Brief regering : Kabinetsaanpak chemie en materialen voor Defensie
27 830 Materieelprojecten
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
29 826
Industriebeleid
Nr. 490
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE EN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2026
De internationale veiligheidsomgeving verandert snel en blijkt onvoorspelbaar. Tegen
deze achtergrond zetten Nederland en de Europese Unie (EU) in op een strategisch relevanter
Europa. Risicovolle strategische afhankelijkheden, bijvoorbeeld op het gebied van
technologieën en grondstoffen, maken ons kwetsbaar en exportbeperkingen worden als
geopolitiek drukmiddel ingezet. Betrouwbare toeleveringsketens zijn essentieel om
in tijden van toenemende geopolitieke spanningen tijdig te kunnen blijven voorzien
in kritieke militaire capaciteiten. In het rapport Wennink1 wordt bevestigd dat de Nederlandse chemie- en materialensector aan de basis staat
van meerdere ketens van hoogtechnologische industrieën. Bovendien vormen bepaalde
strategische afhankelijkheden in de chemie- en materialensector een direct risico
voor het borgen van de nationale veiligheid.
In opdracht van de Ministeries van Defensie, Economische Zaken en Klimaat en het Topconsortium
voor Kennis en Innovatie ChemistryNL, is naar aanleiding van motie Nordkamp2, door PwC en TNO een gezamenlijke studie uitgevoerd naar de rol van de chemie- en
materialensector voor Defensie. De brief bevat twee bijlagen. In de bijlage met het
PwC-onderzoek zijn de waardenketenanalyses en de defensietoepassingen van geavanceerde
en energetische materialen gelakt op grond van het belang van de veiligheid van de
Staat. De tweede bijlage bevat de analyse van TNO inzake munitiegrondstoffen. PwC
heeft deze informatie mede als basis gebruikt voor de uiteindelijke actieagenda. De
TNO-bijlage is integraal vertrouwelijk verklaard vanwege daarin opgenomen bedrijfsvertrouwelijke
informatie en het belang van de veiligheid van de Staat. Beide bijlagen worden vertrouwelijk
aan de Tweede Kamer ter inzage verstrekt3.
Deze brief zet de belangrijkste resultaten uiteen, waaronder de voorgestelde actieagenda.
De actieagenda heeft als doel de strategische relevantie van de Nederlandse chemie-
en materialensector voor Defensie te vergroten. Vervolgens gaat de brief in op de
beleidsmatige appreciatie van deze uitkomsten en de beoogde implementatie.
Context en relevantie
Het kabinet zet in op groene transitie, nieuw verdienvermogen, en meer autonomie.
Een goede balans tussen concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid in het
Europese en Nederlandse klimaat- energie- en industriebeleid is hierbij essentieel.
Het belang van deze driehoek wordt door het conflict in het Midden-Oosten des te meer
benadrukt. De chemische industrie ervaart forse gevolgen in de toeleveringsketens
en de maatschappij ervaart de gevolgen van stijgende energieprijzen en verstoring
van de wereldeconomie, ook in Nederland en Europa.
De nieuwe balans in het Europese en Nederlandse klimaat- energie en industriebeleid
bouwt voort op het Draghi rapport4. Voor Defensie geldt dat economische ontwikkeling moet bijdragen aan een sterke Nederlandse
defensie technologische- en industriële basis (NLDTIB) om het voortzettingsvermogen
van de krijgsmacht te kunnen garanderen. Betrouwbare toeleveringsketens zijn daarbij
essentieel om de productie- en leveringszekerheid van de defensie-industrie te versterken,
zowel in vredestijd als in oorlog en het grijze gebied daartussen.
Industriebeleid gericht op verduurzaming, concurrentievermogen en weerbaarheid draagt
bij aan een sterke Nederlandse chemie- en materialensector, die het voortzettingsvermogen
van de krijgsmacht ondersteunt. De Ministeries van Defensie en EZK hebben met de Defensie
Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (DSII) de kaders geschetst voor het
creëren van een toekomstbestendige krijgsmacht en het vergroten van strategische relevantie.
De DSII biedt aanknopingspunten voor het vergroten van de rol van de chemie- en materialensector.
Dit sluit aan op het belang van de (innovatieve) basischemie dat is geschetst in de
Kamerbrief over Industriebeleid met focus5 van 17 oktober jl. en de Kamerbrief over de visie duurzame energie6. Innovatieve chemie is daarom voor EZK een strategische markt7 die onder de ministeriele taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat van
dit kabinet verder wordt ingevuld.
Tegelijkertijd staat de Nederlandse chemie- en materialensector onder druk door hoge
energieprijzen en toenemende internationale concurrentie. Dit raakt niet alleen het
verdienvermogen van Nederland, maar kan ook gevolgen hebben voor de weerbaarheid van
strategisch relevante productiecapaciteit. Het behoud en de versterking van deze industriële
basis vraagt daarom om gerichte inzet en duidelijke keuzes in relatie tot vitale sectoren
en groeimarkten.
Onderzoeksresultaten
Het onderzoek richt zich op energetische materialen voor munitie en vijf typen geavanceerde
materialen en productietechnieken: corrosiebestendige coatings, sterke vezels en lichtgewicht
composieten, technisch keramiek, metamaterialen en additive manufacturing. Het onderzoek
richt zich primair op Nederland, waarbij de analyses en bevindingen nadrukkelijk zijn
geplaatst in een bredere Europese context om onderscheid te kunnen maken tussen specifiek
Nederlandse en Europese ontwikkelingen en vraagstukken. De prioritering van deze technologieën
is vastgesteld op basis van de vraag vanuit Defensie. Voor elk van deze materiaaltypes
is de Europese waardeketen in beeld gebracht met een focus op relevante Nederlandse
productiecapaciteit en industriële competenties, waarmee strategische afhankelijkheden
en kansen inzichtelijk zijn gemaakt. Een gedetailleerd overzicht van kansen en afhankelijkheden
binnen de waardeketen is opgenomen in het bijgevoegde studierapport. De belangrijkste
bevindingen worden hieronder uiteengezet.
Op het gebied van geavanceerde materialen beschikt Nederland over de (vrijwel) enige
Europese producenten van aramide- en polyethyleenvezels, die essentieel zijn voor
ballistische bescherming. Deze sector staat echter onder druk door ondermijnende concurrentie
vanuit China. Verder beschikt Nederland ook over hoogwaardige productiecapaciteit
voor technisch keramiek, waaronder de (vrijwel) enige producent van hoogwaardige siliciumcarbide,
dat essentieel is voor onder andere pantserplaten. Op het gebied van additive manufacturing,
kent Nederland vooruitstrevende bedrijven die snelle en flexibele productie van onderdelen
mogelijk maken. Zo zijn coldspray toepassingen voor Defensie nu nog beperkt, maar ligt er wel een kans om hier een
leidende positie in op te bouwen.
Voor munitiegrondstoffen geeft het rapport aan dat Nederland niet over productiecapaciteit
van energetische materialen beschikt, maar wel precursoren kan maken die voor energetische
materialen benodigd zijn. Hoewel deze capaciteiten nog niet voor Defensie doeleinden
worden gebruikt, biedt dit kansen om munitieproductiecapaciteit in Europa te versterken.
De productie van bijvoorbeeld nitrocellulose (schietkatoen) of salpeterzuur wordt
hierbij als kansrijk gezien, omdat dit een grote afhankelijkheid van China kent en
er nog weinig productiecapaciteit beschikbaar is in Europa. Ook blijkt het op middellange
termijn8 mogelijk om een eigen productielijn van energetische materialen op te zetten, in
eerste instantie op kleinere en flexibele schaal om zo direct een defensiebehoefte
in te kunnen vullen. Tot slot ligt er potentie in innovatietrajecten waarmee Nederland
een niche productiecapaciteit zou kunnen ontwikkelen in Europa, bijvoorbeeld voor
het energetisch materiaal CL-20.
Op basis van deze kansen en risico’s, hebben de onderzoekers een actie-agenda opgesteld
met elf projectcharters met investeerbare projecten en daarnaast drie actielijnen
met beleidsopties. De actielijnen zijn als volgt:
1. Toegang behoud tot basischemicaliën
Productie van geavanceerde materialen en munitie is afhankelijk van basischemicaliën.
Op dit moment beschikt Nederland over een sterke basischemie (circa 80% van de volumes
in de chemie in Nederland), met onder meer raffinaderijen, petrochemische krakers
en waterstof- en chloorproductie als fundament onder de chemische industrie. Behoud
van toegang tot deze producten is vereist om strategische relevantie verder in de
keten te borgen.
2. Inzetten op strategisch relevante assets
Het behouden, introduceren of opschalen van specifieke assets kan de strategische
relevantie van Nederland vergroten. Dit geldt met name voor capaciteiten die schaars
zijn in Europa en tevens essentiële producten opleveren voor Defensie.
3. Inzetten op innovatie en het ecosysteem
Innovaties kunnen de strategische relevantie van Defensie versterken. Dit kan door
substituten te ontwikkelen die afhankelijkheden verminderen, of doordat unieke capaciteiten
worden gecreëerd waardoor Nederland strategisch relevanter wordt voor andere regio’s
in de wereld.
Appreciatie en actieagenda Defensie en EZK
Het kabinet waardeert de grondige analyse die is uitgevoerd naar kwetsbaarheden in
de toeleveringsketens en mogelijke kansen die er zijn voor Nederland. Zij onderschrift
daarbij de sterke basischemie en innovatieve materialensector waar Nederland over
beschikt. Tegelijkertijd erkent het kabinet ook de kwetsbaarheden van deze sector,
zoals de afhankelijkheid van grondstoffen en de groeiende concurrentie vanuit met
name Azië. Zonder gericht beleid en investeringen bestaat het risico dat Nederland
zijn unieke positie in Europa verliest, wat de strategische waarde van de sector voor
Defensie zou kunnen ondermijnen. De Ministeries van EZK en Defensie zetten met deze
actie-agenda een volgende stap in het verbinden van het industriebeleid voor chemie
en materialen met het bestaande industriebeleid defensie-industrie. Daarbij wordt
ingezet op de concretisering van de beleidsinzet door middel van gerichte projecten
t.b.v. toekomstige investeringen.
1. Toegang behouden tot basischemicaliën
Het conflict in het Midden-Oosten laat zien hoe kwetsbaar en afhankelijk de EU is
voor toevoer van energiedragers en grondstoffen. Verduurzaming van productie kan deze
afhankelijkheden verkleinen. Nederland heeft in Europa een unieke positie met het
grote industrie- en havencomplex, de grote diversiteit aan basischemie en de grote
productie- en bunkercapaciteit van (bio)brandstoffen. Het The Hague Centre for Strategic
Studies (HCSS) heeft recent een studie uitgebracht gericht op brandstoffen voor Defensie,
in opdracht van VEMOBIN. Dit PwC-TNO onderzoek voor chemie en materialen geeft samen
met de aankomende HCSS-studie op het gebied van brandstoffen een totaalanalyse van
de toelevering van materialen en brandstoffen aan Defensie.
Verder wordt bevestigd dat de sector in mondiaal verband opereert en dat de (potentiële)
vraag vanuit Defensie een beperkt aandeel heeft in de totale omzet van de sector.
De onderzoeksresultaten laten zien dat de verbetering van het vestigingsklimaat en
inzet op verduurzaming en circulariteit in Nederland en Europa naast een economisch
ook een veiligheidsdoel dient. De inzichten uit de studie worden ingebracht in de
bestaande beleidstrajecten aangaande de chemie- en materialensector.
Nederland zet zich in EU-verband actief in voor het borgen van een gelijk speelveld
op mondiaal niveau voor de basischemie. Daarbij pleit Nederland voor een gecoördineerde
Europese aanpak op het gebied van handelsbeleid, klimaatmaatregelen en industriebeleid,
zodat Europese bedrijven onder concurrerende en eerlijke voorwaarden kunnen opereren.
Dit komt o.a. tot uiting in de Nederlandse inzet m.b.t. de Industrial Accelerator
Act, waarin horizontaal industriebeleid op onderwerpen als versnelling van vergunningverlening
wordt geadresseerd en de Critical Chemicals Alliance, waarin onder andere voorstellen
worden ontwikkeld voor het benoemen van moleculen en sites die strategisch zijn voor
Europa, handelsbeschermingsmaatregelen, het stimuleren van modernisatie van chemische
processen en het stimuleren van vraag naar duurzaam geproduceerde producten.
Het belang van een gelijk internationaal speelveld voor de sector wordt door de studie
onderstreept. Oneerlijke internationale concurrentie, in sommige gevallen via staatssteun,
creëert een risico voor het verdienvermogen van de sector. Lopende beleidstrajecten
t.a.v. het creëren van een gelijk speelveld binnen Europa sluiten hier op aan, zoals
de afschaffing van de CO2-heffing en de financiele ruimte voor verlaging van de energiekosten voor de industrie,
via de Indirecte Kosten Compensatie ETS (IKC-ETS) en de envelop energiekosten. Daarnaast
wordt de relevantie van het subsidie-instrumentarium voor verduurzaming van de basischemie,
bijvoorbeeld voor CCS, waterstof, en elektrificatie (o.a. via SDE++, OWE, DEI+ en
VEKI9) om zodoende haar concurrentiepositie te ondersteunen onderstreept.
Tot slot is het Ministerie van Defensie recent gestart met een Economische Beleidsanalyse
(EBA) Defensie-industrie. De EBA beoogt meer inzicht te verschaffen in de behoeften,
kansen, knelpunten en besluitvorming bij de defensie-uitgaven voor het effectief en
doelmatig verhogen van de militaire capaciteiten. EZK en Defensie nemen beleidsopties
die worden uitgewerkt in het EBA en relevant zijn voor de inzet van de chemische sector
ten behoeve van Defensie, mee in gezamenlijke beleidsvorming.
2. Inzetten op strategisch relevante assets
Op basis van de uitgevoerde studie is vastgesteld dat het behouden, introduceren en
opschalen van specifieke assets de strategische relevantie van Nederland voor toeleveringsketens
aan defensietoepassingen kan versterken, met name waar het gaat om unieke productiecapaciteiten
binnen Europa en de levering van essentiële producten voor Defensie. Wanneer dit wordt
gecombineerd met beleid voor verduurzaming en verdienvermogen van de industrie leidt
dit tot een grotere impact van interventies. De studie doet een aantal suggesties
voor vervolgacties, waarvan de implementatie door de verschillende departementen hieronder
nader wordt toegelicht.
– Defensie continueert het voor supervezels, om de sector te beschermen tegen oneerlijke
concurrentie vanuit China. Onderdeel hiervan is dat Defensie onderzoekt hoe het gebruik
van Europese supervezels in Defensie-toepassingen gestimuleerd kan worden bij aankopen
voor de Nederlandse krijgsmacht, maar ook door middel van vraagbundeling en integratie
in EU en NAVO-verband.
– Middels project Ballista verkent Defensie de mogelijkheden van dronemunitieproductie
in Nederland. Onderdeel hiervan is de productie van energetische materialen. Na een
eerste marktconsultatie in het eerste kwartaal van 2026, werkt Defensie de precieze
uitvraag voor de productielijn verder uit. Deze wordt naar verwachting het derde kwartaal
ter interne besluitvorming voorgelegd, waarna een uitvraag via de markt kan worden
voorbereid.
– Technisch keramiek komt naar voren als een strategisch relevante sector voor Nederland.
EZK en Defensie zullen de mogelijkheden nader verkennen door in gesprek gaan met de
spelers in de markt.
– Projectsuggesties met betrekking tot de terugwinning van kritieke materialen kunnen
worden opgenomen in de versterkte aanpak nieuwe industrie. Hierbij is het kabinet
actief aan het werk om investeringen in groene ketens en technieken op te schalen.
– Het rapport omschrijft meerdere op korte termijn (2026–2027) investeerbare projecten
die kunnen worden opgepakt voor nadere uitwerking. Defensie en EZK prioriteren de
overige projecten en bepalen wat nodig is om tot een eventuele investeringsbeslissing
te komen. Dit kan zijn in de vorm van een haalbaarheidsstudie. EZK en Defensie zullen
hierover in gesprek gaan met de sector zelf en uitvoerende organisaties zoals RVO.
Kansen voor projectontwikkeling kunnen tot slot worden voorgelegd in de ministeriële
taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat voor doorzettingsvermogen op het
gebied van strategische markten, of daar waar relevant worden besproken in de sectortafel
Chemie en Materialen.
De actie-agenda richt zich op chemische ketens, precursoren en materiaalproductiecapaciteiten
binnen Nederland en Europa met inachtneming van de beschikbaarheid van grondstoffen.
Projectaanbevelingen uit het rapport die toezien op kritieke grondstoffen worden in
samenhang met de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS) opgepakt. Over de voortgang
van de NGS wordt de Tweede Kamer rond de zomer van 2026 geïnformeerd. Waar relevant
sluit deze actieagenda daarop aan.
3. Inzetten op innovatie en het ecosysteem
Dit traject heeft inzichtelijk gemaakt dat de samenwerking tussen de chemie- en materialensector,
onderzoeksinstellingen en Defensie versterkt kan worden. Met de uitvoering van dit
onderzoek, waarbij een bredere stuurgroep met vertegenwoordigers van de chemische
industrie en onderzoekers nauw betrokken zijn geweest, is hier een belangrijke eerste
stap in gezet in het versterken van deze onderlinge verbinding.
Daarnaast blijven Defensie en EZK de chemie- en materialensector actief betrekken
bij de uitwerking van projecten en het verbeteren van randvoorwaarden. Beide ministeries
hebben in samenwerking met ChemistryNL, VNCI en NWO reeds bijeenkomsten georganiseerd
voor bedrijven en onderzoekers om het doel van de actieagenda en de behoeften van
Defensie te delen. Dit biedt de sector de kans om meer te weten te komen over de strategie
en het beleid van de departementen, maar ook voor de departementen om input te ontvangen
op de plannen die er liggen. Daarnaast biedt de in 2026 gestarte Sectortafel Chemie
en Materialen ook een manier om dialoog te bevorderen tussen de overheid en de sector.
Om de ontwikkeling van innovaties ook met middelen te ondersteunen wordt in Q3 2026
een gezamenlijke innovatie-uitvraag door EZK en Defensie van € 4 miljoen via ChemistryNL
uitgezet om de kennisbasis te vergroten en pilotprojecten te implementeren. De uitvraag
richt zich op keramiek, coatings en additive manufacturing.
4. Voortgang en monitoring
Het Ministerie van Defensie en EZK zullen voor de uitvoering van de actieagenda op
ambtelijk niveau samenwerken. Over de voortgang zal jaarlijks worden gerapporteerd.
Verder zullen de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Defensie
elkaar jaarlijks spreken in het kader van de samenwerking op dit onderwerp.
Tot slot
Met deze actieagenda nemen Defensie en EZK gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor
het versterken van de strategische relevantie en weerbaarheid van de Nederlandse chemie-
en materialensector. Dit betreft zowel het behouden van strategische productiecapaciteiten
als het versterken van innovatie, unieke productiefaciliteiten en verduurzaming in
de sector om de weerbaarheid van toeleveringsketens te vergroten. Hiermee wordt het
voortzettingsvermogen van Defensie versterkt en draagt het bij aan de toekomstbestendigheid
van de Nederlandse chemie- en materialensector op het gebied van concurrentievermogen,
decarbonisatie en weerbaarheid.
De Staatssecretaris van Defensie,
D.G. Boswijk
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
-
Indiener
D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie -
Medeindiener
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei