Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake de Geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 28 en 29 mei 2026 (Kamerstuk 21501-30-696)
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 697
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 26 mei 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de brief van 13 mei 2026 over
de Geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 28 en 29 mei 2026 (Kamerstuk
21 501-30, nr. 696).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 mei 2026 aan de Minister van Economische Zaken
en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 26 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Geannoteerde Agenda Raad voor Concurrentievermogen 28 en 29 mei 2026
Industrial Accelerator Act – definitie «koolstofarm» en ambitieniveau productnormen
De leden van de D66-fractie verwelkomen de inzet van het kabinet om de Europese Commissie
op te roepen tot een duidelijke en eenduidige definitie van het begrip «koolstofarm»
en tot sector-specifieke transitiepaden met gradueel toenemende productnormen. Deze
leden onderstrepen dat een eenduidige definitie alleen effect sorteert wanneer zij
methodologisch aansluit op het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), zodat één
Europese standaard ontstaat in plaats van twee parallelle systemen die zich tegen
elkaar laten uitspelen. Tegelijk hebben deze leden er in een eerdere inbreng1 op gewezen dat de huidige percentages voor productnormering te beperkt zijn om op
de lange termijn significant effect te sorteren – een conclusie die het kabinet inmiddels
deelt.
1.
De leden van de D66-fractie vragen welke methodologie voor de definitie van «koolstofarm»
het kabinet in de Raad verdedigt. Hoe waarborgt het kabinet dat deze definitie inhoudelijk
gelijkloopt met de CBAM-systematiek?
Antwoord
Het kabinet is van mening dat het huidige wetsvoorstel nog onvoldoende duidelijk maakt
welke definitie van koolstofarm wordt gehanteerd. Voor een gelijk speelveld is het
van belang dat een uniforme definitie van koolstofarm wordt gehanteerd en dat deze
zoveel mogelijk aansluit op bestaande definities en regelgeving, zoals het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Het kabinet bepleit dat de Commissie dit zo spoedig mogelijk uitwerkt, ook
ten behoeve van duidelijkheid voor de industrieën die met de productnormen moeten
werken.
2.
Welke sectoren ziet het kabinet als eerste kandidaat voor sectorspecifieke transitiepaden,
en hoe verhouden deze zich tot lopende trajecten zoals de Critical Chemicals Alliance
(CCA) en het Europese Concurrentievermogenfonds (ECF)?
Antwoord
Het kabinet zoekt bij de uitwerking van de transitiepaden zoveel mogelijk aansluiting
bij de huidige teksten in de IAA en met name Annex I, waarin strategische sectoren
worden gedefinieerd. Vanwege de strategische waarde voor de EU, wordt er in en met
deze sectoren als eerste gekeken hoe een transitie naar een duurzame, weerbare en
competitieve industrie er uit kan zien. Uiteindelijk gelden de klimaatdoelstellingen
voor de gehele Energie Intensieve Industrie (hierna: EII) en zal; zij de transitie
moeten doormaken.
Het toekomstperspectief en mogelijke transitiepad voor de chemische industrie in Nederland
is geschetst in de kamerbrief Duurzame Chemie.2 De Europese Critical Chemical Alliance (hierna: CCA) werkt momenteel aan aanbevelingen
voor maatregelen ter behoud en modernisering van de chemische industrie in Europa.
De resultaten hiervan worden in juli verwacht. Het kabinet ziet de CCA als goed voorbeeld
van publiek-private samenwerking om tot een gezamenlijk transitiepad voor de industrie
te komen.
Het ECF is een voorgesteld fonds onder de nieuwe EU-begroting voor de periode 2028–2034.3 Hoewel het ECF in principe losstaat van bovengenoemde initiatieven, kan het ECF dadelijk
groene innovaties, schone technologieën, en industriële decarbonisatie ondersteunen
en zo bijdragen aan een weerbaardere, duurzamere en concurrerende economie.
3.
Deze leden vragen concreet tot welk minimumniveau het kabinet de huidige percentages
voor productnormering wil aanscherpen, en met welke lidstaten het kabinet optrekt
om dat hogere ambitieniveau in de Raad te realiseren.
Antwoord
In het vorig jaar gepubliceerde non-paper over vraagcreatie heeft het kabinet aangekondigd
een ambitieuze agenda op vraagcreatie te willen nastreven.4 Om het draagvlak voor deze maatregel te vergroten, wil het kabinet ook in samenwerking
met de sector zelf bekijken hoe een uitvoerbaar, doch ambitieuzer transitiepad eruitziet,
met bijbehorende productnormen. Het kabinet verkent actief hoe vraagcreatie in de
IAA beter uitgewerkt kan worden en zoekt hiervoor medestanders in de EU.
28ste regime / EU Inc. – snelheid en voltooiing van de interne markt
De leden van de D66-fractie zien in het 28ste regime een belangrijke stap naar het voltooien van de interne markt en steunen daarmee
de doelstelling van het voorstel volmondig. De Letta- en Draghi-rapporten hebben helder
gemaakt dat de huidige fragmentatie in nationale rechtsvormen een rem is op de schaalsprong
die Europese ondernemingen – start-ups, scale-ups en grootbedrijf – moeten maken om
internationaal te kunnen concurreren. De Europese Raad heeft eind 2026 als deadline
gesteld voor een politiek akkoord met het Europees Parlement. Deze leden vinden het
van groot belang dat Nederland zich actief aansluit bij de lidstaten die deze deadline
daadwerkelijk willen halen. Tegelijk delen deze leden de zorgen over rechtsgrondslag
en mogelijk misbruik, maar zij wijzen erop dat de risico-afweging tweezijdig is: vertraging
benadeelt Europese ondernemers blijvend ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concurrenten.
4.
De leden van de D66-fractie vragen voorts welke positie Nederland inneemt tussen de
groep lidstaten die snelheid wil maken en de groep die de zorgen vooropstelt. Is het
kabinet bereid zich aan te sluiten bij een kopgroep die de deadline van de Europese
Raad van eind 2026 daadwerkelijk vasthoudt?
Antwoord
Onder de lidstaten, waaronder Nederland, is er brede steun voor de doelstelling en
spoedige afronding van dit dossier. Tijdens de Europese Raad van 19 maart jl. is het
voornemen door de lidstaten uitgesproken om uiterlijk eind 2026 een politiek akkoord
met het Europees Parlement over het voorstel te bereiken. Tegelijkertijd bestaat bij
de lidstaten een breed gedeelde inzet voor onder meer de versterking van de waarborgen
om fraude, misbruik en witwassen tegen te gaan. Het 28ste regime kan enkel effectief en succesvol zijn als de EU Inc. ondernemers en hun stakeholders
(aandeelhouders, schuldeisers en werknemers) betrouwbaarheid en rechtszekerheid biedt.
Er is niet één kopgroep van lidstaten die snelheid benadrukt en een andere groep die
de noodzaak van waarborgen benadrukt. Zowel de noodzaak van snelle afronding als de
zorgen over fraude en misbruik worden over het algemeen onder de lidstaten breed gedeeld.
Om de onderhandelingen te beïnvloeden heeft Nederland in samenwerking met België en
Luxemburg een non-paper opgesteld, waarmee de Benelux-landen gezamenlijk bovenstaande
boodschap uitdragen. Het non-paper is ook ter informatie aan uw Kamer gestuurd door
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 22 mei 2026.5 In het non-paper wordt het initiatief van de Commissie verwelkomd, maar worden ook
zorgen benoemd, met name over het risico van fraude en misbruik. Nederland en de overige
Benelux-landen zetten zich vanuit deze positieve grondhouding in voor het aanscherpen
van het voorstel van de Commissie.
5.
Welke aanvullende waarborgen tegen misbruik en witwassen acht het kabinet noodzakelijk
– én voldoende – om dat tempo niet te belemmeren?
Antwoord
Graag verwijs ik naar het BNC-fiche waarin het kabinet uiteengezet heeft waar het
voorstel precies tekortschiet en welke aanvullende waarborgen tegen misbruik, witwassen
en fraude noodzakelijk zijn.6
In het fiche is aangegeven dat het kabinet kijkt naar uitbreiding van de reikwijdte
van cliëntonderzoek en rechercheplicht van de notaris en de bevoegdheden voor nationale
autoriteiten als de Belastingdienst. De preventieve controle in het voorstel lijkt
beperkt te worden tot een formele controle van de statuten van de EU Inc. en rechtsbevoegdheid
van haar oprichters. Nadere controle, ook na oprichting, op de EU Inc. en haar handelingen,
lijken in beginsel niet te zijn toegestaan. Zo mag op nationaal niveau geen notariële
controle op een aandelenoverdracht worden voorgeschreven. Het gebrek aan dergelijke
waarborgen voor het voorkomen van fraude en misbruik van een EU Inc. betekent voor
toezichthouders mogelijk minder zicht op belastingstructuren, belastingfraude- en
witwasstructuren. Het kabinet zal ervoor pleiten dat er meer bevoegdheden in de verordening
komen voor relevante poortwachters, zodat er meer controle is op de oprichtingshandeling
en op eventuele fraude en witwassen. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk van
deze versterking in de verordening zelf wordt geregeld, en, waar van toepassing, dit
in lijn is met bestaande EU-regelgeving op dit terrein, zodat gefragmenteerd beleid
en verplaatsing van criminaliteit naar de lidstaat met de minste waarborgen kan worden
voorkomen. Het kabinet zet tijdens de onderhandelingen verder in op goede aansluiting
van het EU Inc.-voorstel op de bestaande Europese anti-witwasregelgeving en op uitbreiding
van de mogelijkheden om een ondermijnende EU Inc. te ontbinden dan wel te verbieden
in lijn met de Nederlandse praktijk. Tot slot heeft het kabinet zorgen over de voorgestelde
vereenvoudigde insolventieprocedure voor innovatieve ondernemingen vanwege de misbruikgevoeligheid
van de regeling, onder meer omdat niet altijd een curator hoeft te worden benoemd
en zet daarom in op een substantiële aanpassing.
Voor een nadere toelichting op deze zorgen over de vereenvoudigde insolventieprocedure
verwijs ik ook naar de positie van het kabinet ten tijde van de onderhandelingen over
de richtlijn harmonisatie van aspecten van het insolventierecht, die een sterk vergelijkbare
procedure bevatte.7
6.
In hoeverre verhoudt de in het coalitieakkoord aangekondigde «rentmeestervennootschap»
zich tot het 28ste regime: zijn dit complementaire of overlappende sporen?
Antwoord
De rentmeestervennootschap en het 28ste regime staan naast elkaar. De rentmeestervennootschap is doorgaans een Nederlandse
besloten vennootschap waarin een belangrijke stem bij de besluitvorming binnen de
vennootschap is neergelegd bij de rentmeesters, ten koste van de invloed van de aandeelhouders
en waarin een groot deel van de winst dienstbaar is aan de missie van de vennootschap,
die in de statuten is opgenomen. Bij het 28ste regime gaat het om een optioneel, grensoverschrijdend Europees vennootschapsrechtelijk
kader voor een op zichzelf staande EU Inc., die met name is bedoeld om start- en scale-ups
de kans te geven op te schalen binnen de Europese Unie.
7.
Is het kabinet bovendien bereid binnen de Raad actief te pleiten voor verdere harmonisatie
van rechtsgebieden die de effectiviteit van het 28ste regime bepalen – zoals faillissementsrecht en vennootschapsrecht – zodat fragmentatie
binnen de interne markt wordt verminderd en het volledige potentieel van EU Inc. voor
start-ups, scale-ups en grensoverschrijdend ondernemerschap kan worden benut?
Antwoord
In het coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de Slag: Bouwen aan een beter Nederland» staat
dat het kabinet in zet op het voltooien van de interne markt. Het kabinet wil daarom
zoveel mogelijk wetgeving harmoniseren die relevant is voor ondernemers, zoals het
vennootschapsrecht en arbeidswetgeving. Het kabinet vormt daartoe een kopgroep met
gelijkgestemde landen om regels, zoals het faillissementsrecht, te harmoniseren. Ook
staat in het coalitieakkoord dat Nederland een aanjagersrol zal spelen bij de snelle
implementatie van de rapporten Draghi en Letta. Op het gebied van interne-marktbeleid
werkt het kabinet aan de versterking van de interne markt op grond van de kabinetsbrede
interne-marktactieagenda en voortgangsrapportages en kabinetsvisie EU-concurrentievermogen.
Het kabinet constateert dat het onderhavige voorstel geen harmonisatie betreft van
het vennootschapsrecht van de lidstaten, maar een optioneel regime creëert dat naast
het recht van de 27 lidstaten zal bestaan, met een relatief beperkte reikwijdte. Hierdoor
zal een ondernemer op de interne markt na oprichting van een EU Inc. nog steeds te
maken hebben met versnipperde regelgeving. Het kabinet zal daarom de Commissie vragen
zich proactief te blijven inspannen voor harmonisatie van het vennootschapsrecht,
zoals op de terreinen van belang voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
en het faillissementsrecht. Ook kan, in lijn met het coalitieakkoord en de motie van
Lanschot en Dassen (Kamerstuk 36 800 XIII, nr. 30), gekeken worden naar de mogelijkheden die de Benelux op dit punt als voortrekker
zou kunnen vervullen. In het voornoemde non-paper spreken de landen van de Benelux
zich ook allen uit voor de wenselijkheid van harmonisatie.
Critical Chemicals Alliance – Nederlandse inzet als voorzitter van de Werkgroep Marktcreatie
8.
De leden van de D66-fractie constateren dat Nederland binnen de CCA voorzitter is
van de Werkgroep Marktcreatie. Dat is een politiek belangrijke positie op precies
het thema waar de chemiesector – voor Nederland van groot strategisch en economisch
belang – het meest van afhangt: structurele vraagcreatie naar groene chemie. De Kamer
hoort hier echter weinig concreets over. Welke concrete voorstellen brengt Nederland
als voorzitter van de Werkgroep Marktcreatie binnen de CCA op tafel en op welke termijn
levert die werkgroep haar opbrengst op? Hoe verhouden die voorstellen zich tot de
vraagcreatie-instrumenten in de verordening Industrial Accelerator Act (IAA) – gaat
de marktcreatie-aanpak verder dan wat in de IAA is voorzien, en zo ja, op welke punten?
Op welk moment kan de Kamer worden geïnformeerd over de tussentijdse opbrengst van
deze werkgroep?
Antwoord
De werkgroep Lead Markets van de CCA zal eind mei een eerste rapport opleveren met
aanbevelingen voor relevante eind-markten voor vraagcreatiemaatregelen, en in juli
een rapport met beleidsopties, zoals productnormen, mandaten en labels. In de IAA
worden geen concrete vraagcreatiemaatregelen voor de chemiesector aangekondigd, maar
wordt ruimte gemaakt voor aanvullende wetgeving op basis van de aanbevelingen van
de CCA. Uw Kamer zal zo snel mogelijk na de zomer over de voortgang worden geïnformeerd.
Horizon Europe – geld voor onderzoek en innovatie blijft voor onderzoek en innovatie
De leden van de D66-fractie onderschrijven het uitgangspunt uit het coalitieakkoord
dat dual-use (tweeërlei gebruik) onderzoek en innovatie (O&I) mede ten dienste kan
staan van innovatie en het Nederlandse verdienvermogen, in lijn met de aanbevelingen
van het rapport-Wennink.8 De omgekeerde beweging – het Horizon Europe-budget inzetten om defensietoepassingen
op te schalen via de Europese Innovatieraad – verhoudt zich naar het oordeel van deze
leden slecht tot de kerntaak van dat programma, namelijk fundamenteel onderzoek en
innovatie. Het ECF kent juist een specifiek onderdeel voor «Veerkracht en veiligheid,
defensie-industrie en ruimtevaart» en is daarmee het logische instrument voor defensie-opschaling.
9.
Deelt het kabinet de redenering dat Horizon Europe primáir een O&I-programma is en
geen financieringsbron voor defensie-opschaling? Is het kabinet bereid zich in de
Raad aan te sluiten bij de groep lidstaten die Horizon Europe expliciet civiel wil
houden en defensie-opschaling via het ECF wil laten verlopen? Onder welke voorwaarden
zou Nederland niet kunnen instemmen met een gedeeltelijke algemene oriëntatie op 29 mei
2026?
Antwoord
Zoals toegelicht in het BNC-fiche over Horizon Europe9 verwelkomt het kabinet de intentie om in Horizon Europe dual-use O&I toe te staan om het potentieel aan synergie tussen civiele en defensie-gerelateerde
O&I beter te benutten. Hiervoor is brede steun vanuit vrijwel alle lidstaten.
Wel benadrukt Nederland in de onderhandelingen dat het zwaartepunt van het nieuwe
kaderprogramma bij civiele toepassingen dient te liggen. Ten aanzien van defensie-opschaling
via de Europese Innovatieraad (EIC) is het kabinet van mening dat dit mogelijk moet
zijn, zo lang het budgettaire zwaartepunt binnen de EIC bij niet-defensie gerelateerde
toepassingen blijft liggen, gezien de uitdagingen rondom concurrentievermogen die
verder reiken dan defensie alleen. Nederland kan instemmen met een gedeeltelijke algemene
oriëntatie wanneer aan bovenstaande inzet voldaan wordt.
Horizon Europe – bescherming van het Nederlandse belang
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Nederland uit Horizon Europe sinds 2021
ongeveer € 1 miljard per jaar ontvangt, met een retour van 8,6% – bijna tweemaal het
Nederlandse aandeel in de Europese begroting. Die positie leunt direct op het excellentie-criterium
als toekenningsmechanisme. Erosie van die grondslag – hetzij door verzwaarde widening-maatregelen
die geografische verdeling boven kwaliteit stellen, hetzij door vermenging van de
O&I-programmering met het industriebeleid via het ECF – raakt dus aan een fors Nederlands
belang.
10.
Welke harde randvoorwaarden brengt het kabinet in de Raad in om dit Nederlandse belang
te beschermen, en met welke lidstaten trekt het hierin op? Hoe waarborgt het kabinet
dat de strategische sturing tussen Horizon Europe en het ECF de excellentie-grondslag
van pijler I (Excellente Wetenschap) niet ondergraaft? Welke positie neemt het kabinet
in over de detailleringsgraad van widening-maatregelen – waar ligt de Nederlandse rode lijn?
Antwoord
Het kabinet zet zich al lange tijd in voor een sterk, op excellentie en impact gebaseerd
kaderprogramma en zal dit ook blijven doen. Daarnaast is open competitie essentieel
om excellentie te bevorderen en dient dit over het gehele kaderprogramma plaats te
vinden. Het voorstel van de Europese Commissie voor Horizon Europe is op deze uitgangspunten
gestoeld: excellentie en impact worden expliciet benoemd als selectiecriteria en open
competitie is de norm.
In de onderhandelingen waakt Nederland ervoor dat deze principes worden aangetast
en is ingezet op verduidelijking dat de excellentiecriteria van Horizon Europe ook
van toepassing zijn op het via het ECF-geprogrammeerde collaboratieve onderzoek en
innovatie in Pijler II. Ook voor het ECF zet het kabinet zich in op de principes van
excellentie en impact in open competitie. De verbondenheid tussen het ECF en het concurrentievermogendeel
van Pijler II heeft bovendien geen invloed op Horizon Pijler I.
Een grote groep lidstaten is overtuigd van het belang van excellentie als uitgangspunt
in Horizon Europe en Nederland trekt nauw op met deze gelijkgestemde lidstaten. Deze
landen hebben qua stemverhouding tezamen een blokkerende minderheid in de Raad.
Ten aanzien van de detailleringsgraad van widening maatregelen, zou Nederland graag dicht bij het voorstel van de Europese Commissie
willen blijven en widening instrumenten niet in detail benoemen. Desalniettemin heeft Nederland in de onderhandelingen
sympathie getoond voor de wensen van de widening landen om wel voorbeelden te kunnen benoemen, zolang de impact hiervan beperkt blijft
tot het widening instrumentarium zelf.
Met de voorstellen voor Horizon Europe en het ECF wordt meer nadruk gelegd op innovatie
en opschaling ten opzichte van de huidige MFK-periode. Het kabinet vindt het van belang
om daarnaast via de versterkte inzet op Pijler I aan de excellente kennisbasis te
blijven bouwen, om ook in de toekomst innovatief te blijven, academische vrijheid
en nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek te garanderen en te zorgen dat het benodigde
talent in de EU blijft. Onder Pijler I laat de European Research Council bij uitstek
de meerwaarde van op excellentie gebaseerde open competitie zien en het bottom-up
karakter is een goede aanvulling op de top-down ingerichte tweede pijler. De thematische
sturing binnen het ECF heeft hier geen invloed op.
Ruimte als strategisch domein – proactief Nederlands leiderschap
De leden van de D66-fractie merken op dat de Nederlandse inzet bij de EU-ruimtevaartverordening
en de gedachtewisseling over economische veiligheid overwegend defensief zijn geformuleerd:
proportioneel, uitvoerbaar, defensie-uitzondering, niet overlappend. Dat is begrijpelijk,
maar past niet bij een land met een sterke ruimtevaartsector – Brainport, Leiden,
het Europees Ruimteonderzoek- en Technologie Centrum (ESTEC). Deze leden constateren
bovendien dat Nederlandse bedrijven in de ruimtevaartketen overwegend op subsysteemniveau
actief zijn, terwijl strategische waarde juist op systeem- en ketenposities ligt;
wil Nederland in Europa zelfstandig kunnen blijven opereren, dan moet ook deze sector
ruimte krijgen om door te groeien naar het niveau van een Nederlandse systeemkampioen,
vergelijkbaar met wat ASML in de halfgeleiderketen is. Het Cypriotisch voorzitterschap
stelt expliciet de vraag hoe civiele, commerciële en veiligheidsaspecten van ruimtebeleid
kunnen bijdragen aan Europese economische veiligheid «met behoud van openheid, innovatie
en internationale samenwerking». Dat raakt precies aan de kern van open strategische
autonomie.
11.
De leden van de D66-fractie vragen welke concrete voorstellen Nederland zelf inbrengt
om de Europese ruimtevaartsector te versterken – verder dan het bewaken van proportionaliteit
en defensie-uitzonderingen.
Antwoord
Concreet zet Nederland in op drie lijnen. Ten eerste de versterking van Europese ruimtevaartcapaciteiten
via EU- en ESA-programma’s, met goede toegang voor innovatieve bedrijven en kennisinstellingen.
Daarbij pleit Nederland er in het kader van het volgende Europese ruimtevaartprogramma
(het Ruimtevaarthoofdstuk onder het ECF) voor dat bij grote contracten een substantieel
deel wordt uitbesteed aan onderaannemers en mkb-bedrijven, zodat innovatieve Europese
spelers beter kunnen doorgroeien in waardeketens. Ten tweede zet het kabinet in op
gerichte doorontwikkeling van Nederlandse sleutelposities, onder meer aardobservatie,
optische satellietcommunicatie, navigatie, en dual-use toepassingen. De derde lijn
is betere benutting van ruimtevaart in maatschappelijke en economische opgaven, zodat
bedrijven kunnen doorgroeien van technologie- en subsystemenleverancier naar sterkere
posities in waardeketens en diensten.
Deze inzet krijgt vorm via de uitvoering van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda, de Nederlandse inzet in het Europees Ruimteagentschap (ESA) en Europese
programma’s zoals Galileo, Copernicus en IRIS.10 Daarbij blijft Nederland ook aandacht vragen voor proportionele en uitvoerbare regelgeving
omdat voorspelbare en werkbare kaders nodig zijn om bedrijven te laten opschalen.
In het kader van de EU Space Act zet Nederland er daarom op in dat bedrijven niet
worden belast met dubbele regeldruk of te prescriptieve technische eisen.
12.
Hoe wil het kabinet bevorderen dat Nederlandse bedrijven binnen Europese programma’s
zoals IRIS, Galileo en Copernicus doorgroeien van subsystemen naar strategische systeem-
en ketenposities?
Antwoord
Het kabinet zet zich ervoor in dat Nederlandse bedrijven goed gepositioneerd zijn
in Europese ruimtevaartprogramma’s zoals IRIS2, Galileo en Copernicus. Binnen het kabinetsbeleid volgend uit de Lange-termijn Ruimtevaartagenda
wordt bezien hoe specifieke Nederlandse sterktes, onder meer in sleuteltechnologieën,
satellietdata en dual-use toepassingen, beter kunnen worden benut om bedrijven te
laten doorgroeien in Europese waardeketens en daarbij een sterkere sleutelpositie
te geven. Dit gebeurt via inzet in ESA- en EU-verband, nationale instrumenten en de
thematische werkgroep Industrie & Innovatie.
13.
Hoe beantwoordt het kabinet de tweede voorzitterschapsvraag: welke instrumenten zet
het kabinet in om openheid en internationale samenwerking in de ruimtevaart te waarborgen
terwijl strategische afhankelijkheden worden afgebouwd? In hoeverre is bescherming
tegen verstoring van satellietsignalen – jamming en spoofing, die op de civiele luchtvaart, de scheepvaart en het betalingsverkeer reeds aantoonbare
invloed heeft – onderdeel van de Nederlandse inzet?
Antwoord
Het kabinet zet in op open internationale samenwerking in EU-, ESA-, NAVO- en VN-verband,
waarbij tegelijkertijd risicovolle strategische afhankelijkheden worden verminderd
via versterking van Europese en nationale ruimtevaartcapaciteiten, sleuteltechnologieën
en weerbaarheid. Bescherming tegen verstoring van satellietsignalen, zoals jamming en spoofing, maakt daar onderdeel van uit. Het kabinet werkt met vitale sectoren aan bewustwording,
het in kaart brengen van afhankelijkheden en risicobeperking. Daarnaast wordt gekeken
naar robuuste complementaire technologieën voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling
en naar inzet van het beveiligde Galileo-signaal PRS (Public Regulated Service) voor overheidsdiensten.
14.
Welke positie neemt het kabinet in over de rolverdeling tussen de Europese Commissie,
het Europees Ruimteagentschap (ESA) en de lidstaten, op een wijze die de Nederlandse
ruimtevaartsector Europees zichtbaar leiderschap geeft?
Antwoord
Het kabinet zet in op een heldere en complementaire rolverdeling. De Europese Commissie
heeft een belangrijke rol bij de beleidsmatige aansturing en financiering van EU-ruimtevaartprogramma’s,
en de ESA bij technologische ontwikkeling en programmatische uitvoering, en lidstaten
bij nationale prioritering, industriële positionering en borging van publieke belangen.
Voor Nederland is daarbij van belang dat Europese samenwerking ruimte laat voor nationale
sterktes en voor zichtbare deelname van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen
in strategische ketens. Het kabinet zet daarom in EU- en ESA-verband in op tijdige
betrokkenheid bij programmaontwikkeling, goede toegang tot opdrachten en versterking
van Nederlandse posities in sleuteltechnologieën, satellietdiensten en dual-use toepassingen.
European Product Act non-paper – circulariteit als ontbrekende dimensie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het non-paper dat Nederland samen
met Finland, Portugal en Zweden bij de Raad zal inbrengen ter beïnvloeding van de
European Product Act (EPA). Het non-paper richt zich op modernisering van het wetgevend
kader, digitalisering en gelijk speelveld, met regeldrukvermindering als overkoepelend
thema. Deze leden onderschrijven het belang van een goed werkende interne markt voor
producten, maar wijzen erop dat de EPA tegelijk de markttoezichtverordening, de conformiteitsbeoordeling
en de normalisatieverordening herziet – precies de plekken waar circulaire-economie-ambities
zoals het digitaal productpaspoort, eisen aan repareerbaarheid en aansluiting op de
Ecodesign-verordening voor duurzame producten (ESPR) hun beslag moeten krijgen. Het
non-paper noemt deze dimensie niet expliciet, terwijl het coalitieakkoord vasthoudt
aan het doel van een volledig circulaire economie in 2050.
15.
Hoe waarborgt het kabinet dat de EPA ook actief bijdraagt aan de circulaire transitie,
en niet uitsluitend wordt benaderd vanuit het perspectief van regeldrukvermindering?
Op welke punten in het non-paper komt deze circulariteitsdimensie terug, en zo niet,
is het kabinet bereid dit alsnog actief in te brengen – eventueel in samenwerking
met de partners Finland, Portugal en Zweden?
Antwoord
De European Product Act (EPA) heeft als hoofddoel dat producten die op de Europese
markt worden gebracht veilig zijn. De circulaire transitie wordt vooral ondersteund
via andere Europese regelgeving, zoals de Ecodesignverordening. Nederland zet in op
een goede aansluiting van de EPA op bestaande regelgeving rondom circulariteit. Daarnaast
is er specifieke aandacht voor circulariteit binnen de EPA. Zo pleit Nederland in
het non-paper voor helderdere regels voor gereviseerde en tweedehandsproducten, door
de EPA beter geschikt te maken voor aanpassingen aan en doorverkoop van producten
nadat deze op de markt zijn gebracht.
Toerisme
16.
De leden van de D66-fractie steunen het kabinet in het streven naar Europese samenwerking
op het gebied van duurzame toeristische mobiliteit. Deze leden vragen of het kabinet
tijdens de Raad kan pleiten voor betere internationale treinverbindingen als alternatief
voor korte afstandsvluchten.
Antwoord
Tijdens de afgelopen informele toerismeraad van 16–17 april heeft Nederland het belang
van goede internationale treinverbindingen benadrukt. Ook tijdens de RvC zal ik dit
nogmaals aangeven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad voor Concurrentievermogen van 28 en 29 mei 2026. Deze leden hebben hierover nog
enkele vragen en opmerkingen.
Industrial Accelerator Act
17.
De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat bij de aankomende
Raad gesproken zal worden over de verordening Industrial Accelerator Act (IAA). Deze
leden weten dat er in deze verordening ruimte wordt geboden voor acceleration areas, ook wel bekend als regelvrije zones. Is het kabinet van plan gebruik te maken van
deze mogelijkheid tot het creëren van zo’n zone en zo ja, op welke manier? Graag ontvangen
deze leden daarnaast een uitputtend overzicht van de mogelijkheden die EU-regelgeving
biedt tot regelvrije zones, en beantwoording van de vraag of Nederland daar momenteel
gebruik van maakt en zo ja, of hier op maximale wijze gebruik van wordt gemaakt.
Antwoord
Het kabinet zet via het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie actief in op versterking
van de industrieclusters en ziet in de IAA kans dit verder te stimuleren. Het kabinet
benadrukt dat het hier geen regelvrije zones betreft, maar dat de IAA juist strikte
vereisten voor aanwijzing oplegt in de verordening, zonder dat dit directe voordelen
oplevert. Het kabinet zet daarom allereerst in op verbetering van dit hoofdstuk in
de IAA en zal daarna bekijken of en welke clusters/gebieden aangewezen kunnen worden.
Toerisme
18.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er bij de aankomende Raad stilgestaan zal worden
bij de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor de Europese toerismesector.
Deze leden lezen dat het kabinet het effect voor de Nederlandse sector «tot nu toe
beperkt» noemt. Deze leden verzoeken het kabinet uiteen te zetten wat specifiek de
gevolgen zijn voor de Nederlandse congressector.
Antwoord
Op maandag 18 mei is hierover overleg geweest met Europese collega’s van de Nationale
Toerisme Organisaties (NTO’s) waaronder ook het Nederlands Bureau voor Toerisme en
Congressen (NBTC). Het gezamenlijke beeld is dat de effecten momenteel nog beperkt
zichtbaar zijn. Internationale congressen en zakelijke evenementen worden doorgaans
ruim tevoren geboekt en contractueel vastgelegd, waardoor directe gevolgen vooralsnog
uitblijven.
De langetermijneffecten zijn op dit moment nog lastig in te schatten. Bij aanhoudende
geopolitieke onrust kan dit op termijn invloed hebben op de internationale reisbereidheid
en de organisatie van congressen en evenementen. NBTC heeft aangegeven de ontwikkelingen
en mogelijke effecten op de sector te blijven monitoren.
19.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat er enkele landen zijn die graag zien
dat er extra ruimte voor staatsteun komt voor de toerismesector. Het kabinet schrijft
vervolgens niet hoe het zich tot dit verzoek verhoudt. Deze leden verzoeken het kabinet
hier stevig verzet bij aan te tekenen, omdat dit leidt tot oneerlijke concurrentie
voor Nederlandse ondernemers en de financiële positie van landen (nog verder) kan
verslechteren. Is het kabinet hiertoe bereid?
Antwoord
Nederland is geen voorstander van versoepeling van de staatssteunmaatregelen t.a.v.
de toerismesector. Dit zal ik dan ook benadrukken tijdens de RvC.
Inzet Skills Portability Initiative
20.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het non-paper van de Benelux,
welke is gericht op een bredere erkenning van vaardigheden in de EU. Welke waarborgen
heeft het kabinet hierbij ingebouwd om de kwaliteit van Nederlandse beroepskwalificaties
te waarborgen?
Antwoord
Na de zomer wordt duidelijk welke maatregelen de Europese Commissie precies zal voorstellen
in het kader van het Skills Portability Initiative (SPI). Specifieke waarborgen zijn
in deze fase nog niet aan de orde, maar publieke belangen zijn op het gebied van beroepskwalificaties
altijd het startpunt van de belangenafweging. In het non-paper benadrukken de Benelux-landen
dat het belangrijk is dat nieuwe initiatieven goed worden afgestemd op bestaande kaders,
zowel op gebied van academische kwalificaties als beroepskwalificaties, waaronder
die toegang geven tot gereglementeerde beroepen. Het kabinet ziet binnen die kaders
ruimte om het systeem van erkenningsprocedures te verbeteren en te versnellen, zonder
afbreuk te doen aan de publieke belangen die geldende nationale beroepsreglementering
verzekeren. De kwaliteit van Nederlandse beroepskwalificaties komt hierdoor dus niet
in het geding. Net zoals nu het geval is onder de Richtlijn EU-beroepskwalificaties,
mag een gereglementeerd beroep in Nederland alleen worden uitgeoefend als de beroepsbeoefenaar
voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals opleidingstitels, diploma’s, getuigschriften
of ervaring. Het kabinet zal bij de beoordeling van voorstellen vanzelfsprekend als
aandachtspunt meenemen dat eventuele wijzigingen in de systematiek niet ten koste
gaan van de kwaliteit van Nederlandse beroepsreglementering.
Tegelijkertijd blijkt uit de rapporten van Letta (2024), Draghi (2024) en Wennink
(2025) dat de Europese interne markt dringend moet worden gemoderniseerd om concurrentievermogen
te versterken in de veranderende geopolitieke wereld. De rapporten benadrukken dat
de EU versnipperd is door nationale regels, wat bijvoorbeeld innovatie belemmert.
Er is onder andere behoefte aan het wegnemen van belemmeringen, zoals stroeve erkenningsprocedures
voor beroepskwalificaties. Dat beeld is ook bevestigd door de Europese Rekenkamer.
Ook het Internationaal Monetair Fonds benadrukt het belang van beter gestroomlijnde
erkenning van buitenlandse beroepskwalificaties, vaardigheden en diploma’s in haar
recente rapport voor de jaarlijkse Artikel IV-consultatie over de Nederlandse economie.11 Deze opgave vergt ook dat in Nederland en in Benelux-verband kritisch wordt gekeken
naar erkenningsprocedures. De Nederlandse inzet hierop is opgenomen in de interne-marktactieagenda die op 22 mei jl. naar de Kamer is gestuurd.12
Regeldruk
21.
De leden van de VVD-fractie lezen dat Eurocommissaris Séjourné tijdens de afgelopen
Raad heeft beloofd een overzicht rond te sturen van regels die inmiddels zijn afgeschaft,
als onderdeel van de inspanningen om de regeldruk te verminderen. Deze leden verzoeken
het kabinet dit overzicht naar de Kamer te sturen.
Antwoord
Tot op heden is het toegezegde overzicht nog niet gedeeld. Wanneer het kabinet het
door de Eurocommissaris toegezegde overzicht heeft ontvangen zal dat met uw Kamer
worden gedeeld. Het kabinet vindt het belangrijk om informatie te krijgen over de
resultaten die worden bereikt. Het kabinet wil graag een duidelijk beeld krijgen van
wat het totale beeld is van hoe de toe- en afname van de regeldruk zich ontwikkelt.
Immers; aan de ene kant wordt bestaande EU-regelgeving aangepast om regeldruk te verminderen,
terwijl er aan de andere kant ook nieuwe regelgeving wordt geïntroduceerd die regeldruk
met zich meebrengt.
22.
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat er tijdens de afgelopen Raad is gesproken
over territoriale leveringsbeperkingen. Wat is de actuele stand van zaken in dit dossier?
Wat is de voortgang in de ontwikkeling naar een QR-code, nadat dit onder andere is
omarmd in de interne marktstrategie van de Europese Commissie? Hoe zit het met de
aanpak van discriminatie, zoals geconstateerd in onderzoek uit 2023 in opdracht van
het Ministerie van Economische Zaken,13 namelijk dat consumenten momenteel goedkopere producten online kunnen kopen in een
andere EU-lidstaat, terwijl detailhandelaren als wederverkoper (en niet als eindgebruikers)
dat niet altijd kunnen?
Antwoord
Het discrimineren van (detail)handelaren op basis van lidstaat van vestiging valt
onder het begrip territoriale leveringsbeperkingen. De Europese Commissie heeft instrumenten
tegen territoriale leveringsbeperkingen aangekondigd voor Q4 2026.
In april 2026 publiceerde de Commissie een zogenaamde 'verzoek om input' met vier
opties. Deze opties varieerden van zelfregulering door de sector tot Europese wetgeving.
Het kabinet heeft een openbare reactie ingezonden, waarin wordt gesteld dat er nu
regelgeving ontbreekt om ongerechtvaardigde territoriale leveringsbeperkingen aan
te kunnen pakken.14 De Commissie publiceert op korte termijn een publieke consultatie en daar zal door
het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ook op worden gereageerd. Het kabinet
zet in op een ambitieuze aanpak van territoriale leveringsbeperkingen en pleit hiervoor,
waar mogelijk, bij bilaterale gesprekken en in de Raad voor Concurrentievermogen.
Het kabinet deelt de ambitie uit de Europese interne-marktstrategie van 2025 voor
digitale etikettering, zoals een QR-code. De Commissie wil deze horizontaal invoeren
via het digitale productpaspoort (DPP) als onderdeel van het voorstel voor de European
Product Act, die in het najaar wordt verwacht. Ook zet het kabinet inzet mij op een
ambitieuze toepassing. QR-codes ter vervanging van etiketten op levensmiddelen zijn op dit moment niet haalbaar gezien onder andere het belang van de volksgezondheid.
Dit is eerder met de Kamer gedeeld.15
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen. Deze leden hebben
hierover nog enkele vragen.
23.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
het BNC-fiche over de Industrial Accelerator Act. Zij hebben hierover onlangs het
kabinet al in een schriftelijk overleg over bevraagd.16 Deze leden kijken uit naar een spoedig antwoord.
Antwoord
Op 20 mei jl. heb ik mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris
van Klimaat en Groene Groei de beantwoording van dit SO aan uw kamer gestuurd.17
24.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn voorstander van het beslechten van interne
handelsbarrières in de Europese Unie, maar tegelijk moet Nederland zorgdragen voor
een verantwoordelijke positie van bedrijven waarbij de rechten van werknemers, milieustandaarden
en een eerlijke bijdrage aan de samenleving, ook via belastingen, zijn verankerd.
Hoe gaat het kabinet voorkomen dat een nieuw en optioneel regime niet leidt tot een
race naar de bodem wat betreft maatschappelijke eisen aan bedrijven? Hoe houdt Nederland
bedrijven die in dit regime zullen omvallen op eenzelfde wijze verantwoordelijk als
bedrijven die werken op een Nederlandse rechtsbasis? Wat is de visie van het kabinet
op de impact van het voorstel op werknemersrechten? Zet het kabinet er zich voor in
dat het voorstel op dit vlak verduidelijkt wordt, zodat de arbeidswetgeving van het
land waar de werknemer effectief werkt, blijft gelden om zo te voorkomen dat het 28ste regime een nieuwe route wordt voor sociale dumping?
Antwoord
Graag verduidelijkt het kabinet dat het voorstel noch het arbeidsrecht noch milieustandaarden
harmoniseert. Zowel de landelijke arbeidswetgeving op de arbeidsrelaties van de EU
Inc. met haar werknemers als nationale milieustandaarden blijven van toepassing op
de EU Inc. Verder valt de EU Inc., met uitzondering van de in de Verordening voorgestelde
werknemersoptieregeling, onder het nationale belastingstelsel. Voor het kabinet is
van belang dat er geen race-to-the-bottom plaatsvindt en dat geconcurreerd wordt op
basis van innovatie, in plaats van op basis van verlaging van arbeidsvoorwaarden,
milieustandaarden of belastingrecht.
Op grond van de Rome I-Verordening18 zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen
aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken,
en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht. Om de bescherming
van werknemers te waarborgen is effectief toezicht en handhaving van belang. Het kabinet
ziet dat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde samenwerking op het
gebied van arbeidsrechtelijke handhaving, des te meer omdat de oprichting en verplaatsing
van een EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor het lastiger te achterhalen
zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een arbeidsrechtelijk handhavingsverzoek
moet worden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende
waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten
te omzeilen en effectieve handhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Daarom is
de inzet in de onderhandelingen erop gericht om het voorstel op dit punt te verbeteren.
Voor wat betreft de zorgen over de misbruikgevoeligheid van de in de Verordening opgenomen
vereenvoudigde insolventieprocedure verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 5.
25.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de zorgen van dit kabinet over de toekomst
van de chemie en zien tevens de urgentie van actie op Europees niveau om strategische
chemische ketens te versterken en te verduurzamen. Daarmee delen deze leden ook de
noodzaak tot urgentie om snel tot meer vraagcreatie te komen op Europees niveau. Welke
plannen heeft het kabinet hierin concreet? Welke kansen ziet het kabinet voor de versterking
van de IAA, maar bijvoorbeeld ook de Circulair Economy Act (CEA) en het Post 2030
Renewable energy framework voor duurzame energie? Bereid het kabinet concrete inzet
voor om in al deze wetten vraagcreatie een stevige wettelijke basis te geven, bijvoorbeeld
via productmandaten? Ziet het kabinet in dit kader ook kans om Europese voorkeursprincipes
voor duurzame producten te verankeren in deze wetgeving? Iets waar de chemische industrie
in toenemende mate om vraagt.
Antwoord
Het kabinet ziet vraagcreatie als een van de belangrijkste middelen voor een succesvolle
transitie, omdat het afzetmarkten voor schone producten uit de industrie garandeert
en gebruik van hernieuwbare energie in productieprocessen stimuleert. Het kabinet
vindt tevens dat de IAA niet ambitieus genoeg is op dit gebied en zet daarom in op
de mogelijkheid om op den duur ook vraagcreatie voor private markten te stimuleren.
Daarnaast wil het kabinet kijken hoe via gradueel hogere productnormen meer langetermijn
zekerheid aan producenten kan worden gegeven om te investeren in schone productieprocessen.
Daarnaast erkent het kabinet dat om vraagcreatie succesvol te laten zijn, er ook sectorspecifieke
maatregelen nodig zijn. Daarom wil het kabinet in publiek-private samenwerkingsverbanden,
zoals de CCA, met de sectoren zelf verkennen hoe een sectorspecifieke transitie er
uit kan zien. Hierbij kijkt het kabinet naar een breed scala aan instrumenten.
Het kabinet pleit voor mandaten voor producten op basis van duurzame koolstof, zoals
recyclaat, biobased- en op CO2 gebaseerde materialen. Binnen bijvoorbeeld de CCA worden momenteel, samen met de
sector en belanghebbenden, meer concrete voorstellen voor de chemie hiervoor uitgewerkt.
Nederland is voorzitter van deze werkgroep. Deze aanbevelingen van de CCA zullen door
de commissie worden meegenomen in relevante beleidstrajecten, zoals de IAA, de Circular
Economy Act en ook de BioTech Act II.
Het kabinet is terughoudend in de toepassing van EU-voorkeurscriteria, maar erkent
dat in sommige strategische sectoren gerichte, tijdelijke en proportionele inzet van
dergelijke criteria gerechtvaardigd kan zijn. Hier dient een gedegen analyse aan ten
grondslag te liggen en een open houding naar onze handelspartners te worden geborgd.
Het kabinet is momenteel bezig met het uitvoeren van dergelijke analyses voor de sectoren
uit de IAA.
26.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tevens enkele vragen over de Critical
Chemicals Alliance. Ziet het kabinet de Alliance als plek om prioriteiten te stellen
en tot beleid te komen voor het verduurzamen van specifieke strategische ketens? Ziet
het kabinet ruimte om op Europees niveau een strategische afweging te maken waar landen
– gezien hun industriële opbouw, kennis en ligging – op moeten inzetten? Zodat lidstaten
elkaar kunnen versterken en aanvullen, in plaats van beconcurreren in een race naar
de bodem van minder belastingen en meer subsidies. Brengt het kabinet hier ook het
perspectief in van de nieuwe industriële spelers, die alternatieve ketens en technologie
willen opschalen, soms ook ten koste van de bestaande industrie? Hoe wordt de veranderende
markvraag naar producten meegewogen (bijvoorbeeld minder raffinage door elektrificatie,
kunstmest door biologische landbouw of nieuw plastic door circulariteit)?
Antwoord
Ja, het kabinet ziet de CCA als een geschikte plek om generieke maatregelen voor verduurzaming
te ontwikkelen en tegelijk te kijken in welke strategische ketens prioritair actie
nodig is. Binnen de werkgroep Lead Markets van de CCA worden ook aanbevelingen ontwikkeld
voor beleidsmaatregelen die de vraag naar duurzame varianten van eindproducten van
de chemiesector kunnen stimuleren en daarmee ook nieuwe spelers moeten aantrekken.
Zie hiervoor ook vraag 25.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad voor Concurrentievermogen van 28 en 29 mei. Hierbij hebben zij een aantal vragen.
Non paper skill portability initiative
De leden van de CDA-fractie waarderen de inzet van het kabinet om samen met de Benelux-partners
in Europa te pleiten voor het eenvoudiger erkennen van diploma’s, vaardigheden en
werkervaring over landsgrenzen heen. Deze leden zijn ervan overtuigd dat juist in
grensregio’s grote kansen liggen voor het wegnemen van belemmeringen voor werknemers,
studenten en werkgevers door de wederzijdse erkenning te verbeteren van diploma’s
en beroepsvaardigheden.
27.
De leden van de CDA-fractie constateren echter dat de Europese Commissie pas in het
najaar 2026 met nadere wetsvoorstellen komt. Zij vragen in hoeverre het mogelijk is
om binnen Benelux-verband alvast vooruit te lopen op bredere Europese besluitvorming
en te fungeren als proeftuin voor verdere samenwerking op het gebied van skillspaspoorten,
diplomawaardering en de uitwisseling van beroepskwalificaties. Welke juridische en
praktische ruimte ziet het kabinet hiervoor binnen de huidige Europese kaders? Is
het kabinet bereid om samen met de Benelux-partners te onderzoeken welke concrete
stappen al op korte termijn gezet kunnen worden?
Antwoord
Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt er op basis van de Letta-,
Draghi- en Wenninkrapporten een duidelijke opgave voor het kabinet om te onderzoeken
hoe erkenningsprocedures in Nederland en de EU kunnen worden vereenvoudigd. De voorstellen
waar de Europese Commissie na de zomer in het kader van de Skills Portability Initiative
(hierna: SPI) mee zal komen, bieden een goede gelegenheid om die procedures nader
tegen het licht te houden.
Het kabinet ziet voldoende ruimte en kansen om naast het Europese initiatief stappen
te zetten ten behoeve van beroepsbeoefenaars in de Benelux, zonder daarbij buiten
de Europese kaders te treden. Door samen op te trekken kunnen de Benelux-landen niet
alleen interne belemmeringen wegnemen, maar ook de onderhandelingspositie in Brussel
versterken. In lijn met het Benelux-jaarplan 2026, onder Nederlands voorzitterschap,
wordt daarom aandacht besteed aan drie kernelementen: verkenning van onderlinge harmonisatie
van erkenningsprocedures, uitwisseling van beste praktijken op het gebied van skillspaspoorten
en diplomawaardering, en samenwerking met regionale partners zoals de Euregio’s.
Juridisch is er ruimte voor Benelux-samenwerking zolang deze niet strijdig is met
bestaande EU- of nationale wetgeving. Het kabinet onderzoekt in nauwe samenwerking
met het Benelux-Secretariaat momenteel in hoeverre Benelux-besluitvorming op korte
termijn effectief, praktisch uitvoerbaar en juridisch houdbaar kan zijn.
28.
Deze leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het Skills Portability Initiative
(SPI) van de Europese Commissie meegenomen wordt in de talentstategie zoals aangekondigd
in de opdrachtbrief Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (TTWenV).19
Antwoord
Hoewel het nog afwachten is wat de Europese Commissie concreet zal voorstellen in
het kader van het SPI, onderzoekt het kabinet momenteel waar synergiemogelijkheden
bestaan tussen de verschillende pijlers van het SPI en de aangekondigde Nederlandse
talentstrategie. Op basis van de geconsulteerde plannen van de Commissie voor het
SPI lijken deze op het eerste gezicht in ieder geval goed aan te sluiten bij de doelstellingen
van de talentstrategie, die onder meer voortbouwt op de bij de beantwoording van vraag 20
en 27 genoemde rapporten.
28ste regime
De leden van de CDA-fractie zullen het schriftelijk overleg over het BNC-fiche inzake
het voorstel voor een 28e regime voor ondernemingen («EU Inc.») benutten om uitgebreider in te gaan op hun
appreciatie en weging van dit voorstel.20
29.
De leden van de CDA-fractie wensen voorts alvast nadere informatie over de ervaringen
met de rechtsvorm van de Societas Europaea (SE). Hoewel deze Europese rechtsvorm reeds in 2001 is ingevoerd met als doel grensoverschrijdend
ondernemen binnen de Europese Unie te vergemakkelijken, is het gebruik ervan in de
praktijk relatief beperkt gebleven. Deze leden vragen welke lessen uit de beperkte
populariteit en toepassing van de SE zijn getrokken en in hoeverre deze lessen zijn
meegenomen bij de uitwerking van de nieuwe voorgestelde rechtsvorm. Daarbij vragen
zij in het bijzonder aandacht voor de praktische uitvoerbaarheid, administratieve
lasten, rechtszekerheid en aantrekkelijkheid voor ondernemingen om daadwerkelijk van
een Europese rechtsvorm gebruik te kunnen maken.
Antwoord
Het kabinet constateert met de leden van de CDA-fractie dat de rechtsvorm van de Societas
Europaea (SE) weinig gebruikt wordt door bedrijven zowel in Nederland als in de Europese
Unie in het geheel. Het kabinet ziet tevens dat de Europese Commissie in haar voorstel
op een aantal punten lering heeft getrokken uit de beperkte populariteit en toepassing
van de SE. Zo is de huidige SE Verordening weinig flexibel door niet toe te staan
dat de werkelijke zetel en de statutaire zetel in verschillende lidstaten kunnen zijn
gevestigd. Daarnaast vormt de minimumkapitaaleis voor SE-vennootschappen van 120.000
euro een hoge drempel in vergelijking met soortgelijke rechtsvormen in de lidstaten.
In het Commissievoorstel voor de EU Inc. zijn zowel de eis dat de werkelijke zetel
en de statutaire zetel in dezelfde lidstaat moeten zijn gevestigd als het minimumkapitaal
losgelaten. Daarnaast kan een SE – in tegenstelling tot het voorstel voor de EU Inc.
– niet ex nihilo (als nieuwe entiteit) opgericht worden en zijn er minimaal twee bestaande
bedrijven nodig om een SE op te richten. Dit maakt deze rechtsvorm onaantrekkelijk
voor het oprichten van een bedrijf. Nederland acht het voorstel voor de EU Inc. op
deze aspecten een verbetering ten opzichte van de SE.
Toerisme
De leden van de CDA-fractie waarderen het dat het kabinet de effecten van de crisis
in het Midden-Oosten op het toerisme blijft monitoren. Deze leden achten het van belang
dat consumenten duidelijkheid hebben over hun rechten en plichten wanneer luchtvaartmaatschappijen
zich door stijgende brandstofprijzen of andere geopolitieke ontwikkelingen genoodzaakt
voelen om vluchten te annuleren. In dat kader zijn deze leden positief over de recente
toelichting van de Europese Commissie via een commissiemededeling op de toepassing
van passagiersrechten.
30.
Zij vragen in hoeverre deze Europese mededeling aanleiding geeft tot nadere implementatie,
beleidsaanpassing of verduidelijking in Nederland. Indien hiervan sprake is, wat is
dan de huidige stand van zaken?
Antwoord
De toelichting van de Europese Commissie op de rechten die reizigers ontlenen aan
de luchtvaartpassagiersrechtenverordening (261/2004) en de pakketreizenrichtlijn (2015/2302)
in relatie tot de crisis in het Midden-Oosten biedt zowel reizigers als tussenpersonen
en vervoerders duidelijkheid. De toelichting, onder andere inzake «buitengewone omstandigheden»
sluit aan bij de bestaande jurisprudentie en de huidige praktijk, en geeft dan ook
geen aanleiding tot implementatie of beleidsaanpassingen.
De leden van de CDA-fractie willen los hiervan benadrukken dat recreatie en toerisme
van groot belang zijn voor zowel de regionale economie als de leefbaarheid van steden,
dorpen en het landelijk gebied binnen Europa. Een sterke en toekomstbestendige toeristische
sector kan een belangrijke rol spelen bij het behoud van voorzieningen, de vitaliteit
van regio’s, de aantrekkelijkheid van binnensteden en de leefbaarheid van plattelandsgebieden.
Deze leden zijn van mening dat recreatie en toerisme in Europees verband nadrukkelijker
verbonden zouden moeten worden met bredere Europese opgaven, zoals regionale ontwikkeling,
brede welvaart, demografische krimp, duurzaamheid en strategische economische weerbaarheid.
31.
Zij vragen hoe en op welke wijze toerisme wordt meegenomen in de bredere agenda voor
concurrentiekracht en cohesie binnen de Europese Unie?
Antwoord
De Europese Commissaris voor Duurzame Mobiliteit en Toerisme heeft aangegeven dat
het één van zijn ambities is om toerisme binnen de EU op de agenda te zetten en ook
te zorgen voor goede afstemming met andere beleidsdossiers en de bredere agenda voor
concurrentiekracht en cohesie. Naar verwachting zal dit ook onderdeel zijn van de
nieuwe EU duurzame toerisme strategie die in oktober 2026 wordt verwacht. Het kabinet
zal uw Kamer te zijner tijd via de gebruikelijke weg informeren over deze strategie
en de kabinetsappreciatie hiervan.
Er bestaan verschillende Europese fondsen waar de toeristische sector gebruik van
kan maken. Hierbij is het doel niet uitsluitend economische waarde, maar ook het versterken
van leefbare regio’s en sterke lokale gemeenschappen. Projecten kunnen bijvoorbeeld
gericht zijn op duurzaam bestemmingsmanagement, verbetering van de lokale mobiliteit
of behoud van cultureel erfgoed. Binnen grensoverschrijdende Interregio-programma’s
– programma’s die samenwerking tussen regio’s over nationale grenzen heen ondersteunen
– worden al initiatieven gefinancierd die bijdragen aan streekontwikkeling, zoals
projecten rond erfgoedlandschappen en regionale routes. Op deze manier kan financiering
zowel de lokale economie stimuleren als sociale, culturele en ecologische kwaliteit
in de regio versterken.
32.
Daarnaast vragen deze leden hoe ervoor gezorgd wordt dat Europees beleid en Europese
fondsen beter bijdragen aan een vitale toeristische sector die niet alleen economische
waarde creëert, maar ook bijdraagt aan leefbare regio’s en sterke lokale gemeenschappen.
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 31.
De Europese Chemische industrie
33.
De leden van de CDA-fractie vinden het positief om te vernemen dat er in Europees
verband gesproken wordt over de toekomst van de Europese chemische industrie. Een
sterke chemische sector is niet alleen belangrijk voor het Nederlandse verdienvermogen,
maar is ook van groot strategisch belang voor onder meer onze hightech, defensie,
de zorg, de bouw en tal van achterliggende waardeketens. De leden van de CDA-fractie
vragen daarom wat de huidige stand van zaken is bij de genoemde adviezen van de Critical
Chemical Alliance.
Antwoord
Zie antwoord op vraag 2.
34.
De leden van de CDA-fractie maken zich in het bijzonder zorgen over de toenemende
druk van grootschalige, door de staat gesteunde overcapaciteit uit China, waarbij
chemische producten tegen zeer lage prijzen op de Europese markt terechtkomen. Zij
vragen het kabinet na te gaan in hoeverre de EU voldoende is toegerust om dergelijke
vormen van dumping en marktverstoring tijdig te signaleren en daadkrachtig tegen te
gaan, zodat strategische industriële capaciteit en hoogwaardige werkgelegenheid in
de EU behouden blijven. Zij vragen specifiek in hoeverre in Europees verband wordt
gekeken naar effectieve handelsbeschermende instrumenten, zoals vrijwaringsmaatregelen,
anti-dumpingonderzoeken en anti-subsidieonderzoeken. Kan het kabinet zich hiervoor
hard maken in Europees verband, specifiek voor de chemiesector?
Antwoord
Het kabinet zet zich in EU-verband in voor het bevorderen van een mondiaal gelijk
speelveld, waar handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktverstorende
praktijken onderdeel van zijn. Dit geldt voor elke sector en dus ook voor de chemiesector.
Om tegengewicht te bieden aan groeiende economische invloed van andere machtsblokken,
spoort het kabinet de
Europese Commissie actief aan nieuwe handels- en investeringsbedragen te sluiten om
onze handelspartners te diversifiëren.
Indien nodig treft de EU maatregelen tegen marktverstorende praktijken, bijvoorbeeld
door inzet van het handelsdefensieve instrumentarium of recentere instrumenten zoals
het Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (International Procurement
Instrument, IPI).
Meer specifieke Europese beleidsmaatregelen voor de chemische industrie (bijvoorbeeld
in het kader van vraagcreatie) worden op dit moment primair uitgedacht in het kader
van de Critical Chemical Alliance (CCA). Artikel 16 van de IAA ziet toe op implementatie
van de aanbevelingen van de CCA, voor zover deze betrekking hebben op vraagcreatie.
Het kabinet erkent de strategische waarde van de chemische industrie voor Nederland,
alsook de lastige concurrentiepositie waar zij zich momenteel in bevindt. Het kabinet
zal er bij de Commissie op aandringen dat de aanbevelingen die voortvloeien uit de
CCA zo snel mogelijk worden geïmplementeerd, zowel in het kader van de IAA als daarbuiten.
Uw Kamer wordt hier zo snel mogelijk na de zomer nader over geïnformeerd.
De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de verslechterende concurrentiepositie
van de Europese en Nederlandse plasticrecyclingsector. Zij constateren dat recyclers
onder druk staan door hoge energieprijzen, goedkope import van nieuw en gerecycled
plastic en een achterblijvende vraag naar recyclaat, waardoor recyclecapaciteit uit
Europa dreigt te verdwijnen.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van een sterke Europese recyclingketen,
niet alleen vanuit duurzaamheidsperspectief, maar ook met het oog op strategische
autonomie, leveringszekerheid van grondstoffen en het behoud van industriële werkgelegenheid.
35.
Zij vragen of het kabinet verwacht dat de huidige geopolitieke verstoringen en kwetsbaarheden
in mondiale aanvoerketens het strategisch belang van Europese recyclingcapaciteit
verder vergroten, en welke kansen dit biedt voor de Nederlandse en Europese plasticrecyclingsector.
Daarnaast vragen deze leden welke aanvullende Europese maatregelen mogelijk zijn om
een gelijker speelveld te creëren, bijvoorbeeld via strengere handhaving tegen dumping.
Antwoord
Circulair gebruik van goederen is absoluut noodzakelijk om afhankelijkheden van derde
landen te verkleinen. Het kabinet zet daarom sterk in op realiseren van de circulaire
economie doelen. In dit verband kijkt het kabinet uit naar de Circular Economy Act
die later dit jaar zal verschijnen ter bestendiging van de circulaire economie in
Europa. Het aantrekkelijker maken van het vestigingsklimaat en het bestendigen van
industriële waardeketens is van belang ten behoeve van een gelijk speelveld.
Daarbij is het van belang dat er voldoende aandacht is voor een mondiaal gelijkspeelveld
waarop eerlijke concurrentie kan plaatsvinden.
In dat kader is het een goede zaak dat de Commissie de Circular Plastic Alliance (CPA)
eerder dit jaar opnieuw in het leven heeft geroepen. De CPA heeft het versterken van
het mondiale gelijke speelveld voor Europese bedrijven hoog op de agenda staan. In
samenwerking met de sector wordt er gewerkt aan het in kaart brengen van de belangrijkste
marktontwikkelingen, uitdagingen en prioriteiten om zo mogelijke handelsmaatregelen
te identificeren. Nederland neemt actief deel aan de CPA.
36.
Tevens vragen zij hoe Nederland zich opstelt ten aanzien van de aangekondigde voorstellen
onder de Circular Economy Act.
Antwoord
Het voorstel van de Commissie voor een Circular Economy Act (CEA) wordt eind derde kwartaal van dit jaar verwacht. De Kamer zal via het gebruikelijke
BNC-traject worden geïnformeerd over het kabinetsinzet ten aanzien van dit voorstel.
De Commissie heeft aangekondigd dat de CEA als doel heeft een interne markt voor secundaire
grondstoffen tot stand te brengen, het aanbod hoogwaardige gerecyclede materialen
te vergroten en de vraag naar deze materialen binnen de EU te stimuleren. Daarbij
is er speciale aandacht voor kritieke materialen.
Hiermee kan de CEA bijdragen aan de ambitie van de Europese Commissie om de EU tegen
2030 wereldwijd koploper te maken van de circulaire economie. NL onderstreept het
belang van het stimuleren van een circulaire economie voor een toekomstbestendige
economie en de opgaves op het gebied van milieu, klimaat en biodiversiteit. Een duurzamer
gebruik van grondstoffen vermindert onze risicovolle strategische afhankelijkheden,
stimuleert innovatie, draagt bij aan een schone leefomgeving en versterkt het EU-concurrentievermogen.
Het kabinet verwelkomt dan ook de inzet van de Commissie en heeft de visie van het
kabinet op de prioriteiten voor de CEA neergelegd in een non-paper dat met de Commissie
is gedeeld. Op 20 oktober 2025 is de Kamer geïnformeerd over dit Nederlandse non-paper.21
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
De leden van de Forum voor Democratie-fractie maken zich zorgen over de richting waarin
het industriebeleid binnen de Europese Unie zich beweegt. Onder het mom van ambitieus
klinkende termen als «strategische autonomie», «transitie» en «concurrentievermogen»
gaat uiteindelijk beleid schuil dat alsmaar leidt tot meer centrale sturing, meer
regeldruk, hogere kosten en daarmee een verzwakking van de Europese industrie in zijn
geheel.
CBS-cijfers laten zien dat steeds meer Nederlandse en Europese bedrijven overwegen
(activiteiten) naar het buitenland te verplaatsen of hebben dit al gedaan. Dit vanwege
regeldruk, belastingdruk, hoge energieprijzen en onzeker beleid vanuit de overheid.22 Ook de chemische sector waarschuwt voor grootschalige afbouw van productie in Nederland
en Europa.23
37.
Kan het kabinet hierop reflecteren? In hoeverre leidt het huidige Europese beleid,
en dan met name het industrie- en klimaatbeleid, juist tot de-industrialisatie van
Europa? Hoe wenselijk vindt het kabinet deze ontwikkelingen?
Antwoord
Het kabinet vindt het van belang dat de Europese en Nederlandse (energie-intensieve)
industrie wordt verduurzaamd en tegelijk ook weerbaarder wordt gemaakt en haar concurrentiekracht
wordt versterkt. Vanwege geopolitieke ontwikkelingen is actief industrie- en klimaatbeleid
juist noodzakelijk voor de EU om industrieën te kunnen ondersteunen en zo in de EU
de transitie door te maken en daar te blijven opereren. Hierbij moet er zowel aandacht
zijn voor de uitdagingen van de (bestaande) energie-intensieve industrie (EII), als
voor de opkomst van en transitie naar nieuwe industrie, juist ten behoeve van het
lange termijn verdienvermogen en het behalen van de klimaatdoelen. Het kabinet blijft
van mening dat het noodzakelijk is om een duidelijk Europees kader te ontwikkelen
voor toekomstgericht industriebeleid, waarbij aandacht is voor de strategische waarde
van sectoren zoals de chemische sector. Om een gelijk speelveld te waarborgen moet
dit op Europees niveau gebeuren.
Het kabinet zal de Commissie oproepen om zowel in te zetten op randvoorwaarden voor
een aantrekkelijk ondernemingsklimaat als op een helder afwegingskader dat coherentie
moet borgen. De focus binnen de Clean Industrial Deal ligt op strategische markten die bijdragen aan toekomstige groene groei en weerbaarheid
van de economie. Dit betekent onder andere dat het kabinet niet alleen inzet op het
verduurzamen van bestaande bedrijven die een bijdrage kunnen leveren aan die toekomstige
economie, maar ook de kansen wil creëren voor nieuwe bedrijven en technologieën.
38.
Het kabinet schrijft positief te staan tegenover verdere productnormering en vraagcreatie
voor «schone» en «koolstofarme» industrie als gevolg van de IAA-verordening. Kan het
kabinet concreet uiteenzetten wat precies onder «koolstofarm» wordt verstaan? Op basis
van welke objectieve criteria wordt bepaald of iets als «koolstofarm» geldt? Indien
dit onduidelijk is, wat gaat het kabinet doen om deze duidelijkheid toch te creëren?
Antwoord
Het kabinet heeft in het BNC-fiche aangegeven belang te hechten aan een eenduidige
definitie van koolstofarm ten behoeve van een gelijk en eerlijk speelveld.24 Momenteel zet de Commissie dit nog onvoldoende uiteen in het voorstel. Het kabinet
zal bepleiten dat dit beter wordt geborgd in de IAA. Het kabinet zal met de Commissie
verkennen hoe deze definitie eruit kan zien en zorgt dat hierbij zo veel mogelijk
overeenkomstig bestaande definities wordt gewerkt om extra regeldruk te voorkomen.
Het kabinet streeft naar een gedegen overkoepelende definitie voor koolstofarm ten
behoeve van een gelijk speelveld, maar zal ook per specifieke productgroep bekijken
hoe de toepassing van die definitie nader moet worden vormgegeven.
39.
Daarnaast schrijft het kabinet dat Nederland inzet op gradueel toenemende productnormen
per strategische sector, zo lezen de leden van de FvD-fractie. Hoeveel extra regeldruk
zullen dergelijke normen naar verwachting veroorzaken voor Nederlandse bedrijven?
Hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit? Hoe voorkomt het kabinet dat dergelijke
maatregelen juist leiden tot verdere verplaatsing van industrie naar landen buiten
Europa waar lagere energiekosten, minder regelgeving en minder verplichtingen als
gevolg van klimaatbeleid gelden? Hoe voorkomt het kabinet dat Europese bedrijven hierdoor
structureel op achterstand worden gezet ten opzichte van concurrenten uit onder meer
China en de Verenigde Staten?
Antwoord
De gradueel toenemende productnormen schetsen een duidelijk kader voor het bedrijfsleven
enerzijds, en dragen anderzijds op de lange termijn bij aan het duurzaam, competitief
en weerbaar voortbestaan van de industrie in Europa. In combinatie met beleid gericht
op het verbeteren van de randvoorwaarden voor de industrie, bieden de productnormen
dan ook een langetermijnperspectief. Het kabinet staat in nauw contact met bedrijven
over dergelijke vraagcreatiemaatregelen en merkt op dat bij bedrijven ook bereidheid
is zulke maatregelen te treffen. Deze productnormen maken onderdeel uit van een brede
gereedschapskist van maatregelen. Andere maatregelen om het vestigingsklimaat voor
de industrie in de EU te verbeteren zijn betaalbare toegang tot schone energie, verkorte
vergunningprocedures, een goed werkend Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en toegang tot financiering.
40.
De leden van de Forum voor Democratie-fractie begrijpen de wens om grensoverschrijdend
ondernemen eenvoudiger te maken, maar constateren tegelijkertijd dat hiermee opnieuw
een extra Europese bestuurslaag lijkt te ontstaan naast bestaande nationale rechtsvormen,
namelijk EU Inc. (28ste regime). Waarom functioneren bestaande nationale rechtsvormen volgens het kabinet
onvoldoende? Welke concrete problemen worden met het 28ste regime EU Inc. opgelost die momenteel niet opgelost kunnen worden binnen bestaande
nationale vennootschapsvormen?
Antwoord
Het voorstel creëert geen extra bestuurslaag, maar een optionele rechtsvorm. De aanleiding
daarvoor is niet dat bestaande nationale rechtsvormen onvoldoende functioneren, maar
dat ondernemers die over landsgrenzen heen actief zijn met de verschillende nationale
rechtssystemen worden geconfronteerd. Dit maakt het ondernemen in de praktijk ingewikkelder.
De EU Inc. beoogt hiervoor oplossingen te bieden in de vorm van een makkelijk herkenbaar
EU-merk. Een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm kan ervoor zorgen dat de
EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders en het grensoverschrijdend zaken
doen vergemakkelijken.
41.
Het kabinet schrijft daarnaast zelf zorgen te hebben over fraude, witwassen en misbruik.
Kan het kabinet concreet uiteenzetten hoe groot deze risico’s zijn en welke waarborgen
momenteel precies ontbreken? Wat wordt de concrete inzet van het kabinet in de EU
om hier aandacht voor te vragen?
Antwoord
Graag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5, waar uitgebreid is ingegaan
op de frauderisico’s en noodzakelijke maatregelen daartegen.
42.
Waarom acht het kabinet snelheid in dit dossier wenselijk terwijl tegelijkertijd nog
fundamentele vragen bestaan over rechtsgrondslag, toezicht en fraudebestendigheid?
Wat gebeurt er als deze rechtsvorm eenmaal geïmplementeerd is, maar problemen met
zich meebrengt? Zijn er dan nog mogelijkheden om er onderuit te kunnen? Zo ja, hoe?
Antwoord
Het onderhavige voorstel heeft de vorm van een verordening. Er is daarom geen sprake
van implementatie in het nationale recht van de lidstaten maar van directe werking.
De precieze formulering van de bepalingen wordt hiermee van nog groter belang. Het
formuleren van correcte maatregelen en oplossingen voor de genoemde zorgpunten is
dan ook een absolute prioriteit voor het kabinet. Het kabinet zet zich er tijdens
de onderhandelingen actief voor in dat het voorstel op deze punten verbeterd wordt.
Gezien de grote maatschappelijke behoefte aan werkzame oplossingen voor de interne
markt, is het van belang dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of, en hoe, deze zorgen
aangepakt kunnen worden.
43.
De leden van de Forum voor Democratie-fractie maken zich daarnaast zorgen over de
staat van de Nederlandse en Europese chemische industrie. Vanuit de sector zelf wordt
gewaarschuwd voor sluitingen en verlies van productiecapaciteit. Volgens vertegenwoordigers
uit de chemische industrie verdwijnen inmiddels op grote schaal installaties uit Nederland
en Europa vanwege onder meer hoge energieprijzen, oplopende kosten en gebrek aan voorspelbaar
beleid.25 Kan het kabinet aangeven hoeveel chemische productiecapaciteit Nederland de afgelopen
vijf jaar heeft verloren? Hoeveel directe en indirecte banen zijn hierdoor geraakt?
Hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
Antwoord
Op basis van recent onderzoek in het kader van de CCA blijkt dat tussen 2022 en 2025
de Europese chemische sector een structurele afname van productiecapaciteit heeft
doorgemaakt. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, zoals hoge energiekosten,
ferme concurrentie met derde landen buiten de EU en het daardoor uitblijven van zekerheid
om te investeren in verduurzaming. In de periode 2022–2025 zijn de aangekondigde sluitingen
per jaar verzesvoudigd, van 2,9 Mt naar 17,2 Mt, en tussen 2024 en 2025 zelfs verdubbeld.
In totaal is de sluiting aangekondigd van 37 miljoen ton chemische productiecapaciteit,
wat overeenkomt met ongeveer 9% van de totale Europese chemische productiecapaciteit.
Voor Nederland komt dit neer op 7,2 Mt (20% van de totale Europese afname). Nederland
is hierbij oververtegenwoordigd. Dit is voornamelijk te wijten aan het feit dat een
relatief groot deel van de Nederlandse chemiesector petrochemie betreft, waar de grootste
impact gevoeld wordt.
Voor Nederland zou dit in indirecte banen neerkomen op circa 9.000 banen.26 Sinds juli 2024 zijn zo’n 1.070 directe banen verloren gegaan wegens sluitingen binnen
de chemiesector.
Het kabinet is van mening dat dit een strategische sector is, niet alleen voor Nederland,
maar voor Europa als geheel.
44.
Het kabinet schrijft dat koolstofbeprijzing een factor is die de concurrentiepositie
van de Europese chemische industrie verzwakt. Erkent het kabinet dat het ETS-systeem
en bredere Europese verplichtingen als gevolg van klimaatbeleid bijdragen aan hogere
productiekosten voor Europese bedrijven? Dus ook tot een verslechterende concurrentiepositie?
Hoe voorkomt het kabinet dat de Europese industrie steeds verder wordt weggeconcurreerd
door bedrijven uit landen waar dergelijk klimaatbeleid niet bestaat?
Antwoord
Het kabinet erkent dat de Europese energie-intensieve industrie (EII) op dit moment
te maken heeft met zware omstandigheden, zeker voor de sectoren met een hoog risico
op koolstoflekkage (bv. chemische industrie). Tegelijkertijd hecht Nederland aan het
verduurzamen van de EII omdat dit op langere termijn uiteindelijk onze strategische
autonomie en de weerbaarheid tegen concurrentie van buitenaf verstevigt en bijdraagt
aan het behalen van de klimaatdoelen. Concurrentievermogen, decarbonisatie en weerbaarheid
gaan hand in hand.
Nederland streeft ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een Europees gelijk
speelveld te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren,
het Europese concurrentievermogen te versterken en investeringszekerheid te bewaken.
Dit gebeurt onder meer via het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), dat is ingericht om te voorkomen dat de Europese industrie wordt weggeconcurreerd
door bedrijven uit landen zonder (dergelijk) klimaatbeleid. Het kabinet pleit daarom
voor de versterking van het CBAM in de huidige onderhandelingen over de CBAM-herziening
en onderzoekt of het uitbreiden van het CBAM naar andere sectoren wenselijk is. Voor
sectoren die niet onder het CBAM vallen, zoals de chemische industrie, worden er maatregelen
voorgesteld via de IAA en de CCA om deze te beschermen tegen koolstoflekkage. Voor
de inzet van het kabinet hierover verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8.
45.
Kan het kabinet tot slot reflecteren op de fundamentele spanning tussen enerzijds
de Europese klimaatdoelen en anderzijds het behoud van industrie, strategische autonomie
en werkgelegenheid in Nederland, zoals blijkt uit een recent onderzoek van het Centraal
Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)?27
Antwoord
Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat
de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van
energie. Klimaatbeleid gaat daarom hand in hand met economische competitiviteit op
de langere termijn. Klimaatdoelen op EU-niveau helpen om daarbij een gelijk speelveld
– en daarmee ook werkgelegenheid – te behouden.
Vragen en opmerkingen van de EU-rapporteur voor het tiende kaderprogramma voor kennis
en innovatie (Horizon Europe) van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW)
De EU-rapporteur heeft kennisgenomen van het feit dat in de Raad van Concurrentievermogen,
Interne Markt, Industrie en Onderzoek van 28 en 29 mei 2026 de Raad waarschijnlijk
tot een gedeeltelijke algemene oriëntatie komt voor het tiende kaderprogramma voor
kennis en innovatie, Horizon Europe. Op basis van zijn bevindingen als EU-rapporteur
heeft deze rapporteur een aantal vragen en opmerkingen. Nederland is in absolute aantallen
momenteel één van de grootste ontvangers van de middelen uit Horizon Europe 2021–2027.
De Europese Commissie stelt voor om een budget van € 175 miljard beschikbaar te stellen
voor Horizon Europe. Dat is bijna een verdubbeling van het oorspronkelijke budget
van het huidige programma van € 95,5 miljard.
46.
Wat is de inzet van het kabinet in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel
Kader (MFK) voor het budget van Horizon Europe? Is het kabinet van mening dat dit
op het niveau van het Commissievoorstel moet blijven?
Antwoord
In de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen voor het volgend Meerjarig Financieel
Kader (MFK) en het eigenmiddelenbesluit (EMB) van 12 september jongstleden heeft het
kabinet zijn positie met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie uiteengezet.
Uw kamer heeft op 22 mei een update ontvangen van de Nederlandse inzet. Het kabinet
zet in op een verlaging van de EU-begroting. Dit dient samen te gaan met behoud van
de door de Commissie voorgestelde modernisering. Het kabinet staat voor een sterk
MFK dat bijdraagt aan de strategische doelen van Europa. De begroting moet meer gericht
worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, een stevig migratie-
en asielbeleid, veiligheid en defensie. Het kabinet zet daarom in op herprioritering
van middelen naar investeringen in veiligheid, defensie, concurrentiekracht en innovatie
en onderzoek.
Het kabinet zal zijn finale positie bepalen op basis van het onderhandelingsresultaat,
voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming
in de Raad over het MFK en het EMB. Hierop kan niet vooruit worden gelopen.
47.
Meerdere lidstaten hebben zich in de Raad uitgesproken over onduidelijkheden in het
voorstel van de Europese Commissie. In de onderhandelingen lijkt de Europese Commissie
onvoldoende transparant te zijn over de vraag hoe het programma er precies uit komt
te zien. Dit gebrek aan transparantie zou ook vragen opleveren bij kennisinstellingen.
Kan het kabinet aangeven of Nederland kan instemmen met de gedeeltelijke algemene
oriëntatie, zolang er op bepaalde onderdelen nog onvoldoende duidelijkheid is vanuit
de Europese Commissie?
Antwoord
Er zal tijdens het onderzoeks- en innovatiedeel van de Raad voor Concurrentievermogen,
d.d. 29 mei a.s. nog geen deelakkoord worden gesloten.
Het voorzitterschap benut de Raad om verdere politieke sturing te krijgen over de
openstaande punten. Op basis van dit debat en de daaropvolgende onderhandelingen kan
Nederland besluiten of er voldoende duidelijkheid is om later dit jaar in te stemmen
met een deelakkoord.
48.
Samenhang met het ECF is één van de grote vraagstukken in de onderhandelingen. De
rapporteur heeft vastgesteld dat er in de Raadsonderhandelingen discussie is over
de samenhang tussen Horizon Europe en het ECF, en de governance-structuur hierbij. In welke mate zet het kabinet zich in de onderhandelingen in om
de zelfstandigheid van de governance-structuur van Horizon Europe ten opzichte van het ECF te waarborgen? Ziet het kabinet
onderdelen die hierop aangepast moeten worden?
Antwoord
Het vertrekpunt in de onderhandelingen is dat Horizon Europe een eigenstandig programma
is. Door de voorgestelde verbinding tussen het ECF en Horizon Europe kunnen de O&I-activiteiten
met betrekking tot fundamenteel onderzoek, samenwerkingsgericht onderzoek en de ondersteuning
van hoogtechnologische startups aansluiting vinden bij het ECF-beleid gericht op opschaling
en commercialisatie. Zo wordt het gehele ontwikkeltraject zo goed mogelijk ondersteund
en blijven resultaten niet onbenut.
Het kabinet waardeert dat er een koppeling wordt gemaakt tussen het ECF en Horizon
pijler II ten aanzien van de thematische sturing. De samenhang van de inzet op vier
policy windows28 is van belang om O&I-beleid en industriebeleid op elkaar aan te laten sluiten zodat
resultaten van excellent O&I beter benut worden in de EU. In de nu voorliggende compromisteksten
voor het ECF en Horizon Europe, is de zelfstandigheid van de beide programma’s geborgd,
waarbij ook aandacht is voor een goede aansluiting tussen de programma’s. Deze vormgeving
wordt breed gedragen onder de lidstaten.
49.
Een ander belangrijk discussiepunt betreft de vraag of de focus van het programma
moet liggen op excellentie (het beste onderzoek en de beste onderzoekers) of op geografische
spreiding (widening) van deelname aan Horizon Europe binnen de Europese Unie. Wat is de balans in de
discussie over het onderdeel widening tegenover excellentie op dit moment in de Raad?
Antwoord
Het kabinet zet zich al lange tijd in voor een sterk, op excellentie en impact gebaseerd,
kaderprogramma en zal dit ook blijven doen.
Daarnaast is open competitie essentieel om excellentie te bevorderen en dit dient
over het gehele kaderprogramma plaats te vinden. Het voorstel van de Europese Commissie
voor Horizon Europe is op deze uitgangspunten gestoeld: excellentie en impact worden
expliciet benoemd als selectiecriteria, en open competitie is de norm.
In de onderhandelingen waakt Nederland ervoor dat deze principes niet worden aangetast.
Hoewel veel lidstaten overtuigd zijn van het belang van excellentie als uitgangspunt
in Horizon Europe, willen widening landen graag dat het verbreden van de deelname en het verkleinen van verschillen
tussen landen duidelijker verankerd wordt in het programma. De strikt op excellentie
gerichte landen vinden dat dit zoveel mogelijk beperkt moet blijven tot het widening instrumentarium in pijler IV. Een grote groep lidstaten is overtuigd van het belang
van excellentie als uitgangspunt in Horizon Europe en Nederland trekt nauw op met
deze gelijkgestemde lidstaten. Deze landen hebben qua stemverhouding tezamen een blokkerende
minderheid in de Raad.
50.
De Europese Commissie heeft toegelicht gebruik te willen maken van een observatorium
voor opkomende technologieën om nieuwe technologieën in beeld te brengen en aan de
hand daarvan te kunnen bepalen welke onderwerpen in de jaarlijkse werkprogramma’s
moeten worden opgenomen. Zal het kabinet er in de Raad op aandringen om snel verduidelijking
te krijgen hoe de EC dit wil vormgeven?
Antwoord
De Commissie heeft deze duidelijkheid inmiddels gegeven. Het observatorium is een
expert- en datagedreven adviesorgaan van de Commissie en zal advies geven aan de governance
structuur van het ECF.
51.
Het Commissievoorstel zet in op een lump-sumvergoeding. De rapporteur heeft er kennis
van genomen dat het kabinet van mening is dat lump-sumbetalingen niet altijd de standaard
hoeven te zijn. Hierbij moeten uitzonderingen mogelijk blijven. Kan het kabinet toelichten
voor welke onderdelen men uitzonderingen zou willen? Kan het kabinet hier medestanders
vinden?
Antwoord
Het kabinet verwelkomt de sterke inzet van de Commissie op vereenvoudiging binnen
Horizon Europe om administratieve lasten en complexiteit te verminderen en zo snelheid
en flexibiliteit voor begunstigden te vergroten. Onderdeel hiervan is onder meer het
voorstel voor toepassing van lumpsumfinanciering. Het breed toepassen van lumpsumfinanciering
levert administratieve lastenverlichting op, aangezien er geen gedetailleerde kostenverantwoording
nodig is. De betalingen zijn gekoppeld aan het bereiken van specifieke mijlpalen of
het realiseren van de overeengekomen activiteiten.
Lumpsumfinanciering werkt vooral goed wanneer de te leveren resultaten vooraf goed
gedefinieerd kunnen worden en de kosten redelijk makkelijk te begroten zijn. Dit is
niet altijd het geval met grote wetenschappelijke risicovolle samenwerkingsprojecten.
Nederland heeft daarom in de onderhandelingen aandacht gevraagd voor de specifieke
karakteristieken van grootschalige projecten, bijvoorbeeld wanneer er veel klinische
studies plaatsvinden. Er is voldoende steun voor het opnemen van een uitzonderingsmogelijkheid
in gepaste gevallen.
52.
De rapporteur heeft vernomen dat de inzet van Horizon Europe voor dual-use onderzoeken in het Commissievoorstel breed wordt gesteund. Er is wel discussie over
de vraag waar en hoe dual-use onderzoek moet worden ingezet. Zo leidt de inzet op dual-use-onderzoek onder kennisinstellingen tot veel discussie en onduidelijkheid over de
vraag of dit kan leiden tot andere regels voor export, kennisveiligheid en compliance en het ontbreken van een definitie van dual-use onderzoek. Neemt het kabinet de zorgen van kennisinstellingen met betrekking tot
nieuwe regels voor dual-use onderzoek met betrekking tot export, kennisveiligheid en compliance mee in de Raadsonderhandelingen?
Antwoord
Het kabinet herkent de zorgen die bestaan bij kennisinstellingen met betrekking tot
het openstellen van Horizon Europe voor dual-use onderzoek en innovatie. Het is van groot belang dat deze Nederlandse instellingen
en bedrijven ook in het nieuwe kaderprogramma succesvol kunnen deelnemen. Dat betekent
onder andere dat regels voor deelname proportioneel en uitvoerbaar moeten zijn voor
kennisinstellingen en bedrijven. De bestaande Verordening (EU) 2021/821 (de dual-use Verordening) biedt het juridisch kader als het gaat om dual-use export en compliance. Kennisinstellingen dienen op de hoogte te zijn van de verplichtingen
die uit deze Verordening komen. Richtlijn 2021/1700 over internal compliance blijft ook gelden en kan kennisinstellingen ondersteunen bij het inrichten van hun
interne compliance programma’s. Daarmee is er geen sprake van «nieuwe of andere regels».
Met de toenemende aandacht in het nieuwe kaderprogramma voor de doorontwikkeling van
civiel onderzoek voor militaire doeleinden, is de verwachting dat onderzoek naar technologieën
die worden gecontroleerd onder de dual-use Verordening vaker zal voorkomen. Het beoogde nieuwe kaderprogramma zal daarbij aandacht
hebben voor kennisveiligheid, in lijn met de Nederlandse inzet zoals die is toegelicht
in het BNC-fiche.
53.
De Europese Commissie zet ook in op open science en internationale samenwerking («as open as possible, as closed as necessary»). De gesprekspartners bij de Commissie gaven aan dat de doelstelling voor open science met name zit in het openstellen van resultaten. Voor open science zijn volgens Neth-ER in de huidige tekst onvoldoende specifieke regels opgenomen
in het kader van kennisveiligheid. Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking
tot het opnemen van regels over open science met het oog op kennisveiligheid? Zijn er wijzigingen nodig in het voorstel om waarborgen
in te bouwen?
Antwoord
Zoals toegelicht in het BNC-fiche over Horizon Europe29, verwelkomt het kabinet dat open science het uitgangspunt blijft in het kaderprogramma met een nog striktere nadruk op FAIR30-principes, maar wel onder het adagium «open waar mogelijk, gesloten waar nodig».
Vanuit die visie zijn op EU-niveau enkele uitzonderingen op openheid geformuleerd:
intellectuele eigendomsrechten, privacybescherming, veiligheidsmotieven en andere
legitieme belangen.31 Belangrijke uitzonderingsgronden voor het delen van onderzoeksdata zijn kennisveiligheid
en onderzoek naar technologieën die worden gecontroleerd onder Verordening (EU) 2021/821.
Zoals verder toegelicht in het BNC-fiche over Horizon Europe verwelkomt het kabinet
het opnemen van kennisveiligheidsmaatregelen als randvoorwaarden voor deelname aan
Horizon Europe. Ten opzichte van het oorspronkelijke tekstvoorstel voor het nieuwe
kaderprogramma van de Europese Commissie is in het laatste voorstel de BNC-inzet hierop
behaald.
54.
Ziet het kabinet in het kader van Europese samenwerking in onderzoek en innovatie
noodzaak voor Europese maatregelen voor kennisveiligheid, zoals in de Europese Onderzoeksruimtewet
(EOR/ERA)?
Antwoord
Kennisveiligheidsmaatregelen zijn een belangrijke randvoorwaarde voor veilige open
internationale samenwerking in onderzoek en innovatie. In lijn met de raadsaanbeveling
betreffende verbetering van de onderzoeksveiligheid32 is het kabinet positief over het inbedden van kennisveiligheidsmaatregelen op Europees
niveau. Dit vormt een belangrijke bijdrage aan het bevorderen van een Europees gelijk
speelveld.
Mogelijk bouwt de aankomende Wet op de Europese Onderzoeksruimte (ERA Act) voort op
deze aanbeveling. Het kabinet is daarom benieuwd naar de concrete uitwerking van de
Wet op de Europese Onderzoeksruimte en zal dit voorstel te zijner tijd van een appreciatie
voorzien, via een BNC-fiche.
Daarnaast, zoals toegelicht in het BNC-fiche over Horizon Europe33, verwelkomt het kabinet het opnemen van kennisveiligheidsmaatregelen als randvoorwaarden
voor deelname aan Horizon Europe.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier