Brief regering : Diergezondheid
28 286 Dierenwelzijn
Nr. 1435
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 mei 2026
Met deze brief informeer ik de Kamer over een aantal onderwerpen op het terrein van
diergezondheid. Ik deel de laatste stand van zaken omtrent blauwtong in Nederland
en ga in op aanpassingen in wetgeving in de Europese Unie ten aanzien van blauwtong.
Ook geef ik een update over de uitgifte van paardenpaspoorten en informeer ik de Kamer
over de Benelux-beschikking inzake gezondheidsvoorwaarden voor het niet-commercieel
grensoverschrijdend verkeer van paardachtigen. Ten slotte reageer ik op enkele moties
en toezeggingen, waaronder de toezegging over de bestrijding van infectieuze boviene
rhinotracheïtis (IBR).
Blauwtongvirus (BTV)
In 2025 geen BTV in Nederland
In 2025 zijn er gelukkig geen BTV-besmettingen bij gehouden herkauwers in Nederland
aangetoond. De resultaten van de monitoring, gecombineerd met signalen uit het veld,
leiden tot de conclusie dat BTV niet heeft gespreid in 2025. Meerdere factoren hebben
daarin een rol kunnen spelen, zoals een hoge vaccinatiegraad van de veestapel en natuurlijke
bescherming na het doormaken van een BTV-infectie in 2023 of 2024. Er werden in diverse
landen in Europa wel BTV-besmettingen met verschillende serotypes waargenomen (onder
andere serotype 3 en 8 in België, Duitsland en Frankrijk).
Voor 2026 is het risico op BTV-besmettingen in Nederland met een serotype reëel. BTV-3
kan opnieuw gaan circuleren, en ook andere serotypes kunnen via (dier-)transporten
of vectorverspreiding worden binnengebracht. Daarom is waakzaamheid van houders en
andere betrokkenen van groot belang. Vaccinatie kan een belangrijke bijdrage leveren
aan het voorkomen van besmettingen. Houders kunnen, in overleg met hun dierenarts,
besluiten over te gaan tot vaccinatie.
Mede op verzoek van mijn ministerie hebben LTO, de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD)
en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) in februari dit jaar een webinar georganiseerd
om dierhouders en dierenartsen te informeren over de BTV-situatie in Nederland en
de Europese Unie en mogelijke preventieve maatregelen, zoals vaccinatie. Daarnaast
zullen, net zoals vorig jaar, GD en WBVR dit jaar een monitoringsprogramma uitvoeren
naar BTV. De monitoring is bedoeld om zicht te houden op eventuele besmettingen en
de verspreiding in Nederland, maar ook om eventueel andere BTV-serotypen snel op te
sporen. Naast de monitoring blijft de meldplicht van groot belang. Dierhouders en
dierenartsen moeten bij verdenkingen van een besmetting met BTV melding doen bij de
NVWA. Dit kan door middel van telefonisch contact en via een online formulier1. De meldingen worden bijgehouden en waar nodig opgevolgd door de NVWA.
Verandering Europese wetgeving
Blauwtong (veroorzaakt door virus van serotypen 1 – 24) is een aangifteplichtige dierziekte
volgens de Europese diergezondheidsverordening Vo (EU) 2016/429. In deze verordening
is een indeling gemaakt in categorieën (A – E), mede op basis van ernst van de verschijnselen
en de mate van aanwezigheid in de EU. BTV was tot op heden gecategoriseerd als C+D+E.
Dit betekent dat BTV een ziekte is waarvoor lidstaten kunnen kiezen voor een bestrijding
met het doel een officiële vrij-status te verkrijgen. Nederland had een vrij-status
tot september 2023, toen de eerste besmettingen met BTV-3 werden aangetroffen.
De afgelopen jaren zijn vaker en in een groter deel van de EU verschillende serotypen
van BTV aangetoond. Op het moment zijn 6 serotypen (BTV-1, BTV-3, BTV-4, BTV-5, BTV-8,
BTV-12) in de EU aangetoond, waarbij meer dan 20 lidstaten te maken hebben met besmettingen
met één of meer serotypen. Dit gegeven, en het feit dat het virus door knutten wordt
overgedragen, heeft geleid tot consensus in de EU dat bestrijden met het oog op een
vrij-status geen haalbare strategie meer is. De strategie moet zijn gericht op beheersen
van de ernst van de besmettingen, bijvoorbeeld door vaccinatie, en preventie van verspreiding
door handelsbewegingen.
Per 15 juli van dit jaar wordt blauwtong ingedeeld in categorie D+E. Dit betekent
dat een officiële vrij status voor BTV niet meer mogelijk is. Voor de ziektes in categorie
D+E zijn specifieke handelsvoorwaarden verplicht om verspreiding via handel te voorkomen.
De meldplicht voor blauwtong blijft bestaan, net zoals de monitoring. De voorwaarden
voor de handel in levende dieren en levende producten (sperma, embryo’s, eicellen)
worden geharmoniseerd met de voorwaarden voor een andere vector overdraagbare ziekte,
epizoötische hemorragische ziekte (EHD) die ook in categorie D+E is ingedeeld. De
impact en de wijze van verspreiding van BTV en EHD door knutten zijn vergelijkbaar
en dus is het logisch ook de handelsvoorwaarden zoveel mogelijk gelijk te maken. Voor
meer informatie over EHD verwijs ik graag naar de brief aan de Kamer van 12 mei 2025
(Kamerstuk 30 669, nr. 32).
Ten gevolge van de hercategorisering van blauwtong worden ook enkele gedelegeerde
verordeningen (Vo (EU) 2020/686; Vo (EU) 2020/688 en Vo (EU) 2020/689) aangepast om
de regels ten aanzien van monitoring, transport van dieren en handel in levende producten
aan te passen. Er verdwijnen hierdoor enkele specifieke maatregelen, zoals de verplichting
om transportmiddelen met biociden te behandelen vooraf aan een transport met levende
dieren. Dit levert een vermindering in het verplichte gebruik van biociden op en daarnaast
een gedeeltelijke verlichting van de regeldruk. De wijzigingen van de gedelegeerde
verordeningen worden binnenkort door de Europese Commissie gepubliceerd en zullen
per 15 juli van dit jaar in werking treden.
Reactie rapport «Onafhankelijk onderzoek naar de uitbraak van het blauwtongvirus in
2023 in Nederland»
Tijdens het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 14 januari jl. heeft het
lid Graus (PVV) een rapport met de regering gedeeld, getiteld «Onafhankelijk onderzoek
naar de uitbraak van het blauwtongvirus in 2023 in Nederland» (hierna: het rapport).
Het rapport gaat in op de mogelijke introductieroute en verdere verspreiding van BTV-3
in Nederland. Het rapport gaat in op de vragen: (1) hoe heeft de uitbraak volledig
onverwacht kunnen gebeuren en (2) waarom verliep de uitbraak zoveel sneller en ernstiger
dan in de blauwtonguitbraak van 2007 – 2008? In het rapport worden verschillende hypothesen
beargumenteerd over mogelijke introductie en/of versnellers voor verspreiding van
BTV-3. Daarnaast zijn suggesties gedaan voor aanvullend onderzoek. Hier geef ik, mede
naar aanleiding van de toezegging van mijn voorganger, een reactie op dit rapport.
Mogelijke introductie van BTV-3
Allereerst wil ik de auteurs danken voor hun werk en toewijding om de mogelijke introductieroute
van BTV-3 te vinden. Het belang om mogelijke introductieroutes van infectieuze dierziekten
te onderzoeken, onderschrijf ik. Het kennen van introductieroutes geeft inzicht voor
mogelijke preventieve maatregelen. Er is daarom in 2023 en 2024 veel onderzoek uitgevoerd
door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) en het Centrum Monitoring Vectoren (CMV)
van de NVWA naar de mogelijke herkomst en de wijze van verspreiding van BTV-3. WBVR
en CMV zijn gerenommeerde onderzoeksinstellingen die gebruik maken van data analysemethoden
en rekenmodellen volgens de richtlijnen van het Europees Referentielaboratorium (EURL)
en recente inzichten uit de wetenschappelijke literatuur. WBVR en CMV hebben helaas
geen eenduidige route van insleep of herkomst van BTV-3 kunnen vaststellen.
Ik heb het rapport gelezen en beoordeeld. Het rapport beschrijft ten aanzien van de
mogelijke introductie met name de hypothese van meekomen van knutten met BTV met afvaltreinen
uit Italië. Er worden diverse bevindingen aangevoerd die deze hypothese kunnen ondersteunen.
Ik heb deze bevindingen beoordeeld en besproken met deskundigen van onder andere WBVR
en CMV. Hoewel de bevindingen plausibel overkomen, zijn er diverse kanttekeningen
bij te plaatsen. Zo kunnen alleen vrouwelijk knutten het blauwtongvirus overdragen
en is overdracht op eitjes, die vervolgens in het huisvuil kunnen uitkomen, niet mogelijk.
Besmette vrouwelijke knutten hebben dus de gehele treinreis moeten kunnen overleven,
en moeten vervolgens in Nederland in staat zijn geweest om een herkauwer te infecteren.
Er is in de literatuur geen voorbeeld bekend van verspreiding via knutten die mee
zijn gekomen met huisvuiltransporten. Daar komt bij dat nooit BTV-3 is vastgesteld
op het vaste land van Italië. Wel is BTV-3 op Sardinië vastgesteld, maar dit was in
2021 voor het laatst. Deze stam uit Sardinië is vergeleken met de stam die in Nederland
heeft gecirculeerd (fylogenetisch onderzoek). Er bleek geen verband te zijn tussen
deze stammen. Daarmee is het onwaarschijnlijk dat BTV-3 in Nederland is binnengebracht
met transport van huisvuil uit Italië.
Mogelijke risicofactoren voor snelle verspreiding van BTV-3
Ten aanzien van de snelle verspreiding van BTV-3 in Nederland in 2023 en 2024 beschrijft
het rapport twee factoren: windgedrevenheid en de aanwezigheid van natte teelten en
natte natuur. Er zijn vele soorten knutten en niet alle soorten zijn in staat het
virus over te brengen. Knutten die BTV kunnen overbrengen, bevinden zich voornamelijk
in de nabijheid van gastheren (zoals: schapen en andere herkauwers) en niet specifiek
alleen in natte natuur. Van de knutten die vooral in natte natuur voorkomen, is tevens
betrokkenheid bij de verspreiding van BTV niet aangetoond. Het effect van wind bij
de verspreiding van BTV is bekend. Knutten kunnen door wind over grote afstanden worden
verplaatst. Dit kan volgens deskundigen daarom ook bij de verspreiding van BTV-3 een
rol hebben gespeeld.
Geen reden tot aanvullend onderzoek
Zoals ik eerder aangaf wil ik de auteurs bedanken voor hun werk en gestelde hypothese.
Het rapport geeft, gezien bovenstaande, onvoldoende aanknopingspunten om vervolgonderzoek
te starten. Zoals aangegeven is het bij een dierziekte-uitbraak van belang de mogelijke
introductieroute vast te stellen om waar mogelijk preventieve maatregelen in te kunnen
stellen. De praktijk is echter dat dit niet in alle gevallen lukt. In het geval van
BTV-3 in Nederland is de bron helaas niet gevonden. Nergens ter wereld was deze specifieke
variant van BTV-3 bekend, waardoor een aanknopingspunt om verder te zoeken helaas
ontbreekt.
Uitgifte paardenpaspoorten
Zoals eerder in brieven aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 28 286 nr. 1376 en Kamerstuk 28 807 nr. 308) verandert het proces rondom de uitgifte van paardenpaspoorten. Per 1 juli 2026 worden
paardenpaspoorten afgegeven, geregistreerd en bezorgd door vijf instanties die door
mij daartoe gemandateerd en gemachtigd worden. Hiervoor is het Besluit mandaat en
machtiging LVVN voor afgifte en bezorging paardenpaspoorten 2026 (hierna: Besluit)
gepubliceerd in de Staatscourant. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan aangescherpte
Europese wet- en regelgeving die onder meer voorziet in striktere eisen aan organisaties
die paardenpaspoorten mogen uitgeven, de zogeheten Gemachtigde Instanties (GI’s).
Op deze wijze wordt een professionaliseringsslag doorgevoerd in de afgifte en bezorging
van paardenpaspoorten en wordt voorzien in meer toezicht en handhaving op deze organisaties
om mogelijk frauduleuze praktijken met paardenpaspoorten te voorkomen.
Tot 1 juli 2026 worden paardenpaspoorten uitgegeven door 30 paardenpaspoort uitgevende
instanties (PPI’s). Van deze 30 PPI’s hebben er 20 een aanvraag ingediend om GI te
worden. Na een grondig beoordelingsproces door RVO en de NVWA voldoen op dit moment
vijf aanvragers aan de eisen. Deze vijf instanties hebben voldoende omvang om de aan
hen gemandateerde taken op te pakken en daarmee te voorzien in de vraag naar paardenpaspoorten.
De partijen die op dit moment zijn aangewezen in het Besluit uit 2020 en niet gemachtigd
worden als GI verliezen per 1 juli 2026 hun bevoegdheid om standaard paardenpaspoorten
te maken, registreren en bezorgen. Zij blijven bevoegd om uitgebreide paardenpaspoorten
te maken voor stamboek- of wedstrijdpaarden, maar verliezen per 1 juli 2026 hun bevoegdheid
om deze uitgebreide paardenpaspoorten te registreren in het I&R systeem en te bezorgen.
Voor deze taken dienen zij een samenwerking aan te gaan met één van de vijf Gemachtigde
Instanties. De sector is zeer nauw betrokken geweest bij het traject om te komen tot
GI’s.
De nieuwe werkwijze per 1 juli vergt aanpassing van de werkzaamheden en organisatie
van de GI’s, ook gedurende het veulenseizoen. Om deze overgang zo soepel mogelijk
te laten verlopen is mijn ministerie in goed overleg met deze organisaties en vertegenwoordigers
van de paardensector. Alle rechtspersonen in Nederland kunnen ook na 1 juli 2026 jaarlijks
aangeven in aanmerking te willen komen voor erkenning als Gemachtigde Instantie.
Benelux beschikking paardachtigen van kracht
Op 31 maart heeft de Minister van LVVN in het kader van het Nederlands voorzitterschap
van de Benelux, namens het Benelux Comité van Ministers, een beschikking ondertekend
inzake de gezondheidsvoorwaarden voor het niet-commercieel grensoverschrijdend verkeer
van paardachtigen2. Deze beschikking voorziet in regels waaronder het EU-verplichte diergezondheidscertificaat
in de grensregio’s van de Benelux voor paardachtigen (paarden, ezels, zebra’s en muildieren)
voor niet-commerciële verplaatsingen niet van toepassing is.
Een diergezondheidscertificaat is normaliter verplicht bij verplaatsingen over de
grens op basis van EU-wetgeving (verordening (EU) 2016/429). De verordening geeft
echter de mogelijkheid voor grensafspraken tussen aan elkaar grenzende lidstaten om
zo lokale activiteiten te kunnen vergemakkelijken. Hierdoor kunnen paardachtigen gemakkelijker
de grens over in de Benelux voor bijvoorbeeld recreatief gebruik of grensbeweiding.
Voor onder andere ruiters, paardenhouders en maneges verminderen zo de administratieve
lasten en bijbehorende kosten. Deze vrijstelling is mogelijk zolang de diergezondheidsstatus
van de drie landen stabiel is en zal worden ingetrokken zodra er een dreiging of uitbraak
van een besmettelijke dierziekte is.
Reactie op aangenomen Kamermoties
Reactie op motie Van Campen over de nadere uitwerking van verdere wet- en regelgeving
aan de Kamer doen toekomen (Kamerstuk 35 398, nr. 17)
De Kamer heeft met de motie van Campen (VVD) in 2021 verzocht nadere wet- en regelgeving
op het gebied van diergezondheid uit Brussel voor parlementaire behandeling te ontvangen
(Kamerstuk 35 398, nr. 17). De Kamer wordt geregeld geïnformeerd over veranderingen in de EU-wetgeving, zoals
ook nu met de aangepaste categorisering van blauwtong. De diergezondheidsverordening
is nu bijna 5 jaar van toepassing. Ik beschouw deze motie daarom als afgedaan. Als
er nieuwe ontwikkelingen zijn dan informeer ik de Kamer daar vanzelfsprekend over.
Reactie op motie van leden Graus en Kostić: een adequaat monitoringssysteem voor virussen
(Kamerstuk 29 683, nr. 325) en de motie van lid Graus: registratie en monitoring van vaccinatieprogramma’s (Kamerstuk
29 683, nr. 327)
Tijdens het debat van 29 januari jl. hebben de leden Graus (PVV) en Kostić (PvdD)
de regering via een motie verzocht een adequaat monitoringssysteem op te zetten om
vervolguitbraken van virussen sneller te beteugelen en/of te voorkomen (Kamerstuk
29 683, nr. 325). Lid Graus heeft bij datzelfde debat tevens een motie ingediend voor registratie
en monitoring van vaccinatieprogramma’s waarbij ook negatieve effecten, waaronder
mogelijk snellere virusmutaties of juist aantasting van het immuunsysteem, worden
meegenomen (Kamerstuk 29 683, nr. 327).
In 2024 zijn vergelijkbare moties ingediend (Kamerstuk 29 683, nrs. 293 en 294). Op deze moties is een reactie gegeven in de brief die op 28 mei 2025 aan
de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 29 683, nr. 309). Daarin is uitgebreid ingegaan op verschillende monitoringssystemen die we in Nederland
hebben om snel uitbraken van dierziekten te kunnen detecteren, waarin ook mutaties
van bekende dierziekteverwekkers en negatieve effecten van vaccinatie kunnen worden
opgespoord. Deze monitoringssystemen lopen goed en zorgen ervoor dat uitbraken van
dierziekten of zoönosen zo snel mogelijk worden opgespoord, om zo de gevolgen voor
dier en mens zo klein mogelijk te houden.
Met de uiteenzetting en toelichting in die brief van mei 2025 is aangegeven hoe uitvoering
wordt gegeven aan deze moties. Samen met bovenstaande samenvatting beschouw ik deze
twee moties als afgedaan.
Reactie op motie van lid Graus: risicomodellen en wind (Kamerstuk 29 683, nr. 326)
De motie van het lid Graus (PVV) van 29 januari 2026 betreft een verzoek om de invloed
en reikwijdte van wind op de verspreiding van virussen mee te nemen in bestaande en
nieuwe risicomodellen (Kamerstuk 29 683, nr. 326). In de dierziektebestrijding houdt de NVWA rekening met wind en neemt bij ruimingen
aanvullende maatregelen indien dit nodig is. In de risico-analyse door NVWA wordt
de invloed van verspreiding via de lucht meegenomen indien dit relevant en mogelijk
is. De motie wordt dus al uitgevoerd en beschouw ik daarom als afgedaan.
Reactie op motie van lid Podt: de plaats van dierziekten en zoönosen in de gebiedsplannen
(Kamerstuk 28 807, nr. 316)
De motie van het lid Podt (D66) van 18 december 2025 betreft een verzoek om de Kamer
te informeren over de stappen die provincies hebben gezet om dierziekten en zoönosen
te voorkomen. Ook is het verzoek om aan te geven wat er wellicht nog in de weg staat
en welke andere structurerende keuzes binnen deze gebiedsplannen zijn (Kamerstuk 28 807, nr. 316).
De realisatie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) is door het vorige
kabinet vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN). Voor dierziekten
en zoönosen was een «meekoppelende structurerende keuze» opgenomen in de Handreiking
NPLG, met adviezen aan decentrale overheden over het meewegen van dierziekten en zoönosen
binnen het NPLG. Binnen de RLN is die ruimte er niet. Waar de kennis uit de adviezen
uit het NPLG over risicofactoren voor dierziekten en zoönosen in relatie tot ruimtelijk
beleid kan worden bestendigd, wordt op dit moment verder uitgezocht. Dit is nodig,
zodat decentrale overheden deze adviezen alsnog tot hun beschikking hebben en kunnen
meenemen in hun afwegingen voor ruimtelijke ordening. Ook kunnen provincies zelf initiatieven
ontwikkelen hieromtrent. Zo heeft de provincie Noord-Brabant een Brabantse Actieagenda
Zoönosen ontwikkeld met het Brabants Kennisnetwerk Zoönosen en de Provinciale Raad
Gezondheid (PRG).
In deze actieagenda is onder meer aandacht voor een veilige inrichting van het stedelijk
en landelijk gebied. Met deze terugkoppeling beschouw ik deze motie als afgedaan.
Toezegging tijdlijn bestrijdingsprogramma IBR
Zoals ik heb toegezegd tijdens het Commissiedebat Dieren in de veehouderij en NVWA
van 23 april jl., informeer ik de Kamer over de tijdlijn van de wetgeving voor de
bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis (IBR) en waar deze effect heeft
op de import van jonge kalveren uit Ierland.
In mijn brief aan de Kamer van 3 april jl. heb ik aangegeven dat ik samen met de betrokken
sectoren heb vastgesteld dat de ingangsdatum van de algemene maatregel van bestuur
(AMvB) voor een nationaal bestrijdingsprogramma tegen IBR per 1 juli 2026 niet haalbaar
is en dat ik streef naar inwerkingtreding per 1 januari 2027 (Kamerstuk 28 807, nr. 324). Reden is dat nog enkele noodzakelijke stappen in het wetgevingsproces gezet moeten
worden.
De stappen richting een uiteindelijke Europese IBR-vrijstatus voor Nederland zet ik
samen met de betrokken sectorpartijen. Zij hebben het verzoek om regelgeving gedaan
en draagvlak onder alle sectoren is van belang om de bestrijding te laten slagen.
Er is een aantal fasen waarin de bestrijding zal verlopen:
– De eerste fase start bij inwerkingtreding van de AMvB op 1 januari 2027. Dan is sprake
van een nationaal bestrijdingsprogramma, waarbij nog geen importvoorwaarden gelden.
– De tweede fase gaat in nadat het bestrijdingsprogramma is goedgekeurd door de Europese
Commissie. Met de sectoren is afgesproken die goedkeuring uiterlijk vier jaar na inwerkingtreding
van de AMvB aan te vragen. Vanaf de goedkeuring gaan er, op basis van EU-wetgeving,
aanvullende voorwaarden gelden voor import uit landen die geen goedgekeurd bestrijdingsprogramma
of officiële EU-vrijstatus hebben voor IBR. Dit betekent dat transport van nuchtere
kalveren vanuit Ierland – ervan uitgaande dat Ierland geen vrijstatus voor IBR heeft
– dan vrijwel niet meer mogelijk zal zijn, omdat in de meeste gevallen niet aan de
aanvullende eisen voor import kan worden voldaan. Naast onderzoek op IBR moeten deze
dieren namelijk ook 30 dagen in quarantaine worden geplaatst. Omdat de kalveren vaak
jonger zijn dan 30 dagen, is dit niet mogelijk.
– Fase drie is de laatste fase, namelijk de overgang naar de officiële IBR-vrijstatus.
Wanneer dit kan is op dit moment niet aan te geven omdat vooraf niet te voorspellen
is wanneer er geen IBR meer wordt aangetoond in Nederland. Dit is erg afhankelijk
van de voortgang van de bestrijding. De importvoorwaarden worden bij een IBR-vrijstatus
nog wat strenger.
De bestrijding van IBR en de tijdlijn richting een goedgekeurd programma staat wat
mij betreft los van wat ik vind van lange transporten van dieren. Ik wil hier graag
een einde aan omwille van de negatieve impact op dierenwelzijn. Ik blijf daarom op
Europees niveau pleiten voor een verbod op lange transporten, zoals ook aangegeven
tijdens het Kamerdebat van 23 april 2026.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur