Brief regering : Voortgang aanpak voortijdig schoolverlaten
26 695 Voortijdig school verlaten
Nr. 146
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 mei 2026
Achter elke voortijdig schoolverlater (vsv’er) zit een persoonlijk verhaal en onbenut
talent. Met een startkwalificatie lopen jongeren een kleiner risico op werkloosheid,
schulden en langdurige financiële afhankelijkheid van uitkeringen en toeslagen. Jongeren
die hun opleiding succesvol afronden hebben meer zelfvertrouwen en ervaren later in
hun leven minder mentale problemen en een betere fysieke gezondheid. Onderwijs is
nodig voor voorruitgang op de arbeidsmarkt en in het leven. Minder schooluitval betekent
voor werkgevers een beter opgeleide beroepsbevolking en minder personeelstekorten.
Het voorkomen van vsv blijft daarom een topprioriteit.
Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs
en Emancipatie, over de voortgang van de aanpak van voortijdig schoolverlaten, en
markeer ik het begin van een volgende fase waarin de focus verschuift van ontwikkeling
en planvorming naar uitvoering in de praktijk. Allereerst ga ik in op de nieuwe voorlopige
cijfers en de aangepaste vsv- doelstelling. Vervolgens geef ik aan hoe ik het aantal
nieuwe vsv’ers verder wil verminderen met onder andere de maatregelen in de Wet van
school naar duurzaam werk en de ondersteuning aan Doorstroompunten1, gemeenten en scholen bij de uitvoering van hun regionale plannen. Ook schets ik
hoe ik de komende jaren zicht en grip houd op de problematiek rondom vsv.
Verdere daling van het aantal vsv’ers noodzakelijk
De nieuwe voorlopige cijfers laten een stabiel beeld zien.2 Het aantal nieuwe vsv’ers in het voortgezet onderwijs (vo) en het mbo is gedaald
van 29.163 in studiejaar 2023–2024 naar 28.809 in studiejaar 2024–2025. Relatief gezien
is het percentage nieuwe vsv’ers gelijk gebleven, namelijk ruim 2% van het totaal
aantal jongeren met een stijging in het vo en een daling in het mbo. Dit resultaat
vind ik onvoldoende en deze cijfers onderstrepen dat een verdere en scherpere daling
noodzakelijk is. Verder blijkt dat circa 9% van de jongeren tussen de 15 en 27 jaar
(met en zonder startkwalificatie) geen onderwijs volgt en niet werkzaam is (de NEET-jongeren).3
Figuur 1: Voortijdig schoolverlaters
De Wet van school naar duurzaam werk introduceert een ruimere definitie van een voortijdig
schoolverlater en een vernieuwde aanpak. De doelgroep wordt verbreed van jongeren
van 12 tot 23 jaar zonder startkwalificatie, naar jongeren van 12 tot 27 jaar, omdat
jongeren na hun 23e vaak nog ondersteuning nodig hebben bij de overstap naar een vervolgopleiding
of duurzaam werk.4 De vsv- definitie in de werkagenda mbo blijft hierbij ongewijzigd. Daarin is afgesproken
om te streven naar minder dan 18.000 nieuwe vsv’ers (12 tot 23 jaar) in 2026 en de
scholen blijven met de werkagenda mbo aan het behalen ervan werken. Met de verbreding
van de doelgroep naar 27 jaar wordt hierop voortgebouwd. Door de ruimere definitie
worden circa 28% meer jongeren meegeteld. Daarom zetten we erop in dat er maximaal
23.000 vsv’ers (12 tot 27 jaar) in studiejaar 2029/2030 zijn. Gecorrigeerd voor deze
verbreding blijft het ambitieniveau gelijk.
Met de Wet van school naar duurzaam werk hoop ik een doorbraak te realiseren in de
daling van het aantal vsv’ers. In de nieuwe aanpak werken gemeenten, scholen en de
regionale Doorstroompunten nauw samen om te voorkomen dat jongeren voortijdig uitvallen
en om jongeren die zijn uitgevallen terug te begeleiden naar een opleiding, een leerwerktraject
of een baan. Ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid en in onderlinge afstemming.
Door regionaal de krachten te bundelen kunnen deze partijen sneller signaleren en
gerichter hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak moet leiden tot een versnelde
daling van het aantal vsv’ers.
Tegelijkertijd ben ik ook realistisch en besef ik dat partijen tijd nodig hebben om
te leren, elkaar te vinden en om de nieuwe samenwerking soepel te laten verlopen.
Gedurende de looptijd van de regionale programma’s ontstaat ook steeds meer zicht
op welke maatregelen wel of niet werken. De programma’s zijn dan ook geen statisch
gegeven en kunnen gedurende de looptijd worden gewijzigd op initiatief van de regio
en zo steeds verbeteren en effectiever worden.
Van planvorming naar uitvoering: regionale samenwerking
De Wet van school naar duurzaam werk is op 1 januari 2026 in werking getreden en daarmee
is een volgende fase gestart: die van uitvoering. De regionale programma’s worden
uitgevoerd door de contactgemeente, de contactschool en de centrumgemeente(n)5 namens scholen en gemeenten. In de regionale programma’s zijn onder andere samenwerkingsafspraken
tussen deze partijen gemaakt over de uitvoering van de wettelijke taken. Ook kunnen
zij aanvullende maatregelen treffen voor de meest kwetsbare jongeren met inzet van
het regionale budget. Scholen, gemeenten en Doorstroompunten zijn vervolgens gezamenlijk
verantwoordelijk voor een succesvolle begeleiding van jongeren naar onderwijs, werk
of een combinatie van beide.
Veel regionale programma’s bevatten effectieve aanpakken in het vroegtijdig signaleren
en begeleiden van jongeren om vsv te voorkomen of terugkeer naar het onderwijs mogelijk
te maken. Met de inzet van overstapcoaches, praktijkgerichte loopbaanbegeleiding met
betrokkenheid van werkgevers, extra zorg in en rond de school en regionale informatiesystemen
blijven jongeren beter in beeld. Tegelijkertijd zie ik dat een goede invulling van
de wettelijke taken nog een uitdaging is; het regionale budget is bedoeld in aanvulling
op, niet ter uitvoering van de eigen wettelijke taken. Partners in de regio’s kunnen
dus nog winst behalen door het beschikbare budget meer te gebruiken voor maatregelen
voor de meest kwetsbare jongeren, zoals die met meervoudige problematiek6 en een verhoogd risico op uitval. En door nadrukkelijker de onderlinge samenhang
te zoeken en meer zicht te krijgen op elkaars uitdagingen en verantwoordelijkheden.
Verder zie ik de behoefte om mogelijkheden te verkennen voor meer maatwerk en innovatieve
aanpakken bij complexe, domeinoverstijgende problematiek. Soms wordt hiervoor nog
te weinig ruimte ervaren in wet- en regelgeving.
Lifecoaches
Goede ervaringen met Lifecoaching in Leeuwarden zijn voor de arbeidsmarktregio Friesland
(Fryslân Werkt) reden geweest om dit ook in Zuidwest Friesland in te zetten en deze
taak te beleggen bij het Doorstroompunt. De lifecoach richt zich vooral op vsv’ers
en jongeren die geen werk hebben en die met verschillende problemen tegelijkertijd
worstelen. Deze jongeren groeien bijvoorbeeld op in armoede en in instabiele gezinnen
en vaak accepteren of vermijden zij aangeboden hulp. Onderzoek laat zien dat de inzet
van Lifecoaching bijdraagt aan een sterke positieve ontwikkeling van de jongeren op
thema’s als participatie, mentaal welzijn en sociale relaties. Uniek is de sterke
focus op (zelf)vertrouwen en blijven volhouden. Ook na de coaching blijven lifecoaches
beschikbaar.
Overstapcoaches
Tijdens het overstapmoment van vo naar mbo worden jongeren geconfronteerd met een
verandering in leeromgeving, verwachtingen en verantwoordelijkheden. Dit geldt met
name voor de overstap van praktijkonderwijs (pro), voortgezet speciaal onderwijs (vso)
en de Internationale Schakelklas (ISK)7 naar het mbo. De overstapcoaches ondersteunen jongeren intensief in deze fase. Ze
fungeren als spin in het web tussen de vo-school, het mbo, ouders, gemeenten en zorgpartners
en zijn een vertrouwd gezicht voor jongeren tijdens een spannende periode. Hierdoor
worden belemmeringen vroeg gesignaleerd, neemt het risico op vastlopen af en stroomt
de doelgroep beter voorbereid in. In de regio Zuid-Holland-Noord is de effectiviteit
van de overstapcoach gemonitord in de jaren 2021 t/m 2023. Daaruit blijkt dat van
de gecoachte vsv-doelgroep jaarlijks rond de 95% succesvol de overstap maakt naar
het mbo.
Aanvullende loopbaanbegeleiding, ook na diplomering
Met de nieuwe wet wordt aanvullende loopbaanbegeleiding, ook na diplomering een structurele
taak voor scholen. De reguliere loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) was al verplicht
voor alle studenten en de meeste studenten kunnen hiermee soepel een baan of vervolgopleiding
vinden, maar sommige studenten hebben meer nodig. Aanvullende begeleiding start tijdens
de opleiding, maar kan ook na het afronden van de studie worden voortgezet. De ondersteuningsbehoefte
van een student kan bijvoorbeeld bestaan uit blijvende of intensieve ondersteuning
om de student duurzaam naar werk te begeleiden.
Inzet van AI bij het bereiken en ondersteunen van gediplomeerden
Het Scheepvaart en Transport College gebruikt de AI-gestuurde chatbot Annie Advisor
om (oud)-studenten te bereiken. Annie neemt via Whatsapp contact op met (oud)studenten
zodat zij laagdrempelig hun ondersteuningsbehoeften kunnen aangeven, waarna de school
persoonlijk contact zoekt met de student om hier gericht op door te pakken. Via deze
laagdrempelige aanpak worden studenten op het juiste moment benaderd en waar nodig
toegeleid naar passende ondersteuning binnen de school. De eerste resultaten in de
regio Rotterdam zijn veelbelovend: meer dan 50% van de studenten reageert, en bij
meer dan 10% is sprake van een ondersteuningsbehoefte.
Aan de slag met een lerende aanpak en goede ondersteuning
Regio’s hebben geld ontvangen om hun taken en regionale programma’s goed uit te voeren
en kunnen rekenen op een landelijk ondersteuningsaanbod waar ook mijn ministerie en
het Ministerie van SZW bij zijn aangesloten.8 Onderdeel daarvan is het organiseren van informatiebijeenkomsten, het maken van handreikingen,
het verspreiden van goede voorbeelden, het leveren van data over uitval aan regio’s
en het faciliteren van kennisuitwisseling. Informatie over de nieuwe wet- en regelgeving
en ondersteuning bij de uitvoering wordt ook centraal ontsloten via een landelijke
website.9
Regio’s worden bijvoorbeeld ondersteund met gegevens die meer duiding geven aan de
uitvalcijfers. Zo zien we in het mbo een trend, waarbij het percentage vsv’ers dat
na 1 jaar nog steeds uitgevallen is, de laatste jaren daalt en dat het aantal vsv’ers
dat terugkeert in het onderwijs toeneemt. Ook zijn er verschillen tussen de mbo-niveaus.
Zo zijn veel uitvallers op de mbo-niveaus 1 en 2 (respectievelijk 56% en 43%) na 1
jaar nog vsv’er en keert circa 15% terug in het onderwijs, terwijl op de mbo-niveaus
3 en 4 ongeveer 30% vsv’er blijft en 30% terugkeert in het onderwijs. In het vo zien
we de afgelopen jaren een trend waarbij het percentage vsv’ers dat na 1 jaar nog vsv’er
is gelijk blijft (circa 50%) en een stijgend aantal vsv’ers dat niet terugkeert in
het onderwijs maar aan het werk gaat. Dit baart ons zorgen omdat deze groep relatief
jong is.
In aanloop naar inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn er handreikingen opgesteld
over aanvullende loopbaanbegeleiding voor pro/vso10 en mbo11, waarover in maart een bijeenkomst is gehouden. Hiermee geef ik invulling aan de
motie van het lid Soepboer12 over het opstellen van een praktische handreiking om documentatie en disproportionele
administratieve lasten bij de uitvoering van de nazorgplicht te verminderen. Om uitvoering
te geven aan de motie van de leden Ceder en Krul13 wordt de komende periode, in overleg met Ingrado verkend hoe een handreiking voor
begeleidingsprogramma's van jongeren met een vervangende leerplicht vorm kan krijgen.
Een analyse van de werking van de regionale programma’s zal worden gecombineerd met
de evaluatie van de Wet van school naar duurzaam werk in 2028. Met deze evaluatie
wordt de motie van de leden Ceder en Oostenbrink14 over het evalueren van de samenwerking binnen de Doorstroompuntregio's en arbeidsmarktregio’s
en de motie van het lid Oostenbrink15 over het voorkomen van grote verschillen tussen regio’s, afgedaan.
Behouden van zicht en grip
Met het nieuwe vsv-/NEET-dashboard houd ik de komende jaren beter zicht en grip, ook
op de achterliggende problematiek. Het dashboard geeft inzicht in aantallen uitvallers,
trends, regionale verschillen en de kenmerken van jongeren in een kwetsbare positie.
Nederland loopt hiermee voorop in Europa, omdat het dashboard de verantwoordelijke
partijen in staat stelt om vsv systematisch en gedetailleerd te monitoren. Regio’s
gebruiken de resultaten van het dashboard om jaarlijks verantwoording af te leggen
over de resultaten van de regionale programma’s in hun effectrapportages. Ze gebruiken
de data verder om een goede regionale analyse te maken en gericht interventies in
te zetten om vsv en het aantal NEET-jongeren terug te dringen. Daarnaast heb ik ook
onderzoek laten uitvoeren naar effectieve interventies voor een soepele overgang van
het vso naar het mbo, zodat de aansluiting voor kwetsbare jongeren kan worden verbeterd.
De uitkomsten hiervan treft u als bijlage bij deze brief aan. Scholen kunnen ook gebruik
maken van de Loopbaanmonitor. Zij kunnen daarmee zicht houden op het succes van hun
studenten wanneer zij de stap hebben gezet naar de arbeidsmarkt.
Het CBS heeft een model ontwikkeld waarmee het risico op vsv per regio voorspeld kan
worden.16 Op basis van dit model zijn ook de financiële middelen per regio verdeeld. In de
komende periode zal het CBS onderzoek blijven verrichten naar de indicatoren die van
invloed zijn op vsv. Binnen de mbo-onderwijssector zelf bestaan ook mooie initiatieven
om meer zicht te krijgen op oorzaken en oplossingen van vsv. Bijvoorbeeld door praktijkgericht
en wetenschappelijk onderzoek, zoals het Kompas Kansrijk van mbo naar werk en het werk van het Practoraat Passend Onderwijs van ROC Midden Nederland om uitval
in het mbo te voorkomen.
Slot
Onze inzet is helder: iedere jongere moet begeleid worden naar een startkwalificatie
of duurzaam werk. Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk
komt het nu aan op het uitvoeren van de regionale programma’s om voortijdig schoolverlaten
structureel terug te dringen. Ik moedig partijen aan om hiermee met frisse energie
aan de slag te gaan, zodat jongeren met gerichte ondersteuning weer kansen krijgen
in het onderwijs of bij een werkgever.
mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap