Brief regering : Geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen 28 en 29 mei 2026
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 696
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Op 28 en 29 mei 2026 organiseert het Cypriotisch voorzitterschap een Raad voor Concurrentievermogen
over de onderdelen 1) industrie en interne markt en, 2) onderzoek en innovatie en
3) ruimtevaart. Met deze brief stuur ik u de geannoteerde agenda met daarin een beschrijving
van de discussiepunten en de Nederlandse inzet. Het onderdeel onderzoek en innovatie
stuur ik mede-namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Verder wil ik uw Kamer informeren over het non-paper dat Nederland samen met België,
Luxemburg en het secretariaat-generaal van de Benelux heeft opgesteld ter beïnvloeding
van het aangekondigde EU Skills Portability Initiative. De dienstensector vertegenwoordigt
een aanzienlijk deel van de Europese interne markt, waarop voor bedrijven en beroepsbeoefenaars
nog veel winst te behalen valt. In het najaar van 2026 verwacht de Europese Commissie
in dat verband langs drie actielijnen te komen met (wets)voorstellen, die gaan over
vaardigheden en gereglementeerde beroepen. Dit zijn: 1) verdergaande digitalisering
en transparantie van vaardigheden; 2) modernisering van de erkenning van gereglementeerde
beroepen; en 3) vereenvoudiging van de erkenning van kwalificaties en vaardigheden
voor derdelanders. De uitgangspunten van het non-paper sluiten aan bij de conclusies
van de Letta-, Draghi- en Wennink-rapporten, het Benelux-jaarplan en het coalitieakkoord,
met oog voor zowel economische belangen als niet-economische, publieke belangen.
Het Skills Portability Initiative draagt ertoe bij dat het vrij verkeer van personen
en diensten op de interne markt wordt bevorderd. Het kabinet zal in Brussel benadrukken
dat het voor het concurrentievermogen belangrijk is om te zorgen dat: 1) beroepsbeoefenaars
verworven vaardigheden ook in andere EU-landen kunnen inzetten; 2) erkenningsprocedures
voor gereglementeerde beroepen efficiënter kunnen verlopen; 3) de EU-inzet op beroepskwalificaties
van zogeheten derdelanders goed aansluit op behoefte in de lidstaten. In het non-paper
wordt opgeroepen om in de Commissievoorstellen rekening te houden met de nationale
bevoegdheden rondom arbeidstoelating en de complexiteit van de huidige erkenningssituatie,
waarin onderling vertrouwen centraal staat en interoperabiliteit met bestaande initiatieven
van belang is.
Via deze weg informeer ik u ook over het European Product Act non-paper. Nederland
zal, samen met Finland, Portugal en Zweden, dit paper tijdens de Raad onder de aandacht
brengen. De Europese Commissie presenteert in september 2026 een European Product
Act (EPA). De EPA ziet op de herziening van horizontale productregelgeving die de
veiligheid van producten waarborgen. Het bevat een herziening van i) de markttoezichtverordening,
ii) de verordening conformiteitsbeoordeling, accreditatie en CE-markering, en iii) de
normalisatieverordening. Nederland zet met het non-paper in op drie overkoepelende
thema’s: modernisering van het wetgevend kader, digitalisering en verbetering van
Europese samenwerking, en versterking van het gelijk speelveld. Centraal staat het
verminderen van de regeldruk.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
Inleiding
De Raad voor Concurrentievermogen (hierna: Raad) op 28 en 29 mei a.s. staat in het
teken van twee onderdelen: 1) Interne markt & Industrie, 2) Onderzoek en Innovatie
en 3) Ruimtevaart. Deze indeling wordt ook aangehouden in de geannoteerde agenda.
Interne Markt en Industrie (28 mei 2026)
Industrial Accelerator Act: hoe de toegang tot de interne markt het best kan worden
benut door middel van Europese preferenties en koolstofarme maatregelen
(Beleidsdebat)
Toelichting agendapunt
Als onderdeel van de Clean Industrial Deal, heeft de Europese Commissie (hierna: de
Commissie) afgelopen 4 maart de Industrial Accelerator Act (hierna: IAA) gepubliceerd.
Met de IAA wil de Commissie de economische veiligheid, strategische autonomie en concurrentiekracht
van de EU versterken door de schone industriële capaciteit te vergroten, in (strategische)
sectoren te versnellen en de werking van de interne markt te verbeteren.
Nederlandse positie
Op 10 april heeft het kabinet uw kamer in het BNC-fiche geïnformeerd over de Nederlandse
positie rond de gehele IAA.1 Tijdens het beleidsdebat bij de Raad zal de focus met name liggen op de maatregelen
rond oorsprongscriteria en koolstofarme productnormen. Het kabinet ziet een grote
rol voor koolstofarme productnormen om de transitie naar een schone industrie te stimuleren
en vraagcreatie te bevorderen. Productnormen zijn non-discriminatoir en bevorderen
het gelijke speelveld tussen alle producenten in een sector. Het kabinet denkt dat
de huidige percentages voor productnormering niet hoog genoeg zijn om op de lange
termijn significant impact te maken. Tijdens de Raad zal het kabinet de Commissie
oproepen te kijken hoe per strategische sector transitiepaden naar schone en competitieve
productieprocessen eruit kunnen zien en welke (gradueel toenemende) productnormen
daar eventueel bij passen. Tot slot zal het kabinet de Commissie oproepen een duidelijke
en eenduidige definitie van «koolstofarm» te presenteren, zodat in de gehele EU dezelfde
standaard wordt gehanteerd.
Zoals in het BNC-fiche is weergegeven, is het kabinet terughoudend met de inzet van
oorsprongscriteria. Hoewel het instrument gebruikt kan worden om de weerbaarheid van
de Unie te versterken en strategische markten kan stimuleren, zou het instrument alleen
moeten worden ingezet als lichtere instrumenten niet afdoende zijn en inzet proportioneel,
tijdelijk en gericht is. Tot slot moet de inzet verenigbaar zijn met internationale
juridische verplichtingen van de EU. Het kabinet weegt per geval zorgvuldig af of
de kosten opwegen tegen de baten.
Krachtenveld
Het krachtenveld in de EU rond de IAA tekent zich momenteel nog af. Uit de lopende
discussies blijkt met name dat nog onduidelijkheid bestaat rondom de reikwijdte en
toepassing van sommige bepalingen in de IAA (bijvoorbeeld de definitie van «koolstofarm»).
Hier zal het kabinet tijdens de Raad ook aandacht voor vragen, omdat het wil voorkomen
dat de IAA tot onnodige regeldruk of moeilijk uitvoerbare maatregelen leidt. Rondom
de toepassing van oorsprongscriteria is het krachtenveld duidelijker zichtbaar. Sommige
lidstaten willen een ruimere toepassing van het principe, terwijl een andere groep
lidstaten pleit voor voorzichtigheid in het gebruik van het principe vanwege de risico’s
op regeldruk, innovatiepotentieel, investeringsklimaat en de relatie met gelijkgestemde
handelspartners.
28ste regime
(Beleidsdebat)
Toelichting agendapunt
De Raad bespreekt het Commissievoorstel betreffende het vennootschapsrechtelijk kader
van de 28ste regeling – «EU Inc.» (het 28ste regime). Dit is een optioneel vennootschapsrechtelijk regime voor ondernemingen binnen
de EU, dat een nieuwe Europese rechtsvorm introduceert, de EU Inc., die naast bestaande
nationale en internationale rechtsvormen zal bestaan. Met deze overal in de EU gelijke
en herkenbare rechtsvorm, beoogt de Commissie het starten, opschalen en stoppen van
ondernemingen in de EU beter te faciliteren en zo het concurrentievermogen van Europese
bedrijven en de Europese economie te versterken. Het voorstel wordt momenteel behandeld
op ambtelijk niveau in de Raadswerkgroep Ondernemingsrecht.
Nederlandse positie
Het kabinet is voorstander van de ontwikkeling van een 28ste regime dat daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden, zoals
bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan de versterking van de concurrentiepositie
van bedrijven in de EU. Dit sluit aan bij de ambitie uit het coalitieakkoord om de
interne markt te voltooien.
Een 28ste regime kan belangrijke economische kansen bieden, omdat het een alternatief biedt
voor ondernemingen die nog steeds geconfronteerd worden met significante fragmentatie
van nationale regelgeving binnen de interne markt. Het kabinet constateert dat ondernemingen
in de EU te maken hebben met teveel administratieve lasten bij grensoverschrijdend
ondernemen, waardoor het met name ook voor start- en scale-ups moeilijker is op te
schalen in de EU en om financiering aan te trekken. Daardoor kunnen Europese bedrijven
moeilijker concurreren met bedrijven buiten de EU.
Wel heeft het kabinet kritische vragen en zorgen bij het voorstel. Voor het kabinet
is het van belang voor de effectiviteit van het voorstel dat de nieuwe rechtsvorm
die wordt geïntroduceerd betrouwbaar is en rechtszekerheid biedt. Momenteel ontbreken
de noodzakelijke waarborgen in het voorstel om misbruik, fraude en witwassen met de
EU Inc. te voorkomen. Daarnaast heeft het kabinet kritische vragen over de keuze voor
de rechtsgrondslag.
In lijn met de conclusies van de Europese Raad van 19 maart 2026 om uiterlijk eind
2026 een politiek akkoord met het Europees Parlement over het voorstel te bereiken,
vindt het kabinet het belangrijk dat er snelheid wordt gemaakt in de onderhandelingen
over het voorstel. Het kabinet zal de visie zoals uiteengezet in het BNC-fiche uitdragen
in de Raad.
Krachtenveld
Onder de lidstaten is er brede steun voor de doelstelling en spoedige afronding van
dit dossier. Daarbij worden in lijn met de Nederlandse zorgen in het voorlopige eerste
commentaar door een significante groep lidstaten wel kritische vragen gesteld over
het hoofdstuk over insolventierecht, de rechtsgrondslag (waaronder voor de fiscale
elementen) en mogelijk misbruik door de EU Inc. en het risico op fraude.
Raadsconclusies duurzaam en competitief toerisme voor de toekomst
De raadconclusies «Building a sustainable and competitive tourism sector for the future»
geven richting aan een toekomstbestendige en weerbare toerisme sector in Europa. Deze
conclusies sluiten aan bij het Nederlandse toerisme beleid. Naar verwachting zullen
alle lidstaten akkoord gaan met de conclusies.
Impact van de crisis in het Midden-Oosten op de toerismesector
(Beleidsdebat)
Toelichting agendapunt
Tijdens het debat zal gesproken worden over de effecten van de crisis van het Midden-Oosten
op de toerismesector. Belangrijkste effecten zijn teruglopende boekingen, met name
door stijgende brandstofprijzen en onzekerheid over beschikbaarheid van vluchten.
Vliegtickets en toeslagen worden duurder, waardoor (intra-)Europese bestemmingen populairder
worden. Reisondernemers en touroperators zien de winstmarges onder druk komen. Voor
Nederland is het effect tot nu toe beperkt. Dit komt omdat Nederland verreweg de meeste
toeristen uit eigen land of uit Duitsland ontvangt en die markten zijn voor nu stabiel.
Samen met de reissector en het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen blijft
het kabinet de effecten monitoren.
Nederlandse positie
Nederland ziet op EU-niveau toevoegde waarde in informatie-uitwisseling en monitoring
van de effecten van de crisis, zoals het delen van data en goede voorbeelden. Daarnaast
is coördinatie belangrijk, met name op het gebied van connectiviteit en transportvraagstukken.
Mochten er extra EU-maatregelen nodig zijn dan moeten deze proportioneel, gericht
en uitvoerbaar zijn en niet zorgen voor onnodige administratieve lasten voor de sector.
Krachtenveld
Op dit moment is de rol van de EU vooral om te zorgen voor goede informatie-uitwisseling
en monitoring. Er zijn enkele landen die graag zouden zien dat er extra ruimte voor
staatsteun komt voor de toerisme sector of speciale crisismaatregelen voor de toerisme
sector. Naar verwachting is hiervoor geen meerderheid in de Raad.
Kernuitdagingen: De Europese Chemische Industrie
(Lunchdebat)
Toelichting agendapunt
De Europese energie-intensieve industrie bevindt zich momenteel in een perfect storm: hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen, in combinatie
met koolstofbeprijzing verzwakken de internationale concurrentiepositie met risico
op sluitingen en verplaatsing van productie tot gevolg. Vooral de chemiesector wordt
hier hard door geraakt.
Vorig jaar juli heeft de Commissie, onder de Clean Industrial Deal, haar actieplan
voor de chemische industrie gepubliceerd.2 Hieruit is o.a. de Critical Chemicals Alliance ontstaan. Binnen deze alliantie wordt gewerkt aan gerichte adviezen voor oplossingen
op Europees niveau. Tijdens het lunchdebat zal worden gesproken over de huidige situatie
van de chemie-industrie.
Nederlandse positie
De chemiesector is voor Nederland een sector van groot strategisch en economisch belang.
De sector heeft een centrale rol in tal van waardeketens, draagt bij aan verschillende
strategische sectoren (van gezondheid tot defensie), is grondig verweven in de energie-infrastructuur
en heeft een groot potentieel voor circulariteit en innovatie. Tegelijkertijd kent
deze sector grote fossiele afhankelijkheid en is deze verantwoordelijk voor een groot
deel van de industriële uitstoot in Nederland en de EU. Het is daarom de inzet van
het kabinet om de industrie te verduurzamen als beste weg naar een sterke chemiesector
die zorgt voor welvaart, weerbaarheid en open strategische autonomie.
Europees beleid speelt hierin een belangrijke rol. Alleen wanneer maatregelen, bijvoorbeeld
vraagcreatie naar groene chemie, op Europees niveau worden genomen kan het interne
gelijke speelveld adequaat worden bewaakt. Mede om deze reden is Nederland sterk vertegenwoordigd
in de Europese Critical Chemical Alliance, o.a. als voorzitter van de werkgroep voor marktcreatie.
Krachtenveld
Er bestaat brede consensus, zowel bij de Commissie als onder de lidstaten, dat de
chemiesector van strategisch belang is voor de EU en daarom adequaat moet worden ondersteund
in de transitie. De mate waarin lidstaten het voortouw nemen bij de vormgeving van
Europees beleid voor de sector hangt in belangrijke mate samen met de aanwezigheid
van chemische industrie in de betreffende lidstaten. Naast Nederland zijn dat bijvoorbeeld
Frankrijk, Duitsland en Italië. Tot op heden is er geen sprake van noemenswaardige
tegenstand op dit dossier.
Onderzoek en innovatie (29 mei 2026)
Dit deel van de Geannoteerde Agenda is mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap en gaat enkel over het onderzoeks- en innovatiedeel van de Raad.
Horizon Europe (2028–2034), het tiende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie
(Aanname algemene oriëntatie)
Toelichting agendapunt
Het huidige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (O&I), Horizon Europe, loopt
tot en met 2027. Op 16 juli 2025 heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor
het volgende kaderprogramma, Horizon Europe (2028–2034).
Het Cypriotisch voorzitterschap wil in het onderhandelingsproces over dit voorstel
de volgende stap zetten: een gedeeltelijke algemene oriëntatie (Partial General Approach). Dit is een politiek besluit, een Raadsakkoord, waarin de Raad een standpunt inneemt
over een wetgevingsvoorstel over de gehele breedte van het Commissievoorstel over
Horizon Europe (2028–2034). Onder de «Nederlandse positie» wordt verder ingegaan op
de inhoud van het voorliggende beoogde Raadsakkoord.
In deze fase van het onderhandelingsproces betreft het echter een gedeeltelijk standpunt, omdat enkele elementen van het voorstel raken aan bredere onderhandelingen.
Dit gaat onder andere over de budgetindicaties in de context van onderhandelingen
over het meerjarig financieel kader (MFK) en de samenhang van het Horizonprogramma
met andere Europese programma’s onder het MFK. Deze bredere onderhandelingen vinden
separaat plaats en kunnen daarna verwerkt worden.
Op het moment van schrijven van deze Geannoteerde Agenda is nog niet duidelijk of
er daadwerkelijk een gedeeltelijke algemene oriëntatie op de agenda van de Raad van
29 mei zal staan. Dit is afhankelijk van besluitvorming in Coreper op 20 mei. Mocht
er in Coreper geen overeenstemming worden bereikt, dan zal het Cypriotisch voorzitterschap
een voortgangsrapportage over het verloop van de onderhandelingen in de Raad presenteren.
Nederlandse positie
Uw Kamer is in september 2025 via het BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsappreciatie
van het Commissievoorstel3 en in aanloop naar de Raad van 9 december 2025 over de voortgang onder het Deense
voorzitterschap met betrekking tot het wetgevende pakket voor Horizon Europe.4 Tijdens de afgelopen Raden is via beleidsdebatten sturing gegeven op belangrijke
deelonderwerpen zoals O&I voor dual-use, veiligheid en defensie, strategische prioriteiten
en toekomstige Europese O&I-partnerschappen.
Zoals beschreven in het BNC-fiche is het kabinet in grote lijnen positief over het
Commissievoorstel. Het Draghi-rapport heeft duidelijk gemaakt dat de versterking van
het Europees concurrentievermogen essentieel voor de toekomst van de EU. Draghi geeft
het belang aan van Horizon Europe voor het stimuleren van innovatie en concurrentievermogen
in Europa. Het kabinet heeft in reactie op dit rapport benadrukt dat O&I de katalysatoren
zijn voor productiviteit en welvaart. Ook zijn het Horizon Europe-programma en diens
voorgangers van groot belang voor Nederland, gezien de succesvolle deelname van Nederlandse
wetenschappers en innovators. Sinds het begin in 2021 hebben Nederlandse deelnemers
al ongeveer € 1 miljard per jaar ontvangen uit het Horizon programma, wat neerkomt
op een retour van 8,6%.5 Het aandeel dat Nederland ontvangt uit Horizon Europe, is bijna tweemaal zo hoog
als het aandeel dat Nederland bijdraagt aan de Europese begroting.6 Daarnaast is zeker in de huidige geopolitieke context Europese samenwerking op O&I
cruciaal om als Europa, en daarmee Nederland, te kunnen concurreren en samenwerken
op het wereldtoneel.
Het voorstel zet de succesvolle instrumenten uit het huidige kaderprogramma voort,
via een vergelijkbare pijlerstructuur, bestaande uit de vier pijlers; I) Excellente
Wetenschap, II) Concurrentievermogen en Maatschappij, III) Innovatie en IV) Europese
onderzoeksruimte. Toekenning van middelen zal wederom plaatsvinden op basis van de
criteria «excellentie» en «impact». Het Europese kaderprogramma ondersteunt op een
samenhangende en integrale wijze het hele spectrum van O&I: van fundamenteel onderzoek
tot innovatie, commercialisatie en maatschappelijke impact en van nieuwsgierigheid-gedreven
tot thematisch gestuurde O&I. Daarnaast steunt het kabinet de vereenvoudiging van
het programma en verwelkomt het kabinet de verbinding met het nieuw voorgestelde Europese
Concurrentievermogenfonds (ECF), zodat het gehele ontwikkeltraject zo goed mogelijk
wordt ondersteund en resultaten niet onbenut blijven.
Het kabinet heeft in het BNC-fiche indertijd ook een aantal aandachtspunten benoemd
welke verheldering of aanpassing vragen in het Commissievoorstel. Dit betreft onder
meer de vormgeving van de voorgestelde samenhang met het ECF.
In het Raadsakkoord, voor zover deze op het moment van schrijven bekend is, zijn veel
zorgen van Nederland weggenomen conform de inzet uit het BNC-fiche. Zo zijn de kennisveiligheidsvoorwaarden
beter ingebed en staat niet meer opgenomen dat er uitsluitend met gestandaardiseerde
salarisvergoedingen gewerkt gaat worden. Een aantal punten verdient echter nadere
aandacht. De belangrijkste openstaande punten op dit moment betreffen de mechanismen
voor strategische prioriteitsbepaling en de daarmee samenhangende aansturing tussen
Horizon Europe en het ECF, de benodigde inzet om de O&I-prestaties en de deelname
van alle lidstaten aan het programma te verbeteren («widening participation») en in
hoeverre defensie-opschaling via het budget van Horizon Europe zou moeten worden gefinancierd.
De voortgang, in Coreper en de raadswerkgroep onderzoek, over de openstaande punten
is bepalend of een deelakkoord tijdens de Raad van 29 mei haalbaar is. Nadat de belangrijkste
politieke knelpunten zijn weggenomen, moet er ook op technisch niveau voldoende ruimte
zijn om zaken goed te organiseren, zodat het programma goed uitvoerbaar blijft. Hoewel
Nederland het voornemen van het voorzitterschap steunt om een gedeeltelijke algemene
oriëntatie te bereiken, benadrukt Nederland tegelijkertijd dat kwaliteit voor snelheid
dient te gaan.
Krachtenveld
Tijdens voorgaande Raden werd het nieuwe voorstel voor Horizon Europe (2028–2034)
breed verwelkomd. Veel lidstaten hebben – net als Nederland – vanaf het begin aangegeven
dat de samenhang tussen het ECF en Horizon Europe nog niet duidelijk is en nadere
uitwerking verdient, onder andere ten aanzien van het maken van strategische thematische
keuzes voor de O&I-inzet. Hier heeft de afgelopen weken pas voortgang op plaatsgevonden.
Vanwege de, op het moment van schrijven, nog andere openstaande punten hebben de meeste
lidstaten nog niet duidelijk aangegeven of ze akkoord kunnen gaan met een gedeeltelijke
algemene oriëntatie op het wetgevende kader voor Horizon Europe.
Raadsaanbeveling voor een EU-raamwerk voor wetenschapsdiplomatie
(aanname Raadsaanbeveling)
Toelichting agendapunt
De Raad zal naar verwachting een raadsaanbeveling7 over een EU-raamwerk voor wetenschapsdiplomatie aannemen. Onder de term wetenschapsdiplomatie
vallen de directe of indirecte inzet van wetenschap, wetenschappelijke resultaten
en wetenschappelijke samenwerking als voeding voor en ondersteuning van het buitenlandbeleid
(«science in and for diplomacy») alsook de inzet van diplomatie ter ondersteuning en bevordering van internationale
samenwerking en wetenschappelijke vooruitgang («diplomacy for science»).
Met deze aanbeveling beoogt de Commissie de lidstaten een basis te geven waarbij wordt
samengewerkt om wetenschapsdiplomatie als instrument te benutten voor open en tegelijk
veilige internationale samenwerking op het terrein van onderzoek, wetenschap en innovatie.
De aanbeveling is mede ingegeven door de huidige geopolitieke ontwikkelingen, het
feit dat buitenland- en veiligheidsbeleid en onderzoeks- wetenschaps- en innovatiebeleid
een toenemende impact op elkaar hebben en het streven om internationaal open en veilig
samen te werken op deze terreinen.
Nederlandse Positie
Nederland staat positief tegenover deze aanbeveling omdat het de lidstaten een basis
biedt voor verdere samenwerking op dit onderwerp. Internationale samenwerking is essentieel
voor onderzoek, wetenschap en innovatie en wetenschapsdiplomatie kan, zeker in het
licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen, instrumenteel zijn aan een open
en veilige internationale samenwerking. Nederland zet reeds in op wetenschapsdiplomatie,
onder meer via de netwerken van attachés op het gebied van wetenschap, onderzoek en
innovatie op een aantal ambassades wereldwijd, een kennisgezant bij het Ministerie
van Buitenlandse Zaken en de wetenschapsdiplomatie instrumenten van NWO.
Krachtenveld
Binnen de EU is er een brede consensus over de relevantie van Europese samenwerking
op wetenschapsdiplomatie als instrument in open en veilige internationale samenwerking
op het gebied van onderzoek, wetenschap en innovatie. In dat licht is er breed draagvlak
voor deze Raadsaanbeveling.
Diversenpunt
Op de agenda staat een diversenpunt over het aanstaande Ierse EU-voorzitterschap.
Ierland zal een toelichting geven op de prioriteiten van hun EU-voorzitterschap.
Ruimtevaart (29 mei 2026)
EU-wet op de ruimtevaart
(Voortgangsrapportage)
Toelichting agendapunt
De Raad bespreekt het voortgangsrapport over het voorstel voor de verordening over
de veiligheid, weerbaarheid en duurzaamheid van ruimtevaartactiviteiten in de Unie
(EU Space Act). Tijdens het beleidsdebat wordt de Raad gevraagd kennis te nemen van
de voortgang van de onderhandelingen en richting te geven aan de verdere uitwerking
van de verordening.
Nederlandse positie
Het kabinet steunt de doelstelling van de EU Space Act om veiligheid, weerbaarheid
en duurzaamheid in de Europese ruimtevaartsector te versterken. Tegelijkertijd acht
het kabinet het van belang dat het uiteindelijke kader juridisch uitvoerbaar en proportioneel
blijft en goed aansluit op bestaande nationale, Europese en internationale kaders.
Het kabinet vraagt in het bijzonder aandacht voor governance en autorisatie. Onder de VN-ruimteverdragen blijven internationale verantwoordelijkheid,
aansprakelijkheid, vergunningverlening en doorlopend toezicht primair bij lidstaten
liggen. Het kabinet vindt het daarom essentieel dat nationale bevoegde autoriteiten
hun verantwoordelijkheden effectief moeten kunnen blijven uitvoeren, zonder onnodige
overlappende EU-procedures of dubbele verplichtingen.
Daarnaast pleit het kabinet voor een risico-gebaseerde en flexibele autorisatieprocedure,
waarbij administratieve lasten voor overheden, bedrijven, mkb en kennisinstellingen
beperkt blijven. Ook zet het kabinet zich in voor een adequate defensie-uitzondering
die nationale competenties op het gebied van veiligheid waarborgt.
Krachtenveld
Een groot aantal lidstaten is kritisch op onderdelen van het voorstel en heeft zorgen
over de reikwijdte, governance, administratieve lasten, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van de verordening.
Ruimte voor economische veiligheid
(Gedachtewisseling)
Toelichting agendapunt
De Raad spreekt over de rol van ruimtevaart voor economische veiligheid en het versterken
van het Europees concurrentievermogen. Naar verwachting zal de discussie ingaan op
het belang van een sterke Europese ruimtevaartsector voor strategische autonomie,
leveringszekerheid, innovatie en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden.
Daarbij kan onder meer aandacht uitgaan naar kritieke technologieën, weerbare waardeketens,
toegang tot de ruimte, dual-use toepassingen en het versterken van de Europese ruimtevaartindustrie.
Nederlandse positie
Het kabinet onderschrijft het belang van economische veiligheid en het gericht afbouwen
van risicovolle strategische afhankelijkheden, met behoud van een open economie en
een goed functionerende interne markt. Het kabinet ziet ruimtevaart als een strategisch
domein en vitale infrastructuur, met grote maatschappelijke, economische en veiligheidsrelevantie.
Het kabinet steunt versterking van de Europese ruimtevaartsector, onder meer via innovatie,
versterking van kritieke waardeketens, toegang tot de ruimte en een beter functionerende
interne markt voor ruimtevaartdiensten. Daarbij acht het kabinet het van belang dat
maatregelen proportioneel, risicogebaseerd en uitvoerbaar blijven, en goed aansluiten
op bestaande nationale, Europese en internationale kaders. Ook benadrukt het kabinet
het belang van een duidelijke rolverdeling tussen de Europese Commissie, ESA en lidstaten,
het beschermen van sensitieve technologie en kennis, en het actief betrekken van bedrijfsleven
en kennisinstellingen bij de verdere uitwerking.
Krachtenveld
Er bestaat brede steun onder lidstaten voor versterking van de Europese economische
veiligheid en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden in kritieke
waardeketens, waaronder in de ruimtevaartsector. Tegelijkertijd vragen verschillende
lidstaten aandacht voor proportionaliteit, uitvoerbaarheid, governance en het behoud
van een open economie en goed functionerende interne markt.
Diversenpunten
Het voorzitterschap zal een toelichting geven op het voorstel voor de verordening
betreffende het EU Space Services Agency (EUSPA). Daarnaast zal de Ierse delegatie
een toelichting geven over de prioriteiten van het aankomend voorzitterschap. Tot
slot presenteert de Directeur-Generaal van de European Space Agency (ESA) de vooruitgang
met het programma European Resilience from Space (ERS), over ruimtevaart voor weerbaarheid,
veiligheid en crisismanagement.
Indieners
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.