Brief regering : Reactie op verzoek commissie over uitvoering moties ingediend tijdens het Notaoverleg (Ontwerp-)Nota Ruimte en reactie op het verzoek van Zalinyan, gedaan tijdens de Regeling van werkzaamheden van 17 maart 2026, over de toekomst van het dorp Moerdijk
29 435 Nota Ruimte
Nr. 320
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
Op 9 en 30 maart jl. vond het Notaoverleg over de (Ontwerp-)Nota Ruimte plaats. Tijdens
de plenaire stemmingen van 7 en 21 april jl. heeft uw Kamer 29 moties aangenomen.
In de procedurevergadering van 7 april jl. heeft uw Kamer mij verzocht u te informeren
over de wijze waarop het kabinet uitvoering zal geven aan deze moties. De moties raken,
evenals de Nota Ruimte, een veelheid aan beleidsterreinen. Om die reden verstuur ik
deze brief, waarmee ik invulling geef aan het verzoek van uw Kamer, mede namens de
Ministers van EZK, KGG, IenW, LVVN, OCW en VWS en de Staatssecretarissen van Defensie,
IenW, KGG en LVVN.
Naast de aangenomen moties wordt de aanscherping van de Ontwerp-Nota Ruimte richting
de definitieve Nota Ruimte gevoed door verschillende andere zaken. Daarbij gaat het
onder meer om het coalitieakkoord, circa 500 zienswijzen van medeoverheden, organisaties
en burgers, de reflecties van het College van Rijksadviseurs (CRa), het Planbureau
voor de leefomgeving (PBL) en het advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage
(Commissie MER). In deze brief informeer ik uw Kamer tevens over de stand van zaken
van de nota van antwoord op de ingediende zienswijzen.
Daarnaast heeft uw Kamer tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 17 maart jl. verzocht
om tijdige beschikbaarheid van de brief over de toekomst van Moerdijk. Gelet op lopende
besluitvorming informeer ik uw Kamer in deze brief over het proces.
Tot slot informeer ik uw Kamer dat het PBL-rapport «Voorbij de risico’s: keuzes voor
een klimaatbestendige leefomgeving» primair onder de verantwoordelijkheid valt van
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Uw Kamer heeft hierover reeds een separate
kabinetsreactie ontvangen. De inhoudelijke bevindingen uit het rapport worden daarnaast
betrokken bij de verdere uitwerking van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS), die
op korte termijn aan uw Kamer zal worden toegezonden.
Reactie aangenomen moties
Analyse, opgaven en visie
Er zijn vijf moties ingediend die betrekking hebben op het eerste deel van de Ontwerp-Nota
Ruimte, waarin de opgaven, scope en visie op hoofdlijnen geschetst worden. De Ontwerp-Nota
Ruimte stelt dat het noodzakelijk is keuzes te maken, want zomaar tegemoetkomen aan
alle ruimtevragen past niet meer. Tegelijk zal het inpassen van alle opgaven vaak
neerkomen op slimme combinaties en ruimte-intensieve oplossingen. Die oplossingen
verschillen van plek tot plek. Ook is de ruimte vraag onzekerder, naar mate we verder
de toekomst in kijken. Dat maakt dat het onmogelijk is om tot op de hectare in beeld
te brengen wat het toekomstig ruimtebeslag in de (verre) toekomst is. Dit zou ook
voorbijgaan aan het principe van meervoudig ruimtegebruik en de kansen die dit biedt.
Dat laat onverlet dat ik in de definitieve Nota Ruimte meer inzicht zal geven in de
som van alle ruimteclaims. Dat kan bijvoorbeeld met een grafische weergave met bandbreedtes.
Om ondanks onzekerheden verstandige keuzes te maken en goede oplossingen te kiezen
hanteren we in de Nota Ruimte drie leidende principes: 1) meervoudig ruimtegebruik,
2) gebiedskenmerken centraal en 3) zoveel mogelijk voorkomen van afwentelen. Deze
principes dragen bij aan een goede leefkwaliteit en duurzame inrichting van de leefomgeving.
In de definitieve Nota Ruimte zal ik per integraal thema laten zien hoe de drie leidende
principes bijdragen aan een efficiënt gebruik van de schaarse ruimte en expliciteren
hoe we daarmee ruimte besparen. Daarmee geef ik invulling aan de motie-van Grinwis/Van
Asten (Kamerstuk 29 435, nr. 311) en de motie-Teunissen/Kostić (Kamerstuk 29 435, nr. 302) over respectievelijk ruimtebeslag en ruimtebesparing.
De Nota Ruimte gaat als Nationale Omgevingsvisie over de gehele fysieke leefomgeving.
Ook aspecten als milieu, gezondheid, duurzaamheid en leefbaarheid horen daarbij. Juist
op een deel van deze aspecten signaleert de Plan-MER dat de Nota Ruimte nog verder
aangescherpt zou kunnen worden om gestelde doelen te halen. Op basis van de reflecties
door het CRa, het PBL, het regeerakkoord en de motie Zalinyan (Kamerstuk 29 435, nr. 293) zullen we onderwerpen milieu, gezondheid, landschap, erfgoed en ruimtelijke kwaliteit
een steviger positie geven. Dat gebeurt in ieder geval in Deel I (Analyse, opgaven
en visie) en onder de vier integrale thema’s in Deel II (Nationale ruimtelijke hoofdstructuur).
Hier maken we ook duidelijk hoe keuzes bijdragen aan het halen van de doelen. Ook
wordt in deel II het huidige sectorale hoofdstuk over Milieu uitgebreid tot een compleet
hoofdstuk over Milieu en Gezondheid. Onder het principe «Zoveel mogelijk voorkomen
van afwentelen» zullen we de goede leefkwaliteit en duurzaamheid als toetsstenen verder
uitwerken, conform de motie-Teunissen (Kamerstuk 29 435, nr. 301).
De Ontwerp-Nota Ruimte stelt expliciet dat het halen van (Europese) afspraken over
milieu, natuur en gezondheid doel is van ruimtelijke keuzes. Richting de definitieve
Nota Ruimte zullen we onderzoeken hoe we nog sterker de relatie kunnen leggen met
bestaande afspraken waaraan het kabinet zich in het coalitieakkoord heeft gecommitteerd.
Daarmee geef ik invulling aan het verzoek uit de motie-Teunissen/Kostić (Kamerstuk
29 435, nr. 303).
Water en bodem
Er zijn vijf moties aangenomen die raken aan het integrale thema Water en Bodem in
de Ontwerp-Nota Ruimte. Deze moties gaan over water en bodem sturend als richtinggevend
principe, ruimte voor rivieren en dijken op de lange termijn en ruimte voor natuurlijke
vormen van kustverdediging, ontwikkelingen in het Markermeer/IJmeer, en landaanwinning
in de kustzone.
De Tweede Kamer heeft met de motie-Steen/Van Asten (Kamerstuk 29 435, nr. 287) verzocht om een heldere definitie van water en bodem sturend op te nemen in de Nota
Ruimte. De motie Teunissen/Kostić (Kamerstuk 29 435, nr. 304) roept op tot integrale borging van water en bodem sturend in de Nota Ruimte. In
het coalitieakkoord hebben we afgesproken dat water en bodem sturend een richtinggevend
principe is in de Nota Ruimte. In deze brief geef ik samen met de Minister van IenW
– op weg naar de definitieve Nota Ruimte – op hoofdlijnen aan hoe het kabinet invulling
wil geven aan dit principe, zie Staat van ons Water (2025)1.
Voorop staat het besef dat Nederland groot en welvarend is geworden met en dankzij
ons water en bodemsysteem. We hebben onze delta grotendeels zelf gevormd. Dankzij
droogmakerijen en inpoldering, een ingenieus en fijnmazig watersysteem en de deltawerken
is het moeras waarin we zijn gaan wonen een van de sterkste economieën ter wereld
geworden. Onze voorouders kenden het water- en bodemsysteem en pasten zich daaraan
aan.
Vandaag de dag staan we voor nieuwe uitdagingen om ons land ook in de toekomst veilig
en leefbaar te houden. Natuurlijke processen zoals bodemdaling worden versneld door
onze waterhuishouding, maar ook door klimaatverandering. Door klimaatverandering stijgt
de zeespiegel, wordt het weer extremer en stijgen de temperaturen. We ervaren in toenemende
mate problemen zoals droogte, verzilting en wateroverlast. Het water- en bodemsysteem
staat daarmee onder groeiende druk.
Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening, die
goed verbonden zijn met het water- en bodemsysteem, van groot belang. De functies
moeten aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het water- en bodemsysteem. Dat
doen we bijvoorbeeld bij locatiekeuze en inrichting bij het bouwen van woonwijken
en bedrijventerreinen, om te voorkomen dat nieuwe bebouwing op termijn gaat verzakken
of een groot risico kent op wateroverlast en -schade. Het ruimtelijk afwegingskader
klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de maatlat klimaatadaptieve gebouwde omgeving
helpen daarbij als ondersteunende instrumenten. Deze inzet kan rekenen op de steun
van veel partijen zoals verzekeraars, financiële instellingen, projectontwikkelaars
en decentrale overheden, en is ook in lijn met adviezen van onder meer de Raad voor
leefomgeving en infrastructuur (Rli) en de Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR).
Door water en bodem sturend als richtinggevend principe te hanteren in de Nota Ruimte
maken we verstandige keuzes in de ruimtelijke ordening en inrichting, en voorkomen
we dat volgende generaties worden opgezadeld met hoge kosten en schade. Traditioneel
zijn we er goed in om water zo snel mogelijk af te voeren naar de zee. Door het veranderende
klimaat zullen we water veel meer moeten vasthouden (waterbeschikbaarheid en wateroverlast)
en onze bodem weer gezond maken. Maatregelen om water af te voeren en vast te houden
en de bodem te verbeteren moeten elkaar versterken en bijdragen aan een ecologisch
robuuste inrichting die toekomstbestendig is en gebruik op lange termijn mogelijk
maakt. Ook geldt dat we niet meer enkel naar het watersysteem kijken voor oplossingen,
maar dat we in de gehele ordening ruimte maken voor duurzame oplossingen. De combinatie
van deze maatregelen is een van de grote uitdagingen voor de komende jaren.
Belangrijke richtingen en uitgangspunten voor de toekomst om water en bodem sturend
als richtinggevend principe te hanteren zijn:
– Watersysteem robuuster en toekomstbestendig maken door meer aan te sluiten bij natuurlijke
systeemwerking en optimalisatie huidige systeem. Bijvoorbeeld door voldoende ruimte
te reserveren voor de rivieren om de afvoer- en bergingscapaciteit te kunnen vergroten,
en een goede balans te vinden tussen het hoofdwatersysteem en de regionale watersystemen;
– Ruimtelijke functies in een duurzame relatie met de huidige en toekomstige condities
van het water- en bodemsysteem. In de Ontwerp-Nota Ruimte staat bijvoorbeeld dat nieuwe
grote watervragers niet worden gepland op locaties waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid
niet kan worden gegarandeerd;
– Zo veel mogelijk voorkomen van afwentelen op toekomstige generaties, niet van privaat
naar publiek en niet van regionaal naar nationaal;
– Meer rekening houden met extremen. Bijvoorbeeld ruimte houden voor het opvangen en
bergen van een teveel aan water in het IJsselmeer en Markermeer;
– In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodem;
– Meerlaagse veiligheid: integrale aanpak van waterveiligheid met oog voor preventie
en ruimtelijke inrichting;
– Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen;
– Integrale en meer gebiedsgerichte aanpak in de leefomgeving. We zetten gebiedskenmerken
centraal en bevorderen kansen voor meervoudig ruimtegebruik, zoals het verbinden van
natuurontwikkelingen aan maatregelen binnen het water- en bodemsysteem met bijvoorbeeld
groenblauwe dooradering.
In de Ontwerp-Nota Ruimte zijn al vele ruimtelijke keuzes gemaakt die invulling geven
aan deze richtingen. Voorbeelden hiervan zijn het niet bouwen in de uiterwaarden,
het benoemen van het IJsselmeergebied en het Volkerak-Zoommeer als nationale waterbergingsgebieden,
het regionaal meer ruimte maken voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk
water, en bij het plannen en het inrichten van de fysieke leefomgeving systematisch
rekening houden met het veranderende klimaat.
Water en bodem sturend is niet alleen een richtinggevend principe voor de Rijksoverheid.
Veel provincies en gemeenten hebben het tot uitgangspunt gemaakt voor de ruimtelijke
plannen, waar zij aan werken. Daar zijn goede voorbeelden van te vinden in de ruimtelijke
voorstellen, zoals in het NOVEX-gebied Regio Zwolle waar het zoeken naar nieuwe woningbouwlocaties
hand in hand gaat met het versterken van de sponswerking van de bodem. Een ander goed
voorbeeld zijn de woningbouwplannen voor de Gnephoek bij Alphen aan den Rijn waar
5500 woningen komen, ingetekend op basis van de kenmerken van het lokale water- en
bodemsysteem. Vergelijkbare voorbeelden zijn nieuwe plannen als binnendijkse ontwikkeling
van Almere Pampus en Oss Amstelwijk maar ook herinrichting van bestaande wijken zoals
De Pas in Winterswijk. Water en bodem sturend als richtinggevend principe genereert
verstandige ruimtelijke afwegingen en houdbare keuzes voor de toekomst.
Het richtinggevende principe water en bodem sturend betekent ook een vroegtijdige
betrokkenheid van waterbeheerders bij diverse ruimtelijke keuzes zodat het waterbelang
van meet af aan adequaat wordt meegewogen. Door zo met elkaar op te trekken als overheden
wordt voorkomen dat we verkeerde keuzes maken en in latere instantie plannen moeten
worden bijgesteld of hoge kosten aan de orde zijn. Voorkomen is beter dan genezen.
Daarbij is een langetermijnperspectief essentieel. Veel ruimtelijke keuzes gaan decennia
of langer mee, en laten zich nadien lastig corrigeren. We kijken naar ruimtelijke
keuzes die ervoor zorgen dat de kosten niet onnodig hoog worden, waarbij we meerdere
doelen tegelijkertijd halen, en we de kosten niet afwentelen naar volgende generaties
en naar de samenleving.
Water en bodem sturend als richtinggevend principe heeft betekenis in zowel stedelijk
als landelijk gebied. In het Ontwerp van de Nota Ruimte is het principe in de kern
al goed uitgewerkt. Op weg naar de definitieve Nota zullen daar nog stappen in worden
gezet, onder meer op de samenhang tussen water & bodem en landbouw & natuur. Ook past
het kabinet dit principe toe bij de eigen programma’s en projecten. Een voorbeeld
daarvan komt tot uiting in het programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Daarin wordt niet
alleen gewerkt aan de opgave om voldoende ruimte te houden en creëren voor het riviersysteem
in hoogwatersituaties. Ook worden er maatregelen uitgewerkt waarmee het rivierengebied
de verdeling van zoetwater in tijden van laagwater en droogte zoveel mogelijk kan
blijven faciliteren. Die maatregelen in het rivierengebied zijn van groot belang voor
onder andere landbouw, natuur en de drinkwatervoorziening.
Water en bodem sturend als richtinggevend principe is een belangrijk afwegingskader,
maar vormt geen zelfstandig uitsluitingscriterium voor ruimtelijke ontwikkelingen.
In alle gevallen blijft een integrale bestuurlijke belangenafweging leidend. We hebben
als Nederland altijd al een strijd met het water gevoerd en veel zaken technisch slim
weten op te lossen. Dit doen we nu nog steeds, en ook in de toekomst blijven we bouwen
aan ons water- en bodemsysteem. We hebben Nederland als het ware geoptimaliseerd om
er fijn en veilig te kunnen wonen en werken. Om dit in stand te houden moeten we jaarlijks
heel veel water wegpompen, dijken en keringen in stand houden en stuwen beheren. Met
de veranderingen in het klimaat en de weerspatronen wordt de noodzaak om telkens daarin
te blijven investeren groter. Door water en bodem sturend richtinggevend te laten
zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we de extra investeringen in de toekomst zo
klein mogelijk houden. We hebben immers de kennis om bij de mogelijkheden van nu rekening
te houden met de onmogelijkheden van later. Door daarmee nu aan de slag te gaan, maken
we ons land klaar voor later. Zodat het een sterke en leefbare delta blijft voor onze
bewoners en bedrijven.
De motie-Teunissen/Kostić (Kamerstuk 29 435, nr. 304) verzoekt de regering om het in het regeerakkoord verwoorde principe «water en bodem
sturend» integraal te borgen in de Nota Ruimte. In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt water
en bodem sturend als richtinggevend principe al op diverse plekken geborgd. Ik zal
samen met mijn collega's bezien op welke plekken eventuele verdere borging nodig is.
Als basis hiervoor gebruiken we de definitie van water en bodem sturend als richtinggevend
principe, zoals die hierboven is opgenomen in deze brief.
In de Ontwerp-Nota Ruimte hebben we afgesproken dat om in de toekomst ruimte te hebben
voor de afvoer van hoogwater en het voorkomen van overstromingen, er voldoende binnen-
en buitendijkse ruimte wordt gereserveerd voor het hoofdwatersysteem. Die ruimte is
bijvoorbeeld nodig voor rivierverruimingen en dijkversterkingen. De motie-Teunissen/Kostić
(Kamerstuk 29 435, nr. 305) verzoekt om in de Nota Ruimte genoeg ruimte te reserveren voor rivieren en dijken
op de lange termijn en om meer ruimte maken voor natuurlijke vormen van kustverdediging.
Ook in de definitieve Nota Ruimte zal de keuze worden gemaakt om in de toekomst voldoende
ruimte te hebben voor de afvoer van hoogwater en het voorkomen van overstromingen.
Deze keuze zal zowel in de tekst als op het kaartmateriaal een duidelijke plek krijgen.
De exacte keuzes voor locaties met ruimtelijke reserveringen voor waterafvoer in het
rivierengebied worden verder uitgewerkt in het programma Ruimte voor de Rivier 2.0.
In de tweede helft van dit jaar wordt een besluit genomen over de globale locaties
waarbinnen die reserveringen zullen moeten landen.
Voor primaire keringen langs de kust wordt met de profielen van vrije ruimte rekening
gehouden met toekomstige versterkingen. In het kustonderhoud maken we al gebruik van
natuurlijke processen door de basiskustlijn met zandsuppleties te handhaven en extra
zand toe te voegen om de kust te laten meegroeien met de zeespiegelstijging. Voor
versterking van de waterkeringen langs de kust geldt «zacht waar het kan, hard waar
het moet». Alleen waar het niet anders kan, wordt voor een «harde» oplossing gekozen.
Denk daarbij vooral aan boulevards bij kustplaatsen. Dat is in de ontwerp Nota Ruimte
aangegeven en deze lijn zal in de definitieve Nota Ruimte herbevestigd worden. Op
deze manier geeft het kabinet invulling aan de motie Teunissen/Kostić (Kamerstuk 29 435, nr. 304).
In de Ontwerp-Nota Ruimte staat aangegeven dat we, door klimaatverandering, in de
toekomst vaker te maken krijgen met periodes van tekort aan zoetwater en met periodes
van een teveel aan water (hoge rivierafvoeren, hevige regenval). Voor onze zoetwatervoorziening
en waterveiligheid is het van belang dat de huidige zoetwatervoorraad en de waterbergingscapaciteit
van het IJsselmeer en Markermeer niet te veel wordt verkleind. De meren zijn immers
de belangrijkste zoetwaterbron voor Noord-Nederland en vangen het teveel aan water
op, zodat Noord-Nederland waterveilig blijft. Terughoudend zijn met landaanwinning
en buitendijks bouwen is daarom geboden. Tegelijkertijd zijn ruimtelijke ontwikkelingen
wel mogelijk, binnen de grenzen van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uw Kamer
heeft motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 29 435, nr. 313) aangenomen die de regering oproept om een onafhankelijk onderzoek te doen naar de
mogelijkheden en consequenties van ruimtelijke ontwikkelingen in het Markermeer/IJmeer,
zoals voor IJstad en uitbreiding van de Marker Wadden. Momenteel formuleer ik samen
met mijn collega van IenW de onderzoeksopdracht aan een extern bureau. In dit onderzoek
nemen we in ieder geval de consequenties voor het ecologische en water- en bodemsysteem
mee. Daarnaast willen we ook de benodigde investeringen in, onder andere, bereikbaarheid
in beeld brengen, de mogelijkheden en knelpunten in relatie tot Natura2000- en KRW,
de doorlooptijd van een ontwikkeling als IJstad en de bijdrage die het kan leveren
aan de woningbouwopgave in de MRA. We starten dit onderzoek zo snel mogelijk, zodat
we de resultaten nog kunnen meenemen in de definitieve Nota Ruimte.
Zandwinning op de Noordzee is aangewezen als een activiteit van nationaal belang om
de waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting van het land te dienen op korte
en op lange termijn. Door zeespiegelstijging en door intensivering van het ruimtegebruik
op de Noordzee dreigt een tekort aan winbaar zand voor deze doelen. In de Ontwerp-Nota
Ruimte hebben we daarom afgesproken dat we kustuitbreiding vooralsnog niet toestaan.
Dit om verdere druk op de zandvoorraad te voorkomen. Wel wordt een verkenning uitgevoerd
naar het ruimtegebrek in de Rotterdamse haven en het versterken van de leefomgeving.
Daarbij is een zeewaartse uitbreiding één van de te onderzoeken oplossingsrichtingen,
naast het intensiveren en optimaliseren van de bestaande ruimte en de potentie van
het benutten van bestaande bedrijventerreinen in de regio.
De motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 29 435, nr. 314) vraagt om onafhankelijk onderzoek te doen naar landaanwinning in de kustzone, zoals
voor een Derde Maasvlakte, een initiatief als Delta21 en extra strand en duinnatuur,
en voor deze landaanwinning ruimte te laten in de Nota Ruimte. Deze motie sluit aan
op een aantal nieuwe en lopende trajecten. Ten eerste is in januari van dit jaar door
het Rijk, provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam een
verkenning gestart naar ruimtegebrek in de Rotterdamse haven en een impuls voor de
leefomgeving. Daarbij is een zeewaartse uitbreiding van de Maasvlakte één van de te
onderzoeken oplossingsrichtingen voor ruimtegebrek, naast intensiveren en optimaliseren
van het ruimtegebruik in de bestaande haven en het benutten van het potentieel van
bestaande bedrijventerreinen in de regio. De resultaten en de voorkeursbeslissing
van deze verkenning worden eind 2027 verwacht.
Ten tweede zal specifiek voor het initiatief Delta21 een verkenning worden gestart
door EZK in samenwerking met IenW en LVVN, waarbij de voor- en nadelen van het valmeersysteem
Delta21 (een potentieel project bij de Haringvlietmonding dat kan bijdragen aan energieopslag)
in kaart worden gebracht. De verkenning zal worden uitgevoerd door een onafhankelijke
partij. Deze verkenning gaat in op het energetisch, ecologisch en waterveiligheidsperspectief
van het valmeersysteem. Op basis van deze verkenning wordt bezien of en welke vervolgstappen
genomen kunnen worden.
Voor lange-termijn waterveiligheid wordt door een onafhankelijk bureau een klimaatrobuustheidstoets
zandwinning Noordzee uitgevoerd waarin de groei van de zandvraag voor de lange termijn
als gevolg van zeespiegelstijging en de ruimtelijke beschikbaarheid van kwalitatief
geschikt zand in beeld wordt gebracht. Het onderzoek wordt gedaan om de uitvoerbaarheid
van het huidige kustonderhoud op lange termijn met zeespiegelstijging te toetsen.
Met de uitkomst kan worden bepaald of en op welke manier landaanwinning in de kustzone
mogelijk zou kunnen zijn. De resultaten hiervan worden verwerkt in het Nationaal Water
Programma 2028–2033.
Op basis van de nieuwe inzichten uit deze onderzoeken zal worden bepaald of en waar
ruimte gegeven kan worden aan specifieke ontwikkelingen. Daarbij dient ook rekening
gehouden te worden met andere aandachtspunten zoals het mariene ecosysteem. Randvoorwaardelijk
daarbij is dat eventuele kustuitbreiding plaatsvindt in overeenstemming met de geldende
natuurwetgeving. Op deze manier wordt onder voorwaarden ruimte gelaten aan eventuele
kustuitbreiding. Deze lijn zullen we in de definitieve Nota Ruimte opnemen, en hiermee
geef ik invulling aan de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 29 435, nr. 314); de volledige resultaten van bovengenoemde onderzoeken komen namelijk te laat om
meer in detail in de Nota Ruimte in te gaan op eventuele kustuitbreidingen.
Landbouw en natuur
Er zijn drie moties aangenomen die het integrale thema Landbouw en Natuur raken. Een
motie die oproept tot het bevorderen van agri-PV, een motie over het voldoen aan de
natuurdoelen in de definitieve Nota Ruimte en een motie over een duidelijke definitie
en invulling van natuurinclusiviteit.
Meervoudig ruimtegebruik wordt ook in de definitieve Nota Ruimte vastgelegd als één van de drie leidende principes,
omdat de ruimte schaars en waardevol is. In het verlengde daarvan geeft agri-PV als
functiecombinatie invulling aan dit leidende principe. Tegelijkertijd ligt de uitvoering
van agri-PV primair bij de decentrale overheden. Daarom heeft mijn voorganger, samen
met EZK en LVVN, gesprekken gevoerd met medeoverheden en Holland Solar over de mogelijkheden
en het bevorderen van agri-PV. Deze gesprekken hebben nog niet tot concrete resultaten
geleid. Naar aanleiding van de motie-Flach (Kamerstuk 29 435, nr. 272) zal ik opnieuw samen met de bewindspersonen van LVVN en EZK in gesprek gaan om samen
met medeoverheden en betrokken partijen te kijken naar stimuleringsmaatregelen voor
het ontwikkelen van agri-PV.
Het kabinet committeert zich in het Coalitieakkoord en de definitieve Nota Ruimte
aan het halen van de internationale natuurdoelen. Omdat het behalen van de natuurdoelen
bijdraagt aan een robuust ecosysteem als basis voor duurzame voedselproductie en een
gezonde leefomgeving. Dit doen we door het uitvoeren van de Natuurherstelverordening
en het Natuurpact. En door nieuwe afspraken te maken voor de periode na 2027, inclusief
waar nodig uitbreiding van natuurgebieden en aanpassing van landgebruik. Deze opgave
wordt verder uitgewerkt in de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof
(TLNS). De ruimtelijke uitkomsten en afspraken uit de taskforce worden meegenomen
in de definitieve Nota Ruimte. Hiermee geef ik invulling aan de motie-Van Asten/Kostić
(Kamerstuk 29 435, nr. 319) over het voldoen aan de natuurdoelen.
Voor wat betreft natuurinclusief is gestart met een interdepartementale en interbestuurlijke aanpak onder trekkerschap
van mijn collega-bewindspersoon van LVVN, in nauwe samenwerking met het Collectief
Natuurinclusief. In deze aanpak wordt gewerkt aan het ontwikkelen van een beleidskader
en een uitvoeringsplan voor natuurinclusief werken. Onderdeel van het beleidskader
is een duidelijke definitie en invulling van natuurinclusiviteit. En het beter borgen
van de kansen van slimme natuurlijke oplossingen (nature-based solutions) is onderdeel van het uitvoeringsplan. Deze duidelijke definitie en invulling van
natuurinclusiviteit zullen worden overgenomen in de definitieve Nota Ruimte. Daarnaast
zal de definitieve Nota Ruimte waar nodig en in lijn met Ministeriële Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof (TLNS) aangepast worden ten aanzien van verbinding van natuurgebieden.
Daarmee geef ik invulling aan de motie-Teunissen/Kostić (Kamerstuk 29 435, nr. 306) over natuurinclusiviteit.
Economie en energie
Er zijn vier moties aangenomen die het integrale thema Economie en Energie raken.
Deze moties gaan over onderwerpen die al in de Ontwerp-Nota Ruimte staan, namelijk
de energietransitie, circulaire economie, data-infrastructuur en bedrijventerreinen.
De moties sluiten veelal aan bij de ambities die het kabinet heeft neergezet in het
coalitieakkoord.
In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt veel aandacht besteed aan de ruimtelijke inpassing
van de energietransitie. Met o.a. als doel de ruimtelijke impact van de energietransitie
waar mogelijk te beperken, maar wetende dat we dit niet geheel voorkomen. De verbouwing
van ons energiesysteem kost nu eenmaal extra ruimte. De motie-Clemminck (Kamerstuk
29 435, nr. 282) verzoekt om ruimte-efficiëntie sturend te maken bij de energietransitie en energiemix.
Ik zal dit samen met mijn collega van KGG in de Nota Ruimte verder aanscherpen.
Voor de circulaire economie zetten we in de Ontwerp-Nota Ruimte in op een divers en
voldoende aanbod van ruimte voor bedrijven. Zo ontstaat er ruimte voor de circulaire
transitie, ook zolang de exacte ruimtevraag nog onduidelijk is. Daarbij hebben we
ook oog voor de benodigde ruimtelijke randvoorwaarden. De motie-Zalinyan/Grinwis (Kamerstuk
29 435, nr. 289) verzoekt om deze randvoorwaarden expliciet op te nemen. In de Nota Ruimte zullen
we dit aanscherpen en randvoorwaarden zoals duurzame energie, infrastructuur, milieuruimte
en water expliciet opnemen. We zullen ook actuele onderzoeken meenemen zodat we de
laatste inzichten in de Nota Ruimte verwerken. Hiervoor betrekken we ook het Nationale
Programma Circulaire Economie.
In de Ontwerp-Nota Ruimte staat dat we de bestaande bedrijventerreinen willen beschermen
en waar nodig strategisch uit te breiden om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte
voor bedrijven is. Dit is ook conform het coalitieakkoord. Het uitgangspunt is dat
bij transformatie van terreinen er compensatie van ruimte voor bedrijvigheid lokaal
dan wel regionaal plaatsvindt. De motie-Nobel (Kamerstuk 29 435, nr. 299) vraagt dit nog nadrukkelijker op te nemen. We voeren deze motie uit door in de Nota
Ruimte dit uitgangspunt op te nemen: geen netto-afname op nationale schaal van ruimte
voor bedrijven. Dit betekent niet dat er nergens een bedrijventerrein zal verdwijnen
of kleiner zal worden. Maar bij transformatie wordt er lokaal of regionaal gecompenseerd.
Dit uitgangspunt zal ook onderdeel worden van de Samenwerkingsagenda Ruimte voor Economie
die onder leiding van de Minister van EZK, samen met decentrale overheden wordt opgesteld.
Het Rijkbeleid die wordt uitgewerkt in deze Samenwerkingsagenda volgt uit het Nationale
Programma Ruimte voor Economie en de Ruimtelijk Economische Visie.
Het kabinet werkt aan een geïntegreerde nationale aanpak datacenters. Voor de zomer
zullen wij uw Kamer nader informeren over deze aanpak middels een brief. In de Nota
Ruimte zullen we de ruimtelijk kant van die aanpak verwerken. Met de geïntegreerde
aanpak voeren we ook de motie-Zalinyan/Grinwis (Kamerstuk 29 435, nr. 288) over een nationale aanpak datacenters en -kabels uit. We betrekken hierbij bovendien
de motie Grinwis c.s. die oproept tot het aanscherpen van de criteria voor hyperscale
datacentra (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 46) en de motie van het lid Rooderkerk over een visie en strategie voor het omgaan met
de verwachte groei en het verbruik van datacenters (Kamerstuk 29 023, nr. 580).
Wonen, werken en bereikbaarheid
In het notaoverleg van 30 maart zijn acht moties aangenomen die raken aan het integrale
thema wonen, werken en bereikbaarheid. Dit zijn twee moties over de werking van de
VISTA-strategie, een motie om de regio Emmen in te delen bij «initiëren», een motie
om de regio Noord-Holland Noord in te delen bij «stimuleren», een motie over wijkje
erbij, een motie over grootschalige woningbouwlocaties als zwaarwegend belang verankeren,
een motie over een strategie ten bate van de leefbaarheid, sociale ontwikkeling en
energiearmoede in de New Towns en een motie over ruimte voor sport, bewegen en spelen.
Verder is er in het tweeminutendebat «staat van de volkshuisvesting» een motie aangenomen
over de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Deze neem ik ook mee in deze brief.
In de ontwerp Nota Ruimte hebben we beschreven dat de groei van de bevolking en economie
om meer ruimte vraagt voor wonen en werken en om investeringen in bereikbaarheid,
voorzieningen, groen en recreatie. Om hier op een goede wijze invulling aan te geven
en Nederland als geheel te versterken maken we in het integrale thema wonen, werken
en bereikbaarheid de keuze om nieuwe woningen, werk en voorzieningen zoveel mogelijk
compact in en om bestaande steden en dorpen te realiseren, op plekken waar de bereikbaarheid
al op orde is. Daarbij zetten we in op complete leefomgevingen, waarbij wonen, werk
en voorzieningen nabij elkaar zijn en bestaande steden en dorpen worden versterkt.
Dit voorkomt ook grote investeringen in nieuwe infrastructuur. Om gebiedsgericht invulling
te geven aan de keuzes uit wonen, werken en bereikbaarheid is in de ontwerp Nota Ruimte
de VISTA-strategie geïntroduceerd. Dit is de strategie voor ruimtelijk-economische
ontwikkeling, gebaseerd op de specifieke kansen, knelpunten en kenmerken van iedere
regio. In het notaoverleg heeft uw Kamer motie-Mooiman (Kamerstuk 29 435, nr. 277) aangenomen om de verschillende categorieën binnen de VISTA-strategie verder uit
te werken. Dat ga ik doen door samen met de regio’s een aanpak op te stellen om de
VISTA-strategie nader uit te werken en gebiedsspecifiek in te vullen. Daarbij is ruimte
voor regionale afwegingen en nadere invulling van belang, waarbij ik het strategisch
kader van de VISTA-strategie onverkort als richtinggevend beschouw. Dit krijgt een
plek in definitieve Nota Ruimte, alwaar ik meer reliëf zal geven bij de diverse VISTA-strategieën
en in de uitvoeringsstrategie van de Nota Ruimte, waarin ik zal beschrijven hoe ik
de gebiedsspecifieke uitwerking met de medeoverheden wil oppakken.
Ook heeft uw Kamer motie-Mooiman (Kamerstuk 29 435, nr. 278) aangenomen om te voorkomen dat de VISTA-strategie beperkingen opwerpt aan regio’s.
De VISTA-strategie is bedoeld als een wenkend perspectief en niet als beperkend perspectief.
In de definitieve Nota Ruimte zal ik expliciteren dat de VISTA-strategie geen directe
beperkingen of eisen oplegt voor kwantitatieve aantallen woningen binnen bestaande
plannen en richting geeft aan de Rijksinzet voor ruimtelijk-economische ontwikkeling
op de lange termijn.
In het notaoverleg heeft uw Kamer motie-Nobel (Kamerstuk 29 435, nr. 300) aangenomen om de regio Emmen in de VISTA-strategie onder «initiëren» te laten vallen
en motie-Zalinyan (Kamerstuk 29 435, nr. 292) om Noord-Holland Noord onder «stimuleren» te laten vallen. Naar aanleiding van deze
aangenomen moties wordt in de uitwerking bezien hoe de VISTA-strategieën, in samenhang
en passend bij de gebiedsspecifieke opgaven en kansen van deze twee gebieden, kunnen
worden benut voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van deze regio’s. Daarbij
zal ik ook de zorgen adresseren die er bij mij en mijn collega's blijven bestaan voor
deze regio’s nu zij een «initiëren» regio en een «stimuleren» regio zijn geworden.
Voor Emmen geldt de zorg of er voldoende basis is voor een hogere ambitie voor woningbouw
en economische ontwikkeling. Dit is wel een vereiste om te voorkomen dat we bouwen
op plekken waar onvoldoende vraag is en dus bouwen voor de leegstand. Voor Noord-Holland
Noord geldt dat er op de korte en middellange termijn al grote aantallen nieuwe woningen
zijn gepland (waaronder een grootschalige woningbouwlocatie met Rijksregie in Alkmaar).
Het Kabinet heeft de zorg dat bij een verhoogde kwantitatieve inzet op woningbouw
de regionale balans tussen wonen en werken wordt geschaad. In praktische zin zal dit
erop neerkomen dat een aanzienlijk deel van de nieuwe inwoners van Noord-Holland Noord
zal werken in de regio Amsterdam. Dit heeft belangrijke negatieve effecten op de bereikbaarheid
van de regio en past niet goed bij het uitgangspunt van nabijheid, zoals dat in de
Ontwerp-Nota Ruimte is opgenomen. Het kabinet zal deze moties daarom uitvoeren en
het effect hiervan op onder meer nabijheid en mobiliteit expliciet in beeld brengen
en betrekken in de verdere afwegingen binnen en uitwerkingen van de VISTA-strategie
voor deze regio’s.
Verder is in de ontwerp Nota Ruimte aangegeven dat in heel Nederland ruimte is voor
een «wijkje erbij», binnen of aansluitend op een bestaande kern en passend bij de
ruimtelijke context. Conform de door uw Kamer aangenomen motie-Flach/Grinwis (Kamerstuk
29 435, nr. 273) zal ik in de definitieve Nota Ruimte de grens hiervoor verhogen naar 200 woningen.
Ik vind het namelijk belangrijk om, daar waar mogelijk en passend, gemeenten hiervoor
ruimte te geven, want iedere woning telt. Zoals ook in de ontwerp Nota Ruimte is opgenomen
blijft daarbij het uitgangspunt dat het aan de daarvoor bevoegde gezagen is om hiervoor
de integrale (ruimtelijke) afwegingen te maken. Van belang hierbij is dat, onder het
vorige kabinet, is besloten dat de Ladder voor Duurzame Verstedelijking wordt afgeschaft
voor nieuwe woningbouw. In het tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting van
26 maart heeft uw Kamer de motie-Mooiman (Kamerstuk 32 847, nr. 1422) aangenomen die het kabinet verzoekt om provincies op te roepen om geen alternatief
of vervangend beleid te ontwikkelen dat hetzelfde doel of dezelfde werking heeft als
de afgeschafte Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Bij het afschaffen van de Ladder
voor Duurzame Verstedelijking is reeds geregeld dat gemeenten en provincies niet vanuit
hetzelfde motief vervangende regelgeving mogen opstellen. Dat geeft dus invulling
aan deze motie.
Om de komende decennia voldoende ruimte te bieden voor nieuwe woningen, zijn in de
ontwerp Nota Ruimte reeds 21 nationale en 127 regionale grootschalige woningbouwlocaties
aangewezen. Zoals in het coalitieakkoord staat aangegeven ziet dit kabinet de aanpak
van het woningtekort als topprioriteit. Daarom verhoogt dit kabinet de ambitie uit
de ontwerp Nota Ruimte door 30 grootschalige woningbouwlocaties met Rijksregie aan
te wijzen, verspreid over het land. Dit zijn dus 9 nieuwe locaties. De door uw Kamer
aangenomen motie-Nobel c.s. (Kamerstuk 29 435, nr. 297) over het verankeren van nationale grootschalige woningbouwlocaties als zwaarwegend
nationaal belang in de Nota Ruimte zie ik dan ook als ondersteuning voor deze koers.
Met het stempel nationaal belang komt naar voren dat deze locaties belangrijk zijn
bij de aanpak van het woningtekort. Hiervoor is het essentieel dat er, interdepartementaal
en interbestuurlijk afgestemd, gerichte stappen worden gezet naar (versnelde) uitvoering
en realisatie van de voorgenomen woningbouw. Bij het zetten van deze stappen is het
woningbouwbelang zwaarwegend. Hiermee geven we op deze locaties voorrang aan het bouwen
van woningen. Dit heb ik reeds aangekondigd in de brief over de Eerste Resultaten
van de Taskforce Versnelling Woningbouw.
Het invulling geven aan de opgave van bevolkingsgroei en groei van de economie vraagt
meer dan alleen het bouwen van nieuwe woningen en het realiseren van werklocaties.
Zoals in de Ontwerp-Nota Ruimte staat beschreven willen we deze groei aanwenden om
onze steden en dorpen te versterken en complete en prettige leefomgevingen te bouwen.
Uw Kamer heeft twee moties aangenomen die ik zal overnemen om hier verdere invulling
aan geven. Zo roept uw Kamer op tot een strategie ten bate van de leefbaarheid, sociale
ontwikkeling en energiearmoede in de New Towns motie-Mooiman (Kamerstuk 29 435, nr. 279). Deze motie zie ik in het verlengde van de keuze die we in de Ontwerp-Nota Ruimte
hebben gemaakt: «Na de huidige inzet op het toekomstbestendig maken van vooroorlogse en wederopbouwwijken
is er op termijn inzet nodig op het toekomstbestendig maken van wijken gebouwd na
1965 (Post 65-gebieden), met hierin speciale aandacht voor de groeikernen, erfgoed
en groen.». In de definitieve Nota Ruimte zal ik bovengenoemde keuze verbreden met de thema’s
waar de motie toe oproept, zijnde leefbaarheid, sociale ontwikkeling en energiearmoede.
In de uitvoeringsstrategie van de Nota Ruimte zal ik aangeven op welke manier ik uitvoering
ga geven aan deze keuze en met ontwerpend onderzoek zal ik de opgaven in kaart brengen
evenals mogelijke oplossingsrichtingen die hiervoor kunnen worden benut. Via het Nationaal
Programma Leefbaarheid en Veiligheid zet ik aanvullend in op het delen van kennis
en het versterken van de ondersteuning van gebieden met leefbaarheidsproblemen, waaronder
de New Towns. Verder heeft uw Kamer motie-Zalinyan (Kamerstuk 29 435, nr. 290) aangenomen om ruimte voor sport, bewegen en spelen onderdeel te maken van de Nota
Ruimte. Dit past heel mooi in de uitgangspunten uit de ontwerp Nota Ruimte van de
complete en prettige leefomgevingen. Het Ministerie van VWS werkt aan richtlijnen
hiervoor en beoogt deze eind dit jaar gereed te hebben. In de definitieve Nota Ruimte
zal ik de teksten en keuzes die gaan over complete en prettige leefomgevingen aanvullen
met het belang van ruimte voor sport, bewegen en spelen en daarbij aangeven dat het
aan de gemeenten is om hier lokaal invulling aan te geven.
Uitvoeringsstrategie
De Nota Ruimte bevat keuzes voor de fysieke leefomgeving die moeten doorwerken in
het (toekomstige) rijksbeleid en doorwerking moeten vinden richting medeoverheden.
Door de doorwerking goed te organiseren wordt de basis gelegd voor de volgende stap:
daadwerkelijk uitvoering van de keuzes uit de Nota ruimte. Voor de Nota Ruimte is
de doorwerking van groot belang, omdat de Nota Ruimte keuzes voor Nederland maakt
richting 2050, met een doorkijk naar 2100. Daadwerkelijke uitvoering zal voor veel
van deze keuzes pas over langere tijd plaatsvinden. Door nu de doorwerking goed in
te regelen, met een blik op de lange termijn, zorgen we ervoor dat de keuzes uit de
Nota Ruimte bestendigd worden en uiteindelijk uitgevoerd kunnen worden.
Met de Uitvoeringsstrategie wordt op drie manieren aan de doorwerking gewerkt. Enerzijds
wordt aangegeven in welk Nationaal Programma de keuzes uit de Nota Ruimte worden uitgewerkt
en uitgevoerd. Op deze manier maken we duidelijk welke ministeries gaan werken aan
de doorwerking en uiteindelijk de uitvoering van de Nota Ruimte. Dit zijn ook interbestuurlijke
nationale programma’s waarin samen met mede-overheden aan de uitvoering van de Nota
Ruimte wordt gewerkt. Anderzijds worden vervolgstappen benoemd waaraan – in die programma’s
– wordt gewerkt. Daar waar het gaat om vervolgstappen die het Rijk zelf moet oppakken,
wordt benoemd met welk instrument dat gebeurt, bijvoorbeeld juridisch instrumentarium
of (ontwerpend) onderzoek. Daar waar het gaat om keuzes die een (gebiedsgerichte)
samenwerking of uitwerking met medeoverheden behoeven, dienen concrete vervolgstappen
het resultaat te zijn van een gezamenlijke gebiedsgerichte uitwerking tussen Rijk
en medeoverheden (eventueel samenwerkend in regionaal verband). Daarnaast laten we
zien op welke manier keuzes en dus ook programma’s met elkaar samenhangen, en waar
dus samenwerking een samenhangende afweging nodig is bij het invulling geven aan de
doorwerking van keuzes. Op die manier borgen we ook de integraliteit van de keuzes
in de Nota Ruimte in de uitvoering.
Aldus wordt, overeenkomstig de motie-Mooiman/Grinwis (Kamerstuk 29 435, nr. 280) met de Uitvoeringsstrategie het richtinggevende karakter van de Nota Ruimte ten
aanzien van het rijksbeleid en ten aanzien van de medeoverheden geborgd.
Voor wat betreft de nationale borging van de Nota Ruimte is de Minister van VRO coördinerend
bewindspersoon voor de ruimtelijke ordening. De Minister van VRO kan zelf bevoegdheden
uit de Omgevingswet met juridische doorzettingsmacht inzetten, bijvoorbeeld een instructieregel
(zoals dat bijvoorbeeld gebeurd is bij hyperscales datacenters) of een projectbesluit
nemen. Daarnaast is in de Omgevingswet geregeld dat een projectbesluit en voorbereidingsbesluit
van een andere (sectorale) minister – tenzij anders geregeld of afgesproken – in overeenstemming
met de Minister van VRO wordt vastgesteld, zoals bijvoorbeeld projectbesluiten door
EZK voor energieprojecten en netverzwaringen. Tenslotte is de Minister van VRO als
enige bevoegd tot het vestigen van een nationaal voorkeursrecht, het verlenen van
een ontheffing van een instructieregel (in overeenstemming met de minister die het
aangaat) en het verlenen van bepaalde omgevingsvergunningen vanuit het Rijk, met name
een vergunning om af te wijken van het omgevingsplan vanwege een nationaal belang.
De Minister van VRO zorgt er daarnaast voor dat het belang van een goede ruimtelijke
ordening al aan de voorkant wordt meegenomen bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in
Nederland waar het Rijk aan zet is. In de praktijk betekent dit dat de Minister van
VRO andere ministers met een verantwoordelijkheid in de fysieke leefomgeving kan aanspreken
op het realiseren van keuzes en doelen en een goede samenhangende afweging. Ook organiseert
de Minister van VRO de interdepartementale overlegstructuur waarin de inzet in de
nationale programma’s voor de fysieke leefomgeving wordt afgestemd. Dit sluit aan
op de algemene wettelijke verplichting in de Omgevingswet tot goede afstemming en
samenwerking. Als ministers instrumenten zo inzetten dat er gevolgen zijn voor de
ruimtelijke ordening (RO), is de Minister van VRO vanuit de coördinerende RO-portefeuille
in beginsel bij de besluitvorming betrokken. Zo werkt de Minister van VRO mee in de
relevante programma’s voor de fysieke leefomgeving en is de minister bijvoorbeeld
medeondertekenaar van het van het programma Ruimte voor de Rivier en Programma Energie
Hoofdstructuur. De gezamenlijke richtingen en keuzes uit de Nota Ruimte zijn hierbij
leidend. Op deze manier is, zoals motie-Grinwis (Kamerstuk 29 435, nr. 313) vraagt, inzichtelijk gemaakt op welke wijze wordt de Minister van VRO over voldoende
coördinerende bevoegdheden en doorzettingsmacht beschikt ten opzichte van andere departementen.
Daarnaast wordt voor de borging van de uitvoering van de Nota Ruimte richting de medeoverheden
aansluiting gezocht bij de bestaande overlegstructuren. In de Uitvoeringsstrategie
zal, conform de de motie-Van Asten (Kamerstuk 29 435, nr. 276), worden aangeven welke overlegstructuren met medeoverheden een integraal karakter
hebben en hoe de samenhang tussen de verschillende interbestuurlijke overlegstructuren
met medeoverheden eruitziet. Specifiek voor de BO’s Leefomgeving en BO’s MIRT wordt
gezamenlijk met IenW en in afstemming met andere betrokken departementen de positionering
van deze overleggen bezien. De uitkomsten hiervan zullen ook in de Uitvoeringsstrategie
worden opgenomen.
Ten aanzien van financiering loopt een aantal zaken. Conform het coalitieakkoord zullen
de gebiedssubsidies bij grootschalige woningbouwlocaties worden gebundeld. Daarnaast
wordt in de NOVEX-gebieden samen met de regio’s gewerkt aan regionale investeringsagenda’s.
Ook zal uitgezocht worden waar budgetten, indien passend en mogelijk binnen de financiële
kaders, in samenhang kunnen worden ingezet ten behoeve van het uitvoeren van de Nota
Ruimte. In aanloop naar de oplevering van de uitvoeringsstrategie wordt dit, overeenkomstig
de motie-Zalinyan c.s. (Kamerstuk 29 435, nr. 291) de komende maanden onderzocht, in samenwerking met onder meer het Ministerie van
Financiën. De uitkomsten hiervan zullen landen in de uitvoeringsstrategie.
Nota van Antwoord
De Ontwerp-Nota Ruimte heeft van 6 oktober tot en met 15 december 2025 ter inzage
gelegen. Er zijn circa 500 zienswijzen ingediend. Dit is het dubbele aantal zienswijzen
welke destijds zijn ingediend ten behoeve van de ontwerpNOVI. Het merendeel van de
zienswijzen is afkomstig van medeoverheden en organisaties. De zienswijzen zijn afkomstig
uit het hele land en uit België en Duitsland.
De in de zienswijzen opgenomen opmerkingen en vragen worden zorgvuldig geanalyseerd
en geordend naar de thema’s in de Ontwerp-Nota Ruimte. Het kunnen beantwoorden van
de zienswijzen is onder andere afhankelijk van inhoudelijk herijking van de Nota Ruimte
naar aanleiding van het Coalitieakkoord, de adviezen van het PBL en het CRa, het advies
van de Commissie MER op de het Milieueffectrapport en de uitvoering van de door uw
Kamer aangenomen moties. Ook de uitwerking van de keuzes in de nog op te stellen Uitvoeringsstrategie
is bepalend voor de beantwoording.
Het uiteindelijk op te leveren product is een Nota van Antwoord. De indieners kunnen
hier het antwoord op de door hun ingestuurde zienswijzen terugvinden. De Nota van
Antwoord wordt met de definitieve Nota Ruimte gepubliceerd.
Moerdijk
Ik begrijp de onrust die leeft onder de inwoners van de gemeente Moerdijk rond ontwikkelingen
in de Powerport regio Moerdijk, waar veel ruimtelijke opgaven samenkomen, zoals de
verduurzaming van de industrie, de nationale energietransitie en de grondstoffentransitie
om de strategische autonomie van Nederland te versterken. Juist daarom hecht ik aan
zorgvuldigheid in het nu lopende besluitvormingsproces. De Staatssecretaris van KGG,
die deze besluitvorming mede namens mij en andere betrokken departementen coördineert,
zal de Kamer hierover informeren.
Tot slot
Middels deze brief hoop ik u helderheid geboden te hebben over de stappen die ik zet
en hoe ik de inbreng van uw Kamer vertaal naar keuzes in de Nota Ruimte. De komende
tijd werk ik door op een manier die recht doet aan de urgente opgaven van vandaag
en de ambities voor morgen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
Indieners
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening