Brief regering : Kabinetsreactie op het The Hague Centre of Strategic Studies (HCSS) Rapport ‘het Com-netwerk’
29 754 Terrorismebestrijding
26 643
Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Nr. 781
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Op 10 maart jl. publiceerde het The Hague Centre of Strategic Studies (HCSS) het rapport
«Het Com-netwerk».1 Tijdens de procedurevergadering van de Vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid
van 19 maart jl. is verzocht om voorafgaand aan het Commissiedebat Terrorisme/Extremisme
van 27 mei 2026 een kabinetsreactie op dit rapport te mogen ontvangen. Met deze brief
geef ik invulling aan dit verzoek.
Het rapport schetst een dreiging die van het Com-netwerk uitgaat en doet meerdere
aanbevelingen voor (een verbetering van) de aanpak. In deze brief ga ik allereerst
in op het fenomeen en de dreiging die hier van uitgaat. Vervolgens ga ik nader in
op de aanbevelingen die worden gedaan in het rapport en geef ik mijn reactie hierop.
Uw Kamer wordt op korte termijn ook nader geïnformeerd over de bredere aanpak en inzet
ten aanzien van online radicalisering middels de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak
Online (Kamerstuk 29 754, nr. 780).
Het Com-netwerk
Het HCSS beschrijft dat het Com-netwerk bestaat uit overlappende domeinen (Cyber Com,
Sextortion Com met groepen als 764 en Offline Com waaronder No Lives Matter). Het
rapport schetst een drievoudige dreiging: kans op aanslagen, jeugdbeschermingsrisico’s
en de bredere zorgwekkende ontwikkeling van online normvervaging en geweldsverheerlijking.
De groepen, met veelal (zeer) jonge leden, houden zich bezig met sextortion, het maken
en verspreiden van kinderpornografisch materiaal, het mishandelen van dieren, moord,
aanslagen, en het aanzetten tot automutilatie, geweldpleging of zelfdoding. In het
rapport komt naar voren dat dader- en slachtofferrollen regelmatig door elkaar lopen.
Zo raken slachtoffers, eenmaal diep verstrikt in de groepsdynamiek, soms zelf ook
betrokken bij misbruik. Volgens het HCSS is het Com-netwerk een lastig te karakteriseren
fenomeen dat in veel gevallen niet als extremisme bestempeld kan worden. Slechts een
klein deel van het Com-netwerk zou ideologische kenmerken van onder andere terroristisch
nihilisme vertonen. Dit deel is bewust gericht op het ontketenen van geweld en chaos
in de maatschappij.
De bevindingen in het rapport over de terroristische dreiging die uitgaat van nihilistisch
extremisme, passen in het dreigingsbeeld van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid (NCTV). In het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN)
staat beschreven dat die dreiging zich manifesteert in een transnationaal online ecosysteem
van cybercriminaliteit, (seksueel) misbruik en op geweld gerichte groepen, individuen
en kanalen. Sadisme, misantropie en een destructief wereldbeeld spelen hierbij een
voorname rol.
De appreciatie van het HCSS dat het Com-netwerk een lastig te karakteriseren fenomeen
betreft deel ik deels, omdat ik de ingewikkeldheid onderschrijf, maar het is niet
zozeer een fenomeen. Het HCSS rapport gaat uitsluitend in op The Com. The Com is geen
fenomeen an sich, maar maakt onderdeel uit van een breder pallet van extreme en grensoverschrijdende
online netwerken en groepen waarin het fenomeen nihilistisch extremisme zich manifesteert.2 Binnen deze groepen is ook geregeld aandacht voor rechts-extremistische ideologie
en met name de esthetiek van het nazisme en satanisme. Voor extremisme of terrorisme
moet er sprake zijn van een ideologisch motief, terwijl binnen de in de rapportage
beschreven groepen de rol van ideologie vaak onduidelijk is.3 Daarom moet steeds per casus bekeken worden of en in hoeverre ideologie een rol speelt
in het nihilistisch geweld. In sommige gevallen kan wel degelijk sprake zijn van extremisme
of terrorisme; zo kunnen er bijvoorbeeld raakvlakken zijn met accelerationistisch
gedachtegoed.4 In die gevallen wordt vanuit een nihilistisch wereldbeeld geweld instrumenteel toegepast
om uiteindelijk de samenleving te laten instorten.5 In andere gevallen lijkt echter geen sprake te zijn van een achterliggende ideologie.
De verheerlijking van extreem geweld en seksueel misbruik is vaak een doel op zich.
Sommige personen in deze netwerken delen beelden van door henzelf gepleegde geweldsdaden
om online status te verwerven en om macht over hun slachtoffers en andere leden te
krijgen. Hoe extremer het geweld, hoe meer status en macht. Het veelvuldig bekijken
van zeer gewelddadige beelden, zeker bij minderjarige jongeren, leidt tot geestelijke
afstomping en geweldsfantasieën. Dit kan de drempel voor geweld verlagen, waardoor
deze jongeren gerekruteerd kunnen worden door terroristische groeperingen.
Hoewel er dus niet altijd sprake is van een achterliggende ideologie, kan iemand door
de dynamiek van deze online groepen snel radicaliseren. Een individu kan bijvoorbeeld
in aanraking komen met Com-groepen die zich richten sextortion of vandalisme en van daaruit actief worden in netwerken die zich richten op fysiek
geweld of zelfs in het uiterste geval het plannen en het plegen van aanslagen.
De precieze aantallen binnen het Com-netwerk zijn lastig vast te stellen, zo onderschrijft
ook het HCSS in het rapport. De politie spreekt van enkele tientallen Nederlanders,
zowel slachtoffers als daders. Dit komt qua orde van grootte overeen met de 70 Nederlanders
(van wie 20 meisjes) die in dit HCSS-onderzoek naar voren komen. Daarnaast lopen op
dit fenomeen, onder gezag van het Openbaar Ministerie, een aantal opsporingsonderzoeken.
Ook zijn er twee strafzaken afgerond die hebben geleid tot een veroordeling van de
verdachten.
Beleidsreactie
Al met al is het ingewikkeld om het fenomeen van nihilistisch extremisme te detecteren
en binnen een bepaalde ideologie te plaatsen. Het is van belang om te benadrukken
dat de gevaren die uitgaan van het nihilistisch (extremistisch) geweld in netwerken
zoals The Com breder zijn dan alleen de dreiging van een terroristische aanslag. Naast
deze mogelijke dreiging, is er een veelvoud aan andere risico’s op mentale en fysieke
schade bij met name jongeren die deze groepen teweegbrengen. Het is dan ook van groot
belang om deze problematiek breed aan te pakken, ongeacht de classificatie van het
geweld dat deze groepen onherroepelijk veroorzaken. Daarbij dient oog te worden gehouden
voor de mogelijkheden voor een preventieve aanpak, het opsporen en aanpakken van daders,
maar ook op het beschermen en ondersteunen van (potentiële) slachtoffers. In het kader
daarvan ga ik hieronder in op de tien aanbevelingen die in het HCSS-rapport zijn gedaan
en houd ik deze langs de lijnen van de bredere preventie en aanpak van online veiligheid.
1. Weten wat er speelt
De eerste aanbeveling benadrukt dat het belangrijkste instrument voor preventie bij
jongeren is dat volwassenen die betrokken zijn bij de opvoeding – zoals ouders en
onderwijzers – weten wat er speelt in hun digitale leefwereld. Binnen het kabinet
lopen hier meerdere initiatieven op. Zo wordt vanuit het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat (EZK) ingezet op het ondersteunen van ouders in de digitale opvoeding.
In september 2025 startte de meerjarige publiekscampagne Blijf in Beeld en deze campagne
krijgt in de zomer van 2026 een vervolg. De campagne helpt ouders van kinderen tussen
de 7 en 12 jaar in gesprek te gaan over hun smartphonegebruik.6 Via jouwkindonline.nl worden informatie over mediaopvoeding en praktische handvatten
voor ouders geboden, waaronder de richtlijn voor gezond schermgebruik. Daarnaast zet
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in op de preventie van (online)
radicalisering.7 Deze inzet houdt rekening met nieuwe online fenomenen en ontwikkelingen. Onderdeel
van de aanpak is het vergroten van bewustwording, kennis en handelingsperspectief
van de omgeving van jongeren, zoals opvoeders, jongerenwerkers en onderwijsprofessionals.8
2. Maak Nederlandse kinderen digitaal weerbaar
Wat betreft de aanbeveling om preventieprogramma’s en de digitale weerbaarheid van
jongeren te versterken, kan ik uw Kamer melden dat het kabinet werkt aan een brede,
integrale aanpak voor kinderrechten in de digitale wereld. In dit kader heeft het
Ministerie van BZK op 4 september jl. de rijksbrede strategie «Kinderrechten in de
digitale wereld» met uw Kamer gedeeld.9 In deze strategie wordt uiteengezet hoe kinderrechten beter moeten worden beschermd
in een digitale wereld. Er worden concrete acties benoemd voor kinderen, ouders, opvoeders
en het onderwijs. Het doel hiervan is dat kinderen online dezelfde bescherming en
kansen krijgen als offline. In pijler drie van de strategie kinderrechten online ligt
de aandacht op onderwijs als fundament voor digitale weerbaarheid. Ook de gedane aanbeveling
onderstreept de cruciale rol van het onderwijs bij de digitale weerbaarheid.
Tevens kan ik uw Kamer melden dat reeds meerdere geëvalueerde lesprogramma’s beschikbaar
zijn, die breder kunnen worden ingezet om de online weerbaarheid en mediawijsheid
van met name jongeren te vergroten. Hierover heb ik u nader geïnformeerd in de Kamerbrieven
die ingaan op de Versterkte Aanpak Online.10
3. Leeftijdsverificatie
Deze aanbeveling ziet op het beperken van de blootstelling van jongeren aan risicovolle
online content, bijvoorbeeld via privacyvriendelijke leeftijdsverificatie en leeftijdsgrenzen
op sociale media.
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat digitale diensten veilig worden
voor kinderen en jongeren, omdat zij ook het recht hebben om gebruik te maken van
digitale diensten. De afgelopen jaren is ingezet op het tegengaan van onveiligheid
via onder andere de digitaledienstenverordening (hierna: DSA). Het kabinet kijkt of
het proportioneel is om een leeftijdsgrens te stellen en leeftijdsverificatie in te
zetten als handhavingsmiddel om kinderen en jongeren te beschermen als sociale media
niet veilig zijn voor hen. Ook wordt gekeken naar de gevolgen voor de grondrechten.
Bij deze verkenning wordt rekening gehouden met de Europese kaders – zoals de DSA
– en publieke waarden als toegankelijkheid, proportionaliteit, transparantie en handhaafbaarheid.
Het kabinet verwacht deze verkenning voor de zomer van 2026 afgerond te hebben en
zal uw Kamer hierover informeren.
4. Investeren in kennis en onderzoek
Het rapport onderstreept dat het investeren in kennis en onderzoek essentieel is voor
een effectieve en evenwichtige aanpak van nihilistisch extremisme. Het kabinet onderschrijft
dit principe. Zo heeft het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR)
een workshop ontwikkeld die ingaat op het fenomeen en het herkennen van signalen,
om overheidsprofessionals beter te ondersteunen. Ook bij het Landelijk Steunpunt Extremisme
(LSE) kunnen professionals en burgers terecht met vragen over dit fenomeen.
5. Verbreed het mandaat van het ATKM van terroristische naar gewelddadige content
Er wordt aandacht gevraagd voor het toenemende «vloeibare» karakter van online extremisme,
waarbij niet alle content direct als terroristisch kan worden aangemerkt, maar wel
schadelijk kan zijn. Voor een effectievere en preventieve aanpak wordt voorgesteld
het mandaat van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal
(ATKM) uit te breiden van expliciet terroristische content naar gewelddadig extremistische
content, bijvoorbeeld door de ATKM ook de mogelijkheid te bieden verwijderverzoeken
te versturen.
De ATKM is in Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit op grond van de verordening
Terroristische Online Inhoud (hierna: TOI-verordening) en nationale wetgeving voor
beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik (ook wel «kinderpornografisch materiaal»).
In deze rol detecteert en beoordeelt zij online terroristisch materiaal en beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik, en kan zij verwijderingsbevelen uitvaardigen. Hostingdiensten
of aanbieders van communicatiediensten die terroristisch materiaal aanbieden, moeten
dit na ontvangst van een verwijderbevel binnen één uur verwijderen of ontoegankelijk
maken. De evaluatie van de sinds 1 september 2023 geldende Uitvoeringswet TOI is inmiddels
gestart, met als doel de doeltreffendheid en praktische effecten van de wet te beoordelen
en binnen drie jaar een evaluatie aan de Kamer aan te bieden.11 Hierbij wordt ook gekeken naar de juridische reikwijdte van verwijderbevelen en de
mogelijkheden voor verwijderverzoeken voor gewelddadige extremistische content. Ik
verwacht de evaluatie en de verkenning in het najaar van 2026 aan uw Kamer te kunnen
verzenden.
6. Verken wettelijke grondslag voor geautomatiseerde contentanalyse
Het HCSS stelt in dit rapport dat politie-eenheden met terughoudendheid kampen vanwege
juridische onduidelijkheid over de toelaatbaarheid en reikwijdte van de inzet van
geautomatiseerde contentanalyse. Er wordt dan ook gesteld dat verkenning van wettelijke
grondslag voor geautomatiseerde contentanalyse nodig is.
Vanuit de politie en het Openbaar Ministerie heb ik geen signalen ontvangen dat huidige
wetgeving en de mogelijkheden die zullen ontstaan met de invoering van het nieuwe
Wetboek van Strafvordering (Sv) onvoldoende wettelijke grondslag bieden voor geautomatiseerde
contentanalyse. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt de inzet van automatische
data-analyse en digitale opsporing expliciet geregeld (artikel 2.8.8 Sv (nieuw) en
artikel 2.9.1 Sv (nieuw)).12 Ook wordt de bevoegdheid voor de officier van justitie toegevoegd om derden (zoals
bijvoorbeeld bedrijven) te bevelen data te analyseren, te bewerken en vervolgens te
verstrekken (artikel 2.7.59 Sv (nieuw)).13 Bovendien is de inschatting dat ook met het huidige Wetboek van Strafvordering de
wettelijke grondslag bestaat om in geval van een fenomeen als The Com en de verdenkingen
die daarbij bestaan, een zogeheten Titel V onderzoek (een brede focus op een criminogeen
netwerk) op te starten.
7. Wettelijke ruimte voor digitale observatie
Het rapport stelt dat de politie zicht moet hebben op extremistische digitale netwerken,
zoals The Com, zonder actieve beïnvloeding, maar dat observatie in deze context al
snel een heimelijk karakter krijgt. Artikel 3 Politiewet 2012 geeft een generieke
grondslag voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties.
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie
op grond van de artikelen 126g en 126j van het huidige Wetboek van Strafvordering
bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
De keuze tussen deze twee bevoegdheden is afhankelijk van wat de officier verlangt
van de opsporingsambtenaren. De bevoegdheid van stelselmatige inwinning van informatie
geeft de opsporingsambtenaren meer mogelijkheden om actief te interveniëren in de
omgeving van de verdachten. Bij stelselmatige observatie stelt de opsporingsambtenaar
zich passief op.
Als netwerken zoals The Com of een soortelijke groepering worden aangemerkt als een
georganiseerd verband, dan geeft Titel V uit het huidige Wetboek van Strafvordering
de officier van justitie dezelfde mogelijkheden, maar dan ook al bij het bestaan van
een redelijk vermoeden dat binnen dat georganiseerd verband misdrijven worden beraamd (artikelen 126o en 126qa). Zodoende beschikt de politie over voldoende wettelijke
ruimte voor digitale observatie.
8. Doorbreek de beschermde Nederlandse hosting-infrastructuur
Een ander door HCSS benoemd aandachtspunt is de juridische bescherming van hostingdiensten.
Op grond van de DSA zijn zij in beginsel niet aansprakelijk voor content die zij voor
hun gebruikers hosten. Zodra zij er echter kennis van hebben dat ze illegale content
hosten, dan zijn ze verplicht om die te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen
ze dat niet, dan kunnen ze er mogelijk zelf aansprakelijk voor worden gesteld. De
onderzoekers van dit rapport stellen dat deze beperking van aansprakelijkheid ertoe
leidt dat illegale en schadelijke content soms langdurig online blijft. Er wordt voorgesteld
om deze beperking van aansprakelijkheid te herzien. Dat zou de balans tussen bedrijfsbelang
en maatschappelijk belang beter waarborgen en langdurige hosting van schadelijke content
helpen voorkomen.
Met het aansprakelijkheidskader voor aanbieders van tussenhandeldiensten in de DSA
heeft de Uniewetgever een evenwicht tot stand willen brengen tussen verschillende
betrokken belangen en grondrechten. Naast het feit dat hostingdiensten op grond van
dit kader verplicht zijn om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken
zodra zij daar kennis van hebben, legt de DSA hen verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen
op. Die zien onder meer op de inrichting van hun diensten en de voorwaarden waaronder
ze die ter beschikking stellen. Het kabinet zet er, samen met andere EU-lidstaten,
actief op in dat deze regels in de praktijk worden uitgevoerd, nageleefd, en gehandhaafd.
Een eventuele aanpassing van deze regels moet op EU-niveau plaatsvinden in verband
met de maximumharmonisatie van de DSA. In 2027 vindt de Europese evaluatie van het
effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Nederland zal een actieve rol spelen
in deze evaluatie en zich inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk
en mogelijk is.
Daarnaast houdt het kabinet in de gaten hoe de bestuursrechtelijke aanpak via de ATKM
uitwerkt. Door als enige EU-lidstaat een autoriteit in te stellen met specifieke bevoegdheden
om hiertegen op te treden, neemt Nederland haar verantwoordelijkheid in de bestrijding
van online kinderpornografisch materiaal en vervult het een voortrekkersrol binnen
de EU. Ten aanzien van zogenoemde «bad hosters» loopt momenteel een verkenning naar
de aanpak hiervan.14 De Kamer zal vóór het zomerreces over de voortgang van de verkenning worden geïnformeerd.
9. OSINT-capabilities
HCSS wijst in deze aanbeveling op de noodzaak om de OSINT-capaciteit structureel te
versterken ten aanzien van het fenomeen. The Com is een relatief nieuw fenomeen en
voor nieuwe fenomenen is kennisontwikkeling vanzelfsprekend wenselijk. Tegelijkertijd
geeft de politie aan dat het kennisniveau van dit fenomeen onder de OSINT-medewerkers
robuust is en ook actief wordt gedeeld tussen de eenheden. Hoewel The Com grotendeels
in gesloten groeperingen speelt, waarbij OSINT dus niet van toepassing lijkt te zijn,
is het rapport opgesteld op basis vanuit OSINT verkregen informatie. Dit onderstreept
dat op de openbare bronnen veel signalen, uitingen en sporen van de The Com aanwezig
zijn. Deze aanbeveling interpreteer ik als het streven om blijvend aandacht te besteden
aan het vergroten van kennis en expertise onder politiepersoneel zodat dit soort signalen
vroegtijdig kunnen worden opgepikt.
Technische monitoring alleen is onvoldoende; het herkennen van extremistische en criminele
dynamieken vraagt van uitvoeringspartners zoals de ATKM diepgaande kennis van online
subculturen, inclusief taal, symboliek en impliciete codes. De ATKM versterkt deze
inzet, door zowel inhoudelijke trainingen van organisaties zoals het ROR, als het
actueel houden van kennis op het operationele gebied door kennisuitwisseling met relevante
partijen zoals Europol en de politie.
10. Zorg en ondersteuning
In deze aanbeveling wordt het belang benadrukt van gerichte hulp en ondersteuning
voor zowel daders als slachtoffers binnen nihilistische extremistische online netwerken,
aangezien deze rollen in de praktijk vaak overlappen. Dit sluit aan bij het pedagogische
uitgangspunt van het jeugdstrafrecht, waarbij het belang van het kind te allen tijde
een eerste overweging dient te zijn (artikel 40 IVRK) en het primaire doel resocialisatie
is.15
Daarnaast onderstrepen de onderzoekers in dit rapport de inzet op vroegtijdige signalering,
het aangaan van contact, het doorbreken van schadelijke patronen, de behandeling van
onderliggend trauma, het tegengaan van desensitisering en het herstellen van sociale
en morele oriëntatie. Effectieve ondersteuning vraagt daarbij om nauwe samenwerking
tussen politie, veiligheidsdiensten en zorginstellingen, evenals om laagdrempelige
toegang tot gespecialiseerde professionele hulp.
Het kabinet onderstreept het belang van het herkennen van signalen als gedeelde maatschappelijke
verantwoordelijkheid. Voorbeelden van zorgwekkende signalen zijn: een kind dat plotseling
geheimzinniger doet over online activiteiten; nieuwe online «vrienden» die opvallend
veel invloed lijken te hebben; onverklaarbare stress, angst of somberheid na gebruik
van games of sociale media; plotseling en frequent wisselen van online platform; het
gebruik van verontrustende symbolen of namen; en een opvallende toename van zelfbeschadigend
gedrag. Ouders, verzorgers, docenten en hulpverleners worden aangemoedigd om scherp
te zijn op deze signalen.
Het Com-netwerk raakt aan vele vormen van slachtofferschap zoals online seksueel geweld,
sextortion, gedwongen tot zelfbeschadiging en in uitzonderlijke gevallen machtsuitoefening
die neigt naar mensenhandel. Slachtoffers van strafbare feiten, dus ook binnen nihilistische
extremistische online netwerken, kunnen onder andere terecht bij Slachtofferhulp Nederland
(SHN) voor emotionele ondersteuning, praktische hulp en juridische ondersteuning in
het strafproces. De hulp is altijd maatwerk en de behoefte van het slachtoffer is
leidend. SHN verwijst waar nodig door naar specialistische organisaties (bijv. Offlimits,
LSE, Centrum Seksueel Geweld). Het HCSS constateert in het rapport dat de slachtoffer-
en daderrollen regelmatig door elkaar lopen bij deze netwerken. SHN ondersteunt primair
bij slachtofferschap en verwijst door voor hulpvragen gerelateerd aan daderschap zoals
de huisarts, GGZ, maatschappelijk werk en Stichting Exodus Nederland (voor ondersteuning
biedt aan (ex)gedetineerden en hun familieleden). Slachtoffers van het Com-netwerk
kunnen zich ook direct melden bij Centrum Seksueel Geweld, Offlimits of Fier. Deze
organisaties staan in goed onderling contact en verwijzen naar elkaar door wanneer
een hulpvraag ziet op de expertise van één van de andere organisaties. Bij vermoedens
van strafbare feiten is aangifte bij de politie belangrijk.
Ook onderstreep ik graag het belang van goede samenwerking tussen zorg- en veiligheidspartners
binnen de radicaliseringsaanpak. Binnen een radicaliseringsproces vindt vaak een wisselwerking
plaats tussen psychopathologie, psychologische behoeftes en triggerfactoren.16 Om radicalisering te voorkomen of tegen te gaan, hebben zorgpartners een belangrijke
rol in de duiding, het bepalen van de juiste bejegening en/of de inzet van interventies
om de eventuele risico’s te verminderen. Mede daarom wordt ingezet op het verder versterken
van de samenwerking tussen zorg- en veiligheidsprofessionals binnen de lokale aanpak.
Dit gebeurt door de organisatie van netwerkbijeenkomsten, het opstellen van praktische
handvatten voor signalering en samenwerking, en verbreding van kennis en trainingsmogelijkheden.
Tot slot
Het HCSS rapport biedt inzicht in de uitdagingen en mogelijkheden voor een toekomstbestendig
meersporenbeleid. Hiervoor ben ik de onderzoekers erkentelijk. Het kabinet blijft
zich onverminderd inspannen voor een veilige online omgeving – in het bijzonder waar
het jongeren betreft. Er is doorlopende aandacht of de huidige wet- en regelgeving
voldoende handvatten biedt en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording
en samenwerking met zowel lokale, nationale en internationale partners.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid