Brief regering : Budgettaire ontwikkelingen in de langdurige zorg, invulling moties gehandicaptenzorg en beleidsregel op grond van de kader ZBO’s
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 196
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 mei 2026
In deze brief gaat het kabinet in op verschillende budgettaire ontwikkelingen die
zich afspelen binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) voor 2027. Daarmee voldoet het kabinet
tevens aan uw verzoek om voor 1 juni de Kamer te informeren over de uitvoering van
de motie-Westerveld c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 160, over kostendekkende tarieven garanderen in de gehandicaptenzorg) en de motie-Bikker
c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107, over niet bezuinigen op de gehandicaptenzorg).
Uitvoering motie-Bikker c.s. en motie-Westerveld c.s.
Allereerst staat het kabinet stil bij de wijze waarop wij voornemens zijn om voor
2027 invulling te geven aan de motie-Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107) en de motie-Westerveld c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 160).
Vanaf 2027 staan de volgende drie tariefmaatregelen vanuit vorige kabinetten ingeboekt
op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS):
– Wlz-behandeling (Rutte IV) voor de sector gehandicaptenzorg;
– Opschaling digitale zorg (Schoof I) voor de sector gehandicaptenzorg;
– Meerjarig contracteren en budgetafspraken (Rutte IV, voor zowel de sector gehandicaptenzorg
als de sector langdurige geestelijke gezondheidszorg);
De besparing van deze maatregelen bedraagt gezamenlijk € 171 miljoen1 in 2027, oplopend tot structureel € 261 miljoen vanaf 2031. Het kabinet kan in 2027
aan de wens van de Kamer tegemoet komen door de tariefmaatregelen meerjarig contracteren,
Wlz-behandeling en opschaling digitale zorg niet door te voeren voor 2027. Het kabinet
heeft hiervoor middelen gereserveerd in het Wlz-kader. Daarmee biedt het kabinet voorafgaand
aan de start van de zorginkoop 2027 duidelijkheid voor de gehandicaptensector en de
sector langdurige ggz.
In dat kader informeert het kabinet u met deze brief, conform artikel 8 van de Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg), ook over de zakelijke inhoud van de aanwijzing
die ik aan de NZa wil geven. In deze aanwijzing zal ik de opdracht geven aan de NZa
om de maatregel «meerjarig contracteren en budgetafspraken» voor het jaar 2027 niet
door te voeren. Met het oog op een ordentelijk proces van de zorginkoop 2027 is het
van belang dat er duidelijkheid ontstaat over het wel of niet doorgaan van de tariefmaatregel
meerjarig contracteren.
Dit betekent dat de voorhangperiode begint op 29 mei jl en eindigt op 29 juni as.
De NZa heeft geen aanwijzing voor de maatregelen Wlz-behandeling en opschaling digitale
opschaling (die vanaf 2027 is ingeboekt) gekregen. Het niet-doorvoeren van die maatregelen
voor 2027 vereist dan ook geen aanwijzing aan de NZa.
Zakelijke inhoud voorgenomen aanwijzing
Met deze brief schets ik de zakelijke inhoud van de aanwijzing die ik aan de NZa wil
geven. In deze aanwijzing zal ik de opdracht geven aan de NZa om de maatregel «meerjarig
contracteren en budgetafspraken» voor het jaar 2027 niet door te voeren. Die maatregel
geldt voor de sectoren gehandicaptenzorg en langdurige ggz.
Voor de jaren 2028 en verder is het kabinet voornemens om de bovengenoemde tariefmaatregelen
te bezien in relatie tot de opgave vanuit het Coalitieakkoord om te komen tot bestuurlijke
akkoorden met de sectoren binnen de Wlz.
Onderzoek kosten aanhouden eigen vermogen
Inhoudelijke toelichting
De NZa heeft op ambtelijk niveau aangegeven dat zij voornemens is om in de tarieven
voor de Wlz-zorg een vergoeding op te nemen voor de kosten van het aanhouden van eigen
vermogen.
Kort gezegd gaat het om het volgende. Zorgaanbieders hebben eigen vermogen nodig om
financiering voor investeringen aan te kunnen trekken. De NZa stelt dat het eigen
vermogen moet kunnen meegroeien met het balanstotaal, om de financiële positie van
een zorgaanbieder op peil te houden. Dat kan alleen door een batig saldo aan het eind
van het jaar: daarmee groeit immers het eigen vermogen. Binnen kostprijsonderzoeken
in de Wlz vraagt de NZa de kosten uit. De NZa baseert de maximumtarieven op deze totale
kosten. De kosten van het eigen vermogen worden niet in een regulier kostprijsonderzoek
gemeten en vormen nu geen onderdeel van de tarieven. Alleen voor de normatieve huisvestingscomponent
wordt hier wel rekening mee gehouden. De NZa acht het passend om in het kader van
het tariefprincipe ondernemingsfinanciering ook voor het zorgdeel binnen de Wlz-sectoren
een vergoeding in de tarieven op te nemen.
Proces en beweegreden voor uitstel
Het kabinet heeft vernomen dat de NZa voornemens is om per 2027 dit voor de Wlz nieuwe
normatieve tariefelement op te nemen in de Wlz-tarieven. De uitkomsten van het NZa-onderzoek
naar de kosten voor het aanhouden van eigen vermogen voor de Wlz-sectoren komen echter
pas beschikbaar op een moment dat de zorgkantoren in de afrondende fase zijn voor
het vaststellen van het zorginkoopbeleid 2027.
Het kabinet acht het van belang dat de implementatie van het tariefelement op een
ordentelijke en doelmatige wijze plaatsvindt. Binnen de wettelijk vastgelegde rollen
en verantwoordelijkheden stelt de NZa de maximumtarieven vast die ten minste redelijkerwijs
kostendekkend zijn en stel ik als Minister het beschikbare macrokader vast waarbinnen
zorgkantoren de mogelijkheid moeten hebben om reële prijzen te betalen voor de zorg
die zij inkopen. In mijn rol vind ik het belangrijk om nader te bezien op welke wijze
de uitkomsten van de vergoeding van de kosten van eigen vermogen op een doelmatige
wijze kunnen doorwerken in het Wlz-kader. Het kabinet acht het van belang om hierbij
ook de huidige financiële positie van Wlz-zorgaanbieders mee te wegen. Binnen de Wlz
zijn de solvabiliteitsratio’s in den brede toegenomen. Hoewel het voor de continuïteit
van de zorgaanbieder en continuïteit van zorg van belang is dat aanbieders over voldoende
reserves beschikken, vindt het kabinet het tegelijkertijd ook belangrijk om hier in
de zorginkoop vanuit doelmatigheid gericht naar te kijken. Het kabinet constateert
dat de vermoedelijke macro budgettaire impact van het vergoeden van de kosten van
eigen vermogen te laat beschikbaar komt voor een ordentelijke en doelmatige implementatie
per 2027 door zorgkantoren. Het vraagt dan ook nader overleg met zorgkantoren en de
NZa om te kijken of en hoe dit vorm kan gaan krijgen.
Daar komt bij dat de geraamde budgettaire impact van het onderzoek niet is meegenomen
in de Voorjaarsbesluitvorming. Het Wlz-kader 2027 zou ruimte moeten bieden aan zowel:
1) de reguliere benutting van Wlz-zorg, 2) de uitvoering van de voornoemde motie-Bikker
c.s. en motie-Westerveld c.s., als 3) de budgettaire effecten van een vergoeding van
de kosten van eigen vermogen. Dit past in 2027 niet binnen het beschikbare budgettaire
kader. In het licht van een beheerste ontwikkeling van de zorguitgaven kiest het kabinet
ervoor, gegeven de budgettaire ruimte, om prioriteit te geven aan de uitvoering van
de wens van de Kamer om de drie tariefmaatregelen voor 2027 niet door te voeren. Deze
politieke keuze betekent concreet dat het kabinet ervoor kiest om voorrang te geven
aan het niet doorvoeren van de drie tariefmaatregelen.
Gelet op de uitvoering van de motie-Bikker c.s. en motie-Westerveld c.s. en het voorgaande
zal ik een beleidsregel vaststellen op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
De NZa kan op grond van de beleidsregel de vergoeding voor de kosten van het eigen
vermogen pas per 2028 toepassen. De toepassing van de beleidsregel biedt ruimte voor
nader overleg met de NZa en zorgkantoren om te bezien of, en zo ja hoe, de uitkomsten
van het kostenonderzoek op een doelmatige wijze kunnen worden verwerkt in het zorginkoopbeleid
en het macrokader vanaf 2028. Het kabinet geeft binnen het beschikbare Wlz-kader voor
2027 prioriteit aan het niet-doorvoeren van de drie tariefmaatregelen.
Gezien het voorgaande is het kabinet tevens voornemens een adviesaanvraag bij de NZa
neer te leggen om te adviseren over de in de brief geschetste samenhang van i) kostendekkendheid
van landelijke geldende tarieven (NZa), ii) het budgettair kader Wlz (VWS) en iii)
de inkoop(rol) van zorgkantoren (ZN/zorgkantoren).
Voortgang bestuurlijke gesprekken gehandicaptenzorg
Tijdens het Wetgevingsoverleg gehandicaptenzorg op 9 maart 2026 heeft het kabinet
toegezegd de Kamer te informeren over de voortgang van de gesprekken met de sector
over bestuurlijke afspraken gebaseerd op een helder toekomstbeeld voor de gehandicaptenzorg.
In oktober 2025 zijn bestuurlijke overleggen hierover gestart. Aan deze gesprekken
nemen een vertegenwoordiging van cliëntenorganisaties (Ieder(in), KansPlus en Spierziekten
Nederland), de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), Zorgverzekeraars Nederland
(ZN), een vertegenwoordiging van de beroepsgroepen (vertegenwoordigd door de Nederlandse
Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen NVO, de Nederlandse vereniging artsen
verstandelijk gehandicapten NVAVG en de Beroepsvereniging van professionals in sociaal
werk BPSW), het Ministerie van VWS en sinds kort de Vereniging Nederlandse Gemeenten
(VNG) deel.
De overleggen gaan over een gezamenlijk toekomstbeeld voor de sector gehandicaptenzorg
en wat er nodig is om dat te bereiken. Dat doen we door de verschillende toekomstvisies
van de deelnemende partijen samen te brengen en te bespreken waar de overeenkomsten
liggen, waar de verschillen, tegen welke dilemma’s we aanlopen en welke keuzes er
mogelijk zijn op de langere termijn.
De overleggen gaan ook over het aanpakken van problemen op de korte termijn in de
sector, zoals de krapte op de arbeidsmarkt en het organiseren van voldoende plekken
voor mensen met complexe zorgvragen. De acties en maatregelen die daaruit voortkomen
wil het kabinet ook in samenhang bezien met de afloop van de Toekomstagenda gehandicaptenzorg
eind dit jaar. Mogelijk zijn de korte termijn acties samen te brengen in een vervolgprogramma
na het aflopen van de Toekomstagenda.
Tenslotte spreken we over hoe we deze opgaven kunnen aanpakken met het geld dat beschikbaar
is voor de gehandicaptenzorg en hoe we op de korte termijn financiële rust in deze
sector kunnen brengen. Het kabinet doet dat aan de hand van de budgettaire ontwikkelingen
die in deze brief worden beschreven. Het kabinet streeft ernaar om met de sector uiterlijk
in februari 2027 afspraken te maken. Het kabinet zal de Kamer blijven informeren over
de voortgang van deze gesprekken.
Voorlopige Wlz Kaderbrief en verdeling groeiruimte
Tot slot heeft het kabinet tijdens eerdere debatten, waaronder de Begrotingsbehandeling
2026 en wederom het Wetgevingsoverleg gehandicaptenzorg van 9 maart 2026, toegezegd
de Kamer voor de zomer te informeren over de verdeling van de beschikbare groeiruimte
over de verschillende sectoren, in het licht van de maatregel Bestuurlijk Akkoord Wlz zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. Met deze brief informeert het kabinet u dat
de voorlopige Wlz-kaderbrief, die zich normaliter voornamelijk richt op de actualisatie
van het Wlz-kader, ook zal ingaan op de verdeling van de groeiruimte over de sectoren.
Op deze wijze zal het kabinet aan de toezegging voldoen. De verwachting is dat de
voorlopige Wlz-kaderbrief in juni wordt gepubliceerd.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.