Brief regering : Opvolging in Beeld: Periodieke rapportages Ministerie van BZK vanaf 2024
30 985 Beleidsdoorlichting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Nr. 69
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 mei 2026
In deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, over de opvolging van aanbevelingen uit afgeronde Periodieke
rapportages voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna
BZK) vanaf 2024.
Evaluaties vormen een belangrijke basis voor een lerende overheid. Niet voor niets
neem ik jaarlijks in mijn begroting een Strategische Evaluatie Agenda (SEA) op die
zichtbaar maakt hoe ik systematisch werk aan het verkrijgen van inzicht in bereikte
resultaten en effecten van de beleidsinzet van BZK. Beleid kan verbeteren als we goed
weten wat de achterliggende problemen zijn, in welke richting de oplossing ligt en
hoe we daar met passende inzet op kunnen handelen. Evaluaties bevorderen onze kennis
hierover en dragen bij aan continu verbeteren.
Naast dit lerende aspect geven evaluaties ook inzicht in de besteding van publieke
middelen. Door uw Kamer te betrekken bij de opvolging van evaluatieaanbevelingen blijven
deze onder de aandacht en kan de voortgang worden meegenomen in toekomstige beleidsdiscussies
en besluitvorming1.
Met deze brief geef ik voor de tweede keer departementsbreed inzicht in de opvolging
van aanbevelingen uit evaluaties2. Hierbij richt ik mij specifiek op de zogenoemde Periodieke rapportages. Deze synthese-evaluatieonderzoeken
voer ik elke 4–7 jaar uit over alle SEA-thema’s op mijn begroting. De komende jaren
zal ik uw Kamer jaarlijks informeren over Periodieke rapportages die sinds 2024 zijn
uitgevoerd. Er is dus sprake van een ingroeipad dat uiteindelijk leidt tot een brief
die jaarlijks ingaat op aanbevelingen over alle beleidsterreinen van BZK. In de bijlage
van deze brief is ook aandacht voor de besparingsvarianten die worden uitgewerkt in
Periodieke rapportages3.
Ik hoop dat deze brief een waardevolle bijdrage levert aan het gesprek over hoe we
samen de maatschappelijke meerwaarde van beleid kunnen vergroten. De bereidheid én
de noodzaak om te leren van het overheidsbeleid uit het verleden is aanwezig. Het
is een gedeelde verantwoordelijkheid van ons allen – kabinet en Tweede Kamer – om
die lessen te benutten en om te zetten in betere besluitvorming voor de toekomst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Begrotingshoofdstuk IV: Koninkrijksrelaties
SEA- Thema: Bevorderen sociaaleconomische structuur
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
De doelstelling van het thema is het bewerkstelligen van een merkbare, positieve verandering
in het leven van de burgers in het Caribisch deel van het Koninkrijk door de bestuurlijke
en de financieel- en sociaaleconomische weerbaarheid en zelfredzaamheid van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba te versterken. Het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) draagt daaraan bij middels het
versterken van de uitvoeringskracht, het inzetten van kennis en expertise en het coördineren
van de inzet van het Rijk.
Kerngegevens onderzoek:
Kamerstuk
Type onderzoek
Jaar afronding
Begrotings-artikel(en)
Budgettaire grondslag (laatste evaluatiejaar)
Kamerstuk 33 189, nr. 22
Periodieke rapportage
2025 (scope: 2016–2023)
Artikel 4
€ 44 mln. (in 2023)
Conclusies onderzoek:
Als eerste stellen de onderzoekers dat in de periode 2016–2023 de jaarlijkse uitgaven
op het onderzochte beleidsartikel sterk hebben gefluctueerd, vooral door incidentele
uitgaven voor acute crises zoals de coronapandemie. Slechts een klein deel van het
budget is structureel en kon op basis van eigen beleid van BZK worden besteed. Daarnaast
stellen de onderzoekers dat er een beperkte samenhang en beleidslogica is van het
artikel 4-beleid en dat een overkoepelende beleidslogica ontbreekt. Artikel 4 functioneert
in de praktijk vooral als restartikel: het stelt BZK in staat snel en flexibel te
reageren op urgente situaties en bij te springen waar nodig. De onderzoekers concluderen
verder dat het aantal evaluaties wat de onderzoekers konden gebruiken beperkt was.
Hierdoor moesten de onderzoekers aanvullend onderzoek doen in deze Periodieke Rapportage.
Voor wat betreft doeltreffendheid constateren de onderzoekers dat het gevoerde beleid
wisselend is geweest. In een meerderheid van de onderzochte projecten werden de beoogde
resultaten door de inzet van het beleid gerealiseerd, maar de beoogde maatschappelijke
effecten op de langere termijn werden niet altijd behaald of konden nog niet worden
vastgesteld. Dat kwam vooral doordat veel projecten nog in uitvoering waren, en vanwege
vertragingen door beperkte uitvoeringscapaciteit van lokale overheden en als gevolg
van lokale politieke besluitvorming en bestuurswisselingen.
De doelmatigheid kon in veel gevallen niet worden beoordeeld, o.a. omdat de beoogde
effecten nog niet gerealiseerd waren. In die gevallen kon geen duidelijke relatie
gelegd worden tussen de bestede middelen en de behaalde resultaten. Waar dit wel mogelijk
was, werd doelmatigheid vaak positief beoordeeld omdat er voor het gestelde doel geen
ander middel beschikbaar was dan het ingezette beleid. Daarnaast verliep de uitvoering
van projecten vaak relatief efficiënt, met nog ruimte voor verbetering in de afstemming
met lokale partners en de inzet van de juiste expertise. Ook werd opgemerkt dat sommige
projecten vanuit het Ministerie van BZK werden geleid, terwijl het thema qua inhoud
onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries viel.
Ten aanzien van de coördineerde rol stelt de Periodieke rapportage dat deze moeilijk
uitvoerbaar is vanwege een aantal systemische beperkingen. Hierbij zien de onderzoekers
het als een fundamenteel probleem dat een gezamenlijke rijksbrede toekomstvisie op
de relatie met Bonaire, Sint Eustatius en Saba ontbreekt, waardoor het moeilijk is
om prioriteiten te stellen en andere departementen te verbinden aan integrale opgaven.
Voor het financieel bekostigen van taken van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba blijven de Bijzondere Uitkeringen hun meerwaarde houden. Wel wijzen de onderzoekers
op het knelpunt dat bijzondere uitkeringen vaak voor tijdelijke financiering van structurele
kosten worden ingezet.
Tenslotte concluderen de onderzoekers dat de huidige doelstelling en benaming van
artikel 4 niet passend zijn, omdat deze suggereren dat het Ministerie van BZK een
structurele, inhoudelijke verantwoordelijkheid heeft voor het bevorderen van de sociaaleconomische
structuur in de Caribische delen van het Koninkrijk. Veel van de uitgaven onder artikel
4 betreffen volgens de onderzoekers projecten die inhoudelijk thuishoren bij andere
departementen, of betreffen incidentele of historische verplichtingen.
Aanbevelingen:
Toelichting status opvolging:
Doeltreffendheid/doelmatigheid/beleidsdoelstellingen in perspectief
1. Probeer bij de (co)financiering, wanneer de te realiseren voorziening lokale beheerkosten
met zich meebrengt, altijd de begunstigde te committeren aan deze beheerkosten.
Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage.
2. Maak samenhangende thema’s het uitgangspunt voor de SAE en niet de begrotingsartikelen.
3. Maak een helder onderscheid tussen thema’s die qua inhoud wel en niet thuishoren
bij het departement en stel alleen een Periodieke rapportage op voor de laatste categorie.
4. Stel naast thematische Periodieke rapportages ook een Periodieke rapportage op
die zich richt op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de faciliterende rol van
het departement.
5. Herformuleer de benaming en doelstelling van artikel 4, zodat deze beter aansluit
bij de inhoud.
6. Hevel alle beleidsarme en beleidsvrije verplichtingen over naar één van de niet-beleidsartikelen.
7. Alloceer de evaluaties van de geadopteerde projecten.
Coördinerende rol BZK
8. Definieer de rol van het Ministerie van BZK in faciliterende termen.
Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage.
9. Formuleer een eigen KR-visie.
10. Zet escalatie in als strategisch instrument om meer gedaan te krijgen.
11. Stationeer een deel van de beleidscapaciteit lokaal in de regio.
12. Werk een communicatiestrategie uit voor de afstemming met andere departementen.
13. Herijk de interdepartementale overlegstructuur.
14. Overweeg een meer dwingende consultatieplicht voor andere departementen.
Bijzondere uitkeringen
15. Zie toe op systematische nalevingsplicht tot inwinnen van advies TBU.
Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage.
16. Voeg twee nieuwe vragen toe aan het Toetsingsformulier Bijzondere Uitkeringen
BES 2022.
17. Stel vast in welke gevallen een BU aangewezen is als financieringsinstrument en
in welke gevallen een alternatieve vorm van financiering is aangewezen.
18. Stel in de bestedingsvoorwaarden van een BU het «wat» centraal.
19. Verstrek voor structurele kosten alleen structurele financiering.
20. Breng de frequentie van voortgangsrapportages terug naar twee keer per jaar.
Begrotingshoofdstuk IV: Koninkrijksrelaties
SEA- Thema: Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
Artikel 5 begroting IV Koninkrijksrelaties betreft het ondersteunen van de houdbaarheid
van de overheidsfinanciën van Curaçao en Sint Maarten door ten eerste de kwijtschelding
van een deel van de schulden van Curaçao en Sint Maarten (in 2010) en ten tweede door
het aanbieden van de mogelijkheid van een lopende inschrijving door Nederland op door
Curaçao en Sint Maarten uitgegeven schuld tegen het actuele rendement op Nederlandse
staatsleningen van de desbetreffende looptijd. Ook het uitoefenen van toezicht zoals
vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht (Rft) voor Curaçao en Sint Maarten,
de protocollen Aruba-Nederland, de liquiditeitssteun in het kader van covidpandemie
aan Curaçao, Sint Maarten en Aruba, een aantal incidentele leningen en de garantie
voor het riolerings- en waterzuiveringsprogramma van Bonaire vallen hieronder.
Kerngegevens onderzoek:
Kamerstuk
Type onderzoek
Jaar afronding
Begrotings-artikel(en)
Budgettaire grondslag (laatste evaluatiejaar)
Kamerstuk 33 189, nr. 20
en
Kamerstuk 33 189, nr. 21
Beleidsdoorlichting
2024 (scope: 2016–2022)
H4, Artikel 5
€ 224 mln.
(2022)
Conclusies onderzoek:
Uit de beleidsdoorlichting van artikel 5 komt een gemixt beeld als wordt gekeken naar
de doeltreffendheid en doelmatigheid van de instrumenten die zijn ingezet. Als wordt
gekeken naar de beleidsinzet dan is deze overwegend doeltreffend geweest. De inzet
(Rijkswet financieel toezicht (Rft), protocollen Aruba-Nederland, schuldsanering en
leningen) heeft geleid tot transparantie over en inzicht in de financiën van de landen,
de verlening van financiële steun om de gevolgen van financiële en niet-financiële
schokken op te vangen en financiële stabiliteit en vertrouwen van de financiële markten.
Deze inzet is beperkt doeltreffend geweest op het gebied van het realiseren van de
financiële normen opgenomen in de Rft en de protocollen Aruba- Nederland, houdbare
overheidsfinanciën en structureel economische ontwikkeling. De inzet op de verbetering
van het financieel beheer is volgens SEO niet doeltreffend geweest. Dit vertaalt zich
in de scores voor de doelmatigheid. De inzet van de liquiditeitsleningen en incidentele
leningen zijn doelmatig geweest. Voor de schuldsanering, Rft en protocollen Aruba-Nederland
komt SEO tot het oordeel dat deze beperkt doelmatig is geweest. Het uitblijven van
verbeteringen op het vlak van financieel beheer van de landen is volgens SEO een belangrijke
factor die aan deze conclusie bijdraagt. Dit terwijl dit al in gang was gezet rond
de schuldsanering en een direct beleidsresultaat vormt van de Rft en de protocollen
Aruba-Nederland. De doeltreffendheid en doelmatigheid is daarnaast beperkt door het
niet realiseren van structurele economische hervormingen en institutionele versterkingen.
SEO geeft aan dat de beleidsdoelstellingen van artikel 5 nog steeds actueel zijn.
Aanbevelingen/bevindingen:
Toelichting status opvolging:
1. Heb in de beleidsagenda structureel aandacht voor de verbetering van het financieel
beheer van de landen.
Onderhanden: De landen werken, naar aanleiding van de aanbevelingen uit de meest recente
evaluatie van de Rft, in samenwerking met het College financieel toezicht (Cft) aan
een toetsingskader met betrekking tot artikel 15,lid 2 van de Rft. Dit artikel ziet
op de volledigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid van de begroting. Ook wordt
aan de hand van dit artikel getoetst of de opgenomen ontvangsten en uitgaven toereikend
zijn toegelicht. Daarnaast wordt via de landspakketten (welke onderdeel zijn van artikel
4 van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties) samengewerkt om het financieel beheer te verbeteren.
Via deze trajecten is er nadrukkelijk aandacht voor het verbeteren van het financieel
beheer. Gelet op de inspanningen vanuit het landspakket zullen op dit moment vanuit
Nederland geen nieuwe trajecten worden opgestart. Binnen de landspakketten vindt (waar
nodig) reeds prioritering plaats ten aanzien van het financieel beheer. Aruba, Curaçao
en Sint Maarten zullen zich blijven inzetten voor het verbeteren van het financieel
beheer en desgevraagd kan Nederland hierbij ondersteuning bieden.
2. Verminder de procycliciteit en focus op de jaarlijkse begrotingen door het ontwikkelen
van een langetermijnvisie op de overheidsfinanciën van de landen.
Onderhanden: Op dit moment biedt de Rft geen tot weinig mogelijkheden tot anticyclisch
beleid door de verplichting van een jaarlijks sluitende gewone dienst en tekortcompensatie.
Het ontwikkelen van een langetermijnvisie op de overheidsfinanciën wordt onderschreven,
waarbij verantwoordelijkheid hiervoor bij de landen zelf ligt. Gelet op bovenstaande
wordt ingezet op het maken van afspraken (bijvoorbeeld in de vorm van beleidsregels)
met betrekking tot het voeren van anticyclisch beleid voor zover mogelijk binnen de
wettelijke kaders. Los van de bestuurlijke en juridische mogelijkheden, is dit ook
een financieel-economische vraag. Anticyclisch beleid moet ook verstandig zijn. Volgens
het IMF zal eerst voldaan moeten worden aan het bereiken van een houdbare schuldquote.
3. Expliciteer de wijze van toepassing van een aantal bepalingen in de Rft zoals de
wijze waarop tekortcompensatie moet plaatsvinden.
Onderhanden: Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat een aantal bepalingen met betrekking
tot het financieel toezicht discussie oplevert. Ik zal daarom aan Curaçao en Sint
Maarten aanbieden om binnen de wettelijke kaders te verkennen of een beleidsregel
of hardheidsclausule, met voorwaarden, kan worden geformuleerd die in het vervolg
kan worden toegepast.
4. Ontwikkel en implementeer een visie en regime voor het omgaan met externe schokken
die de landen raken.
Onderhanden: Hierbij wordt aangetekend dat externe schokken altijd om maatwerk zullen
vragen. Zo vergt een pandemie een geheel andere wijze van hulp en bijstand dan een
natuurramp. Daarnaast kan lering getrokken worden uit het traject Rijkswet houdbare
overheidsfinanciën Aruba. In de ontwerp Rijkswet zijn ten opzichte van de Rft aanvullende
processtappen opgenomen m.b.t. hoe om te gaan met externe schokken (buitengewone gebeurtenissen).
Curaçao en Sint Maarten wordt aangeboden om te verkennen welke van deze stappen overgenomen
kunnen worden om het regime te verbeteren.
5. Ontwikkel een afwegingskader voor de interactie tussen de vormgeving van financiële
steun aan de landen met de doelstelling van artikel 5 om te komen tot houdbare overheidsfinanciën
en structurele gezonde sociaaleconomische ontwikkeling.
Onderhanden: Zoals in voorgaande aangegeven zal het bij het verlenen van steun vooral
om maatwerk gaan. Het voorstel is om niet te gaan werken met een afwegingskader. Naast
dat een afwegingskader mogelijk beperkend kan werken en weinig ruimte biedt tot noodzakelijke
flexibiliteit is het geven van financiële steun uiteindelijk een politieke keuze.
Begrotingshoofdstuk VII: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
SEA-thema: Sterke en weerbare democratische rechtstaat, Goed functionerend openbaar
bestuur
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werkt aan een slagvaardig
en betrouwbaar openbaar bestuur waarop inwoners kunnen vertrouwen en wat oog heeft
voor de menselijke maat. Een openbaar bestuur dat samen met de samenleving in staat
is de maatschappelijke opgaven op te lossen. Veranderingen in onze maatschappij beïnvloeden
hoe ons bestuur en onze democratie werkt. Om waarden als legitieme besluitvorming,
slagkrachtig openbaar bestuur en transparantie daarbij te behouden en democratische
waarden en vrijheden te borgen en te versterken, is continue aandacht nodig voor de
werking en inrichting van democratie en bestuur.
Kerngegevens onderzoek:
Kamerstuk
Type onderzoek
Jaar afronding
Begrotings-artikel(en)
Budgettaire grondslag (laatste evaluatiejaar)
Kamerstuk 30 985, nr. 65
Beleidsdoorlichting
2024
(Scope: 2018
t/m 2021)
H7, Artikel 1
€ 101 mln.
(2021)
Conclusies onderzoek:
Dit rapport onderzocht de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid in de periode
2018–2021 dat valt onder artikel 1 van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit artikel gaat over openbaar bestuur en democratie
in zeer brede zin en beslaat een thematiek van de organisatie van verkiezingen tot
interbestuurlijk samenwerken en van de financiering van politieke partijen tot het
subsidiëren van de oorlogsgravenstichting. De beleidsdoorlichting had tot doel de
doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid vast te stellen. De onderzoekers
merkten daarbij op dat dit binnen het domein van openbaar bestuur en democratie in
veel gevallen bijzonder complex is. Dat komt ten eerste doordat overheidsbeleid het
resultaat is van de interactie tussen uiteenlopende politieke en bestuurlijke actoren
op verschillende bestuurslagen. Het behalen van doelen is daardoor moeilijk uitsluitend
toe te schrijven aan specifiek BZK-beleid, maar ontstaat in het samenspel tussen verschillende
partijen. Ten tweede worden de beleidsdoelen voortdurend beïnvloed door nieuwe opgaven
en maatschappelijke ontwikkelingen, waardoor ze niet statisch zijn. Het vaststellen
van doelbereik is in die context per definitie lastig. De beleidsdoorlichting probeerde
binnen deze beperkingen zo goed mogelijk inzicht te geven in de doelmatigheid en doeltreffendheid
van het beleid. De belangrijkste conclusie was echter dat er in veel gevallen slechts
in beperkte mate zicht bestond op beide. Op basis van de bestaande evaluatieonderzoeken
kon niet in alle gevallen een scherp of eenduidig beeld worden gegeven van de mate
waarin het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het functioneren van het openbaar bestuur
en de democratie.
Aanbevelingen/bevindingen:
Toelichting status opvolging:
1. Eigen werkwijze systematisch tegen het licht houden.
Onderhanden: Zoals beschreven in de vorige Opvolgingsbrief (Kamerstuk 30 985, nr. 66) is er aandacht voor het structureler toepassen van beleidstheorieën, het beleidskompas
en het structureler leren van de eigen werkwijze. Het gebruik van het beleidskompas
wordt gestimuleerd bij het opstellen van projectplannen.
Dit heeft er toe geleid dat binnen het Thema Goed Bestuur voor de Uitvoerbaarheidstoets
Decentrale Overheden (UDO) een onderzoeksmodel is opgesteld op basis van een uitgewerkte
beleidstheorie. Daarmee is het instrument UDO beter evalueerbaar gemaakt. Dit maakt
een nulmeting in 2026 en een evaluatie in 2028 mogelijk. Zo ontstaat meer inzicht
in de werking van het instrument en in de eigen werkwijze bij Goed Bestuur en interbestuurlijke
verhoudingen in de beleidsvorming.
2. Overzicht van beleidsdossiers en beleidsdoelen maken.
Onderhanden: Voor het thema Goed Bestuur is momenteel een Strategische Agenda opgesteld
die beter inzicht geeft in de belangrijkste prioritaire dossiers en hun relatie tot
de beleidsdoelen. Dit vergroot de navolgbaarheid van dossiers en maakt de inzet op
het beleidsterrein van Goed Bestuur beter inzichtelijk voor een volgende Periodieke
rapportage. Dit zal de komende periode nog leiden tot een verdere professionalisering
van de interne werkwijzen.
Voor het thema Sterke en weerbare democratische rechtsstaat is een programmaplan opgesteld,
waar ook evaluaties en overige kennisontwikkeling deel van uitmaken.
Binnen de directiejaarplannen zijn prioritaire thema’s benoemd (zoals democratische
rechtsstaat, waardevol ambt, weerbare samenleving, goed bestuur), wat de interne samenhang
en interne logica binnen dossiers zichtbaarder maakt. Dit overzicht is voldoende concreet
als basis voor een volgende Periodieke rapportage.
3. Maak systematisch en
structureel probleemanalyses en formuleer beleidstheorieën.
Onderhanden: Dit vormt een blijvend aandachtspunt bij de ontwikkeling van (nieuw)
beleid bij beide directies.
In één van de betrokken directies is afgesproken dat bij nieuw beleid de beleidsdoelstelling
en beleidstheorie expliciet wordt geformuleerd en vastgelegd. Recent voorbeeld is
de programmatische aanpak voor een weerbare democratische rechtsstaat, waarvoor een
uitgebreide analyse van wetenschappelijke experts ten grondslag ligt.
Bij een andere betrokken directie is bij nieuwe directiebrede opdrachten aandacht
voor probleemdefinities en passende oplossingsrichtingen door middel van de inzet
van gestandaardiseerde formats waarin de vragen zitten van het beleidskompas (van
probleemanalyse tot gekozen aanpak). Actueel voorbeeld is de Aanpak Slagkracht binnen
het thema Goed bestuur, waarbij een beleidstheorie opgesteld wordt. Daarnaast sluit
het onderzoekmodel voor de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden ook goed aan
bij deze aanbeveling.
Verder kan genoemd worden dat wetsvoorstellen standaard een memorie van toelichting
bevatten waarin de beleidstheorie is uitgewerkt. Ook wordt op allerlei hoofdthema’s
periodiek onderzoek verricht, zoals Basismonitor Politieke Ambtsdragers, Monitor Integriteit
en veiligheid, en wisselende specifieke onderzoeken op deelthema’s, waaronder ook
nulmetingen. Met de Staat van het Bestuur wordt iedere twee jaar een overstijgende
probleemanalyse gepresenteerd met betrekking tot democratie en bestuur, in het bijzonder
op decentraal niveau.
Ten slotte moet worden vermeld dat niet voor elke concrete beleidsmaatregel vooraf
een beleidstheorie kan worden geconstrueerd. Bijvoorbeeld omdat de politiek soms stuurt
op middelen en niet op doelen.
4. Formuleer beleid zodanig dat het makkelijk te evalueren is.
Onderhanden: Het gebruik van het beleidskompas wordt gestimuleerd door betrokken managers
bij het maken van nieuw beleid. Deze inspanningen laten onverlet dat bij het formuleren
van beleid de politieke en maatschappelijke doelen leidend zullen zijn en niet de
mate van gemak om het te evalueren.
5. Evaluatiemethoden ontwikkelen voor innovatieve instrumenten.
Onderhanden: Met het oog op betere evaluaties is BZK voornemens een traject met het
PBL te starten om legitimiteit en bredere publieke waarden systematisch mee te wegen
in beleidsevaluaties. Het doel is te onderzoeken hoe de gevolgen van beleid op het
gebied van openbaar bestuur en democratie beter in beeld kunnen worden gebracht, met
een bredere blik op beleidsuitkomsten dan uitsluitend doeltreffendheid en doelmatigheid.
Het traject sluit hiermee aan bij de aanbeveling om nieuwe «lenzen» te ontwikkelen
voor het evalueren van beleid, zodat deze beter passen bij de complexe context van
openbaar bestuur en democratie. Daarnaast sluit dit aan bij de Regeling Periodieke
Rapportage, waarin wordt aangemoedigd om bredere publieke waarden expliciet mee te
nemen in evaluatieonderzoek.
Begrotingshoofdstuk VII: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
SEA- thema: Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid
Beschrijving SEA-thema:
De Minister van BZK streeft naar een overheid die betrouwbaar, dienstbaar, dichtbij
en rechtvaardig is en haar maatschappelijke taken optimaal uitvoert. Dit gebeurt door
het creëren van randvoorwaarden voor het optimaal en duurzaam functioneren van overheidsorganisaties
en in het bijzonder voor een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering. De Minister
van BZK draagt hieraan data gedreven bij in een regisserende en coördinerende rol,
respectievelijk op het terrein van collectieve arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid
Rijk, de organisatie en bedrijfsvoering van het Rijk, waaronder de informatiehuishouding,
een kaderstellende rol op ICT, huisvesting, inkoop en faciliteiten en Management Development.
De rijksbrede bedrijfsvoering betreft de niet-financiële bedrijfsvoering, bedoeld
om alle ruim 165.000 rijksambtenaren in staat te stellen samen aan de Rijksopgaven
te werken – teneinde maatschappelijke opgaven te realiseren.
Kerngegevens onderzoek:
Kamerstuk
Type onderzoek
Jaar afronding
Begrotings-artikel
Budgettaire grondslag (laatste evaluatiejaar)
Kamerstuk 30 985, nr. 67
Periodieke rapportage
2025 (scope: 2019–2023)
7
€ 84,7 mln. (2023)
Conclusies onderzoek:
De onderzoekers concluderen dat de doeltreffendheid en doelmatigheid op het brede
artikel 7 niveau deels te bepalen is. Zo zijn er binnen het brede artikel in de onderliggende
deelthema’s veel activiteiten uitgevoerd en prestaties gerealiseerd. De onderzoekers
beschouwen deze, conform de RPE 2022, als voorwaarden voor met name de doeltreffendheid.
Van doelmatigheid is op het artikel 7 niveau geen overkoepelend eindbeeld verkregen
– evenmin op de deelthema’s eronder. Hoofdoorzaak hiervan is de ontbrekende systematische
aanpak en analyse hiervoor in de onderliggende evaluaties. Over het brede artikel
7 niveau concluderen de onderzoekers wel dat wat er jaarlijks gepubliceerd wordt in
de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR), naast beschikbare evaluaties, een goed
beeld geeft van de beleidsprestaties door BZK, en dat er opvolging is gegeven aan
de aanbevelingen uit de voorgaande beleidsevaluatie. Als gekeken wordt naar de onderliggende
deelthema’s van dit begrotingsartikel dan zijn de onderzoekers tot een concreter beeld
gekomen van met name de doelbereiking van de onderliggende instrumenten.
Aanbevelingen/bevindingen:
Toelichting status opvolging:
A. Verdere versteviging regisserende en coördinerende rol BZK
1. Werk het integrale, artikel 7-brede verhaal uit.
Afgerond. In de BZK-begroting 2026 is de algemene doelstelling van beleidsartikel
7 geactualiseerd op basis van de recent gereconstrueerde beleidstheorie uit de in
2025 gepubliceerde Periodieke rapportage. Deze wordt jaarlijks opnieuw tegen het licht
gehouden.
2. Doordenk de beleidsprestaties (output) bij nieuwe beleidsvoornemens onder artikel
7.
Onderhanden: Op het lagere niveau van concrete (nieuwe) beleidsvoorstellen wordt door
BZK-directies ingezet op het gebruik van het beleidskompas. Het beleidskompas geeft
een aantal handvatten die helpen bij het opstellen van de beleidstheorie.
3. Vergroot met extra communicatie de bekendheid van het geüpdatete Kaderboek, informatiestatuut
en het Coördinatiebesluit.
Onderhanden: In 2025 is gewerkt aan het actueel houden van het Kaderboek. Ook is kennis
over (toepassing van) het Coördinatiebesluit bijeengebracht met het oog op betere
ontsluiting binnen de rijksdienst van deze kennis. Met deze basis kan nu ingezet worden
op (samenhangende) communicatie om de bekendheid binnen de rijksdienst van het Coördinatiebesluit
en het Kaderboek te vergroten.
4. Integreer de POK-inzet in de reeds langer bestaande thema’s van artikel.
Afgerond. De inzet die ooit onder de vlag van de POK is begonnen en met programma
Goed Bestuur is aangevuld, komt tegenwoordig terug in de onderwerpen Erkenning en
Herstel, ambtelijk vakmanschap, de Staat van de Uitvoering, het bevorderen van een
veilig werk- en meldklimaat, de ondersteuning van melders van misstanden en in inzet
met betrekking tot leiderschap, diversiteit en inclusie.
B. Oog houden voor publieke waarden in beleid en evaluatie
5. Onderzoek de verankering van toepassing van publieke waarden – met name responsiviteit
en dienstbaarheid- regelmatig in de context van artikel 7. Dit op het niveau van een
deelthema of een afgebakend organisatieonderdeel.
Onderhanden: Dit jaar zal ik een modernisering van de Kaderwet ZBO’s als voorontwerp
in procedure brengen, waarin ik het werken aan publieke waarden zoals dienstbaarheid
en responsiviteit een belangrijke plaats zal geven»
BZK is daarnaast voornemens een traject met het PBL te starten om legitimiteit en
bredere publieke waarden systematisch mee te wegen in evaluaties.
C. Versterk de monitoring en de Strategische Evaluatieagenda (SEA)
6. Maak bij aanvang van de volgende SEA-periode (met de volgende Periodieke rapportage
als sluitstuk) helder wat je wel en niet evalueert in die periode.
Onderhanden: Jaarlijks wordt in de toelichting op het SEA-thema «Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid»
vooruitgeblikt op welke wijze de beleidsdirecties onder dit begrotingsartikel zich
voorbereiden op de eerstvolgende Periodieke rapportage in 2028.
7. Start elke nieuwe beleidsperiode met een duidelijke beleidstheorie per deelthema
onder artikel 7 en actualiseer deze periodiek.
Afgerond. In de BZK-begroting 2026 is de algemene doelstelling van beleidsartikel
7 geactualiseerd op basis van de recent gereconstrueerde beleidstheorie uit de in
2025 gepubliceerde Periodieke rapportage. Deze wordt jaarlijks opnieuw tegen het licht
gehouden.
8. Benut de jaarrapportage bedrijfsvoering rijk (JBR) nog gerichter als basis voor
beleidsgerichte evaluaties. Bijvoorbeeld door de JBR aan te vullen met geplande evaluaties
op dat thema of in elk hoofdstuk van de JBR een toetsing van de praktijk aan de beleidstheorie
weer te geven.
Afgerond. De Strategische evaluatie agenda (SEA) is aangepast aan de prioriteiten
van de genoemde beleidsthema’s in de JBR. Hiermee wordt verbinding gemaakt tussen
de JBR en de SEA.
9. Kies per afzonderlijk geplande evaluatie voor een heldere afbakening en methode.
Zoom waar doeltreffendheid en doelmatigheid (nog niet) onderzocht kunnen worden in
op de voorwaarden (benodigde stappen) hiervoor.
Onderhanden: Bij evaluaties op artikel 7 zal deze aanbeveling voortaan worden meegenomen.
10. Leg een conceptueel fundament onder doelmatigheid en scherp aan wat van evaluaties
wordt gevraagd op het punt van doelmatigheid.
Onderhanden: In offerte-aanvragen van evaluaties vanuit artikel 7 zal deze aanbeveling
voortaan worden meegenomen wanneer het passend is.
BIJLAGE: BESPARINGSVARIANTEN UIT PERIODIEKE RAPPORTAGES
In de bijlage van deze brief heb ik aandacht voor de besparingsvarianten die zijn
uitgewerkt in de nieuwe Periodieke rapportages sinds 2025. Hiermee wordt invulling
gegeven aan de uitwerking van de motie-Van Eijk (Kamerstuk 31 865, nr. 295). In Periodieke rapportages wordt waar mogelijk ten minste één optie geschetst waarmee
een besparing van 20% op de budgettaire grondslag van het (beleids)thema kan worden
gerealiseerd (op basis van het «comply-or-explain principe»). De besparingsvariant
heeft niet het karakter van een aanbeveling, maar moet inzicht geven in eventuele
besparingen ingevuld zouden kunnen worden, en wat de gevolgen daarvan zijn.
Periodieke rapportage Bevorderen sociaaleconomische structuur (2025)
(Begrotingshoofdstuk IV, Artikel 4)
Beschrijving besparingsvariant door onderzoekers:
De onderzoekers geven aan dat het overgrote deel van het budget van artikel 4 bestaat
uit incidentele uitgaven of juridische verplichtingen die qua thema thuishoren bij
andere departementen en die BZK -genegen vanuit diens stelselverantwoordelijkheid-
regelmatig bekostigd. Deze uitgaven betrekken bij een realistische besparingsvariant
is volgens de onderzoekers weinig reëel omdat dit middelen zijn die betrekking hebben
op incidentele bestedingen ten behoeve van concrete (nood)situaties.
Slechts een klein deel van het budget op dit artikel bestaat uit echt eigen departementale
middelen en kunnen in die zin door BZK vrij besteed worden. Een generieke besparing
van 20% op deze middelen zou in de praktijk vooral neerkomen op het minder flexibel
kunnen inspelen op acute noden of maatschappelijke vragen door het ministerie. Omdat
een structurele besparing op het grootste deel van het budget niet mogelijk is, blijft
de standaard besparingsvariant vooral een theoretische exercitie zonder echte beleidsalternatieven,
anders dan een kaasschaafmethode.
Wat wél mogelijk is, is om bij nieuwe projecten en cofinanciering expliciet afspraken
te maken over lokale beheerkosten en commitment van de begunstigde, zodat middelen
doelmatiger worden ingezet en eventuele kapitaalvernietiging wordt voorkomen. Hierop
ziet het eerste advies van deze periodieke rapportage.
Beschrijving opvolging
De beleidsmatige reactie is voorzien eind 2026. In de beleidsmatige reactie zal ook
worden ingegaan op bovenstaande beschrijving uit de periodieke rapportage.
Periodieke rapportage Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid (2025)
(Begrotingshoofdstuk VII, Artikel 7)
Beschrijving besparingsvariant door onderzoekers:
De onderzoekers hebben in het rapport geen gerichte besparingsmogelijkheden kunnen
bepalen. Er is bijvoorbeeld geen aanwijsbaar disfunctioneel beleidsonderdeel waarop
volledig kan worden bespaard. De mogelijkheid die wordt geschetst is een brede besparingsaanpak.
In het rapport werd ook de budgettaire taakstelling van 22% in 2029 uit het regeerprogramma
genoemd. Het deel van taakstelling dat gedekt wordt vanuit beleidsartikelen op de
begroting van BZK is verwerkt in de 1e suppletoire begroting 2025. Aanvullend hierop is door de onderzoekers een brede «kaasschaaf»
van structureel € 10 mln. over beleidsartikel 7 voorgesteld als besparingsvariant.
Beschrijving opvolging
Voor de invulling van de apparaatstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is het artikel
structureel met € 5,4 mln. verlaagd. Het artikel is daarop aangepast. Aan de besparingsvariant/«kaasschaaf»
is geen verdere opvolging gegeven. Daar was geen inhoudelijke aanleiding toe. Geopolitieke
omstandigheden maken bovendien dat er op onderdelen verstevigd moet worden. Het recente
regeerakkoord «Aan de Slag» bevat wederom een taakstelling op de Rijksdienst evenals
een subsidietaakstelling. Deze hebben beide een doorwerking naar het artikel. De exacte
omvang en invulling daarvan zijn nog niet bekend.
Indieners
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties