wetten, wenselijk is om naast de Vorderingswet, Distributiewet en
Hamsterwet ook de bevoegdheden uit andere wetten in het wetsvoorstel op te nemen en
tot een integraal wetsvoorstel te komen. Daarbij komen de huidige verschillende economische
(staatsnood)wetten komen te vervallen. Dit betreft de bevoegdheden uit Prijzennoodwet,
de Bodemproductiewet 1939, de Noodwet voedselvoorziening en waarschijnlijk ook de
Wet beschikbaarheid goederen en de Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding.
Bij de modernisering wordt nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden tot harmonisatie
tussen de afzonderlijke wetten en worden de bevoegdheden in het licht van de huidige
tijdsgeest en het door het kabinet geschetste kader van het staatsnoodrecht bekeken.
Het streven is om het wetsvoorstel in het derde kwartaal van 2026 gereed te hebben
voor publieke consultatie. Tevens is EZK begonnen aan het traject om het nooddistributiesysteem
te vernieuwen in afstemming met betrokken departementen en stakeholders.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Ten aanzien van de modernisering van de Noodwet Arbeidsvoorziening heeft het afgelopen
jaar veel voorbereidend werk plaatsgevonden. Op dit moment wordt gewerkt aan het wetsvoorstel
waarmee enkele wijzigingen zullen worden doorgevoerd. De planning is er op gericht
om het wetsvoorstel eind van dit jaar te kunnen uitsturen voor internetconsultatie
en andere toetsen. Inwerkingtreding is vooralsnog voorzien per 1 januari 2028.
Het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis (Wpc) is op 6 mei ingediend bij de Tweede
Kamer. Dit wetsvoorstel heeft als doel om levensvatbare bedrijven tijdens een crisis
buiten het ondernemersrisico te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk
werknemers. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2029. Voor de noodbevoegdheden
die zijn opgenomen in het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is geen inwerkingstelling
nodig omdat ze zijn toegespitst op specifieke en begrensde situaties met een beperkte
impact op werknemers. Dit wordt nader toegelicht in de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel.
Ministerie van Financiën
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 13 februari 2025, is het Ministerie van Financiën
in 2025 begonnen met een verkenning ten behoeve van de herziening van de Noodwet financieel
verkeer. Deze verkenning loopt door in 2026. Er vinden gesprekken plaats met de relevante
toezichthouders de Nederlandsche Bank N.V. (DNB) en de Stichting Autoriteit Financiële
Markten (AFM), zodat hun inzichten en aandachtspunten kunnen worden meegenomen in
de beoordeling in hoeverre aanpassingen aan de Noodwet financieel verkeer opportuun
zijn. De verwachting is dat de Minister van Financiën rond de zomer een besluit neemt
over de uitkomsten van de verkenning en over de noodzaak en mate van herziening. Afhankelijk
daarvan zal mogelijk vanaf de tweede helft van 2026 een voorstel voor een wijzigingswet
worden opgesteld.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Zoals in de Kamerbrief van 13 februari 2025 aangegeven, is eind 2025 een start gemaakt
met de voorbereiding van een wetsvoorstel ter modernisering van de Noodwet Geneeskundigen.
Op basis van een eerste doorlichting zijn in genoemde brief twee inhoudelijke maatregelen
aangekondigd. De eerste is de toevoeging van de mogelijkheid om de verplichting tot
periodieke registratie in een register als bedoeld in de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg (Wet BIG) op te schorten in buitengewone omstandigheden.
De tweede is de mogelijkheid voormalig zorgmedewerkers zonder registratie in te zetten
tijdens buitengewone omstandigheden. Inmiddels is geconcludeerd dat de Noodwet Geneeskundigen
al in die mogelijkheid voorziet. Deze tweede maatregel hoeft daarom niet toegevoegd
te worden. In het kader van de voorbereiding van het wetsvoorstel wordt voorts bezien
of – behalve de eerstgenoemde maatregel – nog andere wijzigingen van de Noodwet Geneeskundigen
nodig zijn. Onder meer de bepalingen omtrent de toedeling en uitoefening van bevoegdheden
worden tegen het licht gehouden. Naast dergelijke meer inhoudelijke onderwerpen, gaat
de aandacht ook uit naar een aantal juridisch-technische verbeteringen en wijzigingen
van beperkte aard, De verwachting is dat het wetsvoorstel in de loop van 2026 nader
vorm gaat krijgen en daarna gereed zal zijn voor consultatie.
Voor wat betreft de herziening van de Wet publieke gezondheid gelden de uitgangspunten
zoals met uw Kamer gedeeld in de routekaart van 10 oktober 202317 onverkort. Nadat de aanpassingen van het bredere (staats)nood- en crisisrecht zijn
afgerond, zal worden bezien of en, zo ja, welke aanpassingen van de Wet publieke gezondheid
nodig zijn om de consistentie te bewaken.
Ministerie van Defensie
In de brief van 13 februari 2025 staat dat de Minister van Defensie in het kader van
de modernisering van het (staats)nood- en crisisrecht, werkt aan een herziening van
de Oorlogswet voor Nederland (OWN) en ernaar wordt gestreefd om uiterlijk eind 2025
een voorstel voor een herziene OWN gereed te hebben voor consultatie. Deze planning
moet worden bijgesteld.
Zoals in de beleidsbrief van de Minister van Defensie van 12 mei 2026 is beschreven,
maakt de herziening van de OWN onderdeel uit van een breder pakket aan wetgeving waar
Defensie aan werkt, waaronder ook de Wet op de defensiegereedheid en de herziening
van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017).18 Het is niet mogelijk gebleken om eind 2025 een voorstel voor een herziene OWN gereed
te hebben voor consultatie.
Op dit moment wordt door de verschillende defensieonderdelen bezien welke aanpassingen
van de OWN nodig zijn om de OWN aan te laten sluiten bij de dreigingen die er vandaag
de dag zijn dan wel in de nabije toekomst kunnen ontstaan. Dit proces dient zorgvuldig
te worden doorlopen. Gezien de stand van zaken op dit moment acht de Minister van
Defensie het reëel dat er in de tweede helft van dit jaar een voorstel tot herziening
van de OWN gereed is voor consulatie.
De Minister van Defensie is gelijktijdig doorlopend aan het inventariseren welke overige
noodwetgeving mogelijk herzien moet worden waar Defensie verantwoordelijk voor is,
zoals aangekondigd in de brief van 13 februari 2025. Na het gereed komen van een voorstel
tot herziening van de OWN zal de Minister van Defensie deze inventarisatie afronden.
Ten slotte werkt het Ministerie van Defensie met het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, in gezamenlijkheid met de ministeries van Algemene Zaken en
van Justitie en Veiligheid, aan de hierboven genoemde grondige herziening van de Wiv
2017. Vanwege de toenemende militaire en hybride dreigingen wereldwijd en het cruciale
werk van de diensten ingeval van oplopende (geopolitieke) spanningen, wordt voorgesteld
om in de nieuwe Wiv enkele bepalingen van staatsnoodrecht op te nemen. Het uitgangspunt
is om het reguliere stelsel van de wet toe te rusten op de taakuitvoering van de diensten
in de huidige en voorzienbare oplopende spanningen en dreiging. Zo wordt de wet in
de basis al zo crisisbestendig als mogelijk. Ingeval van buitengewone omstandigheden
kan het echter aangewezen zijn om door middel van (separate toepassing van) staatsnoodrecht
de diensten in staat te blijven stellen hun werkzaamheden onverminderd voort te zetten
en de nationale veiligheid te kunnen blijven beschermen. Het streven is om het concept-wetsvoorstel
voor een herziene Wiv medio 2026 in consultatie te geven.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
In 2025 is het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gestart met de inventarisatie
naar mogelijke lacunes en knelpunten in het nood- en crisisrecht. Hierbij wordt ook
bezien of bestaande noodregels nog actueel zijn of eventueel toe zijn aan modernisering.
De inventarisatie concentreert zich op de vitale beleidsdomeinen van het Ministerie
van IenW, zoals: transport (wegen/spoor/lucht/vaarwegen), keren en beheren, afvalwater,
meteorologie, nucleair, plaats en tijdbepaling, drink- en afvalwater, chemie en afval.
Naar verwachting wordt deze inventarisatie halverwege 2026 afgerond, waarna men aan
de slag gaat met de noodzakelijke aanpassingen.
In de Kamerbrief van 2025 is aangegeven dat er al concreet zou worden gekeken naar
een mogelijke wettelijke basis voor drinkwaterrestricties. Hiervoor heeft het Ministerie
van IenW overleg gehad met de crisispartners (het Ministerie van JenV, de Nationale
Politie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de veiligheidsregio’s). De crisispartners
hebben daarbij geconcludeerd dat het opleggen van drinkwaterrestricties, bijvoorbeeld
in situaties van langdurige droogte, niet uitvoerbaar en handhaafbaar is. Daarom is
besloten hiervoor geen wijziging van de Drinkwaterwet in gang te zetten. Er zal vooral
worden ingezet op communicatie en het bevorderen van drinkwaterbewustzijn om crisissituaties
zoveel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld als onderdeel van campagnes onder de brede
communicatiekoepel «Leven met water». In het kader van het vergroten van de maatschappelijke
weerbaarheid zal nog worden bezien of er andere maatregelen voor drinkwater bij rampen
en noodsituaties nodig zijn.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is een wetsvoorstel in voorbereiding
dat strekt tot modernisering van het noodrecht op de terreinen van onderwijs en cultuur.
Hierin worden de bestaande noodbepalingen in de Mediawet 2008 en de Archiefwet 1995
geactualiseerd. Het wetsvoorstel zal daarnaast noodbepalingen introduceren in de sectorale
onderwijswetten, de Leerplichtwet 1969, de Wet medezeggenschap op scholen en de Erfgoedwet
om (de gevolgen van) nood- en crisissituaties het hoofd te bieden. Omdat het in voorbereiding
zijnde wetsvoorstel raakvlakken heeft met het thema maatschappelijke weerbaarheid,
vindt de ontwikkeling in nauwe samenhang daarmee plaats. De planning is om het voorstel
in 2026 in internetconsultatie te brengen.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Epidemieafdeling Kieswet
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de afgelopen jaren
gewerkt aan de wet Epidemieafdeling Kieswet. Met deze wet beoogt de regering een permanente
wettelijke grondslag te creëren voor organisatorische maatregelen die noodzakelijk
zijn om verkiezingen veilig te organiseren tijdens een epidemie. Deze wet is op 1 januari
2026 in werking getreden en introduceert een nieuwe afdeling in de Kieswet die kan
worden ingezet wanneer in de publieke ruimte een of meer maatregelen op grond van
de Wet publieke gezondheid gelden.19 In dat geval is het logisch en noodzakelijk dat ook de organisatie van het verkiezingsproces
als publieke aangelegenheid daarop aansluit.
Wet bestemming lichamen overledenen
In de Kamerbrief van 10 oktober 202320 is de voorbereiding van een wijziging van het noodrecht in de Wet op de lijkbezorging
(Wlb) aangekondigd. Artikel 22a van die wet regelt reeds dat maatregelen kunnen worden
getroffen in het geval van infectueuze lichamen.
De voorgenomen modernisering van de Wlb zal hierop voortbouwen en aanvullende bepalingen
introduceren voor buitengewone omstandigheden, zoals situaties met een uitzonderlijk
hoog aantal overledenen of situaties waarin naleving van de reguliere wettelijke voorschriften
niet of nauwelijks meer mogelijk is. Ook in dergelijke omstandigheden is het van belang
dat zoveel mogelijk invulling kan worden gegeven aan een goede en respectvolle bestemming
van lichamen van overledenen.
Een aanvulling van het noodrecht op dit punt, in lijn met de algemene uitgangspunten
voor de modernisering van het (staats)nood- en crisisrecht, maakt deel uit van het
voorstel voor de Wet bestemming lichamen overledenen. Dit wetsvoorstel is eind 2024
in openbare consultatie gegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en
Sport. Voor de planning van dit wetsvoorstel wordt verwezen naar de beantwoording
van de schriftelijke vragen van het lid Huizenga (D66) over de stand van zaken van
de modernisering van de Wet op de lijkbezorging.21
Wet digitale overheid
In een digitaliserende samenleving is het van belang dat overheidssystemen en -processen
bereikbaar, betrouwbaar en integer zijn en dat de toegang tot elektronische dienstverlening
is gewaarborgd. De Wet digitale overheid (Wdo) bevat een bijzondere bevoegdheid voor
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om in noodsituaties de toegang
tot elektronische dienstverlening van een organisatie te onderbreken of te doen onderbreken
(bij een ernstige storing of een ernstige aantasting van de werking, beveiliging of
betrouwbaarheid van de elektronische dienstverlening, of bij de dreiging daarvan,
dan wel bij misbruik of oneigenlijk gebruik, of de dreiging daarvan).
Met de inwerkingtreding van de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid
BES is deze bevoegdheid sinds november 2025 mede van toepassing in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Met het oog op de versterking van de digitale bereikbaarheid van de overheid in situaties
waarin systemen gedurende langere tijd niet beschikbaar zijn, wordt de mogelijkheid
verkend om een wettelijke bepaling aan de Wdo toe te voegen die betrekking heeft op
(staats)nood- en crisissituaties.
Slot
De omvang van de moderniseringsopgave blijft groot en de vraag om verandering hoog.
Gelet op de ingrijpende bevoegdheden die het staatsnoodrecht met zich meeneemt enerzijds
en de toenemende geopolitieke spanningen en militaire en hybride dreigingen anderzijds
is een zorgvuldige belangenafweging en nauwe samenwerking belangrijker dan ooit. Samen
met alle betrokken bewindspersonen en andere actoren blijf ik me daarom inspannen
om te komen tot een robuust, coherent en consistent stelsel van staatsnoodrecht.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid