Brief regering : Van passend naar inclusief onderwijs
31 497 Passend onderwijs
Nr. 513
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 mei 2026
Onderwijs biedt kinderen vooruitgang en daar heeft elk kind1 recht op. Onderwijs begint bij contact tussen leraren en kinderen in een klas met
leeftijdsgenoten. Dat blijkt niet voor alle kinderen vanzelfsprekend, doordat het
huidige schoolsysteem soms onvoldoende aansluit bij hun uiteenlopende behoeften en
talenten, waardoor sommige kinderen vastlopen. Dat heeft impact op de kinderen en
hun ouders, maar ook op scholen en de samenleving. Het is de opdracht aan onderwijs
en overheid om te zorgen dat er goed onderwijs is voor ieder kind. Idealiter biedt
Nederland inclusief onderwijs, waarin ieder kind op een school in de buurt een plek
heeft, gezien wordt en met klasgenoten samen leert, waar nodig met speciale ondersteuning.
Voor sommige kinderen echter, zal een gespecialiseerde voorziening (en maatwerk) het
best passend zijn.
Werken aan inclusief onderwijs betekent vooral werken aan kwalitatief goed onderwijs
voor alle kinderen. We verleggen de focus van het individu naar het collectief. Met
een sterke pedagogische basis en schoolklimaat is er niet alleen ondersteuning voor
kinderen die iets extra’s nodig hebben: er zijn dan goede scholen voor alle kinderen.
Internationaal onderzoek2 laat zien dat goed onderwijs begint met een sterk schoolklimaat.3 Met een sterk schoolklimaat wordt een pedagogische en didactische leeromgeving bedoeld
die veilig, ondersteunend en stimulerend is. Een sterk schoolklimaat wordt gekenmerkt
door positieve relaties, duidelijke regels en (hoge) verwachtingen. Het doel is om
een omgeving te creëren waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n sterk schoolklimaat
leidt tot betere leerprestaties, motivatie en welbevinden van kinderen.4 Het draagt bovendien bij aan een prettig werkklimaat voor leraren. Een sterk schoolklimaat
maakt onderdeel uit van een bredere pedagogische basis in en om de school. De pedagogische
basis is het geheel van sociale relaties en situaties die bijdragen aan het opgroeien
en opvoeden van kinderen, zowel tijdens als na schooltijd.5
In de ontwikkeling naar inclusief onderwijs is en wordt er hard gewerkt aan passend
onderwijs. Dat gaat met wisselend succes en stap voor stap. Vanuit de opdracht uit
het Coalitieakkoord 2026–20306
Aan de slag werken we samen met het onderwijsveld en andere betrokkenen in het sociaal domein
aan de verbeteringen die nodig zijn om alle leerlingen zich goed te laten ontwikkelen.
Ik stuur deze brief mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Samen
werken wij aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere
school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de
school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp en zorgen we
dat de expertise van het gespecialiseerd onderwijs meer binnen de scholen ingezet
wordt. Zo creëren we een ondersteunende schoolcontext waarin professionals effectief
en duurzaam bijdragen aan een inclusieve leeromgeving. Bijvoorbeeld door met het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet van VWS in te zetten op een wederzijdse plicht voor gemeenten en scholen om afspraken
te maken over de samenwerking tussen lokale teams en scholen.7 Daarbij investeert het Ministerie van OCW vanaf 2027 650 miljoen euro per jaar in
de programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden. En we werken
aan kwalitatief goed onderwijs via het Masterplan Basisvaardigheden en de Nationale
Aanpak Professionalisering van Leraren (NAPL).
Met deze brief komt de regering tegemoet aan het verzoek van uw Kamer om de geleerde
lessen uit de vele onderzoeken en rapporten te vertalen in beleidsopties, te verankeren
in wetsvoorstellen en deze samen met een uitvoeringsagenda naar de Tweede Kamer te
sturen.8 Dit geldt ook voor de toezegging om voorafgaand aan het commissiedebat passend onderwijs
d.d. 27 mei 2026 een brief te sturen naar uw Kamer over onder andere de maatregelen
die worden genomen over de thuiszittersproblematiek.9
Leeswijzer
I Knelpunten en succesfactoren
II Inclusief onderwijs in 2035
III Verbeteraanpak passend onderwijs en samenwerkingsverbanden
IV Voorkomen en terugdringen van schoolverzuim
Bijlages: 1. Uitwerking maatregelen passend onderwijs; 2. Overige moties en toezeggingen
en 11 bijgevoegde rapporten en onderzoeken.
I. Knelpunten en succesfactoren
Het onderwijsveld loopt, samen met diverse samenwerkingspartners, dagelijks tegen
verschillende knelpunten aan in het bieden van passende ondersteuning aan kinderen.
Hieronder zetten we een aantal belangrijke knelpunten op een rij:
1. Een sterk schoolklimaat behoeft meer aandacht
Onderzoek laat zien dat een sterk pedagogisch-didactisch schoolklimaat met leraren
die hoge verwachtingen van leerlingen hebben10 bijdragen aan betere leerprestaties, meer welbevinden en hogere betrokkenheid van
leerlingen. Een minder ondersteunende omgeving zorgt voor hogere werkdruk en stress
van leraren.11
12 Uit de Staat van het onderwijs 202613 blijkt dat onvoldoende leskwaliteit in het po vooral samenhangt met onvoldoende afstemming
op verschillen tussen kinderen. In het vo en het (v)so speelt even vaak dat het leerklimaat
niet op orde is waardoor leerlingen niet goed tot leren komen. In het vo gaat 30%
van de lestijd verloren door onvoldoende effectief klassenmanagement.14 49% van de onderzochte vo-scholen, 25% van de onderzochte po-scholen en 15% van de
onderzochte (v)so-scholen krijgt een herstelopdracht op pedagogisch handelen.
2. Leraren voelen zich onvoldoende toegerust en ondersteund om goed onderwijs te bieden
aan alle leerlingen en expertise bereikt leraren onvoldoende
Leraren geven aan dat ze tijdens en na hun opleiding niet genoeg worden toegerust.15 Door gebrek aan extra capaciteit komen ze onder andere onvoldoende toe aan het bieden
van extra instructie, maatwerk en differentiatie16 waardoor de kwaliteit van het onderwijs en het aanleren van basisvaardigheden onder
druk staan. Dit vergroot ook het risico op uitval van (startende) leraren. Onderzoek
van de AOb, CNV en FvOv laat zien dat leraren ervaren dat op dit moment ook professionalisering
op het gebied van passend en inclusief onderwijs onder druk staat.17 Daarnaast bereikt beschikbare expertise leraren en schoolteams onvoldoende. De kennis
is versnipperd en wordt regionaal verschillend georganiseerd door de grote autonomie
van samenwerkingsverbanden en schoolbesturen.18 Op schoolniveau belemmeren werkdruk, organisatorische fragmentatie en beperkte kennisdeling
het optimaal benutten van de expertise. Bovendien vindt ondersteuning door externe
experts vaak plaats in adviesgesprekken na schooltijd, wat niet altijd aansluit bij
de behoeften van leraren.
3. Denken in labels vormt een belemmering voor inclusief onderwijs
Het denken in labels, in plaats van vooral te kijken naar de context van het kind,
en het op basis van deze labels doorverwijzen en uitsluiten is diep verankerd in systemen
en praktijken binnen onderwijs, zorg en beleid. Daardoor worden verschillen vooral
benaderd als individuele tekortkomingen van het kind die gecompenseerd moeten worden,
in plaats van aanleiding om het onderwijs en de omgeving aan te passen.19 Dit staat de ontwikkeling van een inclusieve schoolcultuur structureel in de weg.
4. Groei en de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs
Het aantal kinderen dat gespecialiseerd onderwijs volgt groeit.20 Ieder half jaar monitoren we de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs. Daarover
ontvangt uw Kamer als bijlage 4 en 5 twee rapporten.21 Conform de motie Oostenbrink (BBB)22is hierbij ook gekeken naar de regionale verschillen. Momenteel vindt verdiepend onderzoek
plaats naar de oorzaken van de groei in het gespecialiseerd onderwijs en worden mogelijke
regionale oplossingen verkend in gesprek met samenwerkingsverbanden en scholen.23 Recent onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (zie bijlage 6) laat zien dat
het aantal leerlingen dat tussendoor vanuit het gespecialiseerd onderwijs naar het
regulier onderwijs doorstroomt beperkt is.
5. Grote uitdagingen in de jeugdhulpketen
Er is een grote wisselwerking tussen de uitdagingen in het onderwijs en de jeugdhulp.
Nog te vaak ontbreekt er een passend aanbod voor kinderen en de wachttijden in de
jeugdzorgketen zijn (te) lang. Gevolg is dat leerlingen langer met (multi)problematiek
blijven rondlopen, wat gevolgen heeft voor het functioneren in de klas en de druk
voor de leraar vergroot.
Succesfactoren
We stellen ook vast dat dingen al goed gaan:
1. De inzet van expertise van het gespecialiseerd onderwijs in het regulier onderwijs
Ruim honderd scholen nemen sinds schooljaar 2024–2025 deel aan de beleidsregel inclusieve leeromgeving.24 Deze beleidsregel geeft scholen in het regulier en gespecialiseerd onderwijs meer
ruimte om samen te werken. Met de beleidsregel kunnen alle (of een deel van de) leerlingen
van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of speciaal basisonderwijs volledig
onderwijs volgen op een reguliere school. De leerlingen krijgen extra ondersteuning
uit het gespecialiseerd onderwijs. Zo kunnen leerlingen die eerder onderwijs kregen
op een school voor gespecialiseerd onderwijs verder weg van huis nu met de juiste
ondersteuning naar een school in de buurt. Dit draagt bij aan het verbeteren van de
ondersteuning van kinderen en leraren. Het is de bedoeling dat het aantal deelnemende
scholen de komende jaren groeit. Aan de beleidsregel is een onderzoek gekoppeld, zodat
we met en van de scholen die deelnemen kunnen leren. De deelnemende scholen worden
ondersteund door het Steunpunt Passend Onderwijs.
2. Voorlopers inclusief onderwijs
Er is een groeiende groep voorlopers die – ook buiten de beleidsregel inclusieve leeromgeving
om – stappen maakt naar inclusief onderwijs. Deze voorlopers laten zien dat er al
heel veel mogelijk is en dat ze hier goede resultaten mee bereiken voor alle kinderen.
Vanuit het groeifondsprogramma Ontwikkelkracht25 fungeren een aantal inclusieve scholen als expertiseschool26 en ondersteunen zij andere scholen met het creëren van een inclusieve cultuur.
3. Samen werken in het sociaal domein
De Ministeries van SZW, OCW, VWS, BZK, VRO en JenV werken samen aan een Sociale Agenda
voor Nederland. Daarbij is het idee vraagstukken aan te pakken op het snijvlak van
onder meer jeugdhulp- en zorg, kinderopvang, schuldhulpverlening, onderwijs, veiligheid,
huisvesting en geestelijke gezondheidszorg. We zijn voornemens te werken aan structurele
verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein. Een van de doelen
vanuit onderwijs is dat ieder kind zijn of haar talent kan benutten, doordat factoren
die het kind in de ontwikkeling belemmeren worden aangepakt vanuit een integrale aanpak.
De komende jaren verzetten we samen met de onderwijs- en zorgpartijen veel werk om
scholen en leraren te ondersteunen in het bieden van kwalitatief goed en inclusief
onderwijs. De succesfactoren laten zien dat de eerste stappen zijn gezet, maar er
is meer nodig voor de transitie van passend naar inclusief onderwijs.
II. Inclusief onderwijs in 2035
De ambitie van inclusief onderwijs is uitgewerkt in het beleidskader Met elkaar voor alle kinderen en jongeren.27 De ambitie is gebaseerd op beleidsontwikkelingen op nationaal en internationaal niveau.
Ook is input meegenomen van vertegenwoordigers van de onderwijs- en zorgpraktijk,
wetenschappers en ervaringsdeskundige jongeren uit het regulier en gespecialiseerd
onderwijs.
Definitie inclusief onderwijs:
Inclusief onderwijs is onderwijs waarbij alle kinderen en jongeren dichtbij huis,
volwaardig en gelijkwaardig toegang hebben tot een inclusieve leeromgeving waarin
zij zich samen ontwikkelen en samen leren en participeren.
Het beleidskader is een uitwerking van het VN-Verdrag Handicap (2016)
28
en het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind
(1989)
29. Het sluit aan bij de Nationale strategie
30 en de Werkagenda VN verdrag Handicap
31. Met het ondertekenen van de verdragen heeft Nederland zich gecommitteerd aan het
bevorderen van inclusie en het realiseren van inclusief onderwijs.
Speerpunten inclusief onderwijs
Inclusief onderwijs betekent een verandering van het onderwijslandschap. Door kennis
en expertise van het gespecialiseerd onderwijs, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en
zorg32 in te zetten in reguliere scholen kunnen meer kinderen naar een school in de buurt.
Inclusief onderwijs betekent daarbij niet simpelweg méér ondersteuning toevoegen aan
het huidige systeem, maar vraagt om het anders organiseren van goed onderwijs en om
intensieve samenwerking vanuit een gedeelde visie, over de grenzen van onderwijs,
jeugdhulp en zorg heen. Voor de kinderen die dat nodig hebben, blijven zo kort als
mogelijk en zo lang als noodzakelijk regionale en landelijke gespecialiseerde onderwijsvoorzieningen
beschikbaar. Samen met onderwijspartijen33 hebben wij drie speerpunten uitgewerkt die de komende periode leidend zijn in de
transitie naar inclusief onderwijs. We zien deze speerpunten als een eerste stap en
lichten ze hieronder toe. De transitie naar inclusief onderwijs vraagt daarnaast om
een transitieplan waarin de doelen, mijlpalen en activiteiten in samenhang beschreven
worden. Daar komen we later in deze brief op terug.
1. Sterk schoolklimaat
Het is belangrijk dat, zowel pedagogisch als didactisch, op alle scholen gewerkt wordt
aan een sterk schoolklimaat34 zodat alle kinderen kunnen participeren en leren. Een sterk schoolklimaat met schoolbrede
regels en afspraken op het gebied van leren en gedrag draagt bij aan veiligheid, rust
en structuur.
Praktijkvoorbeeld 1:
Een school met een sterk pedagogisch-didactisch schoolklimaat werkt schoolbreed met
duidelijke afspraken over klassenmanagement. In alle groepen wordt bijvoorbeeld gewerkt
met een vast dagritme, een zichtbaar dagprogramma en routines voor het starten en
afsluiten van lessen. Leraren gebruiken hulpmiddelen zoals een stoplicht of geluidmeter
om zichtbaar te maken wanneer zelfstandig gewerkt wordt, wanneer overleggen mag en
wanneer stilte nodig is. Ook werken alle groepen met dezelfde afspraken over binnenkomen,
materiaalgebruik, hulp vragen en overgangen tussen activiteiten. Het team spreekt
gezamenlijk af hoe instructies worden gegeven en hoe leraren reageren op gedrag. Zo
geven leraren korte, duidelijke instructies, controleren zij of kinderen de opdracht
begrijpen en benoemen zij gewenst gedrag positief («Ik zie dat groep 6 al rustig klaar
zit»). Bij ongewenst gedrag reageren leraren op een voorspelbare manier volgens dezelfde
schoolafspraken. Kinderen weten hierdoor wat er van hen verwacht wordt en ervaren
rust, veiligheid en duidelijkheid. Dit vergroot de betrokkenheid tijdens de les en
helpt gedragsproblemen voorkomen.
Dit is de basis voor goed onderwijs en goede ondersteuning. Met name in het gespecialiseerd
onderwijs, maar ook in het regulier onderwijs zijn er veel scholen die beschikken
over een sterk schoolklimaat. Zij laten zien hoe dit in de praktijk vorm krijgt en
succesvol is.
2. Een interdisciplinair schoolteam
De European Agency for Special Needs and Inclusive Education35 benadrukt dat inclusieve onderwijssystemen alleen effectief functioneren als alle
professionals in en om de school structureel en vanuit een gedeelde visie samenwerken.
Dat begint bij het benutten en versterken van de expertise binnen schoolteams. Daar
wordt de expertise van de partners om de school aan toegevoegd.
We stimuleren de schoolteams om interdisciplinair samen te werken. Waarbij multidisciplinair werken professionals vanuit hun eigen
expertise naast elkaar werken, worden bij interdisciplinair werken inzichten en methoden
geïntegreerd en dragen alle betrokkenen een gedeelde verantwoordelijkheid. De professionals
beschikken over diepgaande expertise op één vakgebied, zoals rekenen, gedrag of (hoog)begaafdheid
en werken effectief samen met collega’s door middel van co-teaching, coaching, consultatie
en samenwerking. Dit vergroot de handelingsbekwaamheid en creëert een onderwijscontext
waarin alle kinderen tot hun recht komen. Samenwerking met ouders is daarbij een essentieel
onderdeel.
Praktijkvoorbeeld 2:
Een leraar met een vraag op het gebied van storend gedrag van een kind in zijn of
haar klas betrekt een collega die gedragsspecialist is. De gedragsspecialist werkt
op een aantal momenten met de leraar en het kind in de klas. Samen komen ze tot de
conclusie dat het kind met name bij het zelfstandig werken door de klas roept en van
zijn plek loopt, omdat hij niet goed weet wat hij moet doen en hoe hij om hulp kan
vragen zonder de klas te storen. Er blijken meer kinderen te zijn die niet goed weten
wat er van ze verwacht wordt. De gedragsspecialist en de leraar passen de regels en
routines rondom het zelfstandig werken aan en oefenen deze met de hele klas, zodat
alle kinderen weten wat er van ze verwacht wordt tijdens het zelfstandig werken.
3. Transdisciplinair samenwerken met partners in de school
We stimuleren de professionals vanuit het samenwerkingsverband, het gespecialiseerd
onderwijs, kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp of de zorg om transdisciplinair samen te werken. Dit draagt bij aan een betere ondersteuning van kinderen en leraren
binnen de school. Binnen transdisciplinaire samenwerking werken professionals vanuit
verschillende disciplines, samen met ouders, kinderen, het schoolteam en andere betrokkenen,
over de grenzen van hun vakgebied heen aan één gezamenlijk doel. De expertise van
de verschillende professionals wordt niet alleen gedeeld maar ook geïntegreerd in
één gezamenlijke aanpak. Hierdoor wordt de expertise structureel verbonden, beter
benut en verandert de rol van de externe expert van de adviseur, die na schooltijd
aan de leraar komt vertellen wat er anders moet, naar een partner die samen met de
leraar in de klas werkt aan het in kaart brengen en oplossen van de hulpvraag. De
leraar heeft hierbij, samen met het schoolteam en de ouders, een cruciale rol. De
focus van de samenwerking ligt op dat wat de leraar, de klas of het team nodig heeft
om kinderen beter te ondersteunen. Door deze gezamenlijke aanpak sluit de ondersteuning
beter aan bij de context van de klas, wordt deze effectiever en kan zwaardere problematiek
voorkomen worden. Hulp en ondersteuning worden dicht bij het kind georganiseerd en
waar mogelijk op school. De kwaliteitscoördinator (intern begeleider) coördineert
samen met de schoolleider het interdisciplinair samenwerken, gericht op goede onderwijskwaliteit
binnen het team, en het transdisciplinair samenwerken met de externe partners.
Praktijkvoorbeeld 3:
De leraar en de begaafdheidsspecialist van de school slagen er ondanks hun inzet en
samenwerking met de ouders (en het kind zelf) onvoldoende in een hoogbegaafd kind
met gedragsproblematiek in ontwikkeling te brengen en te houden. Ze roepen de hulp
in van een externe specialist. De externe specialist voert samen met de leraar, de
begaafdheidsspecialist, de ouders (en het kind) een analyse uit aan de hand, waarvan
samen tot een onderwijs- en ondersteuningsaanbod gekomen wordt. De externe specialist
ondersteunt en coacht de leraar in de klas bij het implementeren van de aanpak. De
externe specialist sluit hierbij nadrukkelijk aan bij de behoeften van de leraar.
School speelt een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling
en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale
netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen.36 Dit kan door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij
schoolactiviteiten. Samenwerking met lokale partners zoals kinderopvang, bibliotheken
en sport- en cultuurverenigingen verrijkt de leeromgeving en het netwerk rondom kinderen.
Daarnaast kan de school indien noodzakelijk, voorzieningen bieden die thuis ontbreken,
zoals een warme maaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten.
Brugfunctionarissen, jeugdgezondheidszorg en professionals van lokale teams37 kunnen kinderen en ouders laagdrempelig ondersteunen bij signalen van bijvoorbeeld
armoede, stress of onveiligheid in het gezin. Door hun hulp kunnen leraren zich dan
vooral richten op lesgeven. Idealiter werken ook partners als de GGD, jeugdgezondheidszorg
en kind- en jongerenwerk nauw samen met het onderwijs.
Een schets van het onderwijslandschap van inclusief onderwijs in 2035
Samen met onderwijspartijen38 is een toekomstbeeld uitgewerkt op school-, regionaal en landelijk niveau. In 2035
hebben alle kinderen en jongeren dichtbij huis toegang tot een inclusieve leeromgeving.
Scholen beschikken over een sterk schoolklimaat en een stevige pedagogische basis.
Het schoolteam werkt interdisciplinair, en met de partners om de school wordt transdisciplinair
samengewerkt. Hierdoor kan een flink deel van de kinderen die op dit moment gespecialiseerd
onderwijs op een aparte locatie volgen naar een school in de buurt. Voor de kinderen
die dat nodig hebben blijven regionale en landelijke specialistische onderwijsvoorzieningen
beschikbaar waar zij zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk terecht kunnen.
Het kan hierbij gaan om een aparte klas of afdeling binnen een reguliere school of
om een aparte locatie. De school van herkomst blijft actief betrokken zodat het kind
wanneer dat mogelijk is weer terug kan naar de eigen school.
De schoolbesturen werken samen met de partners in de regio in een regionaal ondersteuningsnetwerk.
Vanuit dit netwerk wordt, ambulant of op een andere locatie, specialistische onderwijsondersteuning
aan kinderen geboden. De expertise van het gespecialiseerd onderwijs gaat op in de
regionale ondersteuningsnetwerken en in de landelijke specialistische onderwijsvoorzieningen.
Deze expertise wordt vanaf 2035 grotendeels in de reguliere scholen ingezet (scholen
voor iedereen). De regionale netwerken worden versterkt met de expertise die nu nog
door de huidige samenwerkingsverbanden passend onderwijs wordt geleverd. Vanuit de
regionale netwerken worden, naast ambulante ondersteuning, in elke regio één of meerdere
regionale specialistische onderwijsvoorzieningen ingericht voor kinderen met een zware
ondersteuningsbehoefte met een hogere prevalentie39. Daarnaast blijven er, zoals dat nu ook het geval is, een klein aantal landelijke
specialistische onderwijsvoorzieningen voor kinderen met een zware ondersteuningsbehoefte
met een lage prevalentie40 waarbij met name de zeldzaamheid en niet de zwaarte van de ondersteuningsbehoefte
maakt dat het van belang is een landelijke nationale voorziening voor deze kinderen
in te richten. We hebben bovendien de intentie om toe te werken naar één nationaal
expertisepunt, dat zorgt voor een structurele kennis- en ondersteuningsinfrastructuur
en een effectieve doorstroom van expertise naar de onderwijspraktijk.
De transitie naar inclusief onderwijs
Om daadwerkelijk de transitie naar inclusief onderwijs te maken is een breed gedragen
transitieplan essentieel. Vertegenwoordigers uit het onderwijs en van ouder- en leerlingenorganisaties
dringen ook aan op duidelijke stappen en mijlpalen in de transitie naar inclusief
onderwijs. Hierin zijn nog flinke stappen nodig, maar de bereidheid om hier gezamenlijk
de schouders onder te zetten is groot. OCW neemt de regie in het opstellen van een
transitieplan samen met de onderwijssector. Het afgelopen jaar heeft het Ministerie
van OCW al intensief samengewerkt met de PO-Raad, VO-raad, Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden
(ONSwv), Sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs, Sectorraad Praktijkonderwijs, Vivis
en Siméa. De koers zoals beschreven in deel II van de brief wordt onderschreven door
deze partijen. Met deze samenwerking is een basis gelegd waar we de komende periode
op verder willen bouwen met het bredere onderwijsveld. We werken daarbij intensief
samen met leraren, schoolleiders, schoolbesturen, samenwerkingsverbanden, lerarenopleidingen,
gemeenten, welzijn- en zorgpartijen, kinderopvang, ouders, jongeren en andere betrokkenen.
De lerarenvertegenwoordigers hebben recent een signaal gegeven over de zorgen die
zij hebben over de haalbaarheid van de ambitie richting inclusief onderwijs en de
randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.41 We begrijpen die zorgen en de resultaten laten zien dat het belangrijk is om samen
aan de slag te gaan. Ik vertrouw erop dat de AOb, CNV en FvOv met ons aan de slag
willen om de komende periode stappen te zetten.
Het beleidskader inclusief onderwijs geeft richting aan de transitie. In het transitieplan
vullen we dit verder aan op basis van praktijkervaringen en internationale inzichten.
Daarbij gebruiken we onder andere de input van de vijf themagroepen, met vertegenwoordigers
uit onderwijs en zorg, wetenschappelijke experts en voorlopers uit scholen, samenwerkingsverbanden
en gemeenten, die in 2025 gezamenlijk hebben gewerkt aan concrete adviezen op thema’s
als mindset en inclusieve cultuur, wetgeving, toezicht, ondersteuning in en om de
school en het toerusten van de leraar.42 Ook aansluiting bij lopende beleidsprogramma’s, zoals de Hervormingsagenda Jeugd
en de Werkagenda VN-verdrag Handicap en lopende wetsvoorstellen en beleidsinterventies,
is cruciaal. Zo wordt geborgd dat huidige interventies en beleidskeuzes bijdragen
aan goede ondersteuning voor kinderen én de ontwikkeling van inclusief onderwijs.
Gefaseerde aanpak
We streven ernaar dat in 2035 alle scholen inclusief onderwijs bieden. Voor de kinderen
die dat nodig hebben blijven gespecialiseerde onderwijsvoorzieningen beschikbaar:
zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk. Dit is een grote opgave die in relatief
korte tijd gerealiseerd moet worden. In deze brief is op hoofdlijnen geschetst hoe
het onderwijslandschap zich ontwikkelt in de beweging
naar inclusief onderwijs. De verdere invulling hiervan vraagt de komende periode om
nadere uitwerking in samenspraak met álle betrokken partijen.43 Daarbij is het van groot belang om juist ook de professionals van de werkvloer zelf,
leraren en schoolleiders, actief te betrekken. De beweging naar inclusief onderwijs
vraagt veel van hen in de dagelijkse praktijk en biedt tegelijkertijd ook kansen.
Door samen te werken ontstaat meer gedeelde verantwoordelijkheid en expertise van
collega’s en partners in en om de school wordt beter benut. Zo kan ook de gezamenlijke
schoolontwikkeling meer vorm krijgen, expertise in de school worden georganiseerd
en worden gewerkt aan een professionele cultuur waarin leraren elkaar ondersteunen
en versterken.
Ik kies voor een gefaseerde aanpak met elke drie jaar een ijkmoment (2029, 2032, 2035)
waarin ik samen met de veldpartijen vaststel welke vorderingen gemaakt zijn en wat
nodig is om de volgende stappen te zetten. Zo wordt het transitieplan telkens voor
drie jaar gevuld. Ik doe dat vanuit de 5 geformuleerde doelstellingen voor inclusief
onderwijs:
1. Alle kinderen zijn welkom op een school dichtbij huis;
2. Er is goede ondersteuning voor de kinderen en het schoolteam;
3. Alle kinderen leren en ontwikkelen zich;
4. Kinderen, hun ouders en het schoolteam hebben volwaardig en gelijkwaardig toegang
tot een inclusieve leeromgeving;
5. Alle kinderen participeren.
Het versterken van de ondersteuning aan kinderen en schoolteams is een noodzakelijke
randvoorwaarde voor inclusief onderwijs, beter onderwijs en sterkere basisvaardigheden.
Alleen wanneer de ondersteuning voor kinderen én het schoolteam op orde is, kan voldaan
worden aan de overige doelstellingen. De focus in fase 1 ligt dan ook op doelstelling 2: goede ondersteuning voor de kinderen en het schoolteam. In deze fase wordt gewerkt aan het leggen van de basis voor de ondersteuning die
nodig is om in de klas en regionaal de juiste ondersteuning te leveren die nodig is
om alle kinderen mee te laten doen. In fase 2 (2029–2032) zal de focus liggen op het daadwerkelijk gaan uitvoeren van deze ondersteuning en
het versnellen met realiseren van de andere doelstellingen. Fase 3 (2032–2035) is de fase waarin, de realisatie van fase 1 en 2 geoptimaliseerd
en duurzaam geborgd worden.
Fase 1: 2026–2029
De komende drie jaar wordt onder meer gewerkt aan:
1. De inrichting van een aantal noodzakelijke voorwaarden.
a. Huisvesting: Wat betekent inclusief onderwijs voor de onderwijshuisvesting en welke aanpassingen
zijn nodig aan schoolgebouwen? Om dit in kaart te brengen wordt onder andere gekeken
naar universele designmaatregelen, zoals beschreven in het rapport Bouwstenen voor
inclusieve scholen.44 Deze maatregelen worden momenteel in de praktijk getoetst binnen het Innovatieprogramma
Onderwijshuisvesting van het Nationaal Groeifonds, waarin wordt onderzocht hoe inclusieve,
gezonde, duurzame en adaptieve schoolgebouwen gerealiseerd kunnen worden.
b. Wetgeving: Om de beweging naar inclusief onderwijs mogelijk te maken en te bevorderen, is wijziging
van wet- en regelgeving nodig.45 De verplichtingen op grond van internationale verdragen en de aanbevelingen van daarop
toeziende VN-comités zijn daarbij een belangrijk uitgangspunt46. Om het recht op inclusief onderwijs in een reguliere school steviger te verankeren,
wordt onder andere onderzocht hoe de schotten in wet- en regelgeving tussen regulier
en speciaal onderwijs kunnen worden verlaagd of opgeheven. Met de beleidsregel Inclusieve
leeromgeving is al een eerste stap gezet, maar er is meer nodig. In dat kader worden
de implicaties en de knelpunten van de beweging naar inclusief onderwijs voor in ieder
geval de Wet op de expertisecentra (WEC), de Wet op het primair onderwijs (WPO), de
Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Leerplichtwet in kaart gebracht. Zo
is het bijvoorbeeld voor een kind dat staat ingeschreven op een school voor (voortgezet)
speciaal onderwijs momenteel wettelijk niet toegestaan om voltijds regulier onderwijs
te volgen.
c. Toezicht: Inclusief onderwijs vraagt om ander toezicht voor scholen, schoolbesturen, samenwerkingsverbanden
en zorgpartijen. In het kader van de beweging naar inclusief onderwijs zal samen met
de betrokken inspecties worden bezien wat aanpassing van wet- en regelgeving in het
kader van inclusief onderwijs betekent voor het toezicht op onderwijs, jeugdhulp en
zorg.
d. Geldstromen: Wanneer meer kinderen, die nu gespecialiseerd onderwijs volgen, onderwijs gaan volgen
op een reguliere school, vraagt dit om een andere verdeling van middelen. Een deel
van de zware ondersteuningsmiddelen die nu naar het gespecialiseerd onderwijs gaan,
zal dan bijvoorbeeld ingezet moeten worden in het reguliere onderwijs. We gaan onderzoeken
hoe de lichte en de zware ondersteuningsmiddelen het beste kunnen worden verdeeld
om inclusief onderwijs mogelijk te maken en op welke termijn.
e. Transitiekosten: De transitie naar inclusief onderwijs kan kosten met zich meebrengen. In lijn met
de motie Westerveld (GL-PvdA)47 over de financiële impact van de Werkagenda inclusief onderwijs, brengen we de transitiekosten
en de gevolgen voor de bekostiging in kaart.
f. Opleidingen leraren en schoolleiders: Voor het voldoende toerusten van leraren en schoolleiders ligt een belangrijke rol
bij opleidingen, zowel initieel als post-initieel. We brengen in kaart wat de startende
leraar en schoolleider moeten kennen en kunnen en welke kennis en vaardigheden op
welk moment in de doorgaande professionalisering aan bod moeten komen.
g. Toegankelijkheid curriculum en leermiddelen: De beweging naar inclusief onderwijs vraagt om een curriculum en leermiddelen die
binnen het regulier onderwijs toegankelijk, beschikbaar en passend zijn voor een brede
groep leerlingen met en zonder ondersteuningsbehoefte. De nieuwe kerndoelen voor po
en vo en de functionele kerndoelen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs zijn inhoudelijk
op elkaar afgestemd en kunnen scholen helpen om beter en breder te differentiëren.
Onderzocht moet worden wat er nodig is om de reguliere en functionele kerndoelen in
samenhang binnen het regulier onderwijs in te kunnen zetten. Het is bij de ontwikkeling
van leermiddelen bovendien van belang de diversiteit aan kinderen in de klas als uitgangspunt
te nemen en ervoor te zorgen dat de leermiddelen toegankelijk en adaptief zijn en
voldoende mogelijkheden voor differentiatie bieden.48
2. De ontwikkeling en/of aanpassing van beleidsmatige kaders.
Hierbij wordt gedacht aan:
a. Uitwerken van de doelstellingen: De hierboven genoemde 5 doelstellingen voor inclusief onderwijs worden uitgewerkt
in meetbare opbrengsten en benodigde veranderingen. Aan de hand van deze uitwerking
kan de verdere beleidsontwikkeling ingericht worden en de voortgang worden gemonitord.
b. Landelijke kaders op het gebied van ondersteuning: Deze kaders geven richting aan wat van de scholen, schoolbesturen en samenwerkingsverbanden
verwacht mag worden bij het versterken van de pedagogische basis en het schoolklimaat
en bij de vormgeving van het interdisciplinair en transdisciplinair samenwerken in
en om de school.
c. Regie, rollen en verantwoordelijkheden: De rollen en verantwoordelijkheden van de schoolleider, het schoolbestuur, het samenwerkingsverband,
de gemeente en alle andere betrokken partijen moeten verder uitgewerkt worden. Denk
daarbij aan wie waarvoor verantwoordelijk is in de ondersteuning van kinderen, hoe
partijen gezamenlijk besluiten nemen en hoe expertise, middelen en ondersteuning georganiseerd
worden in en om de school.
3. Het ontwerpen van het regionaal ondersteuningsnetwerk
Zoals beschreven in deze brief gaan de huidige schoolbesturen voor regulier en gespecialiseerd
funderend onderwijs samen met de partners in de regio een regionaal ondersteuningsnetwerk
vormen van waaruit het onderwijs geboden wordt op de inclusieve scholen of waar nodig
op aparte locaties specialistische onderwijsondersteuning. We gebruiken de komende
periode om samen met de vertegenwoordigers van alle betrokken partijen een ontwerp
te maken voor deze regionale structuur. Mede naar aanleiding van de motie Westerveld
(GL-PvdA) en Ceder (CU)49 betrekken wij het advies van Peeters. Hij heeft op verzoek van ONSwv en naar aanleiding
van de motie Soepboer (NSC)50 een advies, genaamd Over de lijnen en grenzen aan vrijblijvendheid, geformuleerd dat u in bijlage 7 aantreft.51 Dit advies is gebaseerd op 13 regiogesprekken met vele vertegenwoordigers uit het
onderwijsveld.52 Peeters adviseert onder andere om een inclusieve leeromgeving voor alle kinderen
centraal te stellen, de samenwerkingsverbanden hier een belangrijke rol in te geven
in de route naar 2035 en ze daarna als construct op te heffen. Ik onderschrijf het
advies om een inclusieve leeromgeving centraal te stellen en onderken dat samenwerkingsverbanden
hierbij een belangrijke rol hebben. Die belangrijke rol zie ik echter ook voor de
schoolbesturen van het regulier en gespecialiseerd onderwijs, de leraren en de schoolleiders.
Op welke wijze de expertise van de huidige samenwerkingsverbanden passend onderwijs
wordt toegevoegd aan de regionale ondersteuningsnetwerken is onderdeel van het ontwerpen
van het regionaal ondersteuningsnetwerk. Omdat ik hierin ook een belangrijke rol voor
kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en waar nodig jeugdhulpaanbieders zie,
bekijk ik samen met mijn collega’s de Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport
en Minister voor Werk en Participatie wat hiervoor nodig is.
III. Verbeteraanpak passend onderwijs en samenwerkingsverbanden
Er zijn de afgelopen jaren mooie stappen gezet binnen de verbeteraanpak passend onderwijs:
12 van de 25 maatregelen zijn afgerond. De overige 13 zijn in uitvoering waarvan een
groot aantal de afronding nadert. De effecten hiervan zijn beschreven in de doelstellingenmonitor
2026 (bijlage 8).53 Dit jaar ronden we de verbeteraanpak passend onderwijs af en wat nodig is, nemen
we mee in het transitieplan van passend naar inclusief onderwijs.
Ten opzichte van de start van de verbeteraanpak in 2021 is de inspraak van leerlingen
beter, zien ouders een verbetering in de overleggen met scholen en zien ouders en
leerlingen dat informatie over passend onderwijs beter vindbaar is. Ook beoordelen
zij de samenwerking tussen regulier en gespecialiseerd onderwijs als beter. Tegelijkertijd
blijven structurele knelpunten bestaan, zoals in de belasting van leraren en de aansluiting
met jeugdhulp. De komende tijd gaan we daarmee aan de slag. Specifiek richten we ons
op het voorkomen en terugdringen van schoolverzuim met het wetsvoorstel verzuim en
het wetsvoorstel maatwerk. We informeren uw Kamer in bijlage 1 van deze brief uitgebreider
over de uitwerking van de maatregelen en de voortgang op enkele moties en toezeggingen
(bijlage 2). De voortgang van alle maatregelen van de verbeteraanpak staat beschreven
in de vijfde voortgangsrapportage passend onderwijs (bijlage 3).
Landelijke norm voor basisondersteuning
Met een landelijke norm voor basisondersteuning verminderen de verschillen in ondersteuning
tussen samenwerkingsverbanden en scholen. Dit geeft duidelijkheid aan scholen, ouders
en leerlingen over welke basisondersteuning scholen ten minste moeten bieden. Dit
draagt op korte termijn bij aan goed onderwijs voor alle kinderen en geeft richting
en houvast in de beweging naar inclusief onderwijs. De AOb en Ouders & Onderwijs werken
voortvarend om eind 2027 een volledige landelijke norm voor basisondersteuning op
te leveren, aanvullend op het al uitgewerkte voorstel voor de drie ondersteuningsgebieden
lees-/spellingproblemen en dyslexie, (hoog)begaafdheid en taak-/werkgedrag. Het streven
is om het wetsvoorstel en de bijbehorende algemene maatregel van bestuur, die toeziet
op de eerste drie uitgewerkte ondersteuningsgebieden, in 2027 in internetconsultatie
te brengen. We roepen scholen en samenwerkingsverbanden op om op basis van het advies
en bijbehorend rapport54 nu al met elkaar met de norm aan de slag te gaan.
Zorgplicht en doorzettingsmacht
De zorgplicht passend onderwijs is een cruciale pijler in het stelsel van passend
onderwijs. Helaas komt het in de praktijk nog te vaak voor dat een school de zorgplicht
niet goed naleeft, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of zij een leerling
de benodigde ondersteuning kan bieden. Of als een school zegt dat vol te zijn, terwijl
leerlingen zonder ondersteuningsbehoefte wel een plek krijgen. Daarom nemen wij maatregelen
voor een betere naleving van de zorgplicht (bijlage 1). Ondanks deze maatregelen zullen
er uitzonderlijke situaties voorkomen waarin partijen er niet uit komen wát voor onderwijsondersteuning
nodig is om het kind het beste te helpen, of wáár de leerling het beste geholpen kan
worden. Dan is het nodig dat er een partij is die hierover een bindend besluit kan
nemen in het belang van de leerling: doorzettingsmacht. Conform de wens van uw Kamer55 hebben wij ter voorbereiding op een wetstraject, samen met relevante vertegenwoordigers56, een concrete vorm van doorzettingsmacht in passend onderwijs uitgewerkt (bijlage
1). Wij willen het wetsvoorstel in 2028 in internetconsultatie brengen.
Samenwerkingsverbanden
Samenwerkingsverbanden hebben regionale vrijheid om in de context van de regio te
doen wat nodig is voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte, passend bij
de uitdagingen in de regio. Dit heeft als gevolg dat samenwerkingsverbanden op verschillende
manieren zijn georganiseerd en gepositioneerd. Inmiddels zien we dat er ook ongewenste
verschillen zijn ontstaan die nadelig kunnen uitpakken voor leerlingen en hun ouders.
Uw Kamer vindt dat meer uniformiteit in de praktijk leidt tot meer duidelijkheid.
De motie Soepboer (NSC) verzocht om de werking en positie van samenwerkingsverbanden
te herzien, te sturen op één ondersteunings- en financieringsmodel voor samenwerkingsverbanden
met heldere kaders en duidelijke wettelijke taken en te komen tot een minder gefragmenteerde
spreiding van samenwerkingsverbanden over het land.57 Zoals eerder toegelicht in deze brief zetten we met het advies Over de lijnen samen met samenwerkingsverbanden en schoolbesturen in op een regionale structuur
die past bij inclusief onderwijs. Hoe dit er precies uit ziet en hoe dit kan worden
gerealiseerd wordt in fase 1 van de transitie nader uitgewerkt. In bijlage 1 gaan
we hier nader op in.
IV. Voorkomen en terugdringen van schoolverzuim
Verreweg de meeste leerlingen gaan gewoon naar school (98%).58 Het belang hiervan spreekt voor zich: goed onderwijs begint in het contact tussen
leraar en klas, en samen met leeftijdsgenoten leren en ontwikkelen draagt daaraan
bij. Helaas blijkt uit de cijfers van de leerplichttellingen van schooljaar 2024–2025
(bijlage 9) dat het schoolverzuim opnieuw stijgt. Het absoluut verzuim, waarbij kinderen
die leerplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben, is met 9% toegenomen (van 14.979
naar 16.351 kinderen). Van deze groep zijn 6.662 (44%) leerlingen weer teruggeleid
naar school. Ook steeg het langdurig relatief verzuim, waarbij ingeschreven leerlingen
meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn, met 12% (van 4.294 naar 4.804 kinderen).
Van deze groep werden 2.021leerlingen (42%) weer teruggeleid naar school. Bij het
aantal vrijstellingen van de Leerplichtwet is eveneens een stijging zichtbaar. De
vrijstellingen op grond van psychische of lichamelijke beperkingen (art. 5 onder a
LPW 1969) stegen met 15% (van 9.726 naar 11.194) en de vrijstellingen vanwege richtingsbezwaren
(art. 5 onder b LPW 1969) stegen met 16% (van 2.475 naar 2.860). Op verzoek van uw
Kamer staan bovenstaande cijfers ook op het dashboard «OCW in cijfers», conform de
motie Westerveld (GL-PvdA) en Rooderkerk (D66)59, aangevuld met andere relevante gegevens over passend onderwijs. Deze gegevens zullen
we met de leerplichttellingen blijven actualiseren. Ook zijn, op verzoek van uw Kamer,
de aantallen ingewilligde aanvragen voor afwijking van de onderwijstijd in kaart gebracht.
Voor het schooljaar 2024/2025 waren dat er in totaal 6.131.60
Verzuim
2023–2024
2024–2025 (huidige telling)
Teruggeleid naar school/geholpen in schooljaar 2024–2025
Absoluut verzuim totaal
14.979
16.351 (+ 9%)
6.626 (44% van het totaal)
Langdurig relatief verzuim totaal
4.294
4.804 (+ 12%)
2.021 (42% van het totaal)
De toename van het verzuim over de afgelopen jaren wordt vrijwel geheel veroorzaakt
door de stijging van het absoluut verzuim.61 Deze stijging zit met name in de groep kinderen zonder eerdere schoolinschrijving.
Belangrijke verklarende factoren zijn de oorlog in Oekraïne en de komst van nieuwkomers
in het Nederlandse onderwijs.62,
63,
64 Ook spelen de wachttijden in de jeugdhulp en de administratieve ruis in de gemeentelijke
administratie een belangrijke rol.65,
66 Daarnaast blijkt het langdurig relatief verzuim over een langere periode (van voor
de pandemie) relatief stabiel.
Wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim
Om het tij te keren is het afgelopen jaar een aantal noodzakelijke stappen gezet.
Op 7 april 2026 heeft uw Kamer het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim aangenomen. Dit voorstel versterkt onder meer het (preventieve) verzuimbeleid van
scholen en brengt leerplichtambtenaren, samenwerkingsverbanden en gemeenten beter
in positie om verzuim terug te dringen. Ook verbetert het de procedure om langdurige
vrijstellingen (art. 5 onder a LPW 1969) te voorkomen. Daarnaast brengt het wetsvoorstel
het totaalverzuim beter in beeld, onder meer door ook geoorloofd verzuim mee te nemen.
Naar verwachting zullen de verzuimcijfers hierdoor eerst een stijging laten zien,
voordat ze een daling tonen door inzet van de maatregelen.67 Om de stijgende verzuimtrend te keren, zijn naast de wet ook aanvullende (uitvoerings-)maatregelen
nodig.
Daarom gaan we scholen en andere betrokkenen ondersteunen bij de implementatie van
de wet. Dit doen we onder meer middels een meerjarig project68, een toolkit «van wet naar mindset» voor scholen69 en e-learnings voor leraren70. In de ondersteuning aan jeugdartsen en samenwerkingsverbanden bij de aangepaste
vrijstellingsprocedure, nemen we ook de motie Claassen (PVV)71 mee.
Sterk schoolklimaat
Scholen vervullen een sleutelrol maar onderschatten de verzuimproblematiek en eigen
rol vaak.72 Een sterk schoolklimaat en sturen op actieve schoolaanwezigheid zijn cruciaal in
de aanpak van verzuim. Wij verwachten dat de inzet voor inclusief onderwijs op het
versterken van het schoolklimaat en de pedagogische basis bijdraagt aan het terugdringen
van het verzuim. Dit geldt ook voor de acties die we ondernemen voor zorgplicht en
doorzettingsmacht.
Wetsvoorstel Maatwerk
In lijn met het Coalitieakkoord zetten we daarnaast in op meer flexibiliteit in (onderwijs)oplossingen
als kinderen dreigen uit te vallen. Dit doen we met het wetsvoorstel Maatwerk in het funderend onderwijs waarin enkele tijdelijke maatregelen wettelijk geborgd worden: het experiment onderwijszorgarrangementen,
het Actieprogramma Digitale School73 en de inzet en initiatieven voor niet-ingeschreven kinderen. Het doel is om het aantal
jeugdigen dat, vanwege lichamelijke of psychische oorzaken, uitvalt van onderwijs
of dreigt uit te vallen fors te verminderen door het uitbreiden van de ondersteuningsmogelijkheden
voor scholen en samenwerkingsverbanden. Om het onderwijsprogramma aan te passen naar
de behoeften en het onderwijspotentieel van deze kinderen, krijgen scholen en samenwerkingsverbanden
meer ruimte op het gebied van onderwijstijd, -inhoud, -locatie en (voor alleen samenwerkingsverbanden)
onderwijsbekostiging; altijd in overleg met en na instemming van ouders. Daarnaast
stelt het wetsvoorstel een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden: ten behoeve van
de afbakening van de doelgroep met het oog op zorgvuldige inzet van een passend onderwijsprogramma.
Het wetsvoorstel gaat voor de zomer van 2026 in internetconsultatie. De beoogde inwerkingtreding
van de wet is in 2028.
Slot
Het Ministerie van OCW stelt het komend jaar samen met het Ministerie van VWS en de
onderwijssector een Transitieplan van passend naar inclusief onderwijs op waarin het Ministerie van OCW de regie neemt. Deze transitie vraagt om een heldere
en gedeelde visie, een gefaseerd transitieplan en actieve betrokkenheid van gemotiveerde
en kundige organisaties in en om de scholen. Het uitgangspunt is dat alle kinderen
op een school dichtbij huis goed onderwijs krijgen, vormgegeven vanuit een sterk schoolklimaat
en een goede pedagogische basis op school én daarbuiten. De focus ligt de komende
periode op het versterken van de ondersteuning voor kinderen en schoolteams. Hierbij
wordt onder andere aan de randvoorwaarden voor inclusief onderwijs, aan de ontwikkeling
van beleidsmatige kaders en aan het ontwerpen van het regionaal ondersteuningsnetwerk
gewerkt. We bouwen hierbij voort op de samenwerking met de onderwijsraden en breiden
deze uit met de vertegenwoordigers van leraren, schoolleiders, ouders, leerlingen
en gemeenten. Wij willen met alle betrokkenen komen tot een Convenant Samen werken aan een inclusieve leeromgeving, waarin we met elkaar de intentie vastleggen om de komende periode te werken aan
de beweging naar inclusief onderwijs en afspraken te maken over wie hierin wat oppakt.
Hiermee markeren we de start van een nieuwe fase en onderschrijven we dat we gezamenlijk
werken aan inclusief onderwijs.
Omdat de transitie naar inclusief onderwijs tijd vergt, blijft er de komende jaren
ook gewerkt worden aan maatregelen om passend onderwijs, en daarmee de ondersteuning
voor kinderen in de huidige situatie, verder te verbeteren.
Daarnaast blijven we de komende periode onverminderd inzetten op goede ondersteuning
voor leerlingen, leraren en schoolteams – in zowel het regulier als gespecialiseerd
onderwijs – en wordt er onder andere verder gewerkt aan zorgplicht, doorzettingsmacht,
meer uniformering van de samenwerkingsverbanden, de landelijke norm voor basisondersteuning
en het voorkomen en terugdringen van schoolverzuim. Daarbij zorgen we dat de maatregelen
die we op de korte termijn inzetten, op de lange termijn bijdragen aan een inclusieve
leeromgeving voor alle kinderen.
Veel scholen werken samen met externe partners al aan inclusief onderwijs. Ik nodig
alle scholen, samenwerkingsverbanden, gemeenten en zorgpartners uit om, binnen de
mogelijkheden die er nu al zijn, gezamenlijk stappen te zetten richting een inclusieve
leeromgeving voor alle kinderen en jongeren. Ook hier kan een lokaal convenant een
mooie basis voor bieden.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap