Brief regering : Stand van zaken verkeersveiligheid voorjaar 2026
29 398 Maatregelen verkeersveiligheid
Nr. 1223
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 mei 2026
In 2025 vielen er 759 dodelijke verkeersslachtoffers. Meer dan twee mensen per dag.
Dit zijn familieleden, vrienden, collega’s. Ieder ongeval heeft zijn eigen verhaal
en met elk verlies komt veel verdriet kijken. Het gaat dit keer om een grote stijging:
er zijn 84 slachtoffers meer gevallen dan in 2024. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek
Verkeersveiligheid (SWOV) stuurt eind dit jaar weer een analyse van onder meer deze
ongevallen. SWOV heeft eerder al laten weten tot 2040 een stijging te verwachten in
het aantal verkeersslachtoffers1.
Deze cijfers sterken mij in de ambitie om de stijgende trend aan verkeersslachtoffers
te breken. Deelnemen aan het verkeer komt altijd met een risico, dat kan de overheid
nooit volledig wegnemen. Maar zo lang er nog maatregelen kunnen worden genomen, is
er ruimte voor verbetering.
Aangescherpte aanpak en Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2026–2029
Zoals aangekondigd, stuur ik u voor de zomer een aangescherpte aanpak voor verkeersveiligheid.2 Daarin werken we uit wat we aanvullend op het bestaande beleid gaan doen om de stijgende
trend van het aantal slachtoffers te breken. Ook wordt duidelijk gemaakt hoe de ambitie
van nul verkeersslachtoffers in 2050 is uitgewerkt naar een bereikbaar Rijksdoel voor
2035, met meetbare indicatoren die de komende jaren zullen worden gemonitord. U heeft
op 24 april jl. al de contouren voor de Aanpak Fatbikes ontvangen.3 Na de zomer ontvangt u de uitkomsten van de diverse onderzoeken en het vervolg op
de Aanpak Fatbikes.
De partners van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (SPV)4 hebben afgesproken om met eigen uitvoeringsplannen te werken. Het lopende Rijksbeleid
voor verkeersveiligheid is vastgelegd in het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid
(LAP). Hierin staan de concrete maatregelen, gebaseerd op het huidige beleid, van
de Ministeries van IenW en JenV en hun uitvoeringsorganisaties en ketenpartners. Inmiddels
is in het kader van het SPV als onderdeel van een lopend proces een derde actieplan
opgesteld, voor de jaren 2026 tot 2029 (bijlage 1). Dit LAP 2026–2029 valt binnen
de laatste fase van het SPV: «Bijstellen en professionaliseren». Zodoende richten
de maatregelen zich voor een groot deel op het professionaliseren van de risicogestuurde
aanpak. Er worden nieuwe initiatieven ontplooid, bijvoorbeeld het subsidieprogramma
«Fietsveiligheid Voorop» en de ontwikkeling van een persoonsgerichte aanpak voor veelplegers.
Ook worden diverse maatregelen uit het LAP 2022–2025 voortgezet, zoals de ontwikkeling
van een Strategische Agenda Verkeersveiligheid voor Rijkswegen.
Het LAP 2026–2029 geeft een breed beeld van het landelijke verkeersveiligheidsbeleid,
maar is niet uitputtend. Het plan kan tussentijds worden geactualiseerd, op basis
van nieuwe ontwikkelingen. De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de uitvoering
van het nieuwe LAP.
Bijlage 2 biedt een afsluitend overzicht van het LAP 2022–2025, met daarin verschillende
maatregelen die succesvol zijn uitgevoerd. Zo is er een brede set aan landelijke verkeersveiligheidsdata
beschikbaar gekomen. Hiermee kunnen overheden hun risicogestuurde beleid verder vormgeven.
Ook zijn er onderzoeken uitgevoerd naar ongevallen met langzaam verkeer, waardoor
meer inzicht in de achtergronden is ontstaan. Een laatste voorbeeld is de versterkte
(integrale) aanpak van rijden onder invloed van de afgelopen jaren.
Indeling brief
Er lopen verschillende toezeggingen, moties en maatregelen vanuit het Rijk. In deze
brief ontvangt u van mij de stand van zaken hierop. De brief is ingedeeld in de volgende
tussenkopjes:
• Veilige infrastructuur
• Veilige voertuigen
• Veilige verkeersdeelnemers
• Overige ontwikkelingen
Veilige infrastructuur
Derde tranche Investeringsimpuls verkeersveiligheid
Met het afronden van het tweede aanvraagtijdvak van de derde tranche is bijna het
gehele budget van € 450 miljoen voor de Investeringsimpuls verkeersveiligheid benut.
Vrijwel alle medeoverheden hebben van deze cofinanciering van maximaal 50% gebruik
gemaakt. Dit betekent een impuls van bijna € 900 miljoen euro voor infrastructurele
verkeersveiligheidsmaatregelen op het onderliggend wegennet (wegen in beheer van gemeenten,
provincies en waterschappen). Omdat het merendeel van de dodelijke en ernstige verkeersslachtoffers
op het onderliggende wegennet valt, levert de Investeringsimpuls een substantiële
bijdrage aan het verbeteren van de verkeersveiligheid.
In het tweede aanvraagtijdvak van de derde tranche was in totaal € 116 miljoen beschikbaar.
Medeoverheden konden vanaf 12 november tot en met 24 december 2025 een aanvraag doen.
In totaal zijn 195 aanvragen gedaan, waarvan 184 door gemeenten, 8 door provincies
en 3 door waterschappen. Tezamen is er voor circa € 104 miljoen aan rijksbijdragen
verstrekt.
Een analyse van de binnengekomen aanvragen laat zien dat voor de volgende maatregelen
het meest is aangevraagd:
• Aanleg van een vrijliggend fietspad en verbreden van fietspaden.
• Aanleg van een gebiedsontsluitingsweg 30 km/u.
• Veilig inrichten van 30 km/uur wegen.
• Afwaarderen van 50 km/u naar 30 km/u.
• Aanleg van een fietsstraat.
• Aanleg van een rotonde binnen de bebouwde kom.
De regeling voor de derde tranche is zo ingericht dat het beschikbare budget zo optimaal
mogelijk werd benut om in heel Nederland de verkeersveiligheid te verbeteren. Dit
is gedaan door het hanteren van meerdere aanvraagtijdvakken en plafondbedragen per
medeoverheid. Mede door deze aanpassingen ten aanzien van de eerste twee tranches
hebben 150 medeoverheden in de derde tranche voor het eerst een aanvraag ingediend.
Tezamen met de eerdere tranches heeft nu ruim 98% van de medeoverheden gebruikgemaakt
van de regeling.
Met de afronding van het tweede aanvraagtijdvak resteert ongeveer € 16 miljoen aan
onbenut budget. Om dit bedrag volledig en doelmatig in te zetten, wordt zo snel mogelijk
een derde aanvraagtijdvak opengesteld. Voor projecten uit de derde tranche geldt dat
deze uiterlijk 31 december 2028 gerealiseerd moeten zijn. Gezien de beperkte realisatietermijn
en de beperkte omvang van het resterende budget is, in goed overleg met de partners
van het SPV, besloten om het derde aanvraagtijdvak in te richten op maatregelen die
snel realiseerbaar en bewezen (kosten)effectief zijn. Omdat de doelstelling van een
evenwichtige spreiding van de rijksbijdrage is behaald en de volledige benutting van
het budget nu voorop staat, wordt voor het derde aanvraagtijdvak teruggegrepen op
het molenaarsprincipe (wie het eerst komt, wie het eerst maalt) uit de eerste tranche.
Ook dit is in afstemming met de SPV-partners besloten.
Zodra ook het derde aanvraagtijdvak is afgerond, verschuift de focus van de Investeringsimpuls
naar de verantwoording. Medeoverheden die een rijksbijdrage hebben ontvangen, zijn
gehouden hun projecten te realiseren binnen de daarvoor geldende termijnen. Voor de
eerste, tweede en derde tranche zijn dit respectievelijk 31 december 2026, 31 december
2027 en 31 december 2028. Dat betekent ook dat gecofinancieerde projecten de komende
jaren hun vruchten afwerpen. Ex-ante onderzoek naar de verwachte opbrengsten van de
maatregelen uit de eerste en tweede tranche laat nu al zien dat de Investeringsimpuls
een kosteneffectief instrument is: elke geïnvesteerde euro levert naar verwachting
€ 1,70 aan maatschappelijke baten op door het voorkomen van verkeersslachtoffers.5 De komende jaren wordt gemonitord of deze effecten ook in de praktijk zichtbaar zijn.
Monitoringsrapportage Veilig over Rijkswegen
Rijkswaterstaat heeft de rapportage «Veilig over Rijkswegen 2024 (VOR 2024) gepubliceerd
(bijlage 3). Deze rapportage bevat kerncijfers over de verkeersveiligheid op het Nederlandse
rijkswegennet. In 2024 waren er volgens het Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland
(BRON) 71 verkeersdoden op rijkswegen6. Daarmee blijft het aantal verkeersdoden vrijwel gelijk aan 2023, toen 70 dodelijke
slachtoffers op rijkswegen vielen. Uit de monitoring blijkt onder meer dat het aandeel
kwetsbare verkeersdeelnemers7 onder de slachtoffers (verkeersdoden en -gewonden) is toegenomen van 16% in 2017
naar 20% in 2024. Daarnaast is het aantal slachtoffers onder motorrijders sterk gestegen,
van 225 in 2022 naar 318 in 2024. De groei in aantal slachtoffers bij de motor is
mogelijk toe te wijzen aan de populariteit van de motor als vervoerswijze sinds de
coronapandemie.
Veilige voertuigen
Voortgang uitwerking nieuw beleid gehandicaptenvoertuigen
Conform toezegging wordt de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat verkeersveiligheid
geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van het nieuwe beleid voor gehandicaptenvoertuigen8. Momenteel worden de mogelijkheden voor het instellen van een nationale typegoedkeuring
voor de snellere categorie gehandicaptenvoertuigen (20–45 km/u) verkend en uitgewerkt.
Daarnaast is op 8 april een expertsessie georganiseerd om de concept technische eisen
voor gehandicaptenvoertuigen nader te bespreken.
Ter ondersteuning van de verdere beleidsontwikkeling zijn daarnaast twee onderzoeken
in uitvoering. Kenniscentrum VeiligheidNL is een onderzoek gestart om zicht te krijgen
op technische oorzaken van ongevallen met scootmobielen. Daarnaast is een onafhankelijk
adviesbureau gestart met een onderzoek naar de plaats op de weg (bijvoorbeeld trottoir
of fietspad) van gehandicaptenvoertuigen. In het derde kwartaal wordt opnieuw een
brede stakeholdersessie georganiseerd om input op te halen op de concrete beleidsvoorstellen
voor de verdere uitwerking van gedragen beleid. In het najaar van 2026 wordt het nieuwe
beleid voor gehandicaptenvoertuigen gedeeld met de Kamer.
Modulaire voertuigaanpassingen, waaronder pedaalverhogers
In het commissiedebat Gehandicaptenbeleid van november 2025 zijn de moties Joseph
en Richardson9 (BBB resp. VVD) en Thiadens en Krul10 (PVV resp. CDA) aangenomen. Hierin wordt het kabinet verzocht in overleg te treden
met belangenorganisaties over de mogelijkheden van modulaire voertuigaanpassingen
waaronder verwisselbare pedaalverhogers. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
(IenW) heeft daarop, in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) vanuit een coördinerende rol op het VN-verdrag Handicap in december
2025 een rondetafelgesprek georganiseerd. Vertegenwoordigers van de Belangenvereniging
van Kleine Mensen, Dienst Wegverkeer (RDW), het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
(CBR) en de Vereniging van Auto-aanpassers waren hierbij aanwezig. Afgesproken is
om gezamenlijk de verschillen in regelgeving en praktijk tussen Nederland, België
en Frankrijk in kaart te brengen, om te onderzoeken welke buitenlandse voorbeelden
mogelijk bruikbaar zijn.
Over het aanbrengen van pedaalverhogers is afgesproken om, rekening houdend met de
doelgroep en in lijn met de wetgeving, na te gaan wat nodig is om het proces van aanpassing
eenvoudiger te maken. Daarbij blijft het noodzakelijk om de verkeersveiligheid te
waarborgen. Hier moet eind 2026 meer duidelijkheid over zijn. De moties zijn hiermee
afgedaan en de kamer wordt in volgende verzamelbrieven verkeersveiligheid op de hoogte
gehouden van de ontwikkelingen.
Gedoogconstructie restantvoorraad Land Rover
Door een cyberaanval op de autofabrikant Land Rover waren aanzienlijke vertragingen
ontstaan in de fabricage en uitlevering van Land Rovers die oorspronkelijk voor de
ingangsdatum van de nieuwe EURO 6e BIS-regelgeving geleverd hadden moeten worden.
Hierdoor voldeden ze niet aan de nieuwe regelgeving maar wel aan de oude regelgeving.
Dergelijke voertuigen kunnen in specifieke gevallen middels een gedoogconstructie
worden opgenomen in een zogenoemde restantvoorraad. Mijn ambtsvoorganger is 2 januari
j.l. akkoord gegaan met een gedoogconstructie voor 180 Land Rovers, zodat deze alsnog
op de Nederlandse markt gebracht konden worden. Andere Europese landen zijn ook akkoord
gegaan met een dergelijke constructie.
Verlagen toegestane maximummassa (terugkeuren) bij de RDW
Terugkeuren is circa 20 jaar geleden in het leven geroepen om bepaalde kampeerwagens
en caravans te kunnen besturen met een rijbewijs B. Het betreft een puur administratieve
procedure bij de RDW waarbij de toegestane maximummassa van een voertuig voor € 71,30 verlaagd kan worden naar bijvoorbeeld
3.500 kg of lager, zonder dat het voertuig is aangepast en fysiek gezien of gecontroleerd
wordt. Op papier kan hierdoor een groot voertuig (bijvoorbeeld een vrachtwagen of
kampeerwagen) met een hoge technische maximummassa alsnog voor sommige regelgeving
een lagere toegestane maximummassa hebben. Zo hoeft niet langer te worden voldaan
aan wettelijke vereisten zoals een rijbewijs C, snelheidsbeperking en in het beroepsgoederenvervoer
over de weg een vergunning en een tachograaf. Dat betekent ook dat een groot voertuig
op papier een aanzienlijk lagere massa mag vervoeren dan waartoe het technisch in
staat is (bv. grote laadruimte). Hierdoor zijn de voertuigen sneller (juridisch) overbeladen.
In de praktijk is overbelading moeilijk te controleren omdat van buiten niet te zien
is of een voertuig is teruggekeurd en hoe het beladen is. Elk voertuig moet dan apart
worden gewogen op een controlelocatie. Dit is echter lastig handhaafbaar en creëert
een ongelijk speelveld. Tevens draagt dit niet bij aan een eenduidiger en eenvoudiger
stelsel van voertuigclassificaties, waarbij verschillen tussen de technisch toelaatbare maximummassa en de toegestane maximummassa ontstaan. Ook gaat dit ten koste van de verkeersveiligheid.
Mede naar aanleiding van signalen vanuit de sector en vragen vanuit de Tweede Kamer11 is besloten de terugkeurprocedure af te schaffen voor nieuwe gevallen met een overgangsregeling
voor voertuigen in bestelling Het kabinet is momenteel bezig om invulling te geven
aan dit besluit en heeft hiervoor regelgeving in voorbereiding. De Kamer wordt hier
later nader over geïnformeerd.
Veilige verkeersdeelnemers
Implementatie vierde Rijbewijsrichtlijn
De vierde Europese Rijbewijsrichtlijn is in november 2025 vastgesteld. Deze richtlijn
bevat herziene en nieuwe Europese regels over rijbewijzen, waaronder regels voor de
categorieën van rijbewijzen, medische rijgeschiktheid, begeleid rijden, de invoering
van een digitaal rijbewijs en de wederzijdse erkenning van rijbewijzen van EU-landen.
Nederland heeft de taak om binnen twee tot drie jaren (afhankelijk van welk onderdeel)
deze richtlijn in wetgeving te implementeren en de richtlijn binnen twee tot vier
jaar daadwerkelijk tot uitvoering te brengen. Het Ministerie van IenW werkt hiervoor
nauw samen met de zelfstandige bestuursorganen waar de uitvoering van wettelijke taken
zijn belegd: de RDW en het CBR. Ook wordt nauw samengewerkt met de Ministeries van
JenV, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en andere stakeholders zoals
gemeenten. De algemene insteek is een lastenluwe implementatie van de richtlijn.
Tijdens het commissiedebat van 4 februari jl. vroeg het lid Stoffer (SGP) naar aanleiding
van de vierde Europese Rijbewijsrichtlijn of de Minister in Nederlandse regelgeving
de mogelijkheid wil overnemen om zware elektrische bestelbussen met aanhangwagen te
mogen besturen met rijbewijs BE en een aanvullende training, inclusief de bijbehorende
erkenningsregeling voor deze training.
Volgens de Rijbewijsrichtlijn is het rijbewijs BE twee jaar na de eerste afgifte ervan
geldig voor het besturen van een zware elektrische bestelbus met aanhangwagen. Dit
moet uiterlijk 26 november 2027 zijn overgenomen in Nederlandse regelgeving en in
werking zijn. Een aanvullende training is hiervoor niet nodig. Wel is het belangrijk
dat bestuurders zich ervan bewust zijn dat bij een bestelbus met een maximummassa
van meer dan 3.500 kg de verkeersregels voor een vrachtwagen gelden, omdat het juridisch
gezien om een vrachtwagen gaat.
De planning is dat de eerste wijzigingen van Nederlandse regelgeving ter implementatie
van deze richtlijn in het laatste kwartaal van 2026 voor internetconsultatie worden
aangeboden.
Stand van zaken programma Van Rijles Naar Rijonderwijs
Het programma Van Rijles naar Rijonderwijs (VRNR) is opgezet naar aanleiding van het
advies van de heer Roemer12 en richt zich op het versterken van de kwaliteit van de rijopleiding en het stelsel
daaromheen. Het Ministerie van IenW werkt samen met het CBR, het Innovam Branche Kwalificatie
Instituut (IBKI) en de rijschoolbranche aan de uitwerking van de voorgestelde verbeteringen.
In de Kamerbrief van 4 december 202513 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het programma.
De afgelopen maanden zijn verdere stappen gezet op de trajecten van wet- en regelgeving,
communicatie en de transitie naar de nieuwe manier van werken. De Kamer wordt hierover
rond de zomer met een separate brief nader geïnformeerd.
CBR-rapportage Q1 2026 Examenafname
Met deze brief ontvangt u de kwartaalrapportage «examenafname» eerste kwartaal 2026,
inclusief de aanbiedingsbrief van het CBR (bijlagen 4 en 5). De Kamer ontvangt deze
stukken naar aanleiding van de toezegging gedaan in de Kamerbrief van 23 maart 202114. De rapportage biedt inzicht in de stand van zaken eind maart 2026 van de reserveringstermijnen
voor het praktijkexamen B, het slagingspercentage voor het praktijkexamen B en de
aantallen afgenomen praktijkexamens B.
Stabiele reserveringstermijnen voor examens specialisaties
Door het tijdelijk niet aanbieden van de TTT heeft het CBR in het tweede, derde, vierde
kwartaal van 2025 en het eerste kwartaal 2026 in totaal bijna 47.000 meer B-examens
kunnen afnemen dan in diezelfde periode in 2024/2025. Daarnaast werd een beperkt deel
van de vrijgekomen capaciteit in 2025 ingezet voor examens van specialisaties (brommer,
motor en auto met aanhanger), waardoor de reserveringstermijnen ook voor deze examens
inmiddels stabiel zijn.
Andere maatregelen voor stabiliseren reserveringstermijnen
Het CBR is in het eerste kwartaal 2026 doorgegaan met andere maatregelen om de reserveringstermijnen
stabiel te houden, zoals het beter verdelen van de capaciteit van examinatoren over
de locaties en het werven van nieuwe examinatoren. In 2025 en 2026 kwamen er tot nu
toe 76 nieuwe examinatoren bij. Daarnaast zijn zowel in februari als in maart van
dit jaar twee nieuwe klassen met de opleiding tot examinator gestart.
Landelijke terugkeer TTT
Uit de kwartaalrapportage over het eerste kwartaal (begin april 2026) blijkt dat de
reserveringstermijnen landelijk stabiel zijn gebleven. Aan het einde van het kwartaal
is een lichte stijging te zien als gevolg van seizoensinvloeden (winterse weer) en
daardoor uitval van examens. De reserveringstermijnen blijven op alle (op een enkeling
na) locaties (afgerond) binnen de kpi van maximaal 7 weken. Daarom achtte het CBR
het verantwoord om de TTT vanaf 30 maart 2026 ook in de laatste regio’s (Utrecht,
Flevoland en Noord- en Zuid-Holland) her in te voeren. Vanaf die datum kunnen op alle
locaties kandidaten die er klaar voor zijn binnen de kpi van 7 weken examen doen.
Hiermee beschouwt IenW de motie van de leden Veltman en Olger van Dijk15 om de TTT maximaal een jaar tijdelijk niet aan te bieden als afgedaan.
Als het CBR begin juli 2026 (rapportage tweede kwartaal) nog steeds conform de gestelde
kpi presteert, ziet IenW, zoals ik u eerder heb gemeld bij brief van 20 januari jl.16, geen noodzaak meer voor deze extra kwartaalrapportages over de reserveringstermijnen.
De Kamer wordt dan weer op de hoogte gehouden van de reserveringstermijnen via de
halfjaarlijkse voortgangsbrief inzake de verkeersveiligheid en de reguliere verantwoordingsdocumenten
van het CBR, zoals het jaarverslag.
Medische rijgeschiktheid
Per 1 april jl. is de «Regeling eisen geschiktheid 2000» aangepast. Met deze wijziging
komen de rijgeschiktheidseisen voor AD(H)D en autismespectrumstoornissen (ASS) te
vervallen. Hiermee is de motie van Joseph en Westerveld17 afgedaan.
Gelijktijdig is per 1 april de recidiefvrije termijn voor mensen die een psychose
hebben doorgemaakt teruggebracht van zes naar twee maanden. Hierdoor kunnen mensen
die een psychose hebben doorgemaakt vier maanden eerder worden beoordeeld op de rijgeschiktheid.
Het CBR monitort gedurende twee jaar de effecten van de reductie van de recidiefvrije
termijn en de planning is dat de evaluatieresultaten in de zomer van 2027 kunnen worden
gedeeld met de Kamer.
Onderzoeken rijden onder invloed
De motie Veltman (VVD)18 vraagt te verkennen wat nodig is om te onderzoeken welke rol drugs spelen in het
verkeer.
In lijn met deze motie is met de betrokken organisaties in de aanpak op rijden onder
invloed19 een inventarisatie uitgevoerd naar alle beschikbare en lopende onderzoeken over rijden
onder invloed. De onderzoeken die de rol van drugs in het verkeer in kaart brengen,
zijn hierin meegenomen.
In 2023 is IenW gestart met een vragenlijst-onderzoek waarin rijden onder invloed
wordt meegenomen. Dit onderzoek is in 2025 herhaald20. Hieruit blijkt dat het rijden onder invloed van drugs in de periode 2023–2025 niet
is toegenomen. In 2027 wordt dit vragenlijstonderzoek opnieuw uitgevoerd, zodat de
ontwikkelingen in de tijd kunnen worden gevolgd. Daarnaast vindt in samenwerking met
de politie een onderzoek plaats, waarbij, door middel van staande houdingen in het
verkeer, metingen worden verricht naar de prevalentie van rijden onder invloed, waaronder
drugsgebruik. De resultaten hiervan worden in 2027 verwacht.
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft eind 2025 een onderzoek afgerond naar de
ontwikkelingen van aanwezigheid van drugs in het bloed van bestuurders die verdacht
worden van rijden onder invloed van drugs in Nederland van 2017 tot 202321. Hieruit bleek dat de meest voorkomende soort drugs in het verkeer cannabis is. TeamAlert
ontwikkelt binnen de bestaande subsidieregeling een campagne tegen cannabis en combigebruik
in het verkeer. De onderzoeksresultaten bevestigen het belang van deze inzet. Deze
doelgroepgerichte campagne tegen cannabis en combigebruik in het verkeer start in
april 2026.
In opdracht van IenW heeft VeiligheidNL onderzocht in hoeverre bestuurders die na
een verkeersongeval op de Spoedeisende Hulp (SEH) belanden, middelen gebruiken. Hiervoor
werd een werkwijze ontwikkeld en getest. Tijdens een meetweek namen 26 SEH-afdelingen
speekseltesten af bij bestuurders die hier vrijwillig aan mee wilden werken. Helaas
was het aantal deelnemers te laag voor betrouwbare resultaten. De combinatie van een
complexe methode, hoge werkdruk op SEH’s en, ondanks geborgde anonimiteit, angst voor
mogelijke gevolgen bij bestuurders leidde tot lage deelname. Voor representatieve,
betrouwbare resultaten zijn nog veel meer extra meetweken nodig zijn. Dit is niet
mogelijk binnen de huidige opdracht en daarom is besloten te stoppen na de eerste
testweek. Na de zomer volgt een rapportage met een beschrijvende analyse van de beperkte
verzamelde data. Daarin wordt ook een aanbeveling gedaan ten aanzien van mogelijkheden
voor de frequentie en methode van herhaling van dit onderzoek.
Met deze gezamenlijke en lopende onderzoeksinspanningen wordt uitvoering gegeven aan
de motie. Hiermee wordt de motie Veltman (VVD) als afgedaan beschouwd.
Vermoeidheid
Kamerlid Van Asten vroeg tijdens het commissiedebat op 4 februari jl. om maatregelen
te nemen tegen vermoeidheid in het verkeer. De vraag of dit onderwerp zich leent voor
een campagne is voorgelegd aan de campagnepartners (OM, Veilig Verkeer Nederland,
TeamAlert, Politie, provincies en ANWB). Deze partners zien vermoeidheid als belangrijk
onderwerp, maar een campagne hiertegen zou ten koste gaan van de inzet op thema’s
zoals rijden onder invloed, afleiding en fietshelm. Gerichte communicatie is volgens
de partners een betere aanpak voor vermoeidheid. Bijvoorbeeld gericht op specifieke
doelgroepen zoals distributieverkeer, jongeren, senioren en vakantiegangers. De ANWB
en TeamAlert willen hier mogelijk gericht over communiceren via hun eigen kanalen.
Daarnaast is het een belangrijk thema binnen het vervolg op de werkgeversaanpak MONO-Zakelijk.
IenW werkt aan deze voortzetting, onder een nieuwe naam, met focus op verkeersveiligheidscultuur,
rijden onder invloed, rijgedrag, afleiding en vermoeidheid. Dit gebeurt in samenwerking
met verzekeraars, de leasesector, Sectorinstituut Transport en Logistiek, TeamAlert,
Veilig Verkeer Nederland, en ANWB. Naar verwachting wordt deze nieuwe aanpak rond
de zomer gelanceerd.
Tot slot moeten nieuwe auto’s in Europa vanaf 7 juli 2024 waarschuwen, bijvoorbeeld
door een melding op het dashboard, zodra iemand vermoeid achter het stuur zit. Hiermee
heeft vermoeidheid op meerdere sporen een plek gekregen en is invulling gegeven aan
de toezegging.
Overige ontwikkelingen
Uitkomsten SWOV-dieptestudie naar de oorzaken van motorongevallen
Op 8 april heeft SWOV een dieptestudie naar de oorzaak van ongevallen met motorrijders
gepubliceerd (bijlage 6). De studie onderscheidt soorten motorongevallen en factoren
die tot ongevallen leiden. Het gaat om onder meer de weggesteldheid, snelheid, voertuigbeheersing,
afleiding en niet gezien worden door anderen. De meeste ongevallen met motorrijders
zijn het gevolg van een combinatie van factoren, zoals hoge snelheid in een bocht
van een motorrijder in combinatie met niet gezien worden door een automobilist.
SWOV stelt dat een palet maatregelen beschikbaar is om de verkeersveiligheid van motorrijders
te verbeteren. Zoals maatregelen aan de inrichting en onderhoud aan de weg, het stimuleren
van antiblokkeersysteem (ABS) op motorfietsen, de combinatie van handhaving op rood
licht en snelheid, het stimuleren van het volgen van voortgezette rijopleidingen en
het voorlichten over veilige motorkleding. Ten aanzien van algemene periodieke keuring
(APK) op motorfietsen stelt SWOV dat APK weinig bijdraagt aan het voorkomen van ongevallen.
De verkeersveiligheid van (en door) motorrijders is een constant aandachtspunt, voor
zowel het ministerie als de sector, die hierin samenwerken in het Motorplatform. Het
Motorplatfom heeft de afgelopen jaren via actieplannen diverse maatregelen voorgesteld
en ook doorgevoerd. Op dit moment werkt het ministerie met het Motorplatform aan een
actualisatie daarvan. De uitkomsten van deze studie van SWOV worden daarbij dankbaar
gebruikt.
Ambulancedata ten behoeve van verkeersongevallenanalyse
Tijdens het commissiedebat verkeersveiligheid van 4 februari 2026 zijn vragen gesteld
door het Kamerlid Van Asten (D66) over ambulancedata ten behoeve van verkeersongevallenanalyses
en is toegezegd hier voorafgaand aan het volgende commissiedebat verkeersveiligheid
op terug te komen. Daarbij was de vraag of er juridische bezwaren zijn waardoor ambulancedata
niet gekoppeld kunnen worden aan andere databronnen en of de bestaande ontsluiting
van ambulancedata gefinancierd kan blijven worden.
Het streven van het Ministerie van IenW is om ambulancedata optimaal te benutten ten
behoeve van ongevalsanalyses en dekkend voor heel Nederland te krijgen. Het landelijk
ontsluiten van ambulancedata is een maatregel uit het vorige LAP: «Landelijk beschikbaar
maken van aanvullende ongevalsgegevens, waaronder uit ambulancedata». De afgelopen
jaren zijn hier goede stappen gezet. Het is VeiligheidNL met een subsidie van IenW
gelukt om de ambulancedata die zien op ongevalsinformatie te ontsluiten van 24 van
de 25 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s) voor wegbeheerders. De wegbeheerders
verkrijgen hiermee informatie over onder meer waar ongevallen hebben plaatsgevonden
en welke voertuigtypen betrokken waren. Hierdoor kan de verkeersveiligheid risicogestuurd
worden verbeterd.
Het koppelen van ambulancedata met andere databronnen, zoals politiegegevens, past
binnen de ambitie van het Ministerie van IenW om ongevalsdata beter te benutten, maar
kan alleen op een veilige en verantwoorde wijze als de privacy van slachtoffers niet
in het gedrang komt. De komende tijd blijft het Ministerie van IenW in gesprek met
sectororganisatie Ambulancezorg Nederland (AZN) en de 25 RAV’s over óf en binnen welke
kaders een dergelijke koppeling mogelijk is. Het is belangrijk daarbij oog te houden
voor de juridische waarborgen en de perspectieven van AZN en de RAV’s. Het Ministerie
van VWS en diverse andere partners, zoals VeiligheidNL, VNG, IPO, SWOV, TNO, Artsen
Voor Veilig Fietsen (AVVF) en de Fietsersbond, zijn ook betrokken bij deze gesprekken.
Door verschillende perspectieven te betrekken, proberen we tot een optimale oplossing
te komen om meer informatie toegankelijk te maken ten behoeve van het verbeteren van
verkeersveiligheid. Uiterlijk aan het einde van dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd
over de uitkomst van deze gesprekken.
IenW heeft tot einde dit jaar budget voor het ontsluiten van ambulancedata. Ondertussen
zien steeds meer wegbeheerders de toegevoegde waarde van deze data. Er wordt met de
wegbeheerders besproken of zij kunnen bijdragen aan het beschikbaar houden van deze
data de komende jaren. Uiterlijk voor de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de
uitkomst van deze gesprekken.
Antwoord op aanbevelingen van het Beneluxparlement over fietsbeleid
Het Beneluxparlement heeft in de zomer 2024 aanbevelingen omtrent fietsbeleid gedeeld
met de Kamer.22 De drie Benelux-landen hebben gezamenlijk een reactie op deze aanbevelingen opgesteld,
welke terug zijn te vinden in bijlage 7.
In de antwoorden over fietsbeleid erkennen de Benelux-landen de brede maatschappelijke
meerwaarde van de fiets en benadrukken zij verkeersveiligheid als gedeelde prioriteit,
met bijzondere aandacht voor kwetsbare weggebruikers. De antwoorden zijn officieel
aangenomen door het Comité van Ministers van de Benelux.
Tot slot
Verkeersveiligheid is deze kabinetsperiode één van de beleidsprioriteiten van het
Ministerie van IenW, zoals u heeft kunnen lezen in de beleidsbrief die 24 april 2026
aan de Kamer is verstuurd.23 Deze kabinetsperiode wordt maximaal ingezet om de stijging van verkeersongevallen
te breken. Voor de zomer wordt de hernieuwde aanpak verkeersveiligheid gedeeld, met
maatregelen waarvoor we jaarlijks monitoren of we op de goede weg zijn. We hebben
immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid om zo veel mogelijk te voorkomen dat
Nederlanders ’s ochtends van huis vertrekken en ’s avonds niet meer thuiskomen, omdat
ze betrokken zijn geraakt bij een verkeersongeval.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
Indieners
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat