Brief regering : Kabinetsreactie op het Capaciteitsplan 2027-2030
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 630
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Op 19 december 2025 heeft het Capaciteitsorgaan de driejaarlijkse integrale raming
uitgebracht voor de instroom in de medische en aanverwante (vervolg)opleidingen voor
2027, 2028 en 2029 (het Capaciteitsplan). In deze brief geef ik mijn beleidsreactie
op het Capaciteitsplan. Hieronder ga ik eerst in op de rol van het Capaciteitsorgaan
en de ontwikkeling met betrekking tot realistisch ramen. Na het schetsen van de algemene
ontwikkelingen wordt per (groep van) opleiding(en) besproken hoe om wordt gegaan met
de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan. Met deze kabinetsreactie geef ik tevens
invulling aan de toezeggingen die zijn gedaan over de planning van deze beleidsreactie
tijdens het Commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026.
Om bij te dragen aan de doelen van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (hierna:
AZWA) zullen organisaties en professionals in zorg en welzijn anders moeten gaan werken.
Er wordt een groot beroep gedaan op het leer- en ontwikkelvermogen van organisaties
en professionals. Binnen het AZWA is daarom afgesproken om extra in te zetten op opleiding
en scholing. De focus ligt daarbij eerst en vooral op daar waar tekorten het grootst
zijn, dit zijn de sectoren buiten het ziekenhuis zoals de eerstelijnszorg. De afspraken
hierover zijn vervat in het AZWA (fiche B3).
Naast voornoemde AZWA-afspraak blijft het kabinet een groot aantal (medische) vervolgopleidingen
financieren op grond van de adviezen van het Capaciteitsorgaan en daarover gaat deze
brief.
Het Capaciteitsorgaan is een stichting die is opgericht in 1999 door veldpartijen
uit de zorg en heeft als doel – op grond van onder meer de te verwachten zorgbehoefte
– het opstellen van ramingen met betrekking tot de toekomstige benodigde capaciteit
aan professionals in de zorg. Het Capaciteitsorgaan brengt adviezen en ramingen uit
voor de gewenste instroom in de diverse medische profiel- en vervolgopleidingen. Tevens
brengt het Capaciteitsorgaan adviezen en ramingen uit over de daarvoor noodzakelijk
geachte instroom in de initiële opleiding tot basisarts (geneeskunde), tandarts, mondzorgkundige,
physician assistant en verpleegkundig specialist. Bij de totstandkoming van het Capaciteitsplan
houdt het Capaciteitsorgaan rekening met tal van factoren (parameters) die van invloed
zijn op de zorgvraag en het zorgaanbod op lange termijn (zoals vergrijzing, epidemiologie,
vakinhoudelijke ontwikkelingen, taakherschikking, verandering arbeidstijd). De integrale
ramingen van het Capaciteitsorgaan verschijnen voor de meeste opleidingen elke drie
jaar.
Het Capaciteitsorgaan heeft in deze raming voor het eerst rekening gehouden met realistisch
ramen in een context van schaarste aan professionals. Dat betekent dat het Capaciteitsorgaan
nadrukkelijk rekening houdt met realistische verwachtingen, haalbaarheid en onzekerheid. Realistische verwachtingen gaan over wat er in de toekomst verwacht kan worden,
waarbij ook financiële mogelijkheden voor uitbreiding van opleidingsplekken meetelt.
Haalbaarheid gaat over de haalbaarheid van het advies, waarbij rekening gehouden moet
worden of opleidingen en/of praktijkopleiders een geadviseerde stijging kunnen realiseren.
Ook wordt rekening gehouden met het aanbod van kandidaten.
Het Capaciteitsorgaan signaleert terecht dat veldpartijen en VWS aandacht hebben voor
meer instroom in de extramurale artsenberoepen, maar ziet ook dat het nog steeds moeilijk
is om basisartsen te bewegen om voor deze specialismen te kiezen (huisartsen, specialisten
oudergeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten en artsen in de sociale geneeskunde).
Onzekerheid gaat over de mate waarin grote veranderingen impact hebben op de toekomst,
zo verwacht het Capaciteitsorgaan dat technische innovaties mogelijk impact gaan hebben
op de inzet van professionals, maar de toekomstige impact daarvan is nog niet in te
schatten en daarom nog niet in de ramingen meegenomen. Ik onderschrijf het belang
om de verwachtingen, haalbaarheid en onzekerheid inzichtelijk te maken in de adviezen
van het Capaciteitsorgaan. Tegelijkertijd wil ik – conform het AZWA – de beweging
naar de voorkant faciliteren.
Capaciteitsplan 2027–2030
Het Capaciteitsorgaan constateert dat de zorgvraag nog steeds stijgt door onder andere
meer kwetsbare ouderen en patiënten met complexe problematiek als gevolg van co- en
multimorbiditeit. Demografische ontwikkelingen laten zien dat de vergrijzingspiek
in 2040 wordt bereikt. De meer complexe zorg vraagt naar verwachting om meer hoogopgeleide
(BIG-geregistreerde) professionals.
Tegelijkertijd wordt vanuit inhoudelijke en soms pragmatische keuzes ingezet op taakverschuiving.
Door bepaalde taken over te dragen aan bijvoorbeeld physician assistants of verpleegkundig
specialisten kan de huisarts of de medisch specialist in de langdurige zorg of het
ziekenhuis zich op de meer complexe taken richten. Beide ontwikkelingen (meer complexe
zorgvraag en taakverschuiving) zijn onderdeel van de ramingen.
Nieuw in deze ramingscyclus is de eerste richtinggevende raming voor de opleiding
geneeskunde (basisartsen). Dit is van belang gezien de samenhang met de medische vervolgopleidingen
en de rol van basisartsen in het zorgstelsel.
Geadviseerde instroomaantallen
In het vervolg van deze beleidsreactie wordt per (groep van) opleiding(en) besproken
hoe om wordt gegaan met de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan. Daarbij is
een onderverdeling gemaakt naar de financieringsvorm.
In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de vervolgopleidingen die bekostigd worden via de
beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen. Die beschikbaarheidbijdrage
wordt gefinancierd vanuit de zorgpremies (volgend uit de Zorgverzekeringswet en de
Wet langdurige zorg).
Hoofdstuk 2 betreft de (medische) vervolgopleidingen die via subsidies vanuit de begroting
van VWS gefinancierd worden. Omdat de financiering van de publieke gezondheidszorg
niet plaatsvindt op basis van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg kunnen
deze opleidingen niet via de beschikbaarheidbijdrage worden gefinancierd.
Tot slot wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de initiële opleidingen. Voor zover deze
opleidingen door de overheid worden bekostigd volgt de bekostiging de begroting van
het Ministerie van OCW en in sommige gevallen deels de begroting van het Ministerie
van VWS.
Een overzicht van de door de ministeries van VWS en OCW bekostigde vervolgopleidingen
met de geadviseerde aantallen door het Capaciteitsorgaan en voorgenomen opleidingsaantallen
is voor de volledigheid opgenomen als bijlage bij deze brief.
1. Opleidingen bekostigd via een beschikbaarheidbijdrage
Huisartsen, arts verstandelijke gehandicapten en specialist ouderengeneeskunde
De adviezen voor de opleidingen tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts
verstandelijk gehandicapten worden volledig overgenomen. Zoals hierboven beschreven
is de focus van dit kabinet gericht op de beweging naar de voorkant. Deze beroepen
zijn essentieel om die beweging te bewerkstelligen. Hieronder worden de ontwikkelingen
van deze vervolgopleidingen beschreven.
Het vraagstuk van achterblijvende instroom in extramurale artsenberoepen speelt al
langer. Daarom hebben branche- en beroepsorganisaties in 2024 een werkgroep Meer Extramurale Artsen (MeXa) opgericht waaruit actieplannen zijn voortgekomen. Deze werkgroep werd getrokken
door UMC NL en KNMG en heeft positieve effecten teweeggebracht. We zien een verbetering
van onderlinge contacten en een verbetering van het imago en bekendheid van extramurale
artsenberoepen. De beschikbare opleidingsplaatsen worden echter nog niet volledig
gevuld. Het ligt daarom voor de hand dat ingezette acties gecontinueerd en geborgd
worden. Het eindrapport en de evaluatie van de actieplannen wordt binnenkort opgeleverd
door de werkgroep.
Huisartsen
Het Capaciteitsorgaan adviseert om 1.028 opleidingsplaatsen beschikbaar te stellen.
De urgentie voor het inlopen van het huidige tekort aan huisartsen neemt verder toe
door afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het AZWA. Eerder gaf ook de
Algemene Rekenkamer de noodzaak aan om voldoende opleidingsplaatsen beschikbaar te
houden in Nederland. Dit tezamen maakt dat ik het advies van 1.028 opleidingsplaatsen
overneem.
Daarnaast zet het kabinet – in navolging op een aangenomen motie van het lid Wiersma
(Kamerstuk 33 578, nr. 175) – in op een betere spreiding van opleidingsplaatsen over het land. Hierover lopen
gesprekken met de veldpartijen, het Ministerie van OCW en de regionale huisartsenorganisaties.
In het derde kwartaal van 2026 zal ik u ik samen met de Minister van VWS informeren
over de voortgang. Hiermee geven wij uitvoering aan voornoemde motie.
Specialist ouderengeneeskunde
Het Capaciteitsorgaan adviseert een verlaging van de instroom in de opleiding Specialist
Oudergeneeskunde. Zij constateren dat er voldoende opleidingscapaciteit is, maar vooralsnog
kiezen er te weinig artsen in opleiding tot specialist (hierna: aios) voor de opleiding
tot specialist ouderengeneeskunde. De daadwerkelijke instroom neemt de afgelopen jaren
iets toe maar blijft nog achter bij het gewenste aantal. Het advies van 245 opleidingsplaatsen
wordt overgenomen.
Arts verstandelijk gehandicapten
Het Capaciteitsorgaan adviseert een verlaging van de instroom in de opleiding arts
voor verstandelijk gehandicapten. Dit omdat het capaciteitsorgaan constateert dat
neerwaartse verticale substitutie meer en meer voorkomt (bijvoorbeeld doordat de physician
assistant en/of de verpleegkundig specialist taken uitvoert van de arts verstandelijk
gehandicapten). Het advies van 34 opleidingsplaatsen wordt om die reden overgenomen.
GGZ-beroepen
Voor de psychotherapeut (156), klinisch psycholoog (210), klinisch neuropsycholoog
(19), de verslavingsarts (23) en de verpleegkundig specialist ggz (142, 3-jarige variant)
wordt het gepubliceerde advies van het Capaciteitsorgaan gevolgd.
Voor de opleiding tot gz-psycholoog stel ik per 2027 691 opleidingsplaatsen beschikbaar.
Hierbij volg ik het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan, zonder opwaartse
verticale substitutie en met aftrek van verwachte onbeschikte plekken (berekend op
basis van het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie
jaar). Ik verwacht dat dit aantal opleidingsplekken, gecombineerd met de circa 21.4511 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen, voldoende zal bijdragen aan de
zorg in de ggz. Daarbij is het wel essentieel dat het zwaartepunt van de werkzaamheden
van gz-psychologen verschuift van lichte naar complexe zorg.
In de gepubliceerde raming van het Capaciteitsorgaan is rekening gehouden met zogeheten
opwaartse verticale substitutie, waarbij zorgtaken van de huidige groep werkzame masterpsychologen
uitgevoerd worden door gz-psychologen. Deze benadering sluit echter niet aan bij de
uitgangspunten en afspraken van het IZA en AZWA omtrent taakherschikking. Immers,
daarin wordt juist ingezet op een werkpraktijk waarbij taken worden belegd op basis
van competenties en bekwaamheid in plaats van uitsluitend op opleidingsniveau. Taakherschikking
en taakdifferentiatie zijn belangrijke instrumenten om de schaarse personele capaciteit
in de zorg doelmatig in te zetten. Masterpsychologen vervullen een belangrijke rol
in de ggz die ik richting de toekomst toe juist wil bestendigen. Daarom heb ik navraag
gedaan bij het Capaciteitsorgaan naar een scenario zonder opwaartse verticale substitutie.
Het Capaciteitsorgaan heeft aangegeven dat het effect van opwaartse verticale substitutie
niet los van andere factoren is berekend. Wel is net als in de vorige raming het demografische
scenario doorgerekend, waarin de verticale opwaartse substitutie niet is meegenomen.
Dit demografische scenario gaat uit van de verwachte bevolkingsgroei en vergrijzing
en de gevolgen daarvan voor de zorgvraag. Omdat verticale opwaartse substitutie contrair
is aan het beleid dat ik voorsta, kies ik ervoor dit demografische scenario te volgen.
Masterpsychologen nemen in de praktijk veel werkzaamheden over van gz-psychologen
en vormen zoals het Capaciteitsorgaan ook aangeeft een substantieel aandeel van de
beschikbare capaciteit in de ggz.2 De masterpsycholoog is conform de veldafspraken van het landelijk kwaliteitsstatuut
GGZ inzetbaar als (mede)behandelaar in de diagnostiekfase, psycho-educatie, E-Health,
en gestandaardiseerde behandelingen. Het is mijns inziens voorstelbaar dat de masterpsycholoog
voor de lichte zorg, onder voorwaarden, kan functioneren als regiebehandelaar indien
de kwaliteit van zorg geborgd blijft. Ik vertrouw erop dat deze taakverdeling passend
is bij de kwaliteitseisen die door veldpartijen zelf in het landelijk kwaliteitsstatuut
GGZ zijn geformuleerd.
We zien de afgelopen jaren dat de opleiding tot gz-psycholoog de enige vervolgopleiding
is waarbij opleidingsplekken worden aangeboden en ingevuld zonder financiering vanuit
een beschikbaarheidbijdrage. Dit wordt ook wel onbeschikt opleiden genoemd en tornt
aan de legitimiteit van het gebruik van de beschikbaarheidbijdrage voor deze opleiding.
Immers, het instrument beschikbaarheidbijdrage wordt uitsluitend ingezet op het moment
dat bekostiging in de markt niet of onvoldoende tot stand komt en daarmee dus sprake
is van marktfalen. Als opleidelingen zonder centrale financiering van het Rijk kunnen
worden opgeleid, is er geen sprake van marktfalen. Het in mindering brengen van het
aantal onbeschikte opleidingsplaatsen resulteert in een level playing field ten aanzien
van alle andere beroepsgroepen waarbij de vraag speelt of er centrale financiering
voor opleidingsplaatsen moet worden ingezet. Daarnaast wordt met het in mindering
brengen van de onbeschikte plaatsen voorkomen dat een zogenaamde varkenscyclus wordt
gecreëerd. Over de jaren 2023 tot en met 2025 is jaarlijks gemiddeld 16,3% van de
opleidelingen onbeschikt opgeleid. Met een demografisch scenario van 826 plekken,
betekent dit dat 135 opleidingsplaatsen op het totale aantal opleidingsplaatsen in
mindering worden gebracht. Dit leidt tot 691 beschikbare opleidingsplaatsen voor de
gz-psycholoog.
Ik zie dat het ophogen van het aantal opleidingsplekken van gz-psychologen in algemene
zin3, niet bijdraagt aan meer capaciteit in de gespecialiseerde ggz omdat – zoals ook
in diverse rapporten4 geconstateerd – de uitstroom van gz-psychologen uit de ggz-instellingen naar de vrijgevestigde
praktijken hoog is.
Het moge duidelijk zijn dat met het meer opleiden van gz-psychologen de verschuiving
naar complexere zorg niet zomaar te realiseren valt. Om de verschuiving naar complexere
zorg te bevorderen zal ik een verkenning starten naar alternatieven voor de financiering
van opleidingsplekken voor gz-psychologen. Daarbij zal ik nadrukkelijk de mogelijkheden
verkennen om de acute en complexe ggz beter in staat te stellen om prikkels in te
bouwen zodat de door hen opgeleide gz-psychologen langer voor de acute en complexe
ggz blijven behouden. Tegelijkertijd kan het bestaande proces, dat zorgvuldig is vormgegeven,
niet zomaar worden vervangen. Ook dat zal ik meenemen in de verkenning.
Om perspectief te bieden aan masterpsychologen die al langere tijd wachten op een
vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben ben ik voornemens
om vanaf 2028 voor een beperkt aantal masterpsychologen een verkort opleidingstraject
te realiseren. Er vindt op dit moment conform toezegging aan uw Kamer van 25 november
20255 een verkenning plaats over hoe zo’n verkort opleidingstraject met zorgvuldigheid
en patiëntveiligheid als uitgangspunt ingericht zou kunnen worden. Hierbij zal de
randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen
hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Medisch specialisten
Bij de Medisch Specialisten adviseert het Capaciteitsorgaan een stijging van 99 opleidingsplekken
ten opzichte van het vorige advies. Dit instroomadvies heeft te maken met de verwachte
vroegtijdige uitstroom en de uitstroom naar pensioen. Daarnaast neemt de beschikbare
capaciteit af door minder werkuren en andere contractvormen waardoor meer personen
nodig zijn om dezelfde zorg te leveren. Er blijft ook minder tijd over voor directe
patiëntenzorg door meerdere kleinere aanstellingen en dubbele aanstellingen in bijvoorbeeld
ziekenhuizen en zbc's.
Opvallend is dat ongeveer een derde van de extra instroomplaatsen nodig is voor twee
specialismen met grote tekorten: de spoedeisende geneeskunde (+19) en neurologie (+11).
Daarnaast zien we een toename voor de maag-darm-leverziekten (+6) en longziekten en
tuberculose (+4). Hier zorgt vergrijzing, toename van chronische ziekten en meer minimaal
invasieve behandelmogelijkheden voor een toename van zorgvraag. Anderzijds is in deze
specialismen ook sprake van verschuiving van zorg naar de eerste lijn. Bijvoorbeeld
door hybride zorg. In de specialismen dermatologie (+4), oogheelkunde (+4) en keelneus-oorheelkunde
(+6) is er momenteel vooral sprake van tekorten op de arbeidsmarkt en daalt het aantal
werkuren. In de psychiatrie (+6) is eenzelfde patroon zichtbaar. De sportgeneeskunde
(+2) heeft momenteel een groot tekort en zij behandelen vaker patiënten met bijvoorbeeld
artrose en cardiovasculaire aandoeningen. Tot slot is er in enkele specialismen nog
sprake van een licht overschot, waaronder cardio-thoracale chirurgie, klinische fysica
en klinische geriatrie. Ik neem het advies van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische
opleidingen in zijn geheel over voor 2027.
In het coalitieakkoord staat vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt
voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 mln. Deze vervolgopleidingen
worden gefinancierd via de beschikbaarheidsbijdrage. Streven is om begin 2027 een
beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen. Bij de uitwerking
van deze korting zal onder andere verkend worden of de korting gerealiseerd kan worden
via een doelmatiger invulling van het instrument van de beschikbaarheidsbijdrage.
In de onlangs aan de Kamer toegezonden Periodieke Rapportage Arbeidsmarkt en opleiden,
als onderdeel van de Strategische Evaluatie Agenda (hierna: SEA), worden concrete
aanbevelingen gedaan voor een doelmatiger invulling van de beschikbaarheidsbijdrage
voor medische vervolgopleidingen. Deze zullen betrokken worden bij de verdere verkenning
en uitwerking van de korting.
FZO-beroepen
Voor de medisch ondersteunende en gespecialiseerd verpleegkundige beroepen, de zogeheten
FZO-beroepen (Fonds Ziekenhuis Opleidingen), wordt de opleiding eveneens via de beschikbaarheidbijdrage
bekostigd. Doordat de ramingscyclus voor de FZO-beroepen niet driejarig maar tweejarig
is, komt het meest recente instroomadvies uit december 2024. Het is de intentie om
de ramingscyclus voor de FZO-beroepen te laten aansluiten bij die van de andere beroepen.
Nadat in de periode tot 2021 een stijgende lijn is ingezet, blijft de instroom de
laatste jaren constant. Sinds die periode is ingezet op het modulaire opleidingsstelsel,
wat zorgprofessionals en zorginstellingen meer mogelijkheden biedt tot flexibiliteit
en maatwerk. Naar verwachting zal het modulaire aanbod een positief effect hebben
op de brede inzetbaarheid, de instroom en het behoud van zorgprofessionals tijdens
en na de opleiding. De komende jaren moeten deze effecten hiervan op de ramingen duidelijk
worden. Hetzelfde geldt voor de ontwikkelingen op het beperken van de administratieve
lasten, en nieuwe vormen van opleiden.
2. Opleidingen bekostigd via de begroting van het Ministerie van VWS
(Profiel)artsen Maatschappij en Gezondheid
Om over voldoende artsen te beschikken voor de uitvoering van de publieke gezondheidszorg
subsidieert het Ministerie van VWS de opleidingen tot arts infectieziektebestrijding,
jeugdarts, medisch milieukundige, arts tuberculosebestrijding en de donorarts (profielartsen).
Daarnaast wordt subsidie beschikbaar gesteld voor het verder opleiden van deze profielartsen
tot arts Maatschappij en Gezondheid (arts M+G). De bovenstaande opleidingen worden
structureel gefinancierd middels een instellingssubsidie aan de Stichting beroepsopleiding
huisartsen (SBOH). De opleidingen tot arts M+G zijn erkende duale medische vervolgopleidingen
en zijn verdeeld in 2 fasen. De eerste profielfase duurt 2 jaar. Na afronding van
de eerste fase volgt inschrijving in het betreffende profielregister van de KNMG.
Daarna kan de profielarts KNMG de 2e fase opleiding tot arts M+G volgen; wederom 2-jarig.
Sinds januari 2019 zijn de artsen, die de profielopleidingen volgen, ondergebracht
bij één landelijke werkgever, de SBOH. Dit is een van de maatregelen om de instroom
in deze opleidingen te verhogen en het verder opleiden van deze profielartsen tot
arts M+G te faciliteren. De instellingssubsidie SBOH is in het afgelopen jaar in het
kader van de SEA (strategische evaluatie agenda) positief geëvalueerd. De afgelopen
jaren is door het Ministerie van VWS meer en meer geïnvesteerd in deze opleidingen.
Binnen het reeds op de begroting beschikbare budget – waaronder middelen die reeds
gereserveerd waren in afwachting van de verwachte ophoging van de instroomadviezen
– zijn voor de Jeugdartsen 1e fase (+9) en MMK-artsen (+5) kleine uitbreidingen voorzien.
3. Initiële opleidingen
Geneeskunde
Het Ministerie van OCW bekostigt op dit moment 2.984 opleidingsplaatsen voor de opleiding
Geneeskunde. Het Capaciteitsorgaan adviseert vanwege o.a. vervangingsvraag en demografische
groei het maximale aantal op te leiden basisartsen vast te stellen op 3.330. Dit aantal
is fors hoger (+346) dan eerdere rapporten van het capaciteitsorgaan, waar het advies
al geruime tijd op 2.850 opleidingsplaatsen lag.
Tandheelkunde
Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen
(+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Deze stijging komt door demografische groei en
stijging van de complexere zorgvraag. Op dit moment worden er 290 opleidingsplaatsen
door het Ministerie van OCW bekostigd.
Op dit moment worden bovenstaande adviezen voor geneeskunde en tandheelkunde door
mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk
is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die
hiervoor nodig zijn (Geneeskunde 97,7 mln., Tandheelkunde 27,1 mln. structureel).
Mondzorgkunde
Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de hbo-opleiding mondzorgkunde te verhogen
(+28) naar 381 opleidingsplaatsen. Deze stijging komt door een hogere inschatting
van het aantal werkzaamheden door taakdelegatie vanuit de tandartsen en een sterke
stijging van zowel de demografische- als de niet-demografische zorgvraag.
Verpleegkundig specialist en physician assistant
De (master) opleidingen tot verpleegkundig specialist en physician assistant zijn
duaal en bestaan zowel uit werken als leren. De Minister van OCW financiert de binnenschoolse
kosten. Het Ministerie van VWS financiert met de subsidieregeling Opleiding tot advanced
nurse practitioner en opleiding tot physician assistant de buitenschoolse kosten.
Het voorkeursadvies voor de physician assistant en Verpleegkundig specialist AGZ ligt
hoger dan het voorgaande advies. Het advies is om jaarlijks 320 personen in te laten
stromen in de opleidingen tot physician assistant, 256 in de opleidingen tot verpleegkundig
specialist-GGZ en 594 in de opleidingen tot verpleegkundig specialist-AGZ.
De stijging in het advies van physician assistant /verpleegkundig specialist is in
lijn met de beweging uit het AZWA die inzet op een evenwichtige arbeidsmarkt, toegankelijkheid
van zorg, passende zorg en versterking van de eerste lijn.
Samen met de Minister van OCW streef ik er daarom naar om de adviezen voor mondzorgkunde,
verpleegkundig specialist en physician assistent volledig over te nemen. Hiervoor
zijn echter additionele middelen nodig (13,4 mln. structureel), die ik voornemens
ben te dekken binnen de begroting van VWS en OCW. Ik zal u hierover na de augustusbesluitvorming
informeren.
Ik sluit af met de boodschap dat ik blij ben dat ik het gros van de ramingen kan overnemen.
In enkele gevallen moet dit nog worden bezien. Daarbij staat voor mij de belangrijke
rol van de huisarts, de verpleegkundig specialist en de physician assistant in de
gewenste beweging naar de voorkant, centraal. Ik zal de komende tijd het gesprek voeren
met het Ministerie van OCW over het advies van het capaciteitsorgaan om meer plekken
beschikbaar te stellen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Bijlage - Advies Capaciteitsorgaan en beschikbare opleidingsplaatsen voor 2027
Opleiding
Advies CO
Instroom 2027 in personen
Medisch specialist
1.320
1.320
Huisartsgeneeskunde
1.026
1.026
Arts Jeugdgezondheidszorg fase 1
108
80
Arts Jeugdgezondheidszorg fase 2
41
41
Arts Medisch Milieukundige fase 1
6
6
Arts Medisch Milieukundige fase 2
4
4
Arts Tuberculosebestrijding fase 1
2
1
Arts Tuberculosebestrijding fase 2
2
1
Arts Infectieziektebestrijding fase 1
14
14
Arts Infectieziektebestrijding fase 2
19
19
Donorarts fase 1
6
6
Specialist ouderengeneeskunde
245
245
Arts-verstandelijk gehandicapten
34
34
Verslavingsarts
23
23
Gezondheidszorgpsychologie
1.240
6911
Psychotherapie
156
156
Klinische psychologie
210
210
Klinische neuropsychologie
19
19
Verpleegkundig specialist GGZ
256
Nnb1
Physician Assistant
320
Nnb1
Verpleegkundig specialist AGZ
594
Nnb1
Initiële opleiding geneeskunde
3.330
Nnb (OCW)1
Initiële opleiding tandheelkunde
386
Nnb (OCW)1
Initiële opleiding mondzorgkunde
381
Nnb (OCW)1
X Noot
1
Toelichting
Hierna volgt een toelichting waarvoor een specifieke situatie geldt.
Donorarts
De opleiding tot donorarts start om de 2 jaar, waarbij er voor de 1e fase van de opleiding om de twee jaar een klas van 6 instromers start.
Gezondheidszorgpsycholoog
Het demografisch scenario minus de onbeschikte plekken wordt beschikbaar gesteld.
Verpleegkundig specialist / Physician Assistant
De 2-jarige opleiding wordt bekostigd middels een subsidie van het Ministerie van
VWS en door het Ministerie van OCW. Informatie volgt na augustusbesluitvorming.
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport