Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over inzet internationale kindontvoering India (Kamerstuk 29279-1019) (tweede deel)
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
33 836
Personen- en familierecht
Nr. 1032
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 mei 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Buitenlandse
Zaken over de brief van 15 april 2026 over inzet internationale kindontvoering India
(Kamerstuk 29 279, nr. 1019).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 mei 2026 aan de Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid en de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 12 mei
2026 is het eerste deel van de vragen beantwoord (Kamerstuk 29 279, nr. 1021). Bij brief van 13 mei 2026 zijn de resterende vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Van Tilburg
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen
2
1.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
2.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
3.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
4
4.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
5
5.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
6
6.
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
14
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen
1. Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake
de inzet bij internationale kinderontvoering, waaronder in het geval van Insiya ten
opzichte van India. Het is goed om te lezen dat Nederland op diverse manieren en niveaus
de zaak blijft aankaarten bij de Indiase autoriteiten. Toch moet geconstateerd worden
dat dit nog niet tot het gewenste effect geleid heeft, zeker gegeven de lange tijd
die is verstreken sinds Insiya ontvoerd is. Deze leden hebben daarom enkele vragen.
De leden van de D66-fractie zien dat er in de loop van de jaren en ook recent nog
steeds inzet op deze zaak is – buiten de gerechtelijke stappen, heeft de heer Rutte
in zijn tijd als Minister-President al eens met de heer Modi gesproken over de ontvoering,
en onze Minister-President Rob Jetten heeft onlangs met mevrouw Rashid gesproken over
de kabinetsinzet op dit onderwerp. Voorts willen de leden van de D66-fractie graag
weten – wat is er al gedaan sinds de ontvoering om Insiya terug te krijgen uit India?
En welke extra stappen zien de Minister en de Staatssecretaris om deze zaak in beweging
te krijgen?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Zijn er vergelijkbare zaken of voorbeelden uit andere EU-landen bekend, en is daarbij
bekend hoe en/of waarom deze zaken (on)succesvol zijn verlopen, zeker in de gevallen
dat er (ook) een vonnis lag? Ziet het kabinet kansen om met andere EU-landen gezamenlijk
op te trekken richting India om zo meer resultaat te boeken?
Antwoord:
Het kabinet is in contact met andere EU-landen, en ook niet EU-landen, die vergelijkbare
kinderontvoeringszaken hebben lopen. Tijdens de meest recente EU-India mensenrechtendialoog,
waar Nederland ook aan deelnam, werd het belang van het onderwerp kinderrechten, waaronder
kinderontvoeringen, besproken met de Indiase autoriteiten. Zoals gedeeld in de eerdere
beantwoording van de Kamervragen, is de realiteit dat het terugbrengen van ontvoerde
kinderen uit India helaas lastig blijkt, zowel voor Nederland, als ook voor andere
EU-landen en niet EU-landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Het
kabinet laat geen kans onbenut om met andere landen op te trekken tegelijkertijd is
daarbij de vraag of dat tot resultaat zal leiden.
En zien de bewindspersonen nog kansen om de zaak op (korte) termijn bij India onder
de aandacht te brengen?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
2. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het kabinet over
de inzet bij internationale kinderontvoering in India, in het bijzonder de zaak rondom
Insiya. Deze leden waarderen de inzet van het kabinet in deze ingrijpende zaak.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat internationale kinderontvoering de rechtsstaat
raakt. De uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels onherroepelijk, toch blijft uitvoering
uit. Deze leden vragen welke concrete resultaten de inzet tot nu toe heeft opgeleverd.
Ook vragen zij welke stappen zijn gezet sinds de uitspraak van de Hoge Raad. De leden
van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet de huidige inzet richting India beoordeelt.
Is deze aanpak voldoende effectief? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke extra
stappen overweegt het kabinet? Deze leden wijzen op het belang van wederkerigheid.
Nederland respecteert rechterlijke uitspraken. Dat mag ook van andere landen worden
verwacht. Hoe brengt het kabinet deze boodschap over aan de Indiase autoriteiten?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
In het licht van het aanstaande bezoek van de Indiase premier Narendra Modi aan Nederland
en de ontvangst door de Minister-President, vragen de leden van de VVD-fractie of
deze specifieke zaak onderdeel zal zijn van de gesprekken op het hoogste politieke
niveau. Kan het kabinet bevestigen dat deze zaak expliciet wordt opgebracht?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Daarnaast vragen deze leden welke diplomatieke en politieke drukmiddelen Nederland
nog tot zijn beschikking heeft om voortgang te bewerkstelligen. Wordt overwogen om
deze kwestie in breder Europees verband te agenderen binnen de Europese Unie om zo
de druk richting India te vergroten?
Antwoord:
Het kabinet is in contact met andere EU-landen, en ook niet EU-landen, die kinderontvoeringszaken
hebben lopen. Zoals gedeeld in de eerdere beantwoording van de Kamervragen, is de
realiteit dat het terugbrengen van ontvoerde kinderen uit India helaas lastig blijkt,
zowel voor Nederland, als ook voor andere EU-landen en niet EU-landen als het Verenigd
Koninkrijk en de Verenigde Staten. Het kabinet blijft zich ook in EU-verband onverminderd
inzetten voor deze zaak.
Ten slotte vragen deze leden hoe het kabinet in algemene zin omgaat met internationale
kinderontvoeringszaken waarbij landen geen partij zijn bij relevante verdragen. Ziet
het kabinet aanleiding om het beleid richting deze landen te intensiveren, bijvoorbeeld
via bilaterale afspraken of aanvullende diplomatieke inzet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Is het kabinet bereid de Kamer na het bezoek van Modi aan Nederland te informeren
over de gesprekken die zijn gevoerd over de zaak Insiya? En is het kabinet tevens
bereid om de Kamer periodiek te blijven informeren over de resultaten van de inspanningen
om ontvoerde kinderen daadwerkelijk terug te halen naar Nederland in lijn met de motie
Ellian (Kamerstukken II 2022–2023, 33 836, nr. 79)?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
3. Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GL-PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van de
brief van de regering over de stand van zaken ten aanzien van de ontvoering van het
meisje Insiya naar India. De aan het woord zijnde leden zijn net zoals de regering
er ten zeerste van doordrongen hoezeer deze kinderontvoering ingrijpt in het leven
van alle betrokkenen. Zij achten het onverteerbaar voor Insiya en haar moeder dat
het onherroepelijk geworden strafvonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en vooral
dat het contact tussen Insiya en haar moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, niet
hersteld wordt. De regering meldt in de genoemde brief dat alle mogelijke inzet wordt
gepleegd om het strafvonnis wel ten uitvoer te laten leggen. Wat is de reactie van
de Indiase autoriteiten als Nederland vraagt om de tenuitvoerlegging van de strafzaak.
Welke autoriteiten betreft dit? Geeft het komende bezoek van de Indiase Minister-President
extra mogelijkheden om de Nederlandse inzet nog te intensiveren of te benadrukken?
Zo ja, hoe gaat u daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Wat staat er aan het contactherstel tussen Insiya en haar moeder concreet in de weg?
Welke juridische of andere belemmeringen zijn er? Welke autoriteiten oordelen over
dat contactherstel of zijn daar op een andere manier bij betrokken? En hoe kan het
contact wel hersteld worden? Kunt u het belang van het contactherstel onder de aandacht
van de Indiase Minister-President brengen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen wat de Nederlandse regering doet om de
moeder van Insiya te ondersteunen bij haar pogingen het contact met haar dochter te
herstellen?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Bent u bekend met het feit dat ook India het Internationaal Verdrag inzake de Rechten
van het Kind (IVRK) heeft geratificeerd en dat dat bindende VN-verdrag onder andere
bepaalt dat staten maatregelen moeten nemen «ter bestrijding van de ongeoorloofde
overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland»
(artikel 11)? Zo ja, hoe verhoudt zich dat het feit dat India niet zorgt dat de ontvoering
van Insiya beëindigd wordt? Ben u bereid dat aan de Indiase Minister-President voor
te leggen? Zo nee, waarom bent u daartoe niet bereid?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Maken afspraken over mensenrechten deel uit van het handelsverdrag van de EU met India?
Zo ja, vallen daar direct of indirect ook afspraken onder die de rechten van kinderen
in het algemeen en die van ontvoerde kinderen in het bijzonder raken? En welke afspraken
betreffen dat? Wilt u dat onder de aandacht van de Indiase Minister-President brengen?
Antwoord:
Het voorgenomen handelsakkoord tussen de EU en India omvat afspraken omtrent de toegang
tot elkaars goederen- en dienstenmarkt. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over arbeidsrechten
in relatie tot handel, om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Nadere afspraken over
mensenrechten of kinderrechten zijn geen onderdeel van het handelsakkoord. Mensenrechten
maken wel deel uit van de bredere relatie tussen de EU en India. In het EU-India Cooperation
Agreement uit 1994 staat dat het respecteren van mensenrechten en democratische principes
de basis vormt van de samenwerking tussen de EU en India. In het handelsakkoord zal
een verwijzing worden opgenomen naar het bredere akkoord uit 1994, waarmee ook het
handelsakkoord onderdeel wordt van de bredere Europese samenwerking met India. Het
kabinet zet zich ervoor in dat mensenrechtenkwesties onder de aandacht gebracht blijven
worden, als onderdeel van de bredere Europese samenwerking met India.
Kunt u na afloop van het bezoek van de Indiase Minister-President de Kamer op de hoogte
stellen van wat u ten aanzien van Insiya besproken hebt en wat de resultaten daarvan
zijn?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
4. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief en hebben een aantal
vragen aan de regering. Deze leden onderschrijven de noodzaak voor de Nederlandse
Staat om zich maximaal in te zetten dat Insiya terugkomt naar Nederland zodat haar
moeder het eenhoofdig gezag kan uitoefenen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering aan kan geven of er nog meer vergelijkbare
casussen zijn van kinderontvoering waar zij zich inzet voor herstel van contact en
ouderlijk gezag en of er landen in het bijzonder zijn waarnaar dergelijke vormen van
ontvoering vaker plaatsvinden.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen dat de schrijnende zaak
van Insiya staat geagendeerd tijdens (de voorbereidingen van) het bezoek van de Indiase
Minister-President aan Nederland. Deze leden vragen om bevestiging dat deze casus
tijdens het staatsbezoek aan de orde gesteld zal worden. Voorts vragen deze leden
welke mogelijkheden de regering ziet om de inzet richting de Indiase regering op dit
onderwerp te intensiveren.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het handelsakkoord tussen de EU en India geen
relatie heeft met kinderontvoeringen. Deelt de regering de opvatting dat, ook als
het EU-India handelsakkoord formeel geen aanknopingspunten bevat, politieke en diplomatieke
relaties wél benut kunnen worden om mensenrechtenkwesties zoals deze onder de aandacht
te brengen? Zo ja, hoe wordt hier concreet invulling aan gegeven?
Antwoord:
Het kabinet deelt de mening van de CDA fractie dat de politieke en diplomatieke relaties,
zowel bilateraal als in EU-verband, benut moeten blijven worden om mensenrechtenkwesties
met India te bespreken. Voor de bredere context en uitleg over mensenrechten en het
handelsakkoord verwijzen wij u graag naar het hierboven geformuleerde antwoord
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering, gezien de langdurige aard van en
de grote maatschappelijke en politieke betrokkenheid bij deze zaak, bereid is de Kamer
frequenter te informeren over de voortgang in deze zaak?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
5. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met grote betrokkenheid kennisgenomen van de brief
over de zaak van het naar India ontvoerde meisje Insiya. Deze leden willen allereerst
benadrukken dat achter deze zaak geen abstract juridisch dossier schuilgaat, maar
een meisje dat al jarenlang is afgesneden van haar moeder, en haar leven in Nederland.
Een zaak die niet alleen raakt aan het hart, maar ook aan de geloofwaardigheid van
de Nederlandse rechtsstaat.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat internationale kinderontvoering juridisch
en diplomatiek ingewikkeld kan zijn. Maar ingewikkeld mag nooit een ander woord worden
voor machteloos. Zeker niet wanneer het gaat om een Nederlands kind, een Nederlandse
moeder en Nederlandse rechterlijke uitspraken. De overheid moet naast haar eigen inwoners
staan wanneer zij klem komen te zitten tussen systemen, grenzen en diplomatieke beleefdheden.
Tegen deze achtergrond hebben deze leden de volgende vragen.
Algemene inzet van het kabinet
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij concreet en chronologisch kan
uiteenzetten welke acties de afgelopen jaren zijn ondernomen richting de Indiase autoriteiten.
Zij horen daarbij graag of deze acties telkens op ambtelijk, of ander niveau is aangekaart.
De leden vragen de Minister expliciet wanneer deze zaak voor het laatst op ministerieel
niveau besproken is met India. En wanneer deze zaak voor het laatst door de Minister-President,
of namens de Minister-President aan de orde is gesteld. Wat was tijdens deze acties
telkens de concrete inzet van Nederland in de richting van India?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wat telkens de reactie van India was.
En welke concrete resultaten heeft de Nederlandse inzet tot nu toe opgeleverd? Hoe
beoordeelt het kabinet zelf de effectiviteit van de huidige aanpak. En acht het kabinet
de huidige inzet voldoende, gelet op het feit dat Insiya nog altijd niet terug is?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke bewindspersoon politiek eindverantwoordelijk
is voor het vlottrekken van deze zaak. Is er een coördinerend bewindspersoon of een
interdepartementale taskforce die deze taak trekt? Zo nee, is de Minister dan bereid
om een coördinerend bewindspersoon aan te wijzen, of een interdepartementale taskforce
in te stellen?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Resultaatgerichte herijking
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om niet alleen uiteen te zetten wat
Nederland de afgelopen jaren heeft gedaan, maar ook welke conclusie het kabinet daaruit
trekt. Erkent de Minister dat de tot nu toe gevolgde aanpak feitelijk niet heeft geleid
tot de terugkeer van Insiya?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Rechtsstaat en uitvoering van rechtelijke uitspraken
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe hij het feit duidt dat een onherroepelijke
uitspraak van de Nederlandse rechter in deze zaak in de praktijk niet wordt uitgevoerd.
Wat betekent dit volgens de Minister voor de geloofwaardigheid van de Nederlandse
rechtsstaat? Acht het kabinet het uitlegbaar dat iemand die in Nederland onherroepelijk
is veroordeeld voor ontvoering van een kind, tot op heden zijn straf niet in Nederland
uitzit?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke mogelijkheden er internationaal
bestaan om naleving van Nederlandse rechterlijke uitspraken in dit soort zaken te
bevorderen fen/of af te dwingen. Heeft Nederland internationale fora of multilaterale
mechanismen benut om deze zaak aan te kaarten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij bereid is om deze zaak nadrukkelijker
te framen als een zaak over naleving van rechterlijke uitspraken binnen het strafrecht,
en rechtstatelijke samenwerking, in plaats van uitsluitend als consulaire of familierechtelijke
kwestie.
Antwoord:
Het kabinet vindt beide sporen belangrijk. Daarom vragen we voor beide sporen structureel
aandacht in onze contacten met India. En dat zullen we blijven doen.
De positie van Insiya
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat Insiya enkel
de Nederlandse nationaliteit heeft. Indien de Minister dit bevestigt vragen de leden
welke bijzondere verantwoordelijkheid de Minister voelt voor haar bescherming, terugkeer
en consulaire positie. De leden vragen of Nederland ooit consulaire toegang tot Insiya
hebben gevraagd. Zo ja, wanneer, hoe vaak en met welk resultaat. Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
De informatie waarnaar u vraagt is persoonsvertrouwelijk. Wij kunnen hier vanwege
privacy geen uitspraken over doen. Los daarvan zal Nederland zich altijd inspannen
kinderen die naar andere landen zijn ontvoerd conform de uitgangspunten van het Haags
Kinderontvoeringverdrag terug geleid te krijgen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of Nederland ooit zelfstandig heeft
kunnen vaststellen hoe het met Insiya gaat, los van informatie van de vader, diens
omgeving of de Indiase autoriteiten. Zo nee, vindt de Minister het aanvaardbaar dat
Nederland al jarenlang niet zelfstandig heeft kunnen vaststellen hoe het gaat met
een Nederlands kind dat door een strafbaar feit uit Nederland is weggehaald?
Antwoord:
U kunt ervan uitgaan dat wij waar mogelijk zullen aandringen op een check op hoe het
met Insiya gaat. We doen hier verder geen nadere uitspraken over.
Uitleveringsverdrag Nederland en India
De leden van de BBB-fractie constateren dat tussen Nederland en India een uitleveringsverdrag
geldt, oorspronkelijk gesloten tussen het VK en Nederland. Kan de Minister bevestigen
dat dit verdrag nog altijd de geldende verdragsbasis vormt voor uitlevering tussen
Nederland en India? En kan de Minister bevestigen dat het verdrag uitlevering mogelijk
maakt van personen die beschuldigd van of zijn veroordeeld voor een misdrijf dat op
het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd en die zich bevinden op het grondgebied
van de aangezochte staat?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het verdrag onder meer «abduction», «Child
stealing» en «kidnapping of minors and their false imprisnoment» noemt als uitleveringsdelicten.
Erkent de Minister dat deze verdragsbepalingen direct raken aan de zaak van Insiya?
De leden vragen de Minister om per genoemd verdragsdelict uiteen te zetten waarom
de feiten waarvoor de vader in Nederland is veroordeeld daar volgens Nederland wel
of niet onder vallen.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of de Nederlandse strafrechtelijke
veroordeling van de vader juridisch aan India is gepresenteerd onder een of meer van
deze uitleveringscategorieën? Indien Nederland het uitleveringsverzoek niet heeft
gebaseerd op deze verdragscategorieën, waarom niet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister, indien India heeft betwist dat de
zaak onder deze uitleveringscategoriëen valt, om expliciet toe te lichten op welke
grond India dat heeft gedaan.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om te bevestigen dat het verdrag ook
uitlevering mogelijk maakt voor deelneming aan genoemde misdrijven. De leden vragen
de Minister voorts of Nederland in het uitleveringsverzoek expliciet heeft gewezen
op de rol van de vader als uitlokker, medepleger of deelnemer aan de ontvoering.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of Nederland in het uitleveringsverzoek
onderbouwd heeft dat de gedragingen waarvoor de vader is veroordeeld ook naar Indiaas
recht strafbaar zijn en dus vallen onder de dubbele strafbaarheid. En indien Nederland
dit heeft gedaan, heeft India de dubbele strafbaarheid in deze zaak betwist? Op grond
van welke argumenten dan?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of India zich heeft beroepen op de
discretionaire mogelijkheid om eigen onderdanen niet uit te leveren. Zo ja, kan het
kabinet dan bevestigen dat het dus niet gaat om een verdragsrechtelijke onmogelijkheid,
maar om een (politieke) keuze van India? En als India weigert om een eigen onderdaan
uit te leveren, heeft Nederland dan van India verlangd dat het de strafvervolging
of strafexecutie in India zelf ter hand neemt? Zo ja, wat was hier de reactie van
India op? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Vrijhandelsakkoord EU-India
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Minister stelt dat het recent gesloten
vrijhandelsakkoord tussen de EU en India geen inhoudelijke of juridische aanknopingspunten
bevat voor deze zaak. Deze leden vinden dat een teleurstellende en onbevredigende
conclusie. Wil de Minister op zijn minst erkennen dat handelsrelaties nooit volledig
losstaan van diplomatieke en politieke relaties?
Antwoord:
Het kabinet is het eens met de leden van de BBB-fractie dat handelsrelaties deel uitmaken
van de bredere relatie tussen landen en daarom niet los staan van diplomatieke en
politieke relaties. Het kabinet deelt de mening dat de politieke en diplomatieke relaties,
zowel bilateraal als in EU-verband, benut moeten blijven worden om mensenrechtenkwesties
met India te bespreken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie het akkoord presenteert
als een versterking van economische en politieke banden tussen de EU en India, en
dat de gepubliceerde teksten hoofdstukken bevatten over institutionele bepalingen,
geschillenbeslechting, transparantie, goede regelgevingspraktijken en duurzame ontwikkeling.
Is de Minister bereid te erkennen dat dit niet hetzelfde is als «geen aanknopingspunten»
voor politieke agendering van rechtsstatelijke samenwerking?
Antwoord:
Het voorgenomen handelsakkoord tussen de EU en India omvat afspraken omtrent de toegang
tot elkaars goederen- en dienstenmarkt. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over arbeidsrechten
in relatie tot handel, om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Nadere afspraken over
mensenrechten of kinderrechten zijn geen onderdeel van het handelsakkoord. De hoofdstukken
in het handelsakkoord over institutionele bepalingen, geschillenbeslechting, transparantie,
goede regelgevingspraktijken en duurzame ontwikkeling hebben betrekking op de afspraken
in het handelsakkoord en niet op onderwerpen die buiten de reikwijdte van het handelsakkoord
liggen zoals de rechten van ontvoerde kinderen. In die zin biedt het handelsakkoord
tussen de EU en India geen aanknopingspunten voor deze zaak.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 hierboven zal het handelsakkoord – indien
het door zowel de EU als India wordt geratificeerd – wel deel uitmaken van de bredere
relatie tussen de EU en India, waar ook rechtstatelijke samenwerking en mensenrechten
onderdeel van zijn. Als onderdeel van de bredere EU-India relatie zal het kabinet
er zich voor inzetten dat mensenrechtenkwesties onder de aandacht gebracht blijven
worden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister, indien hij bij zijn conclusie blijft
dat er geen aanknopingspunten zijn, om dan per relevant hoofdstuk toe te lichten waarom
daar geen enkele mogelijkheid bestaat om de bredere rechtstatelijke relatie met India
te agenderen?
Antwoord:
De teksten van de verschillende hoofdstukken van het handelsakkoord tussen de EU en
India zijn nog niet openbaar, vandaar dat een toelichting per hoofdstuk nog niet gedeeld
kan worden. Voor alle genoemde hoofdstukken geldt echter dat zij betrekking hebben
op de afspraken in het handelsakkoord, maar niet op onderwerpen die buiten de reikwijdte
van het handelsakkoord liggen. Het kabinet ziet wel aanknopingspunten om de rechtstatelijke
relatie met India via andere overlegstructuren te agenderen, als onderdeel van de
bredere EU-India relatie.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij/Nederland bereid is om bij de
Raad, de Europese Commissie en de EU-delegatie in New Delhi te bepleiten dat samenwerking
op justitieel gebied, kinderbescherming, internationale kinderontvoering, naleving
van rechtelijke uitspraken, het familierecht en het ontbreken van een effectieve medewerking
door India onderdeel wordt van de bredere EU-India relatie. Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Tijdens de EU-India top op 27 januari 2026 zijn India en de EU een Gezamenlijke Strategische
Agenda overeen gekomen waarin de bredere EU-India relatie voor de periode van 2026
tot 2030 is vastgelegd. Naar de inschatting van het kabinet bieden de hierin opgenomen
bepalingen over mensenrechten, en de reeds bestaande EU-India mensenrechtendialoog,
voldoende aanknopingspunten voor de Europese inzet op deze onderwerpen.
Kinderrechten en internationale verplichtingen
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet deze zaak expliciet
beoordeelt onder het VN-Kinderrechtenverdrag. Kan de Minister aangeven hoe Nederland,
gegeven het feit dat Insiya een Nederlands kind is en de Nederlandse rechter het gezag
bij haar moeder heeft gelegd, invulling geeft aan het belang van het kind, het recht
op behoud van familiebanden en de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer
van kinderen naar het buitenland te bestrijden?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of India in bilaterale contacten expliciet
is gewezen op de verplichtingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag, in het bijzonder
de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer van kinderen te bestrijden.
Zo ja, wanneer is dit gebeurd en wat was de reactie van India? Zo nee, waarom heeft
Nederland dit kinderrechtelijke kader niet nadrukkelijker ingezet?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Het Haags Kinderontvoeringsverdrag
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij kan bevestigen dat India geen
partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Welke gevolgen heeft dat concreet
gehad voor deze zaak? En heeft Nederland India de afgelopen jaren aangespoord om toe
te treden tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag? Zo nee, waarom niet? En is de Minister
bereid om toetreding van India tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag actief te agenderen
in bilaterale gesprekken in EU-verband?
Antwoord:
Het klopt dat India niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
Dat betekent concreet dat de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden
(Ca IKA) geen direct aanspreekpunt heeft in India. Ingeval van een verdragsland biedt
de Ca IKA het verzoek tot teruggeleiding en civielrechtelijke uitspraken van de Nederlandse
rechter via de centrale autoriteiten van het andere land aan. Omdat India geen partij
is bij het HKOV, heeft de Ca IKA deze stukken daarom langs diplomatieke weg aangeboden
aan de Indiase autoriteiten; dit geldt ook voor civielrechtelijke beschikkingen van
de Nederlandse rechter. Tijdens bilaterale consulaire consultaties, alsook in EU-verband
wordt toetreding door India tot het HKOV regelmatig opgebracht; dit heeft echter niet
tot concrete resultaten geleid.
Is de Minister bereid om, tot de tijd dat India toetreedt tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag,
met India een bilateraal noodprotocol of werkafspraak te sluiten voor kinderontvoeringszaken,
gericht op snelle lokalisering, onafhankelijke welzijnscontrole, contactherstel, erkenning
van gezagsbeslissingen en een concreet terugkeerpad?
Antwoord:
Nu er geen zicht is op toetreding van India tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag
is het sluiten van een bilateraal noodprotocol of het maken van werkafspraken die
tot moment van toetreding zouden gelden niet van toepassing. India onderschrijft de
uitgangspunten van het HKOV niet en daarom is een bilateraal noodprotocol of werkafspraak
nu niet opportuun.
Strategisch partnerschap met India
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Indiase Minister-President een strategisch
partnerschap tussen Nederland en India heeft aangekondigd (Indiase premier kondigt
snel partnerschap met Nederland aan | WNL). De leden vragen de Minister wat dit strategische
partnerschap tussen Nederland en India concreet in gaat houden. Welke beleidsterreinen
vallen onder dat strategische partnerschap? Worden justitiële samenwerking, rechsstatelijke
samenwerking en kinderbescherming onderdeel van dit strategische partnerschap? Zo
nee, waarom niet? Is de Minister bereid om deze zaak expliciet te betrekken bij de
vormgeving en tot standkoming van een strategisch partnerschap met India? Zo nee,
waarom niet? En vindt de Minister het geloofwaardig om te spreken van een strategisch
partnerschap als fundamentele rechtstatelijke kwesties tussen beide landen onopgelost
blijven? En kan het kabinet toezeggen dat samenwerking met India op economisch en
technologisch terrein niet los wordt gezien van deze zaak?
Antwoord:
Het kabinet kan op het moment van schrijven nog geen informatie delen over het Strategisch
Partnerschap daar deze nog in onderhandeling is met India. Ongeacht de inhoud van
het Strategisch Partnerschap, kan het kabinet delen dat het onverminderd aandacht
zal blijven geven aan deze onderwerpen in de contacten met India.
Bezoek van Minister-President Modi aan Nederland
De leden van de BBB-fractie hebben vernomen dat Minister-President Modi Nederland
op korte termijn bezoekt. Kan de Minister aangeven wanneer dit bezoek precies plaatsvindt,
en wanneer en met welke (politieke) ambtsdragers Modi komt te spreken volgens het
programma.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen of deze zaak al op de agenda van dit bezoek staat.
Zo ja, op welk niveau en met welke concrete inzet? Zo nee, waarom nog niet? Is de
Minister bereid om voorafgaand aan het bezoek expliciet bij India aan te kondigen
dat Nederland deze zaak op het hoogste politieke niveau zal opbrengen? En is Minister-President
Jetten bereid om Modi persoonlijk te vragen om medewerking aan de terugkeer van Insiya
en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader? En is de Minister-President bereid
om ook aan de Koning te vragen, mocht een ontmoeting tussen hem en Modi op de planning
staan, of hij ook persoonlijk aan Modi wil vragen om medewerking aan de terugkeer
van Insiya en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om niet alleen
te spreken over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten te vragen, zoals contactherstel,
consulaire toegang, medewerking aan uitlevering en een tijdpad voor terugkeer.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om vóór het
bezoek van Minister-President Modi een aangescherpt handelingskader vast te stellen,
met concrete doelen, termijnen en vervolgstappen. Daarbij vragen deze leden in ieder
geval om niet alleen te spreken over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten
te vragen en in te gaan op consulaire toegang, onafhankelijk vaststellen van Insiya’s
welzijn, structureel contactherstel met haar moeder, een tijdpad voor terugkeer van
Insiya en medewerking aan uitlevering of een juridisch alternatief. Ook vragen zij
welke consequenties het kabinet verbindt aan het opnieuw uitblijven van medewerking
door India, en of de zaak dan wordt opgeschaald naar het hoogste politieke niveau
en in EU-verband.
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij de Kamer direct na het bezoek
kan informeren over wat hierover precies is besproken, en wat India heeft toegezegd.
En welke concrete stappen zet het kabinet als India tijdens of na dit bezoek opnieuw
geen beweging laat zien?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Informatievoorziening aan de Kamer
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de beslisnota behorende bij de Kamerbrief
op meerdere plekken informatie is weggelakt met een beroep op het «procesbelang van
de staat». Kan de Minister concreet maken wat hieronder wordt verstaan in deze zaak?
Gaat het om een lopende juridische procedure, diplomatie onderhandelingen, consulaire
belangen, of iets anders? Hoe weegt het kabinet dit procesbelang tegen het grondwettelijke
informatierecht van de Kamer? En is de Minister bereid om de weggelakte passages vertrouwelijk
aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Het klopt dat er in de beslisnota behorende bij de Kamerbrief delen zijn weggelakt.
Er zijn diverse gronden waarop wij informatie (of delen daarvan) niet openbaar maken.
Deze gronden gelden voor de (actieve) openbaarmaking van beslisnota’s bij Kamerstukken
en staan beschreven in de Rijksbrede beleidslijn actieve openbaarmaking. Momenteel
is het niet in het belang van de Staat en betrokkenen om deze informatie te delen.
Vervolgstappen bij uitblijvende resultaat
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke diplomatieke, politieke en beleidsmatige
drukmiddelen Nederland daadwerkelijk heeft geïnventariseerd indien India opnieuw geen
concrete medewerking verleent. Kan de Minister daarbij ingaan op opschaling in EU-verband,
agendering in mensenrechten- en rechtsstaatdialogen, het verbinden van de zaak aan
hoogambtelijke bezoeken, handelsmissies, visumfacilitatie, talentmobiliteit, defensiesamenwerking,
technologiesamenwerking en andere vormen van bilaterale samenwerking?
Antwoord:
Het kabinet spant zich maximaal in om de terugkeer van Insiya mogelijk te maken. De
exacte inzet van bilaterale contacten kunnen we niet delen met de kamer. De Nederlandse
inzet voor deze zaak wordt constant geëvalueerd en, waar mogelijk, worden extra of
nieuwe stappen uitgelopen om tot een oplossing te komen in deze schrijnende casus.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of het kabinet bereid is om een escalatieladder
met termijnen aan de Kamer te sturen, desnoods vertrouwelijk. Kan de Minister daarbij
aangeven welke stap volgt na dertig dagen zonder concrete toezegging van India, welke
stap volgt na zestig dagen, en welke stap volgt na negentig dagen?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
6. Vragen en opmerkingen van de leden van de groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van 14 april
2026 over de inzet bij internationale kinderontvoering naar India, en in het bijzonder
de zaak van Insiya.
De leden van Groep Markuszower wijzen erop dat deze zaak niet alleen gaat over complexe
internationale verhoudingen, maar begint bij een gewelddadige ontvoering die zich
op klaarlichte dag in Amsterdam heeft afgespeeld. Een jong kind is daarbij met grof
geweld meegenomen, midden in onze rechtsstaat. Tegen die achtergrond dringt zich een
fundamentele vraag op: welk signaal denkt het kabinet af te geven door feitelijk te
accepteren dat deze ontvoering tot op de dag van vandaag niet heeft geleid tot daadwerkelijke
terugkeer van het kind en dat de hoofdverantwoordelijke zich daaraan kan blijven onttrekken?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Deze leden moeten constateren dat er al jarenlang wordt gesproken over inzet, aandacht
en diplomatieke inspanningen, maar dat het resultaat uitblijft. Insiya verblijft nog
altijd in India en heeft haar moeder al jaren niet gezien. De vraag dringt zich op
wat de inzet van het kabinet feitelijk waard is als dit niet leidt tot concrete stappen
richting terugkeer. Kan het kabinet daarom helder en zonder omhaal aangeven: wat heeft
de gekozen strategie tot nu toe concreet opgeleverd en waarom zou diezelfde aanpak
in de toekomst wél tot resultaat leiden? Ziet het kabinet niet in dat er een drastische
koerswijziging nodig is door meer druk uit te oefenen op India?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden lezen dat India stelt niet te kunnen ingrijpen in de eigen rechtsgang. Deze
leden vragen het kabinet of het deze redenering accepteert, terwijl er sprake is van
een onherroepelijk Nederlands vonnis en een situatie waarin een kind al jarenlang
wordt onttrokken aan het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder. Waar ligt voor
het kabinet de grens? Wanneer is «begrip voor de lokale rechtsgang» niet langer verdedigbaar?
Antwoord:
Er spelen verschillende aspecten in deze zaak, waaronder de civiele procedures die
door moeder worden gevoerd in India. Los van deze procedures is, omdat er sprake is
van gepleegde strafbare feiten, in NL, een strafzaak doorlopen. Tussen India en Nederland
is er geen verdrag op basis waarvan gerechtelijke uitspraken inzake ouderlijk gezag
automatisch kunnen worden erkend. Dit geldt over en weer: rechterlijke uitspraken
inzake ouderlijk gezag afkomstig van een Indiase rechter worden ook in Nederland niet
automatisch erkend. Om een rechterlijke uitspraak in een niet-verdragsland erkend
te krijgen, zal de achtergebleven ouder met behulp van een advocaat in het land in
kwestie een procedure aanhangig moeten maken bij de rechter aldaar met het verzoek
om de uitspraak te erkennen en ten uitvoer te leggen. Het is niet mogelijk om India
te dwingen rechtstreeks uitvoering te geven aan de Nederlandse uitspraken.
De leden constateren dat Nederland binnen Europa wél resultaten boekt, zoals de aanhouding
en overlevering van een veroordeelde in deze zaak. Dat maakt het contrast met India
des te schrijnender. Is het kabinet bereid om expliciet uit te spreken dat India in
deze zaak onvoldoende meewerkt? Zo nee, waarom wordt die conclusie niet getrokken?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Met het aanstaande bezoek van de Indiase Minister-President Narendra Modi aan Nederland
zien deze leden een cruciaal moment. Kan het kabinet toezeggen dat deze zaak op het
hoogste niveau en ondubbelzinnig aan de orde wordt gesteld? Wordt daarbij ook expliciet
gevraagd om concrete stappen van Indiase zijde en zo ja, welke?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Kan de Kamer na afloop van het bezoek zo snel mogelijk een brief ontvangen met daarin
de gestelde eisen, de gegeven garanties en gekoppelde sancties?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
De leden vragen het kabinet voorts of er daadwerkelijk drukmiddelen worden ingezet,
of dat het bij diplomatieke gesprekken en verzoeken blijft. Welke consequenties verbindt
het kabinet aan het uitblijven van medewerking door India? Zijn er scenario’s uitgewerkt
waarin Nederland de relatie met India op onderdelen herziet als er geen voortgang
komt?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is om deze zaak en vergelijkbare
zaken, nadrukkelijker onderdeel te maken van de bredere bilaterale en Europese agenda
richting India. Waarom wordt nu gesteld dat er geen relatie is met bijvoorbeeld economische
samenwerking, terwijl juist die relatie mogelijk invloed kan uitoefenen?
Antwoord:
Het kabinet blijft zich ook in EU-verband inzetten voor deze zaak en zal blijven verkennen
hoe dit in de bredere relatie tussen de EU en India effectief kan worden opgebracht.
Daarbij moet in eerste instantie gedacht worden aan politieke en diplomatieke kanalen,
aangezien die kanalen de beste aanknopingspunten bieden voor het aankaarten van rechtsstatelijke
zaken.
De leden vragen het kabinet ook om duidelijkheid over de inzet richting de vader,
die wordt gezien als de centrale figuur achter de ontvoering. Welke concrete stappen
worden gezet om hem ter verantwoording te roepen? Wordt er actief ingezet op internationale
signaleringen, opsporingsverzoeken of andere juridische instrumenten en zo ja, met
welk resultaat?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Tot slot vragen de leden het kabinet om niet opnieuw te volstaan met algemene formuleringen
over inzet, maar concreet te maken wat er de komende weken en maanden gaat gebeuren.
Welke stappen worden vóór, tijdens en na het bezoek van Minister-President Modi gezet
en welke resultaten moeten dat opleveren?
Antwoord:
Reeds beantwoord op 12 mei.
Voor de leden van Groep Markuszower staat voorop dat het hier gaat om een kind dat
al jarenlang van haar moeder is gescheiden. Dat vraagt niet om terughoudendheid, maar
om zichtbare inzet en, waar nodig, om het opvoeren van de druk.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier