Brief regering : Wolvenbeleid 2026
33 576 Natuurbeleid
Nr. 484
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 mei 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal onderwerpen in het wolvenbeleid.
Waar relevant, zijn deze onderwerpen gekoppeld aan moties van uw Kamer.1
Rondom wolven speelt veel en de maatschappelijke aandacht is groot. Wolven zijn nu
eenmaal in Nederland, dus ik wil dat we met elkaar manieren vinden om daar op een
goede, veilige manier mee om te gaan. Ik wil incidenten voorkomen en ik wil concreet
zaken kunnen verbeteren. Dat doe ik graag samen met provincies, gemeenten en andere
betrokken organisaties, ieder in zijn eigen rol. Er zijn veel partijen betrokken bij
het wolvenbeleid met verschillende meningen, visies en ervaringen.
Zoals uw Kamer weet, heb ik de Raad van State om spoedadvies gevraagd over het gewijzigde
ontwerpbesluit wolf en goudjakhals. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft
op 20 mei jl. advies over het gewijzigde ontwerpbesluit wolf en goudjakhals uitgebracht.
De Raad van State heeft een aantal opmerkingen en adviseert daarmee rekening te houden
voordat een besluit wordt genomen (dictum B). Ik ben verheugd dat de Raad van State
constateert dat de wijzigingen van de beoordelingsregels gekoppeld aan «probleemwolf»
en «probleemsituatie met een wolf» het risico verkleinen dat in rechtelijke procedures
over de toepassing van de beoordelingsregels zal worden geoordeeld dat er sprake is
van strijdigheid met de Habitatrichtlijn. Dit vergroot de juridische houdbaarheid
van het ontwerpbesluit.
Tevens organiseer ik voor de zomer een eerste Nationaal Wolvenberaad om de samenwerking
met de verschillende partijen te verdiepen. Hierbij treed ik in overleg met provinciale
en gemeentelijke bestuurders en met diverse bij het wolvendossier betrokken organisaties,
om nader kennis te maken en om de verwachtingen over de invulling van het wolvenbeleid
en ieders rol daarin met elkaar af te stemmen. Ik wil hiermee incidenten voorkomen
en daarmee zorgen over de aanwezigheid van wolven in Nederland verminderen. Aan het
einde van het jaar organiseer ik een volgend Nationaal Wolvenberaad met deze verschillende
partijen om de constructieve samenwerking te kunnen blijven waarborgen. Over de voortgang
en inhoud van dit Nationaal Wolvenberaad zal ik uw Kamer te zijner tijd informeren.
Vier sporen
Voor het wolvenbeleid zet ik in op vier sporen. Als eerste wil ik incidenten zo veel
mogelijk voorkomen. Ik ga daarom samen met provincies door met het geven van voorlichting
via het Landelijk Informatiepunt Wolven en met het bieden van steun aan veebeschermende
maatregelen via het landelijk initiatief veebescherming. Als tweede wil ik dat provincies
en gemeenten kunnen ingrijpen bij incidenten en als derde zoek ik uit of probleemwolven
die incidenten met mensen en huisdieren veroorzaken beter kunnen worden aangepakt.
Hiervoor werk ik aan regelgeving (een amvb) waarover ik uw Kamer onlangs heb geïnformeerd
(Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 480). Mijn vierde spoor is op de langere termijn en richt zich op een gunstige staat
van instandhouding via internationale samenwerking. Deze is nodig vanuit de natuurregelgeving,
maar ook om in de toekomst wolven te kunnen beheren of om bijvoorbeeld anticonceptie
toe te kunnen passen.
Eerste spoor
Voorlichting Landelijk Informatiepunt Wolven
Het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) is in november 2025 van start gegaan. Het
LIW is een centrale plek met feitelijke actuele publieksinformatie over wolven in
Nederland, waar iedereen bij een helpdesk terecht kan met vragen over wolven. Het
gaat dan bijvoorbeeld om wat je kunt doen als je een wolf tegenkomt. In 2026 wordt
de beschikbare informatie via het LIW en de functionaliteiten op de website verder
uitgebreid, om zo te voorzien in de behoeftes die er leven bij het publiek. In het
bijzonder wordt er ook gewerkt aan een centrale registratie van wolven die mensen
benaderen, waartoe de motie van de leden Grinwis, Vedder en Flach opriep (Kamerstuk
II 2025/26, 33 576, nr. 427). Deze motie beschouw ik hiermee als afgedaan.
Landelijk initiatief veebescherming
De impact van een wolvenaanval op vee kan groot zijn voor veehouder en dier. Om dierhouders
te ondersteunen bij het nemen van veebeschermende maatregelen is samen met provincies
gestart met het landelijk initiatief veebescherming. In de uitwerking is gezamenlijk
gekozen voor een format waarmee snelheid kan worden gemaakt en meer ruimte wordt geboden
aan provincies voor eigen provincie-specifieke invullingen voor veebeschermingsinitiatieven.
Naast het initiatief biedt de amvb veehouders ook de mogelijkheid om zonder vergunning
wolven te kunnen afschrikken.
Het landelijk initiatief veebescherming kent reële en werkbare beoordelingskaders
om te komen tot uitkering van middelen, waarbij marginale afwijkingen niet automatisch
tot afkeuring leiden en waarbij schade- en kostenregelingen beter aansluiten bij de
werkelijke kosten voor dierhouders. Dit is in lijn met het verzoek van uw Kamer in
de motie van het lid Ten Hove c.s. (Kamerstuk II 2025/26, 36 800-XIV, nr. 78). Er zijn vanuit het landelijk initiatief middelen overgemaakt naar provincies Friesland,
Gelderland en Drenthe voor meerdere provinciale projecten. Ook in andere provincies
wordt gewerkt aan het opzetten van projecten die gefinancierd kunnen worden onder
het landelijk initiatief veebescherming. De provincies hebben een projectleider aangesteld
die bijdraagt aan het ontwikkelen van gemeenschappelijke kaders, die de coördinatie
van de inbreng van provincies verzorgt en die innovatie en provinciale projecten tot
veebescherming stimuleert. Ik beschouw de genoemde motie hiermee afgedaan.
Open norm Besluit houders van dieren
Volgens de open norm uit artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren
(Bhvd), moeten dieren indien nodig beschermd worden tegen roofdieren. Ik werk aan
een beleidsregel die verduidelijkt wat er van dierhouders wordt verwacht in het kader
van het beschermen van hun vee tegen wolven, zodat we wolvenaanvallen op vee zo veel
mogelijk kunnen voorkomen. Toch blijven er helaas situaties waarbij wolven goed functionerende
rasters weten te overwinnen. Daarom bevat de amvb die ik in voorbereiding heb voor
een adequatere aanpak van probleemwolven en probleemsituaties met een wolf, beoordelingsregels
die de aanpak van wolven die over wolfwerende rasters springen sneller mogelijk maken.
Zo wordt een wolf aangemerkt als probleemwolf als de wolf ten minste twee keer binnen
een periode van twee weken dezelfde, onder bescherming van een herder staande schaapskudde
heeft aangevallen en daarbij schapen van deze kudde letsel toegebracht, of wanner
de wolf in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente ten minste twee keer
binnen een periode van twee weken landbouwhuisdieren die zich bevinden in een goed
afgesloten stal of die tegen aanvallen van wolven worden beschermd door een goed functionerend
raster heeft aangevallen en daarbij letsel heeft toegebracht. Hiermee zet ik stappen
naar een integrale aanpak met duidelijke handvatten voor zowel dierhouders als overheden
en toezichthouders.
Ik heb Wageningen Environmental Research (WenR) een ruimtelijke analyse laten uitvoeren
van de schade aan vee door wolvenaanvallen in Nederland.2 Het onderzoek geeft inzicht in welke gebieden in Nederland het meeste risico lopen
op wolvenaanvallen en hoe eventuele «preventiezones» waarbinnen wolfwerende maatregelen
nodig zijn kunnen worden afgebakend. Uit de analyse blijkt dat de mate waarin wolven
vee aanvallen varieert tussen de verschillende gevestigde solitaire wolven, roedels
en paren. Ook binnen gevestigde roedels en paren is grote verscheidenheid tussen individuen
onderling. Bovendien verschilt het formaat van het gebied waarbinnen gevestigde wolven
jagen op vee tussen de wolventerritoria. In het onderzoek staan verschillende factoren
die het risico op een aanval kunnen beïnvloeden, zoals de inrichting van het landschap
en voorkeuren van individuele wolven. De onderzoekers concluderen dat het grootste
deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen
kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn.
Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm
met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van
gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad dat ik dit jaar zal organiseren. Na de
zomer informeer ik uw Kamer over de voortgang.
Tweede en derde spoor
Algemene maatregel van bestuur
Op 24 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de algemene maatregel van bestuur
(amvb) waarmee ik wil zorgen dat incidenten tussen wolven, mensen, hun huisdieren
en vee beter voorkomen kunnen worden en dat als die toch plaatsvinden, er snel en
adequaat kan worden opgetreden (Kamerstuk II 2025/26, 2026Z09022). Met deze amvb wordt de verlaagde beschermingsstatus van de wolf in de Habitatrichtlijn
in onze nationale regelgeving geïmplementeerd, en worden aangescherpte beoordelingsregels
over het doden en vangen van een «probleemwolf» en over het vangen van een wolf als
sprake is van een «probleemsituatie met een wolf» vastgelegd. Deze amvb maakt duidelijk
dat ik voorrang geef aan de bescherming van mensen en huisdieren boven de bescherming
van individuele probleemwolven. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van
het lid Van der Plas die hierom verzoekt (Kamerstuk II 2025/26, 33 118, nr. 313).
In de motie van de leden Boomsma en Flach verzoekt uw Kamer de regering om in overleg
met de provincies ervoor te zorgen dat waar mogelijk wordt ingezet op aversieve conditionering
om te voorkomen dat wolven hun schuwheid verliezen en aan mensen wennen, om in samenspraak
met provincies zo snel mogelijk gewijzigde interventierichtlijnen en duidelijke maatwerkregels
en voorschriften op te stellen die duidelijk aangeven hoe deze verjaging vorm te geven,
en om beleid voor het verlenen van toestemming voor dergelijke maatregelen eenvoudig
en laagdrempelig mogelijk vorm te geven (Kamerstuk II 2025/26, 33 118, nr. 316). Met de amvb waarin aversieve conditionering expliciet is opgenomen als voorwaarde
bij het ingrijpen bij probleemwolven, waarmee verjagen vergunningvrij wordt en waarin
duidelijke beoordelingsregels zijn opgenomen waardoor vergunningverlening sneller
mogelijk wordt, kom ik tegemoet aan uw verzoek.
Ik beschouw beide moties hiermee als afgedaan.
Uw Kamer heeft mij gevraagd naar een reactie op de brief van Werkgroep Wolf Leusden
waarin wordt aangegeven dat de amvb in strijd zou zijn met artikel 16 van de Habitatrichtlijn
(Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 476). In de amvb heb ik de juridische risico’s bij procedures zoveel mogelijk beperkt.
Ik begrijp dat juridische risico’s in dit verband nooit geheel zijn uit te sluiten,
maar ik vind het niet aanvaardbaar als de overheid in levensbedreigende situaties
door te doorlopen procedures van vergunningverlening burgers niet de geëigende bescherming
kan bieden. Ik hecht eraan om met name over dit punt opnieuw het oordeel van de Afdeling
advisering van de Raad van State te vernemen, reden waarom ik het gewijzigde ontwerp
nog een keer voor (spoed)advies heb voorgelegd.
Ik heb mij de afgelopen maanden ingezet om met de grootst mogelijke urgentie de amvb
af te ronden, zodat provincies snel geholpen zijn bij het ingrijpen in het geval incidenten
met probleemwolven zich voordoen. Omdat het recreatieseizoen al begonnen is, roep
ik uw Kamer op om de behandeling van de amvb op korte termijn af te ronden. Het tegengaan
van incidenten is onze gezamenlijke prioriteit.
Vierde spoor
Staat van instandhouding
In juli 2025 is, conform de Europese verplichting om elke 6 jaar de Staat van Instandhouding
(SvI) van alle Habitatrichtlijnsoorten aan de Europese Commissie te melden, namens
Nederland gerapporteerd dat de SvI van wolven in Nederland onbekend is. Wageningen
University & Research heeft onderzoek uitgevoerd naar de SvI van wolven in Nederland.
Op 19 september 2025 zijn de uitkomsten van dit onderzoek met uw Kamer gedeeld en
is aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren door een internationale deskundige
onderzoekspartij (Kamerstuk II 2025/25, 33 576, nr. 466). De opdracht hiertoe is op 16 oktober 2025 verleend. De eerste resultaten van dit
aanvullende onderzoek worden in de zomer verwacht.
Internationale Wolvensamenwerking
Voor behouden of herstellen van een gunstige SvI op populatieniveau is samenwerking
noodzakelijk met buurlanden waar Nederland de wolvenpopulatie mee deelt. Ik zet daarom
in op een versterking en verbreding van deze internationale samenwerking om te komen
tot populatiebenadering waarin de Centraal-Europese wolvenpopulatie (waar de Nederlandse
populatie toe behoort) als één geheel kan worden beschouwd. Dit is nodig om op termijn
beheer mogelijk te gaan maken. Het realiseren van deze samenwerking is een uitdagend
proces, waarin ik voortdurend zoek naar kansen en mogelijkheden. Tevens verken ik
hoe de reeds bestaande meer uitvoeringsgerichte samenwerking tussen landen het meest
effectief kan blijven plaatsvinden. Voor de zomer zal ik op werkbezoek gaan naar Duitsland
om over nadere samenwerking te spreken. Daarnaast werk ik met Vlaanderen, Wallonië
en Luxemburg aan het verbeteren van de samenwerking in Benelux-verband.
Aanvullende moties
Economische gevolgen van de vestiging van wolven in Nederland
Uw Kamer heeft mij via de motie van de leden Van Campen en Eerdmans verzocht om zowel
de directe economische impact – zoals sterfte van landbouwhuisdieren – als de indirecte
impact – zoals effecten op de recreatiesector – van de terugkeer van wolven in Nederland
in kaart te brengen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 426). Op mijn verzoek heeft Wageningen Social en Economic Research (WSER) onderzoek gedaan
om invulling te geven aan deze motie.3
Het WSER-onderzoek laat zien dat de aanwezigheid van wolven in Nederland economische
gevolgen heeft voor zowel de veehouderij als de recreatiesector. Deze impact is op
nationaal niveau beperkt, maar kan op lokaal niveau substantieel zijn. Met name lokale
recreatieondernemers in gebieden met incidenten of afsluitingen en schapenhouders
ervaren economische impact. Deze economische schade is ongelijk verdeeld. Zo draagt
een klein aantal bedrijven een onevenredig groot deel van de lasten.
Op basis van de resultaten van het onderzoek worden verschillende aanbevelingen gedaan.
Er wordt aanbevolen verder onderzoek te doen naar de effectiviteit van wolfwerende
maatregelen en de juridische basis voor wat voldoende bescherming tegen wolven is.
Hierbij wordt aanbevolen om speciale aandacht te besteden aan de gescheperde schapenhouderij
vanwege praktische uitdagingen en hoge kosten van wolfwerende maatregelen. Deze aanbevelingen
zijn in lijn met de hiervoor beschreven activiteiten van het landelijk initiatief
veebescherming waarin ik samen met provincies initiatieven financier voor het verlagen
van het risico van wolvenaanvallen op vee, en met de invulling die ik geef aan de
open norm in de Wet dieren. Verder wordt aanbevolen om criteria op te stellen voor
het onderscheid tussen professionele en hobbymatige veehouders, bijvoorbeeld op basis
van het minimale aantal dieren dat een professionele veehouder houdt. Ook wordt aanbevolen
om in te zetten op duidelijkheid en voorspelbaarheid voor de recreatiesector, zoals
het ontwikkelen van duidelijk en voorspelbaar beleid bij ingrijpen (bijvoorbeeld afsluitingen,
mijdadviezen), zodat ondernemers zich kunnen voorbereiden. Daarnaast wordt aanbevolen
om na te gaan in welke mate veehouderij en recreatiesector ongelijk behandeld worden
en om gelijke behandeling te bevorderen. Tevens wordt aanbevolen om systematisch onderzoek
uit te voeren naar zowel ecologische als maatschappelijke kosten en baten van wolven.
Bij dit onderzoek dient ook gemonitord te worden of er structureel de regionale effecten
waar te nemen zijn van wolven op lokale economieën, inclusief recreatie, veehouderij
en terreinbeheer. Tenslotte wordt aanbevolen het bezoekintentie-onderzoek naar wolvengebieden
uit 2020 te actualiseren.4
Ik heb deze aanbevelingen gedeeld met de provincies als bevoegd gezag voor onder meer
subsidies en compensaties. Ik ga er vanuit dat provincies de aanbevelingen in hun
beleid opnemen en ben bereid waar mogelijk mee te helpen in de realisatie. Tevens
werk ik aan internationale samenwerking om eerder tot beheer te kunnen overgaan. Ook
wil ik de economische gevolgen onderwerp van gesprek laten zijn van tijdens het Nationaal
Wolvenberaad dat ik dit jaar zal organiseren. Hiermee beschouw ik de hiervoor aangehaalde
motie als afgedaan.
Invloed van faunabeheer op wolvenaanvallen op vee
Naar aanleiding van de motie van het lid Grinwis c.s. naar de invloed van het beheer
en de stand van de wildpopulatie op predatie van landbouwhuisdieren door de wolf (Kamerstuk
II 2025/26, 33 576, nr. 429), heb ik WEnR gevraagd om een onderzoek. Hieruit blijkt dat het effect van het beheer
van wilde hoefdieren in relatie tot predatie door wolven van landbouwhuisdieren afhankelijk
is van meerdere factoren. Wat het exacte verband is tussen deze factoren en het predatiegedrag
van wolven is op dit moment nog niet bekend. Om dit vast te kunnen stellen wordt nader
onderzoek aanbevolen, naar de effecten van populatiebeheer op de prooidierbeschikbaarheid,
het predatiegedrag en dieetkeus van wolven. De motie vraagt om gebiedsgericht onderzoek.
Omdat dit lokaal georganiseerd moet worden en omdat faunabeheer een provinciale bevoegdheid
is, ga ik met provincies in gesprek over de mogelijkheden om bij het beheer van de
prooisoorten van de wolf rekening te houden met de aanwezigheid van de wolf en ook
te onderzoeken welke invloed dat heeft op het aantal incidenten tussen wolven en landbouwhuisdieren.
Daaruit moet blijken of aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om incidenten
met vee verder te voorkomen. Hiermee beschouw ik deze motie als afgedaan.
Soortenmanagementplan
In de motie van de leden Podt en Bromet heeft uw Kamer het kabinet verzocht te onderzoeken
of een gebiedsgericht soortenmanagementplan, of een vergelijkbaar planmatig instrument,
kan bijdragen aan een eenduidig, juridisch geborgd handelingsperspectief voor bevoegd
gezag en lokale bestuurders, en aan het voorkomen van conflictsituaties tussen wolven
en mensen (Kamerstuk II 2025/26, 33 118, nr. 315). Een Soortenmanagementplan (SMP) kan worden gebruikt als basis voor een gebiedsvergunning
voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna
(flora- en fauna-activiteiten). Provincies zijn in de regel het bevoegd gezag voor
het afgeven van een dergelijke gebiedsvergunning, waarbij iedere provincie in beginsel
alleen bevoegd is voor het verlenen van een gebiedsvergunning voor handelingen die
plaatsvinden binnen de eigen provinciegrenzen. Het opstellen van één landelijk dekkend
SMP voor de wolf zal waarschijnlijk onvoldoende gedetailleerde gebiedspecifieke informatie
bieden om te kunnen gebruiken als basis voor verschillende gebiedsvergunningen in
meerdere provincies. Het ligt daarom meer voor de hand om, indien SMP’s inderdaad
als kansrijke oplossingsrichting worden gezien, specifiek op provincies toegesneden
provinciale SMP’s te maken op grond waarvan provincies gebiedsvergunningen kunnen
verlenen. De provincies hebben verkend welke juridisch houdbare mogelijkheden er zijn
om sneller een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen verlenen
voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van de wolf. Daarbinnen is ook de
vraag meegenomen of het opstellen van een SMP (één landelijk dekkend of meerdere op
provincies toegesneden SMP’s), met daaraan gekoppeld het verlenen van een gebiedsvergunning,
als één van de oplossingsrichtingen verkend kan worden. Zodra duidelijk wordt hoe
de mogelijkheden uit de hiervoor beschreven amvb de provinciale vergunningverlening
verder kan helpen, zal door provincies de afweging worden gemaakt of aanvullend een
SMP of een vergelijkbaar planmatig instrument zal worden vormgegeven.
Landelijk deskundigenteam wolven
In de motie van de leden Podt en Kostic over het landelijk deskundigenteam (Kamerstuk
II 2025/26, 33 576, nr. 438) verzoekt u de regering om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee
te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn
en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar
gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring, en om te
zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt.
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van het landelijke deskundigenteam
wolven. Het doel van dit landelijk deskundigenteam is de bevoegde overheden (provincie,
gemeente) van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Dit betreft
zowel acute situaties rondom wolven die om interventie vragen, als situaties waar
de tijdsdruk minder groot is. Accenten liggen op interventie, publiekscommunicatie
en samenwerking tussen provincies, Rijk en gemeenten. Provincies hebben adviesbureau
WING in september 2025 gevraagd om een verkenning uit te voeren naar onder andere
de invulling en positionering van dit deskundigenteam, waarin rekening is gehouden
met de wensen van uw Kamer. Met behulp van dit advies vindt bestuurlijke besluitvorming
door provincies plaats om het deskundigenteam op te kunnen zetten. Hiermee beschouw
ik deze motie als afgedaan.
Overige actuele ontwikkelingen
Motie Gemeenteraad Hoogeveen
Uw Kamer heeft gevraagd om voorafgaand aan het commissiedebat Natuur op 4 juni 2026
mijn reactie te ontvangen op de motie van de gemeenteraad Hoogeveen d.d. 19 februari
2026 «Wolf zet de leefbaarheid platteland onder druk» (Kamerstuk II 2025/26, 2026Z04618/2026D13753). Ik deel de zorgen die in de motie worden beschreven. Ook voor mij staan de veiligheid
van mens en vee, en de leefbaarheid in gebieden waar wolven voorkomen voorop. Met
de in het voorgaande beschreven amvb wordt de verlaagde beschermingsstatus van wolven
in nationale regelgeving vastgelegd en wordt het sneller mogelijk om probleemwolven
af te schieten. Ook de overige in deze brief beschreven activiteiten zijn mede gericht
op het wegnemen van deze zorgen.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur