Brief regering : Financiële uitsluiting en onveilige vermogensgrenzen voor Wajonggerechtigden
24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
Nr. 821
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 9 maart een brief
ontvangen van D.K. met betrekking tot financiële uitsluiting en onveilige vermogensgrenzen
voor Wajonggerechtigden. In de procedurevergadering van 24 maart 2026 heeft de commissie
besloten van mij een reactie op deze brief te willen ontvangen. Hierbij reageer ik
op de gestelde punten in de brief.
In de brief spreekt de brievenschrijver over de financiële positie en de toekomstzekerheid
van Wajonggerechtigden. Hij schetst een beeld van de drempels waar hij tegenaan loopt,
specifiek met betrekking tot pensioenopbouw, de vermogensgrenzen voor toeslagen en
de behoefte aan een veiligheidsbuffer in onzekere tijden. Hij vraagt daarom om de
vermogensgrenzen voor mensen met een arbeidsbeperking bij toeslagen (huurtoeslag,
zorgtoeslag en kindgebonden budget) fors te verhogen of af te schaffen, en om te zorgen
dat pensioenopbouw voor Wajonggerechtigden toegankelijk en betaalbaar wordt zonder
dat dit invloed heeft op toeslagen die zij ontvangen.
Ik bewonder zijn wens om zelfredzaam te zijn en een stabiele financiële reserve op
te bouwen. Zijn pleidooi voor meer perspectief voor mensen met een levenslange beperking
is invoelbaar. Tegelijkertijd is het aan mij om hem, en uw Kamer, te informeren over
de kaders van het huidige wettelijke beleid en de redenen waarom de door hem voorgestelde
wijzigingen niet worden doorgevoerd.
Hieronder ga ik hierop in.
1. Toegankelijkheid van pensioenopbouw
Het is bewonderenswaardig dat de brievenschrijver kijkt naar mogelijkheden om voor
later te sparen. De advies- of afsluitkosten voor een lijfrenteverzekering of bankspaarproduct
worden echter niet vergoed via de bijzondere bijstand. Deze kosten worden bepaald
door de markt en maken deel uit van de dienstverlening van financiële instellingen.
Hoewel de overheid via de fiscale «jaarruimte» pensioensparen stimuleert, is er geen
regeling die de bijbehorende advies- of afsluitkosten subsidieert voor uitkeringsgerechtigden.
De bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere
omstandigheden en die de draagkracht te boven gaan.
Gemeenten beoordelen of hiervan sprake is en bepalen of deze kosten vergoed moeten
worden. Het opbouwen van een privaat aanvullend pensioen wordt binnen de huidige wetgeving
niet als een dergelijke noodzaak gezien, aangezien de AOW-uitkering van overheidswege,
indien van toepassing aangevuld met toeslagen, wordt beschouwd als een toereikend
sociaal minimum voor de oude dag.
2. De vermogensgrens voor toeslagen
De brievenschrijver vindt de vermogensgrens voor de huurtoeslag (circa
€ 38.000)1 aanvoelen als een straf op zuinig leven. Wie te veel spaart, verliest zijn toeslag,
wat zelfredzaamheid belemmert en dwingt tot armoede. Hij vraagt waarom iemand met
een levenslange beperking geen grotere financiële buffer mag opbouwen.
Dit raakt aan een belangrijk uitgangspunt van hoe ons toeslagenstelsel is ingericht.
Toeslagen zijn bedoeld als een tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten voor huur,
zorg en (de opvang voor) kinderen. Daarbij is het uitgangspunt dat mensen die een
bepaald inkomen of vermogen hebben (beter) zelf in de kosten van voorzieningen kunnen
voorzien. Dit uitgangspunt geldt voor iedereen die de betreffende toeslag ontvangt.
Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar persoonlijke situaties of naar verdienvermogen.
Ik begrijp dat dit in sommige situaties als oneerlijk kan worden ervaren. Een onderscheid
zou echter het stelsel ingewikkelder maken, wat ongewenst is.
3. Veiligheid en reserves in crisistijd
De brievenschrijver is bezorgd over de mondiale onveiligheid en de daarmee gepaarde
gaande kwetsbaarheid van zijn positie. Dat is begrijpelijk. Een financiële buffer
biedt rust. De brievenschrijver vindt echter dat de huidige vermogensgrenzen bij de
huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget ervoor zorgen dat hij onvoldoende
reserves mag opbouwen voor echte noodsituaties. Dit geeft hem een gevoel van onveiligheid.
Zoals ik hiervoor al heb aangegeven geldt het uitgangspunt dat voor de aanspraak op
tegemoetkomingen rekening wordt gehouden met iemands inkomen of vermogen. En ook hier
geldt dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar persoonlijke situaties of naar
verdienvermogen.
Ik begrijp dat dit antwoord voor de brievenschrijver teleurstellend is, maar ik hoop
dat deze toelichting hem, en uw Kamer, meer inzicht geeft in de achterliggende keuzes
van het huidige wettelijke beleid.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie