Brief regering : Verslag informele Landbouw- en Visserijraad van 3-5 mei 2026, jaarrapportage GLB-NSP en sectoroverleg over de eco-regelingen
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
28 625
Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
Nr. 1796
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID
EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 mei 2026
Van 3 tot en met 5 mei jl. vond de informele Landbouw- en Visserijraad (hierna: de
Raad) plaats in Cyprus. Met deze brief informeren wij de Kamer over de uitkomsten
van de Raad. Daarnaast informeert de Minister de Kamer over de jaarrapportage van
het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) – Nationaal Strategisch Plan over de periode
2023–2027 en over het sectoroverleg over de eco-regelingen.
I. Verslag informele Landbouw- en Visserijraad d.d. 3–5 mei 2026
Risicomanagement in de Europese landbouwsector
Tijdens de Raad spraken de landbouwministers over risicomanagement in de Europese
landbouwsector. De lidstaten reflecteerden op twee door het Cypriotisch voorzitterschap
gestelde vragen. De eerste vraag ging over in hoeverre de huidige risicobeheersinstrumenten
en crisisresponsmechanismen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) – en de
voorstellen voor het GLB na 2027 – doeltreffend zijn om agrariërs te ondersteunen
bij het aanpakken van steeds vaker voorkomende en ernstigere risico’s en incidenten.
De tweede vraag richtte zich op welke aanvullende maatregelen op Europees niveau,
buiten het GLB-kader om, het vermogen van de Europese Unie (EU) om te anticiperen
en reageren op systemische landbouwrisico’s en -incidenten verder kan versterken.
De gedachtewisseling begon met een toelichting van de Wereldbank op een studie die
zij op 25 maart jl. publiceerde, waarin ze het gebruik en de effectiviteit van instrumenten
voor risicobeheer in de landbouw in EU-lidstaten heeft geëvalueerd en aanbevelingen
heeft gedaan ter ondersteuning van toekomstige beleidsontwikkeling.1 Volgens de Wereldbank zijn er op dit moment veel onzekerheden voor boeren door een
veranderd risicoprofiel, waarbij de intensiteit toeneemt, zoals geopolitieke onrust,
fytosanitaire en veterinaire risico’s en toenemende klimaatuitdagingen. Daarom moet
er, volgens de Wereldbank, anders naar risicomanagement gekeken worden, waarbij vooral
meer geïnvesteerd moet worden in preventie, het versterken van de veerkracht en het
langetermijn concurrentievermogen. Daarbij benoemde de Wereldbank dat het GLB zich
moet aanpassen, zodat het meer wordt gericht op preventie en het beheersen van risico’s
en het beter aansluit op nationale beleidsmaatregelen. Ook gaf de Wereldbank aan dat
het noodzakelijk is om meer informatie te delen tussen lidstaten over hoe klimaatverandering
impact heeft op de landbouw en dat lidstaten boeren beter moeten adviseren over hoe
om te gaan met de verschillende risico’s. Indien schade toch optreedt, is er volgens
de Wereldbank behoefte aan risicodeling in de EU, door bijvoorbeeld een EU-herverzekeringsmechanisme,
waardoor het mogelijk is om de verzekeringskosten te verlagen.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) reageerde hierop dat er in het kader
van risicomanagement een geïntegreerde en strategische aanpak nodig is. Daarbij benoemde
zij dat er veel verschillende manieren zijn van risicomanagement, waarin het huidige
GLB een belangrijke rol speelt. Volgens de Commissie kan het toekomstige GLB het risicomanagement
verder versterken, waarbij ook ingezet moet worden op innovatie en het systematisch
verzamelen van data, bijvoorbeeld via het Europees Waarnemingscentrum voor Droogte.
De Commissie benadrukte verder dat crisisinstrumenten een aanvulling vormen op risicobeheersmaatregelen,
en geen vervanging van de laatste zijn. Daarom heeft de Commissie voor het GLB na
2027 gekozen voor een gelaagde aanpak. Ook gaf de Commissie aan samen te werken met
de Europese Investeringsbank (EIB) aan onder andere de ontwikkeling van obligaties
voor rampen of herverzekeringen en onderstreepte ze ook het belang van risicodeling
in de EU. De Commissie zal op korte termijn een Europees geïntegreerd kader voor klimaatbestendigheid
en risicobeheer presenteren.
Lidstaten onderschreven de conclusies van de Wereldbank dat de landbouwsector op dit
moment te maken heeft met onzekerheden en hoge inputprijzen door geopolitieke onrust,
fytosanitaire en veterinaire risico’s en klimaatverandering. In dit kader onderstreepten
veel lidstaten wederom de noodzaak tot het versterken van de strategische autonomie
van de EU. Nederland gaf aan dat boeren ook steeds vaker worden geconfronteerd met
een opeenstapeling van negatieve externe omstandigheden, zoals meer extreme weersomstandigheden.
Omdat deze omstandigheden vaker zullen voorkomen gaf Nederland aan van mening te zijn
dat het automatisch vergoeden van geleden schade niet de juiste aanpak is, aangezien
het de prikkel wegneemt om te investeren in duurzame praktijken en het op de lange
termijn financieel niet houdbaar is.
Voor wat betreft het risicomanagement gaven verschillende lidstaten, waaronder Nederland,
aan dat het GLB een belangrijk instrument blijft bij het ondersteunen van boeren bij
financiële en productie-onzekerheden. Enkele lidstaten noemden de directe betalingen
uit de eerste pijler van het GLB als een belangrijk instrument voor risicomanagement,
omdat deze bijdragen aan het basisinkomen van de agrarische ondernemers. Nederland
gaf specifiek aan dat het huidige GLB een goede basis biedt om boeren te stimuleren
te investeren in klimaatadaptieve en klimaatmitigerende maatregelen. Een aantal lidstaten
benoemde ook de noodzaak om de veerkracht van het landelijk gebied te vergroten en
dat de tweede pijler van het GLB een belangrijk instrument is om dit te realiseren.
Over het algemeen riepen lidstaten, waaronder Nederland, op tot een holistische, integrale
en strategische benadering van risicomanagement.
Daarnaast gaven veel lidstaten aan meer behoefte te hebben aan flexibiliteit in het
nieuwe GLB, zodat zij het risicomanagement beter kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden.
Op deze manier zou volgens deze lidstaten de GLB-steun efficiënter en eenvoudiger
ingezet kunnen worden. Verder benoemden lidstaten, waaronder Nederland, ook het belang
te investeren in technologieën, innovaties, zoals AI en Nieuwe Genomische Technieken
(NGTs), dataverzameling en kennisuitwisseling. Daarbij werd specifiek ook het belang
genoemd van het Agrarisch Kennis en Innovatie Systeem (AKIS) en wezen meerdere lidstaten
op de noodzaak om in te zetten op vroege-detectiemechanismen.
Ook werd door veel lidstaten benadrukt dat veel risico’s grensoverschrijdend zijn
en tegelijkertijd impact hebben op verschillende lidstaten. Daarom moet, volgens deze
lidstaten, de EU-dimensie van risicomanagement versterkt worden. In het bijzonder
werd daarbij genoemd het delen van risico’s en financiering, bijvoorbeeld via een
EU-herverzekeringsmechanisme. Laatstgenoemde werd gezien als manier om de premies te verlagen
en meer schade te kunnen dekken, een nuttige toevoeging aan de bestaande risicomanagementinstrumenten.
Nederland gaf aan dat private verzekeringen boeren helpen om de restschade financieel
op te vangen: de schade die niet kan worden voorkomen, vermeden of volledig hersteld.
Nederland gaf in dit kader aan goede ervaringen te hebben met de brede weersverzekering.
Daarnaast werd ook door enkele lidstaten het belang genoemd om meer water vast te
houden en te investeren in betere irrigatie. Verschillende lidstaten riepen op tot
voldoende financiering en een apart budget voor landbouw in het nieuwe Meerjarig Financieel
Kader (MFK), met meer middelen voor risicomanagement. Aanvullend gaven enkele lidstaten
aan voor investeringen in irrigatie te kijken naar het Europees Concurrentievermogenfonds.
Ook waren er wederom lidstaten die aangaven dat voldoende compensatie belangrijk blijft
bij schade. Daarbij riepen zij op de landbouwreserve van de EU te versterken en verwelkomden
zij het «Union Safety Net», een voorgesteld EU-mechanisme als vervolg op de landbouwreserve
om de agrarische markt te stabiliseren bij verstoringen en economische druk. Nederland
reageerde dat het «Union Safety Net» een stap in de goede richting is. Daarbij riep
Nederland, samen met enkele lidstaten, op dat de landbouwreserve voornamelijk gericht
zou moeten zijn op marktverstoringen. Nederland steunde de versterkte samenwerking
tussen de Commissie en de EIB om extra financiële middelen vrij te maken ter ondersteuning
van boeren bij de overgang naar veerkrachtigere productiesystemen en ter stimulering
van investeringen in de ontwikkeling van innovatie en technologieën. Daarnaast verwelkomde
Nederland het door de Commissie aangekondigde Europees geïntegreerd kader voor klimaatbestendigheid
en risicobeheer.
Evaluatie Gemeenschappelijk Visserijbeleid
Tijdens de informele Raad werd daarnaast van gedachten gewisseld over de op 30 mei
jl. gepubliceerde evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) over de
periode 2014–2024. De gedachtewisseling begon met een presentatie van de Commissie
met de belangrijkste resultaten van de evaluatie. De Commissie concludeerde ten algemene
dat het GVB een belangrijk en geschikt instrument blijft in het realiseren van de
brede en alomvattende doelstellingen (ecologisch, economisch en sociaal) op het gebied
van visserij en benoemde daarbij vooral het belang en de noodzaak van volledige en
juiste implementatie. De Commissie gaf hierbij aan de evaluatie van het GVB te gebruiken
als input voor de aanstaande Visie 2040 voor de visserij- en aquacultuursector evenals
voor mogelijke vereenvoudigingsvoorstellen om de administratieve lasten voor vissers
te verminderen. Daarmee wordt pas op een later moment besloten of de evaluatie ook
daadwerkelijk tot een herziening zal leiden van het GVB.
Veel lidstaten waren het met de Commissie eens dat het GVB heeft geholpen in het duurzaam
beheren van visbestanden. Gezien de huidige geopolitieke onzekerheden en gestegen
brandstofkosten gaven lidstaten aan dat het GVB meer toekomstbestendig moet zijn,
afhankelijkheden moet verminderen en het noodzakelijk is te komen tot een langetermijn
strategische visie met moderne en vereenvoudigde regels. Daarbij riepen meerdere lidstaten,
waaronder Nederland, op tot een herziening van het GVB. Enkele andere lidstaten riepen
op dat voldoende financiering en een apart budget nodig is uit het MFK voor visserij
en aquacultuur.
Een groot gedeelte van de lidstaten onderstreepte de noodzaak om te innoveren en de
vloot te moderniseren om zo het toekomstperspectief van de sector te versterken en
afhankelijkheden te verminderen. Nederland benoemde daarbij specifiek dat de technische
maatregelenverordening op dit moment innovatie onvoldoende ondersteunt. Daarnaast
onderstreepte Nederland ook het belang van een herziening van de aanlandplicht en
gaf, samen met een aantal andere lidstaten, aan dat de aanlandplicht op dit moment
niet goed werkt in de praktijk en moeilijk te implementeren is.
Voor wat betreft de meerjarige plannen (MAPs) gaven lidstaten aan dat meer flexibiliteit
nodig is, ondersteund door het gebruik van real-time data en wetenschappelijk advies.
Ook gaven veel lidstaten aan dat vereenvoudiging en vermindering van administratieve
lasten belangrijk zijn om het concurrentievermogen van de visserij te versterken.
Enkele lidstaten riepen in dit kader de Commissie op om een zogenoemd Omnibusvoorstel
voor visserij te presenteren. De controleverordening werd door Nederland samen met
andere lidstaten genoemd als een voorbeeld van wetgeving die te gedetailleerd is en
daardoor innovatie hindert en het moeilijk maakt voor de sector om zich aan te passen
aan nieuwe omstandigheden.
Daarnaast benoemden lidstaten het belang van een goede en duurzame samenwerking met
derde landen, toegang tot visbestanden en een gelijk speelveld. Enkele lidstaten gaven
aan dat het belangrijk is om meer rekening te houden met de regionale verschillen,
om zo tot een efficiënt beheer te komen met lokale kennis en ervaring. Dit geeft volgens
deze lidstaten ook meer flexibiliteit.
In de aquacultuur zijn volgens een aantal landen strategische stappen nodig. De rol
van aquacultuur moet volgens hen versterkt worden; daar is nu onvoldoende aandacht
voor.
Nederland benoemde ook dat er op evenwichtige wijze rekening moet worden gehouden
met ecologische en sociaaleconomische doelstellingen. Een aantal lidstaten gaf daarop
aan dat de ecosysteem-benadering op dit moment niet goed werkt en dat deze meer in
evenwicht moet zijn.
Tijdens de Raad van 23 en 24 juni a.s. in Luxemburg zal in meer detail gesproken worden
over de evaluatie van het GVB.
II. Jaarrapportage Gemeenschappelijk Landbouwbeleid – Nationaal Strategisch Plan 2023–2027
(GLB-NSP)
Op 1 januari 2023 is het Nationaal Strategisch Plan 2023–2027 (NSP) in werking getreden.
Over de uitvoering van het NSP moet Nederland jaarlijks verantwoording afleggen aan
de Commissie, in een Annual Performance Report (APR). Op 16 februari 2026 is het derde
APR bij de Commissie ingediend. De rapportage gaat over de periode 16 oktober 2024
tot 15 oktober 2025.
De impact en voortgang van het GLB-NSP wordt gemeten aan de hand van vooraf bepaalde
doelen en indicatoren in samenspraak met de Commissie. In het eerste uitvoeringsjaar
2023 zijn verschillende subsidiemaatregelen voor het eerst opengesteld. Na het leerjaar
2023 kwam het programma in het tweede jaar goed op gang met vele nationale en provinciale
openstellingen. Waar de eerste jaren vooral in het teken stonden van opbouw, openstellingen
en het inregelen van de uitvoering, is nu steeds beter te zien wat het programma in
gang zet en oplevert. Op meer onderdelen zijn betalingen gedaan en steeds meer openstellingen
leiden tot concrete projecten, investeringen en samenwerking. Veel subsidieregelingen
zijn overvraagd door de grote interesse in deelname, wat ertoe geleid heeft dat aanvullende
nationale middelen toegevoegd zijn aan het NSP om meer aanvragen te kunnen goedkeuren.
Het NSP is een meerjarig programma en niet ieder resultaat is direct zichtbaar. Het
kost tijd voordat openstellingen leiden tot uitvoering, betalingen en meetbare effecten.
Het bijgevoegde publieksverslag maakt de voortgang op een toegankelijke manier zichtbaar.
III. Terugkoppeling sectoroverleg eco-regeling
Naar aanleiding van het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad op donderdag 23 april
jl. hebben het Ministerie van LVVN en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
overleg gevoerd met sectorvertegenwoordigers over de niet-naleving van de eco-regeling
en de zorgen van de sector over de afwijzing van een groot aantal eco-activiteiten.
Ook zijn zorgen en vragen vanuit de sector over de werking van het Areaalmonitoringsssysteem
(AMS) aan de orde geweest. Dit gesprek heeft op woensdag 29 april jl. plaatsgevonden.
Verschillende partijen hebben het belang benadrukt van de eco-regeling voor de verduurzaming
van de landbouw in Nederland. Zij delen de zorgen die zijn ontstaan door de vele afwijzingen
en subsidieverlagingen. Tijdens het gesprek is door RVO uiteengezet hoe het AMS werkt,
welke gegevens worden gebruikt, welke kwaliteitscontroles er op het systeem zijn en
hoe RVO continu werkt aan verdere verbeteringen van het systeem. Omdat 2025 het eerste
jaar is, waarin grootschalig met AMS is gecontroleerd, zijn het Ministerie van LVVN
en RVO gebaat bij alle signalen die kunnen helpen om de werking van het systeem te
toetsen. Het Ministerie van LVVN en RVO hebben aangegeven dat op basis van de huidige
controles geen aanwijzingen zijn dat de satellietmonitoring structureel onjuiste uitkomsten
oplevert, mede omdat deze doorgaans overeenkomen met luchtfoto’s en veldcontroles.
Uiteraard geldt dat aanvragers die het niet eens zijn met de beoordeling, een bezwaarschrift
kunnen indienen. RVO heeft aangegeven dat, indien een bezwaarschrift binnen de voorgeschreven
termijn van zes weken wordt ingediend, er zes weken worden gegeven om de bezwaargronden
aan te vullen in plaats van de gebruikelijke vier weken.
Ook is met de sectorpartijen gesproken over hoe de motie-Koorevaar c.s. (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1789) kan worden uitgevoerd. Zo is besproken welke door AMS gecontroleerde activiteiten
leiden tot de signalen die de sectorpartijen krijgen uit het veld met betrekking tot
met name groene braak, groenbedekking en onderzaai vanggewas, ook in relatie tot het
noodzakelijke vertrouwen. De sectorpartijen zullen hiervoor cases aandragen en die
met vertegenwoordigers van het Ministerie van LVVN en RVO bekijken.
Verder is gesproken over de rol die boeren in 2026 zelf kunnen spelen om negatieve
beschikkingen zoveel mogelijk te vermijden. Bij het maken van hun keuzes worden boeren
geadviseerd om zich goed te verdiepen in alle subsidievoorwaarden en om bij twijfel
contact op te nemen met RVO. RVO werkt aan uitbreiding van de informatievoorziening
op de RVO-website, onder meer over hoe een activiteit moet worden uitgevoerd en wat
te doen bij extreem weer, zoals droogte. Het blijft cruciaal dat als een activiteit
niet blijkt te lukken, de aanvrager dit zo snel mogelijk meldt bij RVO door het aanpassen
van de aanvraag of het indienen van een overmachtsmelding. Dit wordt in de praktijk
nog te weinig gedaan.
Tot slot is gesproken over mogelijke maatregelen in het systeem van de eco-regeling
die de onzekerheden kunnen verminderen en voorspelbaarheid voor boeren kan vergroten.
Deze maatregelen zouden dan voor 2027 kunnen gaan gelden. Over de richting van deze
maatregelen lijkt brede overeenstemming te bestaan. De Minister zal de Kamer binnenkort
informeren over de veranderingen die hij beoogt door te voeren.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
-
Indiener
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Medeindiener
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur