Brief regering : Verzamelbrief Natuur
33 576 Natuurbeleid
Nr. 485
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
De natuur voedt ons dag in, dag uit. Zonder natuur geen schoon water, geen landbouw,
geen visserij. Maar de natuur is meer dan dat. Ze geeft ons rust, ruimte om te recreëren
en plekken om van te genieten. De Nederlandse natuur is uniek en iets om trots op
te zijn. Tegelijkertijd staat die natuur op veel plekken onder druk. Veel planten
en dieren hebben het moeilijk en sommige soorten dreigen uit Nederland te verdwijnen.
Daarom moeten we de natuur versterken – in het belang van de natuur en onze samenleving.
Dat vraagt om gezamenlijk inzet en om meer ruimte voor natuur en biodiversiteit in
ons landschap. Zo beschermen we niet alleen planten en dieren, maar ook de basis onder
landbouw, visserij en onze leefomgeving. Met deze inzet werken we aan herstel en verbetering
van de Nederlandse natuur, zodat hij gezond, veerkrachtig en toekomstbestendig wordt.
In de brieven van 27 maart en 24 april jl. (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 80 en 84) hebben de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
en ik uw Kamer geïnformeerd over de eerste inzet van de maatregelen die wij samen
met andere partijen nemen om onze Nederlandse natuur weer in goede staat te brengen,
waaronder de aanpak en doelen van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Via deze brief informeer ik de Tweede Kamer, voorafgaand aan het Commissiedebat Natuur
van 4 juni, aanvullend over een aantal onderwerpen binnen mijn portefeuille natuur.
Dit gaat onder meer over de stand van zaken van moties en toezeggingen. De volgende
onderwerpen komen aan bod in deze brief:
– Soortenbeleid
• Reactie op toezegging n.a.v. onderzoek status moeflon
• Reactie op motie lid Grinwis c.s. en toezegging omtrent lijmvallen
• Uitvoering motie lid Boswijk die oproept tot een wildtellingenprotocol
• Update motie lid Graus die vraagt om herziening Zeehondenakkoord
• Verdrag ter bescherming van migrerende soorten
• Uitvoering motie lid Kostić c.s. die oproept de jacht op wilde vogels stil te leggen
– Exotenbeleid
• Voortgang acties Landelijk aanvalsplan invasieve exoten
• Appreciatie zienswijze RDA over het doden van exoten
– Gebieden
• Uitvoering motie lid Van der Plas (Engbertsdijksvenen)
• Antwoord op de vragen van Bromet over «Recreatie om de Stad»-gebieden
• 15e trilaterale regeringsconferentie ter bescherming van de Waddenzee in Esbjerg
– Natuurinclusieve samenleving
• De motie lid Weverling over een jaarlijkse monitor Groen in de Stad
• Handreiking Omgevingswet voor Basiskwaliteit Natuur
– Natuurherstelverordening
• Procesupdate Natuurherstelverordening
Soortenbeleid
Reactie op toezegging n.a.v. onderzoek status moeflon
Naar aanleiding van de motie van uw Kamer om advies te vragen over de indeling van
diersoorten in het wild als inheemse diersoort, exoot of invasieve exoot (Kamerstuk
35 334, nr. 374), is gekeken naar de mogelijke status van de moeflon als inheemse diersoort in plaats
van exoot. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover met de Verzamelbrief Natuur
van 20 januari 2026 een rapport gestuurd (Kamerstuk 33 576, nr. 474). In deze brief heeft hij ook toegezegd te onderzoeken wat de mogelijkheden en de
voor- en nadelen zijn om de status van de moeflon aan te passen. Hierbij ontvangt
u mijn reactie op die toezegging.
Moeflons worden momenteel in enkele kleinere natuurgebieden in Nederland en in het
Nationaal Park de Hoge Veluwe gehouden. Daar dragen zij bij aan het openhouden van
de heide- en stuifzandgebieden door begrazing. De soort komt van nature echter niet
in Nederland voor. Moeflons zijn door menselijk handelen in de Nederlandse natuur
terecht gekomen. Tussen de jaren 1850 en 1950 zijn zij vanuit Corsica en Sardinië
over vrijwel geheel Europa uitgeplaatst. Alleen in hun oorspronkelijke leefgebied
– Sardinië (Italië) en Corsica (Frankrijk) – heeft de moeflon de status van beschermde
inheemse diersoort.
Zoals al in de hierboven genoemde Verzamelbrief Natuur staat, is het mogelijk om een
soort onder een beschermingskader te brengen. De moeflon zou als beschermde soort
op bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kunnen worden geplaatst.
Het aanpassen van de status van de moeflon in Nederland kan voordelen hebben. Beschermde
soorten trekken natuurliefhebbers, wandelaars en fotografen, wat lokaal toerisme en
de regionale economie kan stimuleren. De moeflonpopulatie in het Nationaal Park de
Hoge Veluwe is sterk afgenomen, mede door predatie door wolven. Een beschermde status
biedt een wettelijke basis voor actief beleid om de populatie te beschermen. Echter,
de huidige status als gehouden soort biedt hiervoor al mogelijkheden, en zelfs de
plicht voor de houder om de dieren te beschermen.
Een beschermde status voor de moeflon heeft ook nadelen. Zo brengt die status wettelijke
verplichtingen met zich mee. Er zal dan moeten worden vastgesteld hoe een gunstige
staat van instandhouding voor deze soort in heel Nederland kan worden bereikt en behouden.
Provincies en het Nationaal Park moeten vervolgens actief beleid voeren om de soort
in stand te houden. Dat vraagt een grote inspanning van provincies. Met name omdat
het om een diersoort gaat die niet van nature in Nederland voorkomt en uitsluitend
leeft in kleine, afgerasterde gebieden. Daarnaast zou voor het doden of vangen van
moeflons een vergunning nodig zijn, op grond van de Omgevingswet. Dat zorgt voor extra
regels en administratieve lasten voor provincies, bijvoorbeeld bij populatiebeheer.
Het creëren van een beschermde status voor een uitheemse soort schept bovendien een
precedent voor toekomstige aanvragen om andere uitheemse soorten deze beschermde status
te geven. Daarom past terughoudendheid bij zo'n besluit.
De genoemde voordelen wegen voor mij niet op tegen de nadelen. Hierdoor acht ik het
niet wenselijk om over te gaan een aanpassing van de status van de moeflon in Nederland.
Reactie op motie lid Grinwis c.s. en toezegging omtrent lijmvallen
Naar aanleiding van de motie-Grinwis/Van der Plas (Kamerstuk 35 756, nr. 13) en de toezegging in Kamervragen (kenmerk: 2025Z07223) heeft mijn ministerie samen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
gesprekken gevoerd met de brancheverenigingen voor plaagdierbeheersers en met dierenwelzijnsexperts
over het voorkomen van onnodig lijden bij het gebruik van lijmvallen. Dierenwelzijn
is voor mij belangrijk. Vang- en dodingsmiddelen moeten op zo’n manier ingezet worden,
dat deze het beoogde doel behalen en het onnodig lijden van dieren daarbij wordt vermeden.
Uit het traject is gebleken dat het voorkomen van onnodig lijden bij ongewervelden,
zoals ratten en muizen, niet mogelijk is. Het gebruik van lijm binnen gebouwen voor
ongewervelden blijft daardoor verboden.
De gesprekken met de brancheverenigingen hebben niet geleid tot afspraken over het
voorkomen van onnodig dierenleed bij het gebruik van lijm. Ook hebben de brancheverenigingen
niet kunnen aantonen dat lijmvallen in bepaalde situaties noodzakelijk zijn als laatste
redmiddel. Daarom zie ik geen aanleiding om de huidige regels aan te passen. Dit betekent
dat het gebruik van lijm overal buiten gebouwen verboden blijft. Provincies blijven
wel de mogelijkheid houden om voor het gebruik van lijm buiten gebouwen, onder strikte
voorwaarden, een omgevingsvergunning af te geven. Het gebruik van lijmvallen binnen
gebouwen is niet verboden mits onnodig lijden wordt voorkomen en uitgesloten kan worden
dat beschermde soorten gevangen of gedood worden. Uit onderzoek in Vlaanderen is gebleken
dat het voorkomen van onnodig lijden bij het gebruik van lijm voor gewervelde dieren,
zoals ratten en muizen, onmogelijk is.1 Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met de brancheverenigingen. Het gebruik
van lijmvallen voor gewervelden blijft hiermee in de praktijk verboden vanuit het
oogpunt van dierenwelzijn. Ook het plaatsen van lijmvallen met de intentie om hiermee
ratten of muizen te vangen valt onder dat verbod. De NVWA handhaaft op het gebruik
van lijm. Lijmvallen zijn dus geen alternatief voor het gebruik van rodenticiden tegen
overlast door ratten en muizen.
Zoals ook in de beantwoording van Kamervragen (2026Z06928) is toegezegd, gaan de bij Integrated Pest Management (IPM)-Knaagdierbeheersing betrokken
departementen beproefde werkwijzen van efficiënte en effectieve bestrijding ophalen.
Daarbij is bescherming van milieu, mens en dier het uitgangspunt.
Voor het versterken en verbeteren van het beleid rond IPM blijft mijn ministerie samen
met de NVWA in gesprek met de brancheorganisaties en dierenwelzijnsexperts over het
gebruik van diervriendelijke alternatieven. Daarmee beschouw ik de genoemde toezegging
en motie als afgedaan.
Uitvoering motie lid Boswijk die oproept tot een wildtellingenprotocol
De motie-Boswijk (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 40) verzoekt de regering om samen met de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV),
de Zoogdiervereniging en andere relevante maatschappelijke organisaties gezamenlijk
tot een wetenschappelijk gedragen wildsoortentelprotocol te komen. Een betrouwbaar
telprotocol is belangrijk voor goed inzicht in de ontwikkeling van wildpopulaties.
Samen met gegevens over faunaschade en afschot vormt het de basis voor faunabeheerplannen
en beleid. Daarom is het van belang dat deze gegevens volledig, betrouwbaar en goed
verifieerbaar zijn. Alleen zo kunnen onderbouwde keuzes worden gemaakt over beheer,
bescherming en duurzaam gebruik van wildsoorten.
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 33 576, nr. 443), is onder leiding van Hogeschool van Hall Larenstein, in samenwerking met de Zoogdiervereniging,
de KNJV en de faunabeheereenheden, gewerkt aan het verbeteren van het telprotocol,
het verifiëren van de telgegevens van de wildbeheereenheden (WBE’s) en het bepalen
van (mogelijke) vervolgstappen. Om uitvoering te geven aan de geadviseerde vervolgstappen
heb ik het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gevraagd onderzoek te doen. Het
CBS heeft onderzocht of betrouwbare en representatieve combinatietrends voor de haas
en konijn mogelijk zijn, op basis van de telgegevens van de WBE’s en het Meetnet Dagactieve
Zoogdieren. Hierbij zijn zowel landelijke als provinciale trends onderzocht.
Uit het onderzoek blijkt dat voor haas en konijn het in 9 van de 12 provincies mogelijk
is om een gecombineerde trend te berekenen voor de periode 2013–2023. Door de twee
meetnetten te combineren ontstaat een robuustere trend op provinciaal en landelijk
niveau. In Groningen, Utrecht en Flevoland zijn er te weinig tellingen volgens protocol
in de periode 2013–2023 om een gecombineerde trend te bepalen.
Ik ben blij met deze uitkomst en dankbaar voor de inzet vanuit alle betrokken partijen
die hebben bijgedragen aan het wildtellingenproject. Om het behaalde succes te borgen
ben ik van plan om de telgegevens van de WBE’s jaarlijks door het CBS te laten verifiëren
en een combinatietrend daarvan te publiceren. Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.
Update motie lid Graus die vraagt om herziening Zeehondenakkoord
Eind 2024 heeft de Tweede Kamer een door mijn voorganger ontraden motie aangenomen
die vraagt om herziening van het Zeehondenakkoord2 inzake de 24 uurstermijn voor noodhulp aan zogende zeehondenpups zonder moeder (motie
van het lid Graus, Kamerstuk 28 286, nr. 1370). Zoals eerder aangegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 1377), heb ik aanvullend onderzoek3 uit laten voeren door Wageningen Marine Research. De resultaten van dit onderzoek
zijn schriftelijk voorgelegd aan alle partijen binnen het Zeehondenakkoord.
Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat bijna een kwart van de dieren minder dan de
gestelde 24 uur werden geobserveerd voordat zij werden opgevangen. De redenen die
hiervoor worden aangevoerd, zijn bijvoorbeeld dat een pup niet langer gezoogd wordt
(gewichtsverlies), er slecht aan toe is of op een plek ligt waar het snel verstoord
zou worden. Dit is in lijn met het handelingskader van het Zeehondenakkoord.
Het is mij daarom duidelijk dat de 24 uurstermijn doet waar deze voor is ingesteld.
Het voorkomt dat zeehondenpups onnodig gescheiden worden van hun moeder tijdens foerageertochten
van de moeder. Het handelingskader in het Zeehondenakkoord geeft mogelijkheden om
sneller over te gaan tot opvang indien wordt vastgesteld dat het dier in slechte toestand
is en voorkomt dat dieren onnodig aan hun lot worden overgelaten. Uit het aanvullend
onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden in praktijk ook worden benut.
Mede gelet op het feit dat er vanuit de partijen van het Zeehondenakkoord, o.a. alle
partijen die werken met de dieren, geen verzoek tot wijziging van het akkoord is gekomen
is het mij duidelijk dat het niet noodzakelijk is om de 24 uurstermijn te herzien.
Met de resultaten van dit aanvullende onderzoek beschouw ik deze motie als afgedaan.
Ik ben en blijf met partijen in gesprek over de uitvoering van het Zeehondenakkoord.
Onder meer over de opvolging van de eerder uitgevoerde tussentijdse evaluatie van
het akkoord. Hierover zal ik u na de zomer informeren.
Verdrag ter bescherming van migrerende soorten
De 15e Conferentie van Partijen (COP15) van het Verdrag ter bescherming van migrerende
soorten (CMS) vond plaats op 23 tot en met 29 maart in Campo Grande, Brazilië. Deze
3-jaarlijkse vergadering werd bezocht door meer dan 2.000 deelnemers uit 133 landen.
Voorafgaand de CoP heb ik uw Kamer geïnformeerd over de Nederlandse prioriteiten (Kamerstuk
26 407, nr. 164). Tijdens de COP15 zijn er in totaal 17 voorstellen aangenomen om soorten op de bijlagen
van CMS te plaatsen. Voor het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door LVVN,
waren dit keer met name van belang; de kleine geelpootruiter, drie soorten voshaaien
en twee soorten hamerhaaien die voorkomen in Caribisch Nederland. Ik ben blij dat
deze bijzondere soorten binnenkort strikt beschermd zullen zijn. Een ander belangrijk
succes is de adoptie van het door Nederland geïnitieerde actieplan voor de ruwe haai
in de Noordoost-Atlantische Oceaan en Middellandse Zee. Daarnaast is ook het actieplan
voor de Europese aal en een actieplan voor meerdere soorten van de vogelsoortgroep
trappen aangenomen. Dit soort actieplannen geeft o.a. prioriteiten aan voor de bescherming
van deze soorten, en zorgen voor een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak door de
landen waar deze soorten voorkomen (range states).
Voor de bescherming van migrerende soorten zijn afspraken gemaakt over onderwerpen
zoals de achteruitgang van insecten en klimaatverandering, en over de impact van bijvoorbeeld
mariene vervuiling en lichtvervuiling. Daarnaast zijn veel besluiten genomen over
onderwerpen als bijvangst, onderwatergeluid, diepzeemijnbouw en vliegroutes van vogels.
Er werd binnen de Europese delegatie veelvuldig een beroep gedaan op de expertise
en ervaring van de Nederlandse delegatie, die daardoor een belangrijke bijdrage heeft
kunnen leveren aan de onderhandelingen en de bescherming van migrerende soorten.
Uitvoering motie lid Kostić c.s. die oproept de jacht op wilde vogels stil te leggen
Uw Kamer is op 15 mei jl. door de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur geïnformeerd over uitvoering van de motie van het lid Kostić c.s. (Kamerstuk
28 807, nr. 314), die oproept de jacht op wilde vogels stil te leggen. Zoals in deze Kamerbrief aangegeven,
zijn er geen veterinaire argumenten om vanwege vogelgriep een jachtverbod in te stellen.
Ook op basis van een door Sovon opgesteld advies zie ik geen aanleiding te veronderstellen
dat vogelgriep, in combinatie met jacht, er op dit moment toe bijdraagt dat de situatie
voor betreffende vogelsoorten verslechtert. In deze brief is aangegeven dat ik uw
Kamer verder zal informeren.
In de motie staan ook constateringen met betrekking tot de populatie wilde eend die
langzaam uit het Nederlandse landschap verdwijnt. In 2022 is de staat van instandhouding
voor de wilde eend onderzocht en als ongunstig aangemerkt. Hetzelfde is toen geconstateerd
voor de andere twee soorten waarop de jacht is geopend, de houtduif en de fazant.
Gezien de rol van provincies binnen jacht en faunabeheer wil ik graag met hen bespreken
welke conclusies daaruit getrokken moeten worden. Ik zal hierin ook de stelselwijziging
jacht en faunabeheer betrekken, die op dit moment op verzoek van uw Kamer wordt geëvalueerd
(motie van het lid Kostić c.s., Kamerstuk 28 807, nr. 314). Ik verwacht uw Kamer begin 2027 nader over de uitvoering van beide moties te kunnen
informeren.
Exotenbeleid
Voortgang acties Landelijk aanvalsplan invasieve exoten
Invasieve exoten hebben nadelige gevolgen voor de biodiversiteit. Zij kunnen ook schadelijk
zijn voor gezondheid en veiligheid. Het Landelijk aanvalsplan invasieve exoten (verder
«aanvalsplan») dat mijn voorganger in januari dit jaar aan uw Kamer heeft gestuurd
vormt een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling en versterking van het exotenbeleid
(Kamerstuk 26 407, nr. 162). Op dit moment wordt een eerste start gemaakt met een aantal prioritaire acties
en maatregelen uit het aanvalsplan. Deze acties worden door LVVN, provincies en andere
partijen voortvarend opgepakt met het startbudget van € 9,2 miljoen dat bij de Voorjaarsbesluitvorming
van 2025 is vrijgemaakt voor 2025 en 2026.
Het aanvalsplan legt de focus op preventie en vroege eliminatie om te voorkomen dat
invasieve exoten Nederland binnenkomen, zich vestigen of verder verspreiden. In dat
kader wordt gewerkt aan informatievoorziening en het bieden van concrete tools voor
consumenten en professionals, zoals het uitbreiden van de website «Tuin er niet in!»
en het updaten, uitbreiden en breder toepasbaar maken van het «Handelingskader transport
en verwerking van invasieve exoten».
Daarnaast worden voorbereidingen getroffen voor de snelle eliminatie van een aantal
andere soorten die zich nog in een vroeg stadium van introductie bevinden, waaronder
de roofslak Rapana venosa in de Zeeuwse Delta en de Chinese vijvermossel in de Maas. Provincies werken hard
aan vroege eliminatie van wasberen in Nederland en in dat kader hebben de provincies
op 10 februari van dit jaar een wasbeersymposium georganiseerd met vertegenwoordiging
van (internationale) beleidsmakers, deskundigen, faunabeheerders en enkele dierenwelzijnsorganisaties.
Centraal thema van het symposium was hoe Nederland nu en in de toekomst volledig vrijgehouden
kan worden van wasberen en welke (zo diervriendelijk mogelijke) bestrijdingsstrategieën
daarbij kunnen worden gevolgd.
De aanpak van invasieve exoten maakt deel uit van mijn inzet van natuurherstelmaatregelen.
Om snel aan de slag te gaan met het Coalitieakkoord heb ik dit jaar onder andere € 9
miljoen vrijgemaakt binnen het eenmalig versnellingspakket natuurherstel bedoeld voor
een aantal specifieke maatregelen tegen invasieve exoten. Verdere financiering van
een vervolg op dit pakket zal onderdeel uitmaken van de besluitvorming binnen de Taskforce
Landbouw, Natuur en Stikstof.
Appreciatie zienswijze RDA over het doden van exoten
Een effectief beleid tegen invasieve exoten vraagt om een zorgvuldige balans tussen
bescherming van biodiversiteit, uitvoerbaarheid in de praktijk én dierenwelzijn. Mijn
voorganger heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) daarom gevraagd om een reflectie
op de spanning tussen behoud van natuur en biodiversiteit en de maatschappelijke wens
om geen dieren te doden.4 Deze zienswijze van de RDA zal binnenkort worden gepubliceerd. Na de zomer ontvangt
uw Kamer mijn appreciatie van deze zienswijze. Ik zal bij deze appreciatie ook de
medeoverheden betrekken die het exotenbeleid uitvoeren en maatregelen nemen in het
veld.
Gebieden
Uitvoering motie lid Van der Plas (Engbertsdijksvenen)
In de motie-Van der Plas van 24 maart 2026 (Kamerstuk 29 659, nr. 167) is de regering verzocht onderzoek te laten doen naar een aantal zaken die spelen
bij het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen en te onderzoeken of natuurbeheerders
bij Natura 2000-gebieden vaker sturen op zwaardere of nieuwe natuurdoelen dan de feitelijk
aanwezige natuurtypen. De uitvoering van deze motie wordt hierna besproken. Daarmee
is deze motie afgedaan.
Het eerste deel van de motie betreft het verzoek te laten onderzoeken:
– of de ontwikkeling van actief hoogveen in de Engbertsdijksvenen ecologisch en hydrologisch
daadwerkelijk haalbaar is;
– welke overwegingen en aannames ten grondslag liggen aan de keuze om dit gebied zo
te veranderen bij het instellen van nieuwe natuurdoelen;
– of de gekozen natuurdoelen opwegen tegen de extreme gevolgen voor bewoners en ondernemers
in en rondom het gebied.
Uit overleg met de provincie Overijssel is gebleken dat deze onderwerpen worden meegenomen
in het beoordelen van de zienswijzen die zijn ingediend bij de terinzagelegging van
het ontwerpprojectbesluit externe maatregelen Engbertsdijksvenen. Het resultaat daarvan
zal blijken bij het nemen van het besluit.
Momenteel worden verschillende varianten voor de noodzakelijke waterhuishoudkundige
maatregelen verder onderzocht. Daarbij is er uitdrukkelijk oog voor de gevolgen voor
omwonenden. Niet alleen omdat dit belangrijk is vanwege het draagvlak in de streek,
maar ook omdat dit een vereiste is vanuit de Habitatrichtlijn. Tegelijk is duidelijk
dat uiteindelijk het effect op de beschermde natuurwaarden de doorslag moet geven
in de keuze voor de te nemen maatregelen. Dit vereiste volgt uit jurisprudentie van
het Europese Hof van Justitie. Daarom is het zo goed mogelijk bepalen van de effectiviteit
van de mogelijke maatregelen essentieel. De provincie heeft daar veel onderzoek naar
laten doen en dit is op een zorgvuldige wijze gebeurd.
Meer specifiek kan over de drie verzoeken het volgende worden vermeld. Ten eerste:
op de specifieke omstandigheden in het gebied ga ik in een aan GS Overijssel gerichte
brief in; daar verwijs ik kortheidshalve naar.
Ten tweede: ten aanzien van de overwegingen en aannames die ten grondslag liggen aan
de keuze om het gebied te veranderen bij het instellen van nieuwe natuurdoelen, moet
onderstreept worden dat van nieuwe natuurdoelen geen sprake is. Aan de instandhoudingsdoelstellingen
voor het gebied, inclusief die voor Actieve hoogvenen, is sinds het aanwijzingsbesluit
van 2009 niets veranderd. Omdat hier geen andere keuze in is gemaakt, zijn er ook
geen overwegingen of aannames waar nu op in kan worden gegaan.
Ten derde: of gekozen natuurdoelen opwegen tegen de externe gevolgen, is – zoals gezegd
– onderwerp van onderzoek. Of de instandhoudingsdoelstellingen voor de genoemde habitattypen
voldoen aan de vereisten van de Habitatrichtlijn, is reeds getoetst door de Raad van
State. Deze staan dus niet ter discussie. De genomen en nog te nemen maatregelen bouwen
hierop voort en moeten aan deze juridische kaders voldoen. Het is overigens niet zo
dat er sprake is van extreme gevolgen. Dit blijkt uit de uitvoerige communicatie over
de voorgenomen maatregelen.
Het tweede deel van de motie betreft het verzoek te onderzoeken of natuurbeheerders
bij Natura 2000-gebieden vaker sturen op zwaardere of nieuwe natuurdoelen dan de feitelijk
aanwezige natuurtypen, en wat daarvan de financiële en maatschappelijke consequenties
zijn. De doelen voor Natura 2000-gebieden worden door het Rijk bepaald, in overleg
met provincies. Voor het kunnen bepalen van die doelen wordt informatie ingewonnen,
onder andere bij de eigenaren van deze gebieden. Die informatie bestaat onder andere
uit de aanwezigheid van soorten en habitattypen enerzijds en de potenties voor uitbreiding
en verbetering anderzijds. Dit wordt verantwoord in (documenten die ten grondslag
liggen aan) aanwijzingsbesluiten en beheerplannen.
Van «sturen op zwaardere of nieuwe natuurdoelen dan de feitelijk aanwezige natuurtypen»
is bij het gebied Engbertsdijksvenen niets gebleken: de doelen waren volgens de toentertijd
betrokken ambtenaren noodzakelijk voor het bereiken van de landelijk gunstige staat
van instandhouding van de habitattypen (en vogelsoorten) en werden niet ingegeven
door een vermeende sturing vanuit de terreinbeheerder, Staatsbosbeheer. Omdat de natuurdoelen
nadien niet zijn gewijzigd, kan er ook geen sprake zijn van dergelijke sturing in
de jaren daarna.
Meer in het algemeen gesproken, worden de doelen in aanwijzingsbesluiten eerst via
een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Het komt voor dat natuurbeheerders (maar ook
anderen) dan verzoeken om ambitieuzere doelen op te nemen. Van zulke verzoeken gaat
geen feitelijke sturing uit, omdat elk verzoek door het ministerie wordt beoordeeld
op noodzakelijkheid en haalbaarheid. Datzelfde geldt voor verzoeken van ondernemers
en omwonenden om doelen te verlagen of te schrappen (en de mogelijke financiële en
maatschappelijke consequenties daarvan). De verantwoordelijkheid voor het bepalen
van de doelen ligt dus bij het ministerie, ook voor de financiële en maatschappelijke
consequenties daarvan.
Antwoord op de vragen van Bromet over «Recreatie om de Stad»-gebieden
Tijdens het Tweeminutendebat over Staatsbosbeheer van 17 maart 2026 heeft het lid
Bromet vragen gesteld over de inventarisatie van de «Recreatie om de Stad» (RODS)-gebieden
waarvoor verkoop speelt. LVVN is bekend met deze beheerproblematiek van de RODS-gebieden
en is hierover in gesprek gegaan met Staatsbosbeheer. Er is tijdens het debat toegezegd
dat de Kamer over die gesprekken geïnformeerd zal worden voorafgaand aan het Commissiedebat
Natuur van 4 juni.
RODS-gebieden zijn grote groengebieden die in het verleden zijn aangelegd in samenhang
met de verstedelijkingsopgaven in West-Nederland, met name Noord-Holland, Utrecht
en Zuid-Holland. Een belangrijk deel van deze gebieden wordt beheerd door Staatsbosbeheer.
De gebieden zijn belangrijk als recreatief uitloopgebied voor inwoners van verstedelijkte
gebieden en hebben ook natuurwaarde. Bij de decentralisatieafspraken voor natuurbeleid
is de verantwoordelijkheid voor deze gebieden overgedragen aan de provincies, maar
zijn er geen duidelijke financiële afspraken gemaakt over de bekostiging van het beheer.
Wel is afgesproken dat provincies en gemeenten planologische ruimte zouden geven aan
exploitatie van de gebieden om daarmee het beheer te financieren. In praktijk is dit
onhaalbaar en onwenselijk gebleken.
De provincies Utrecht en Zuid-Holland hebben daarom het initiatief genomen om, in
ieder geval tijdelijk en gedeeltelijk, geld beschikbaar te stellen voor het beheer
van deze gebieden. In de provincie Noord-Holland is dit niet gebeurd en dit heeft
geleid tot een aanzienlijk jaarlijks tekort voor het beheer (inclusief groot onderhoud
en vervanging) door Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer voert in Noord-Holland intensieve
gesprekken met de provincie en gemeenten om alsnog voldoende beheerfinanciering te
verkrijgen. Voor de RODS-gebieden in Purmerend en Haarlemmermeer is hier nog geen
zicht op, voor het Diemerbos wel.
Staatsbosbeheer kan deze gebieden alleen blijven beheren als daar geld voor wordt
gegeven. Mocht dit niet lukken, dan blijft verkoop de enige overgebleven optie. Ik
heb begrip voor de aanpak van Staatsbosbeheer, ook omdat in het kader van het Ondernemingsplan
van Staatsbosbeheer staat dat het de opdracht heeft zich te richten op taken die gefinancierd
zijn en uitgaven en inkomsten in balans te brengen. Tegelijkertijd zou het jammer
zijn als deze natuur- en recreatieve gebieden rondom de steden verloren gaan. Daarom
ga ik in gesprek met de provincie Noord-Holland over het beheer van deze gebieden.
15e trilaterale regeringsconferentie ter bescherming van de Waddenzee in Esbjerg
De Waddenzee is één van de mooiste natuurgebieden van Europa. Het UNESCO Werelderfgoed
is, met zijn zandbanken, geulen en kwelders, een unieke en onmisbare plek voor miljoenen
trekvogels, vissen en zeehonden. Maar het gebied staat onder druk door onder meer
klimaatverandering en menselijk gebruik. Natuur en economie hoeven daarbij niet tegenover
elkaar te staan, zolang we kiezen voor duurzame ontwikkeling en duidelijke grenzen
aan wat de natuur aankan.
De Waddenzee houdt zich niet aan landsgrenzen. Daarom is het belangrijk om internationaal
samen te werken, met als belangrijkste partners Duitsland en Denemarken. De trilaterale
samenwerking tussen de drie Waddenzeelanden Denemarken, Duitsland en Nederland voor
de bescherming van de Waddenzee bestaat sinds 1978. Via deze samenwerking geven we
onder andere vorm aan onze gedeelde verantwoordelijkheid voor het UNESCO Werelderfgoed
Waddenzee. Om de vier jaar bekrachtigen Nederland, Duitsland en Denemarken de samenwerking
door middel van een trilaterale regeringsconferentie. De 15e regeringsconferentie
over de bescherming van de Waddenzee vond plaats op 27 t/m 29 mei 2026 in Esbjerg,
Denemarken. Inzet voor deze regeringsconferentie was om onze inspanningen ter bescherming
van de Waddenzee trilateraal zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen door het maken
van concrete, uitvoerbare afspraken die bijdragen aan een gezondere Waddenzee. Tijdens
deze conferentie is het voorzitterschap van de trilaterale samenwerking overgegaan
van Denemarken naar Nederland. Namens Nederland gaat Luzette Kroon, Dijkgraaf van
het Wetterskip Fryslân, deze rol vervullen. De komende vier jaar zal Nederland zich
inzetten om het Werelderfgoed en de natuur beter te beschermen, met tegelijk oog voor
de mensen die in het Waddengebied wonen en werken. Nederland wil zich onder meer inzetten
voor betere bescherming van de natuur via het Beleidskader Natuur Waddenzee, een verbod
op nieuwe gaswinning onder de Waddenzee en meer gezamenlijk onderzoek naar de gevolgen
van klimaatverandering en menselijk gebruik. Ook willen we trilateraal intensiever
samenwerken met bewoners, vissers, ondernemers, wetenschappers en jongeren, zodat
keuzes over de toekomst van de Waddenzee samen worden gemaakt en goed onderbouwd zijn.
Vanwege de demissionaire status van het Deense kabinet is een bewindspersonenoverleg
op deze conferentie helaas niet mogelijk. Er zal een trilateraal statement worden
gemaakt waarin het belang van de gezamenlijke bescherming zal worden bekrachtigd.
Het is gebruikelijk om tijdens een trilaterale regeringsconferentie een regeringsverklaring
te ondertekenen. Deze verklaring vormt de inhoudelijke basis voor de trilaterale samenwerking
voor de komende jaren. Vanwege de demissionaire status van het Deense kabinet zal
de regeringsverklaring worden ondertekend zodra er een nieuw kabinet is in Denemarken.
Wanneer het zover is zal ik de Tweede Kamer hierover informeren.
Natuurinclusieve samenleving
De motie lid Weverling over een jaarlijkse monitor Groen in de Stad
De motie-Weverling (VVD, Kamerstuk 35 570 XIV, nr. 24) verzoekt de regering te komen met een jaarlijkse monitor Groen in de Stad. Met de
groeiende bevolking, de woningbouwopgave, het verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering
is voldoende groen in en om de stad belangrijker dan ooit voor een gezonde, prettige
en toekomstbestendige leefomgeving voor mens, dier en plant. Groen in de stad helpt
hittestress, luchtverontreiniging en wateroverlast te beperken en draagt zo bij aan
een hogere levenskwaliteit en een veerkrachtige stad voor de toekomst. Daarom vind
ik het belangrijk hierin te investeren.
De afgelopen jaren hebben LVVN en VRO de Kamer regelmatig geïnformeerd over de voortgang
van Groen in en om de stad (GIOS). Zie bijvoorbeeld de brieven van 23 maart 2023 en
de brief van 31 mei 2024 (Kamerstuk 32 813, nr. 1396), waarin u geïnformeerd bent over de voortgang GIOS en de handreiking GIOS. Ik ben
blij u te kunnen melden dat de Handreiking GIOS wordt geactualiseerd in een 2.0-versie.
De Handreiking beschrijft een systematiek voor gemeenten en provincies om groen integraal
goed mee te nemen in beleid, projecten en uitvoering. Met de actualisatie wordt de
handreiking nog concreter toepasbaar, worden nieuwe onderwerpen toegevoegd en een
aantal bestaande thema’s verder uitgewerkt. Ook vindt verdere integratie en afstemming
plaats met bestaand en nieuw beleid, zoals Basiskwaliteit Natuur in de bebouwde omgeving.
De handreiking draagt niet alleen bij aan natuurherstel, maar ook aan een prettige
en gezonde leefomgeving voor ons mensen. Naar verwachting wordt de Handreiking 2.0
rond de zomer gepubliceerd en naar de Kamer gezonden.
Via de programmatische aanpak GIOS werken LVVN en VRO samen met medeoverheden en overige
partners aan groen (en water) in en om steden en dorpen zodat een prettige en gezonde
leefomgeving ontstaat voor mens, dier en plant. Ook werken VRO, als eerstverantwoordelijk
ministerie, en LVVN aan de implementatie van artikel 8 van de Natuurherstelverordening
dat ziet op natuurherstel in het stedelijk ecosysteem. Vanwege het belang van groen
in en om de stad en de Europese verplichtingen voor natuurherstel in stedelijk gebied
houd ik uw Kamer op de hoogte van de ontwikkelingen. Daarmee geef ik uitvoering aan
de motie-Weverling en beschouw ik deze motie als afgedaan.
Handreiking Omgevingswet voor Basiskwaliteit Natuur
Met deze brief ontvangt u het rapport «Basiskwaliteit natuur in de bebouwde omgeving met de Omgevingswet, een handreiking
voor gemeenten voor het omgevingsplan». Deze handreiking, opgesteld door Forurbannature, AT Osborne en Nest Natuurinclusief,
laat zien welke mogelijkheden gemeenten hebben om met de Omgevingswet invulling te
geven aan basiskwaliteit natuur. Ook zijn er planregels verzameld die al toegepast
zijn door gemeenten.
Met basiskwaliteit natuur wordt een minimumniveau voor biodiversiteit in een gebied
bedoeld. Algemene (nog niet bedreigde) soorten van zowel bebouwd als van agrarisch
gebied gaan in populatieomvang achteruit5. Basiskwaliteit natuur richt zich op het verbeteren van de omstandigheden die deze
soorten nodig hebben om duurzaam te kunnen (blijven) voorkomen. Het gaat daarbij om
een gezonde bodem- en waterkwaliteit, voldoende water en oppervlak, verbindingen tussen
leefgebieden, passend beheer en gebruik van het landschap. Zonder deze condities gaan
de algemene soorten achteruit6. Door het herstel van de natuur en van soorten die in een bepaald landschap voorkomen,
wordt ook het eigen karakter van het landschap versterkt.
Het gaat bij basiskwaliteit natuur om algemene soorten buiten beschermde natuurgebieden,
zowel in stedelijk als in landelijk gebied. Daarbij wordt gekeken hoe natuur beter
kan samengaan met andere functies, zoals wonen, landbouw en infrastructuur. Denk bijvoorbeeld
aan ecologisch maaibeheer, groener ingerichte (nieuwe) buurten, klimaatmaatregelen
met een goede natuurkwaliteit en het vroeg meenemen van biodiversiteit in de ruimtelijke
planning. Zo ontstaat er een leefomgeving waarin soorten zoals de huismus, egel, hommel
en het madeliefje meer ruimte krijgen. Deze inzet draagt mede bij aan het behalen
van de doelen van de Natuurherstelverordening op gebied van onder andere bestuivers,
graslandvlinders, boerenlandvogels en het stedelijk ecosysteem, en verbetering van
de water- en bodemkwaliteit (ontwerpNota Ruimte, Kamerstuk 29 435, nr. 269, p. 241).
In het advies «Verkenning Natuurinclusief» wordt basiskwaliteit natuur als ecologische
onderlegger gepositioneerd om natuurinclusief werken structureel onderdeel te maken
van beleid en uitvoering bij overheden (Kamerstuk 33 576, nr. 481). Ik onderschrijf dat en vind het belangrijk dat we bij de grote opgave die we hebben
voor natuurbehoud en -herstel niet alleen naar natuurgebieden kijken, maar ook naar
hoe we natuur met andere gebruiksfuncties kunnen combineren. Het rapport is hier een
goede bouwsteen voor die gemeenten kan helpen om dit toe te passen.
Met dit rapport wordt uitvoering gegeven aan de toezegging uit de verzamelbrief Natuur
van 29 augustus 2024 (Kamerstuk 33 576, nr. 389) om de gemeenten te ondersteunen bij het juridisch borgen van vergroening en basiskwaliteit
natuur. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de motie-Kostić (Kamerstuk 31 209, nr. 254), die oproept om in het Besluit bouwwerken leefomgeving vast te leggen dat natuurinclusief
inrichten, bouwen en renoveren moet bijdragen aan de minimumvereisten voor de gebiedsspecifieke
basiskwaliteit natuur.
Natuurherstelverordening
Procesupdate Natuurherstelverordening
In Europa is de Natuurherstelverordening (NHV) aangenomen. Deze is sinds 18 augustus
2024 van kracht en werkt rechtstreeks door en is bindend. De NHV vereist dat Nederland
uiterlijk op 1 september 2026 een Ontwerp-Natuurplan indient bij de Europese Commissie.
Dit is een eerste stap naar het definitieve Natuurplan, dat een jaar later ingediend
moet worden.
Het Ontwerp-Natuurplan vertaalt de Europese verplichtingen naar de Nederlandse situatie
en schetst hoe groot de opgave is per ecosysteem en welke bijdrage bestaand beleid
hier op dit moment al aan levert. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Programma Natuur en
Agrarisch Natuurbeheer. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt wat dan nog de restopgave
is. Alleen al het in kaart brengen daarvan is een grote klus. We moeten eerst goed
weten waar we staan, voordat we kunnen bepalen welke maatregelen nodig zijn.
In het Ontwerp-Natuurplan zal ik schetsen welke mogelijkheden er zijn om de resterende
opgave aan te pakken. Daarbij maak ik nadrukkelijk nog geen keuzes. Die keuzes wil
ik zorgvuldig voorbereiden, samen met stakeholders en medeoverheden, die ook verantwoordelijk
zijn voor het natuurbeleid. Over die samenwerking maken we nu afspraken. Concrete
beleidskeuzes volgen pas richting het definitieve Natuurplan in 2027 en sluiten zoveel
mogelijk aan op het traject rond de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Deze maatregelen
zullen onderdeel worden van het definitieve Natuurplan en naar verwachting substantieel
bijdragen aan de NHV-doelen voor 2030. Denk hierbij aan maatregelpakketten gericht
op zonering en het convenant gewasbescherming.
Ik zal het Ontwerp-Natuurplan op tijd en zo volledig mogelijk indienen. Daarmee laat
ik zien de wettelijke vereisten uit de verordening serieus te nemen. Dit is van groot
belang voor de Nederlandse positie in Brussel, ook met het oog op andere dossiers.
Ook onderhoud ik nauw contact met andere lidstaten over de implementatie van de NHV,
vooral met landen die voor vergelijkbare keuzes en uitdagingen staan. Nederland gaat
niet verder dan de Europese Commissie vraagt en er is nadrukkelijk gekozen om geen
nationale koppen toe te voegen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1657).
Om het tijdpad tot aan indiening aan de Europese Commissie te realiseren zal ik het
Ontwerp-Natuurplan 26 juni naar uw Kamer sturen als bijlage van de MTF-stukken, op
tijd voor behandeling voor het zomerreces.
In het najaar volgt de publieksconsultatie op het Ontwerp-Natuurplan, in samenhang
met het maatregelenpakket uit de Taskforce. De zienswijzen worden betrokken bij het
definitieve Natuurplan. Ook blijven stakeholders en medeoverheden nauw betrokken bij
de uitwerking.
Uitvoering van de Natuurherstelverordening kan positieve maatschappelijke, ecologische
en economische effecten hebben. Door herstelmaatregelen verbetert de natuurkwaliteit
in Nederland. Dit draagt bij aan meer waterveiligheid, een vitaal landelijk gebied,
ruimte om te ondernemen en een gezonde leefomgeving. Versterking van natuur zorgt
voor verkoeling tijdens warme periodes en helpt bij het beperken van risico's voor
natuur- en bosbranden als gevolg van droogte. Ook draagt natuur bij aan het verminderen
van de gevolgen van klimaatverandering.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Indieners
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur