Brief regering : Beleidsreactie evaluatie Wet Computercriminaliteit III
34 372 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit (computercriminaliteit III)
Nr. 33
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 mei 2026
Op 13 januari 2026 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer de wetsevaluatie van de Wet
computercriminaliteit III (Wet CCIII) aangeboden, die is uitgevoerd door het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) (Kamerstuk 34 372, nr. 32). In deze brief reageer ik op de wetsevaluatie.
Op 1 maart 2019 is de Wet CIII in werking getreden. Met deze wet zijn zeven nieuwe
dan wel aangepaste wettelijke bepalingen geïntroduceerd: vijf strafbaarstellingen
en twee (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. De bevoegdheid tot het heimelijk en op
afstand binnendringen in een geautomatiseerd werk (de wettelijke hackbevoegheid, hierna
voor de leesbaarheid «hackbevoegdheid» genoemd), een van de twee in deze wet opgenomen
bevoegdheden, is al eerder geëvalueerd in 2023.1 Hieronder wordt naast een algemene reactie ook per bepaling gereageerd op deze evaluatie.
Algemeen
In de evaluatie stond de vraag centraal in hoeverre de doelstellingen zoals geformuleerd
in de Wet CCIII in de praktijk worden gerealiseerd. In zijn algemeenheid kan worden
gesteld dat de geëvalueerde bepalingen en bevoegdheden hun waarde in de praktijk hebben
bewezen en worden toegepast. Van belang is dat de nieuwe artikelen intussen onderwerp
zijn geweest van rechterlijke toetsing, waardoor de reikwijdte en toepassing in de
praktijk nader zijn verduidelijkt.
In de evaluatie zijn vier aspecten naar voren gekomen die meerdere wettelijke bepalingen
uit de Wet CCIII raken: 1) nieuwe ontwikkelingen; 2) beschikbare capaciteit; 3) zaken
met een internationale component; en 4) (rechtsstatelijke) waarborgen bij de inzet
van bijzondere opsporingsbevoegdheden.
Ten eerste moeten nieuwe ontwikkelingen in het oog worden gehouden. Zo ondervindt
de maatschappij bijvoorbeeld de gevolgen van een toename van de illegale handel in
(persoons-)gegevens en het aantal slachtoffers daarvan. Het kabinet zal hier aandacht
voor houden en dit ook meenemen bij de uitwerking van de verhoging van de strafmaxima
voor ernstige cyberdelicten zoals aangekondigd in het coalitieakkoord.
Ten tweede is een breed gedeeld beeld dat capaciteitsoverwegingen mee spelen bij de
inzet van bevoegdheden. Oplossingen hiervoor zijn niet eenvoudig, er zullen binnen
opsporingsonderzoeken altijd keuzes gemaakt moeten worden welke (combinatie van) inzet
van bevoegdheden passend is. Dit kan aanleiding zijn om nieuwe bevoegdheden of strafbaarstellingen
niet in alle daartoe in aanmerking komende gevallen te gebruiken. Tegelijkertijd kan
het capaciteit opleveren als de nieuwe bevoegdheden meer tijdrovende traditionele
bevoegdheden vervangen.
Ook wordt in het rapport meermaals gerefereerd aan de complicaties die ontstaan als
zaken een internationale component bevatten. In veel gevallen zijn rechtshulpverzoeken
nodig die veel tijd in beslag nemen. Ik onderken deze complicaties en zet me ervoor
in om daar waar het kan het effect op de opsporing te mitigeren. Zo wordt er actief
ingezet op verbeterde samenwerking met en binnen Europol en kan ook de implementatie
van de Europese E-evidence verordening de samenwerking bevorderen en versnellen.
Het WODC concludeert ten slotte dat er spanning bestaat tussen de inzet van bijzondere
opsporingsbevoegdheden en grondrechten van burgers. Om die reden zijn de bevoegdheden
met meerdere rechtsstatelijke waarborgen omkleed. Uit de evaluatie blijkt dat deze
waarborgen soms het opsporingsbelang (onnodig) in de weg kunnen zitten. In dit kader
zal de inzet van de bevoegdheid in artikel 125p Sv vereenvoudigd worden. Dit wordt
hieronder nader toegelicht.
Stelen van gegevens (artikel 138c Sr) en helen van gegevens (artikel 139g Sr)
Artikel 138c Sr regelt dat het strafbaar is om gegevens over te nemen. Een belangrijke
veronderstelling van de wetgever was dat gegevens door artikel 138c Sr beter zouden
worden beschermd tegen misbruik ervan. Voor de introductie was dat ingewikkelder omdat
de destijds bestaande strafbaarstellingen niet altijd van toepassing waren op het
wederrechtelijk overnemen van opgeslagen gegevens. Op basis van 139g Sr is het strafbaar
geworden om gegevens te helen. Een belangrijke veronderstelling van de wetgever was
dat door de komst van artikel 139g Sr burgers beschermd worden van wie gegevens, ontvreemd
door een ander, bekend worden gemaakt, verkocht of op internet geplaatst.
Uit de evaluatie blijkt dat deze twee nieuwe strafbaarstellingen hun nut in de praktijk
hebben bewezen. In verschillende gevallen konden verdachten vervolgd worden voor feiten
waarbij dat voor de introductie van de wet minder goed mogelijk was. Ook konden door
de nieuwe strafbaarstellingen extra opsporingshandelingen worden verricht, kunnen
slachtoffers zich voegen in het strafgeding en kunnen gegevensdragers worden onttrokken
aan het verkeer. Tegelijkertijd worden tot op heden beide artikelen nog beperkt zelfstandig
toegepast en is de jurisprudentie nog in ontwikkeling.
De evaluatie concludeert dat de strafmaat afhankelijk van het soort gegevens dat wordt
gestolen of geheeld aan de lage kant is. Het rapport wijst op technologische ontwikkelingen
die een impact hebben op de hoeveelheid gegevens die gestolen kunnen worden en op
het feit dat de illegale handel in gestolen gegevens toeneemt en de impact die dat
kan hebben. Naast de hoeveelheid data die in een zaak wordt gestolen, weegt ook het
soort data mee (bijvoorbeeld persoonsgegevens) en het aantal potentiële nieuwe slachtoffers
dat met die data kan worden gemaakt.
Ik onderschrijf de conclusie dat de huidige strafmaxima op deze onderdelen niet in
verhouding staan tot de ernst, schaal en maatschappelijke impact van deze delicten.
In het coalitieakkoord is aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten
zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden
besteed aan recente incidenten zoals hacks bij Odido en Clinical Diagnostics.
Ook de richtlijn strafvordering voor cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit
van het OM wordt momenteel herzien. Daarbij is het OM vanzelfsprekend gebonden aan
de wettelijke strafmaxima. De verwachting is dat dit traject kort na de zomer wordt
afgerond.
Daarnaast vraagt het WODC aandacht voor de «heler-steler-regel». Uit een klein deel
van de vonnissen en interviews volgt dat geen veroordeling voor het helen van gegevens
plaats heeft gevonden wanneer de verdachte de geheelde gegevens zelf door een misdrijf
had verkregen. Dit naar analogie van de wijze waarop met de heling van goederen wordt
omgegaan (de «heler-steler-regel»). De heler-steler-regel bepaalt dat iemand die een
goed steelt, niet óók vervolgd kan worden voor heling van datzelfde voorwerp. De vraag
rijst of hetzelfde gezegd kan worden voor het stelen en helen van gegevens. Net als
de onderzoekers acht ik de jurisprudentie ten aanzien van dit vraagstuk van belang.
Online handelsfraude (artikel 326e Sr)
Artikel 326e heeft online handelsfraude een eigen strafbepaling gegeven. Deze bepaling
is beter afgestemd op digitale handelspraktijken waarbij er via webshops, platforms
en sociale media fraude wordt gepleegd. Een belangrijke veronderstelling van de wetgever
was dat met de komst van artikel 326e Sr online handelsfraude (eenvoudiger) strafrechtelijk
vervolgd kon worden en dan vooral grootschalige vormen van handelsfraude. In de evaluatie
worden enkele aandachtspunten benoemd. Allereerst: door een tekort aan opsporingscapaciteit
worden veel zaken niet opgepakt of geseponeerd. Daarnaast wijst het WODC op het gegeven
dat «grootschaligheid», waarbij sprake is van een enkele dader of dadergroep die veel
delicten pleegt, in de praktijk weinig is vastgesteld. In slechts een klein aantal
van de door de politie onderzochte zaken is daarvan sprake. De redenen zijn niet bekend
geworden. Tot slot wordt er gewezen op de buitenlandcomponent. Daders en infrastructuur
bevinden zich vaak in het buitenland, geldstromen verlopen via buitenlandse rekeningen
en de politie en het OM zijn afhankelijk van internationale samenwerking. Dat laatste
ziet met name op het achterhalen van de identiteit van een verdachte.
Ik onderschrijf de bevinding dat de nieuwe strafbaarstelling vervolging en bewijsvoering
eenvoudiger heeft gemaakt. Dit is van belang omdat online handelsfraude een toenemend
maatschappelijk probleem is. Dat wordt in het coalitieakkoord ook onderkend.2
Wat betreft de genoemde grootschaligheid speelt een rol dat veel individuele slachtoffers,
die elk te maken krijgen met relatief lage schadebedragen, weinig aangifte doen. De
werkelijke aard en omvang blijft zo buiten beeld. Onderzoek van het CBS geeft echter
aan dat oplichting en fraude in 2025 met 10,3% de grootste categorie binnen (ervaren)
online criminaliteit blijven. Vooral aankoopfraude springt eruit, met 7,9% van de
bevolking van 15 jaar en ouder als slachtoffer.
Bij de aanpak van dit probleem hebben zowel private als publieke partijen een rol.
Binnen de integrale aanpak online fraude dragen publieke en private partners bij aan
de samenwerking met webshops en platforms om online aan- en verkoopfraude op een effectieve
en efficiënte manier te bestrijden. Zo worden interventies met het bedrijfsleven ontwikkeld,
die bijdragen aan het voorkomen van (herhaald) slachtofferschap.3
Het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting (LMIO) van de politie ontvangt alle aangiften
van online handelsfraude. Naast het verzorgen van de intake, analyse, veredeling van
aangiftes en voorbereiding van opsporingsonderzoeken heeft het LMIO zich tot doel
gesteld om preventieve maatregelen te treffen of te stimuleren. Hiertoe zoekt het
LMIO samenwerking met private partijen.
Het kabinet onderkent dat de buitenlandcomponent een belangrijk aandachtspunt is.
Als slachtoffers geld hebben overgemaakt naar een buitenlandse rekening of webshop
is de identiteit van de dader lastig te achterhalen. In de Europese richtlijn ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering is opgenomen dat alle nationale gecentraliseerde automatische mechanismen van de
lidstaten voor het achterhalen van identificerende gegevens bij bepaalde financiële
dienstverleners (in Nederland het Verwijzingsportaal Bankgegevens) onderling worden
verbonden via het koppelingssysteem voor registers van bankrekeningen (bank account
registers interconnection system – BARIS) dat door de Europese Commissie wordt opgezet
en beheerd.4 De Commissie zorgt, in samenwerking met de lidstaten, uiterlijk op 10 juli 2029 voor
een dergelijke verbinding. Dit systeem moet er toe leiden dat binnen de EU identificerende
gegevens van rekeninghouders snel kunnen worden achterhaald. Op grond van de richtlijn ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie
voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten moet BARIS ook toegankelijk zijn voor autoriteiten die bevoegd zijn voor het voorkomen,
opsporen, onderzoeken of vervolgen van een ernstig strafbaar feit (dus niet alleen
witwassen of terrorismefinanciering) of het ondersteunen van een strafrechtelijk onderzoek
naar een ernstig strafbaar feit, inclusief de identificatie, opsporing en bevriezing
van vermogensbestanddelen in verband met een dergelijk onderzoek.5
Lokpuber (artikelen 248a en 248e Sr)
De aanpassingen van artikel 248a Sr (verleiding van een minderjarige) en artikel 248e
Sr (grooming) hebben ervoor gezorgd dat de politie de figuur van de «lokpuber» kan
inzetten. Beoogd werd hiermee de inzet van een opsporingsambtenaar die zich online
voordoet als een minderjarige, al dan niet in de vorm van een virtuele creatie van
een minderjarige, mogelijk te maken. Een belangrijke veronderstelling van de wetgever
was dat minderjarigen beter konden worden beschermd door deze artikelen. Sinds de
inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven (Stb. 2024, 59) op 1 juli 2024 is de inzet van de figuur van de lokpuber mogelijk voor de opsporing
en vervolging van de verschillende vormen van seksuele benadering van een kind die
in artikel 251 Sr strafbaar zijn gesteld. Dit betreft ook de nieuwe delictsvorm sexchatting.
De in dit onderzoek gesignaleerde aandachtspunten zijn eveneens van nut voor de toepassing
van de inzet van de lokpuber in het kader van de opsporing en vervolging van dit delict.
De zaken die onderzocht zijn in het evaluatieonderzoek bevestigen dat de inzet van
de lokpuber een effectief middel kan zijn in de bestrijding van het seksueel benaderen
van een kind. Er zijn verschillende voorbeelden van zaken waarin een lokpuber is ingezet
en het tot een veroordeling is gekomen. Daarmee worden de met de wetswijziging beoogde
doelen gerealiseerd. De inzet van de lokpuber kan bijdragen aan het bewijs van grooming
of verleiding van minderjarigen en zo aan betere bescherming van minderjarigen.6
Lokmiddelen zijn echter wel zware opsporingsmiddelen. Vanuit proportionaliteit en
subsidiariteit zet de politie ze terughoudend in. Er wordt doorgaans pas voor gekozen
wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Het rapport noemt als belangrijkste reden voor de beperkte inzet de beperkte capaciteit
in combinatie met een toename van brengzaken, waarin vaak al voldoende bewijs voorhanden
is en inzet van een lokpuber dus niet noodzakelijk is. Brengdelicten zijn delicten
met een direct aanwijsbaar slachtoffer die door burgers of bedrijven aan de politie
worden gemeld (naar de politie «gebracht»). Dit beperkt ook de proactieve inzet in
haaldelicten. Haaldelicten zijn strafbare feiten zonder een direct aanwijsbaar slachtoffer
die ambtshalve door de politie worden geconstateerd. Als aandachtspunt wordt in het
rapport verder de grens met uitlokking genoemd. Nadere jurisprudentie kan de grenzen
van dit instrument verder verduidelijken, zodat de lokpuber helderder en eenduidiger
kan worden toegepast.
Preventie en vroege opsporing zijn belangrijk voor een effectieve aanpak van seksueel
kindermisbruik. De veroordelingen in zaken waarin de lokpuber is ingezet onderstrepen
dat dit instrument gebruikt kan worden om verdachte activiteiten vroegtijdig te signaleren
en bewijs te verzamelen. Dat de lokpuber beperkt wordt ingezet doet niet af aan zijn
toegevoegde waarde, zolang de politie goed bekend is met dit middel en het daadwerkelijk
kan inzetten als dat nodig wordt geacht (p. 116). In dit verband staat in het rapport
dat de inzet van digitale rechercheurs de bekendheid met dit instrument bevordert.
Deze rechercheurs kijken mee met zaken en kunnen de inzet van een lokpuber aandragen
als een mogelijkheid binnen het opsporingsonderzoek. Het kabinet acht deze werkwijze
een goede stap voorwaarts.
Ontoegankelijk maken van gegevens (artikel 125p Sv)
Het met de Wet CCIII ingevoegde nieuwe artikel 125p Sv ziet op het ontoegankelijk
maken van gegevens. Een belangrijke veronderstelling van de wetgever was dat door
de introductie van artikel 125p Sv, een bevoegdheid om via een aanbieder gegevens
ontoegankelijk te maken, strafbare feiten sneller beëindigd zouden kunnen worden of
zelfs voorkomen. Op die manier zou de samenleving beter worden beschermd. De evaluatie
laat zien dat artikel 125p Sv inderdaad wordt toegepast maar niet in veel gevallen.
Zo voldoet het artikel niet altijd voor de opsporingspraktijk; het proces van afgifte
van een machtiging van de rechter-commissaris en het horen van de aanbieder vooraf
nemen veel tijd in beslag. Dit knelt indien er sprake is van spoed. Tegelijkertijd
is de toets door de rechter-commissaris van belang omdat de inzet van deze bevoegdheid
een effect kan hebben op de vrijheid van meningsuiting. Het alternatief is echter
dat overgegaan wordt op andere bevoegdheden die minder procedurele eisen hebben, maar
wel ingrijpender kunnen zijn.
Deze spanning tussen het belang van de opsporingspraktijk en het beschermen van grondrechten
maakt het zoeken naar de juiste balans noodzakelijk. Ik verwelkom de conclusie van
de evaluatie dat aanbieders vaak bereid zijn om op vrijwillige basis gegevens ontoegankelijk
te maken. De introductie van artikel 125p Sv was ook nadrukkelijk bedoeld als sluitstuk
van het systeem van zelfregulering door de sector.7
In veel verzoeken voor ontoegankelijkmaking gaat het om onmiskenbaar illegale content,
bijvoorbeeld van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, waar geen discussie
bestaat over de strafbaarheid ervan. Dit kan bij uitingsdelicten echter wel het geval
zijn en dan is de toetsingsprocedure van belang. Om aan de problematiek van de opsporingspraktijk
tegemoet te komen heeft het kabinet besloten om deze bevoegdheid in het nieuwe wetboek
aan te passen en de hoorplicht door de rechter-commissaris facultatief te maken zodat
maatwerk kan worden geleverd naar aanleiding van de aard van het materiaal waarvoor
een verwijderbevel wordt gevraagd. De voorgestelde wijziging in artikel 2.7.57 van
het nieuwe wetboek zal worden meegenomen door middel van de tweede aanvullingswet.
Naar verwachting wordt dit wetsvoorstel in de komende maand in formele consultatie
gegeven.
De wettelijke hackbevoegdheid (artikelen 126nba, 126uba en 126zpa Sv)
De wetgever heeft de hackbevoegdheid (artt. 126nba (binnendringen op afstand in een
geautomatiseerd werk), 126uba (binnendringen in een geautomatiseerd werk ten behoeve
van bestrijding georganiseerde criminaliteit) en 126 zpa Sv (binnendringen in een
geautomatiseerd werk ten behoeve van bestrijding terroristische misdrijven) geïntroduceerd
om computercriminaliteit en andere vormen van ernstige criminaliteit beter aan te
kunnen pakken. In 2022 verscheen een eerdere WODC-evaluatie over deze bevoegdheid.
De nadruk lag toen op de technische kant van de inzet. In de voorliggende evaluatie
is vooral gekeken naar de tactische kant van de inzet van de hackbevoegdheid, namelijk
op welke wijze de verzamelde gegevens binnen een opsporingsonderzoek worden gebruikt.
De evaluatie laat wederom zien dat de hackbevoegdheid een waardevolle bevoegdheid
is voor de politie.8 In 60% van de gevallen wordt sturingsinformatie of bewijs verkregen. In 40% van de
gevallen wordt geen relevante opbrengst verkregen.
Een van de aandachtspunten is dat de inzet van de hackbevoegdheid arbeidsintensief
is, onder andere door 1) wettelijk verplichte procedures, zoals de procedure die moet
worden gevolgd om tot inzet te komen, en 2) analyse achteraf van de grote hoeveelheid
data die uit de inzet van de bevoegdheid is verkregen.
De te volgen procedure kan inderdaad arbeidsintensief zijn vanwege de hoge eisen die
gesteld worden aan die inzet. Dat acht ik noodzakelijk omdat de inzet van het middel
ingrijpend van aard kan zijn.
De analyse van de grote hoeveelheid gegevens, verkregen uit de inzet van de bevoegdheid,
is een van de aspecten die meegewogen worden door de officier van justitie wanneer
hij overweegt om de hackbevoegdheid in te zetten. De hoeveelheid gegevens kan bijvoorbeeld
worden verkleind door beperking in scope en tijdsduur.
Ook de keuring van technische hulpmiddelen die worden gebruikt bij de inzet, is een
arbeidsintensief proces. Uit de hierboven genoemde eerdere evaluatie is gebleken dat
het niet realistisch is om alleen te werken met vooraf goedgekeurde technische hulpmiddelen.
Mijn ambtsvoorganger heeft in de reactie op die evaluatie aangegeven dat de wijze
waarop met de keuring van technische hulpmiddelen omgegaan wordt, zal worden aangepast.9 Een wijziging van de geldende regelgeving is hiervoor in voorbereiding en wordt meegenomen
in de nieuwe uitvoeringsbesluiten onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Het WODC vraagt in dit kader aandacht voor de toetsing van de ingezette technische
hulpmiddelen door de zittingsrechter, de keuring daarvan, en de betekenis hiervan
voor het bewijs. De toetsing door de zittingsrechter is belangrijk voor de rechtsstatelijkheid
van de inzet van middelen. Het WODC lijkt te constateren dat, bij gebrek aan informatie
hierover in vonnissen, het in de praktijk nauwelijks voorkomt dat de rechter deze
toetsing verricht en dat daarmee de rechtsstatelijkheid van de inzet van middelen
in het geding kan komen. Het kabinet onderschrijft dat de mogelijkheid van rechterlijke
toetsing essentieel is. Het ontbreken van informatie in vonnissen betekent naar het
oordeel van het kabinet echter niet dat deze toetsing niet plaatsvindt. De inzet van
een technisch hulpmiddel staat altijd in het proces-verbaal. De rechter kan op basis
daarvan, of na bespreking ter zitting, een oordeel vellen. Het niet weergeven daarvan
in het vonnis betekent niet dat er geen aandacht aan is geschonken door de rechter.
Tot slot beschrijft het WODC de rol van commerciële middelen voor het binnendringen
van geautomatiseerde werken. Zij vraagt zich af of deze inzet nog wel benoemd kan
worden als een «uiterst middel» omdat dit gebruik inmiddels eerder regel dan uitzondering
is. Ik benadruk in dit kader dat de inzet van een commercieel middel een uiterst middel
is, afgezet tegen de mogelijkheid om niet-commerciële middelen met vergelijkbare functionaliteit
te gebruiken.
Het gaat dus om subsidiariteit, niet om proportionaliteit. Niet-commerciële middelen blijven de voorkeur hebben. In de praktijk zijn er doorgaans echter
geen niet-commerciële middelen beschikbaar en wordt in die gevallen inderdaad gebruik
gemaakt van de commerciële variant.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid