Brief regering : Stand van zaken hervorming landelijke publieke omroep en aangenomen moties Wetgevingsoverleg media van 26 januari 2026
32 827 Toekomst mediabeleid
Nr. 380
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2026
Tijdens het Wetgevingsoverleg media van 26 januari 2026 (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 135) is onder andere gesproken over de hervorming van de landelijke publieke omroep.
Tijdens dit overleg is door mijn ambtsvoorganger toegezegd uw Kamer een brief te sturen
over de stand van zaken van het wetsvoorstel over de hervorming.1 Ook is tijdens dit overleg een brief toegezegd over wat er al is onderzocht rondom
de normering van topinkomens bij de landelijke publieke omroep.2 Met deze brief geef ik opvolging aan beide toezeggingen.
Voorafgaand
Het kabinet hecht belang aan een integraal mediabeleid dat een sterk Nederlands medialandschap
kent, met publieke en private mediapartijen die samen zorgen voor kwalitatief en pluriform
media-aanbod voor alle Nederlanders. Ik ga nader in op het belang van een integraal
mediabeleid in de OCW-brede beleidsbrief die op 24 april naar uw Kamer is verstuurd.
In deze brief staat ook wanneer uw Kamer nader geïnformeerd wordt over de stappen
die ik zet om het medialandschap in brede zin te versterken.
Inhoud en planning wetsvoorstel hervorming landelijke publieke omroep
Ten eerste wil ik benadrukken dat ik het met uw Kamer eens ben dat er geen tijd te
verliezen is als het gaat over het in internetconsultatie brengen van het wetsvoorstel
over de hervorming van de landelijke publieke omroep. Het is van groot belang voor
de Nederlandse kijkers en luisteraars dat het landelijke publieke omroepbestel duurzaam
versterkt wordt zodat het klaar is voor de digitale toekomst. Alleen zo kan de publieke
omroep de Nederlandse samenleving blijven bedienen met onafhankelijk, betrouwbaar
en pluriform aanbod, via allerlei distributiekanalen waaronder eigen gebruiksvriendelijke
online platforms. Om deze reden zal ik mij inspannen het wetsvoorstel rond de zomer
in internetconsultatie te brengen.
De uitdagingen in het gedigitaliseerde medialandschap zijn groot en de voorgenomen
hervorming zoals uiteengezet door mijn ambtsvoorganger in de brief van 4 april 2025,
grijpt dan ook fundamenteel in op de wijze waarop de landelijke publieke omroep is
georganiseerd om deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.3 Het nieuwe bestel gaat uit van een nieuwe inrichting die gesloten is voor nieuwe
organisaties, maar opener voor nieuwe geluiden. Bestaande omroepverenigingen zullen
opgaan in een viertal omroephuizen die stichtingen zullen zijn, met daarnaast de organisatie
NOS-NTR. Omroephuizen zullen de rol van werkgever gaan vervullen omdat medewerkers
in dienst komen van de omroephuizen. Er zal geen sprake zijn van meerdere bestuurslagen
in het omroephuis: een huis heeft één bestuur en één raad van toezicht. De zittingstermijnen
van bestuurders en leden van de raad van toezicht worden gemaximeerd.
Ook wordt de rolverdeling tussen NPO en omroephuizen aangepast waarbij de NPO minder
in detail op aanbod zal coördineren. Strategie komt meer gezamenlijk tussen de omroepen
en NPO tot stand. Tegelijkertijd behoudt de NPO zijn coördinerende rol op het gebied
van programmering en distributie. Verder worden het externe toezicht en de beoordelings-
en evaluatiesystematiek herijkt. Dit alles maakt het bijbehorende wetsvoorstel omvangrijk
en complex: alle verschillende elementen moeten goed op elkaar aansluiten om ervoor
te zorgen dat het nieuwe bestel goed functioneert en de eerder geconstateerde knelpunten
worden geadresseerd.4 Daarbij hebben de keuzes die worden gemaakt verstrekkende gevolgen voor de mensen
en organisaties die deel uitmaken van de landelijke publieke omroep. Ik vind het dan
ook belangrijk om het wetsvoorstel nauwgezet en zorgvuldig uit te werken in overleg
met de betrokken partijen.
Om dit alles te realiseren zijn de afgelopen periode al belangrijke stappen gezet.
In een werkgroep met omroepen en de NPO is veel voorbereidend werk uitgevoerd. Verschillende
onderdelen van de hervorming zijn hierin besproken en uitgewerkt. Ook is veelvuldig
overleg geweest met het Commissariaat voor de Media en met andere partijen zoals de
Raad voor Cultuur, onafhankelijke producenten, commerciële omroepen en streamers.
De uitkomsten van deze gesprekken worden gebruikt om het wetsvoorstel verder inhoudelijk
uit te werken. Voor de zomer zullen deze gesprekken bestuurlijk worden afgerond.
De omvang en onderlinge samenhang van de voorgestelde wijzigingen maken dat in de
komende periode intensieve afstemming met betrokken partijen noodzakelijk is. De uitkomsten
van de gesprekken raken aan governance, arbeidsverhoudingen en toezicht en vereisen
daarom een zorgvuldige wetstechnische doorwerking, zodat het geheel juridisch houdbaar
en uitvoerbaar is. Daarbij heb ik ook tijd nodig om mij te oriënteren op dit belangrijke
onderwerp en om in bestuurlijk overleg te treden met de verschillende stakeholders.
Ik voorzie dan ook dat het niet mogelijk is om exact te voldoen aan de aangenomen
motie die tijdens het wetgevingsoverleg door de leden Martens-America (VVD) en Nanninga
(JA21) is ingediend over het in internetconsultatie brengen van het wetsvoorstel vóór
1 juni 2026.5 Ik zal de bestuurlijke en inhoudelijke afstemming vóór het zomerreces afronden en
ik zal de internetconsultatie van het wetsvoorstel rond de zomer starten. Ik streef
er nog steeds naar om het wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2027 bij uw Kamer
in te dienen. Publicatie van de wet is voorzien op 1 januari 2028 met inwerkingtreding
op 1 januari 2029.
Openstaande moties en toezeggingen
Tijdens het wetgevingsoverleg is door een aantal Kamerleden aangegeven dat er openstaande
moties zijn die betrekking hebben op de hervorming van de landelijke publieke omroep
waaraan nog niet is tegemoetgekomen. Alle eerder aangenomen moties die betrekking
hebben op de hervorming van de landelijke publieke omroep worden meegenomen in het
wetsvoorstel. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd middels een aparte, begeleidende
brief conform de toezegging die is gedaan tijdens het wetgevingsoverleg op 26 januari
2026. Deze brief zal naar verwachting gelijktijdig met de aanbieding van het wetsvoorstel
ter internetconsultatie, voorzien rond de zomer, naar uw Kamer worden verstuurd. Hierin
zullen alle aangenomen moties die raken aan de hervorming worden langsgelopen om aan
te geven hoe hier in het wetsvoorstel uitvoering aan wordt gegeven.
Rol verenigingen in het nieuwe bestel
Een fundamentele herziening van het bestel is zoals gezegd noodzakelijk om de publieke
omroep klaar te maken voor de digitale toekomst. Een wendbaar en slagvaardig bestel
is nodig om op een goede manier in te kunnen zetten op het bereiken van het Nederlandse
publiek, zeker jongeren, in de digitale omgeving met aanbod van publieke waarde, waaronder
journalistiek aanbod. Om deze reden vind ik het belangrijk dat in het nieuwe bestel
de huidige omroepen zijn omgevormd naar een viertal omroephuizen. Ook de huizen zelf
moeten slagkrachtig worden ingericht waarbij taken en verantwoordelijkheden zuiver
moeten zijn belegd. Dit is de reden waarom er in het nieuwe bestel geen sprake kan
zijn van dubbelfuncties. Dit geldt in de eerste plaats voor functies binnen het omroephuis
zelf, dus tussen intern toezicht, bestuur en hoofdredactie. Het gaat hierbij ook om
dubbelfuncties tussen het omroephuis en verenigingen die een rol kunnen spelen in
het nieuwe bestel.
De komende periode ga ik in het wetsvoorstel verder uitwerken hoe ik de rol van verenigingen
in het nieuwe bestel voor me zie. Daarbij hanteer ik een aantal uitgangspunten. Ten
eerste zie ik de inzet van een ledenvereniging als een waardevolle manier waarop een
omroephuis de maatschappelijke worteling duurzaam vorm kan geven en aan kan tonen.
Ik vind het dan ook belangrijk dat er in het nieuwe bestel betekenisvolle banden tussen
omroephuizen en verenigingen kunnen worden gelegd.
Ten tweede kent het nieuwe bestel flexibiliteit in de manieren waarop het omroephuis
maatschappelijke worteling vormgeeft en aantoont. Waar het huidige bestel nog primair
van verenigingen uitgaat als manier om maatschappelijke worteling te organiseren wil
ik dat dit in het nieuwe bestel ook op andere manieren kan, zodat er meerdere vormen
naast elkaar kunnen worden ingezet, afhankelijk van welke vorm het beste bij welke
doelgroep past. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan (digitale) communities waarmee mensen
zich identificeren, bijvoorbeeld rondom specifieke publieke waarden die ze van belang
vinden voor de Nederlandse samenleving. Ik vind het belangrijk dat er een goede balans
gevonden wordt in de invloed die verschillende vormen van maatschappelijke worteling
kunnen uitoefenen in de aansturing en aanbodstrategie van het omroephuis.
Ten derde zal in het nieuwe bestel het omroephuis de omroep zijn. Het omroephuis is
een stichting met een wettelijke taak waar de medewerkers in dienst zijn en het aanbod
wordt gemaakt. Wel vind ik het van belang dat de verenigingen een rol van betekenis
kunnen blijven spelen bij het omroephuis, zoals benoemd in de vorige twee uitgangspunten.
Zoals gezegd zal ik de komende periode in het wetsvoorstel verder uitwerken hoe ik
de rol van verenigingen in het nieuwe bestel voor me zie. Ik doe dit op basis van
bovenstaande uitgangspunten, in overleg met omroepen en NPO en op basis van wensen
die uw Kamer eerder over de inrichting van omroephuizen heeft geuit, bijvoorbeeld
als het gaat over de benoemingsprocedure van raden van toezicht.6
Clustering omroephuizen
In de tussentijd zijn NPO en omroepen gekomen tot een nieuw voorstel voor een clustering
van omroepen in een viertal omroephuizen. Dit sluit aan bij de wens van dit kabinet
om te komen tot vier omroephuizen met daarnaast de organisatie NOS-NTR. Ik ben blij
dat het de landelijke publieke omroep is gelukt zelf tot een voorstel te komen. Dit
draagt bij aan goed functionerende omroephuizen en voldoende draagvlak onder de partijen
die deze huizen zullen vormen in het nieuwe bestel.
Tegelijkertijd constateer ik dat niet elke omroep met een (voorlopige) erkenning een
plek heeft gevonden in de te vormen omroephuizen. Het gaat hierbij om de aspirant-omroep
Ongehoord Nederland die tot op heden geen plek heeft gevonden in de voorgenomen clustering.
Het uitgangspunt blijft dat elke omroep die een (voorlopige) erkenning heeft, een
plek moet kunnen vinden in een van de omroephuizen. Ik ben voornemens dit uitganspunt
te borgen door dit wettelijk als voorwaarde vast te leggen voor het kunnen oprichten
van omroephuizen. Als het de omroepen niet lukt om op vrijwillige basis tot een dergelijke
clustering te komen, kan ik advies van externe partijen inwinnen over de clustering.
Nu de omroepen tot een clustering zijn gekomen die alleen Ongehoord Nederland buiten
beschouwing laat, ben ik voornemens om alvast advies te vragen aan externe partijen
over de vraag welke clustering het meest voor de hand ligt, lettende op de eerder
gedeelde kaders waaraan de omroephuizen moeten voldoen.7 Ik denk hierbij aan een soortgelijk proces als voor het verlenen van de erkenningen
in het huidige bestel, wat ik doe op basis van advies van de NPO, het Commissariaat
voor de Media en de Raad voor Cultuur. Ook voorziet de huidige Mediawet 2008 in een
aanwijsprocedure wanneer het een aspirant-omroep niet lukt op vrijwillige basis aansluiting
te vinden bij een samenwerkingsomroep.
Financiering en rol reclame
In het coalitieakkoord is € 50 miljoen beschikbaar gesteld voor mediadoeleinden (bijlage
bij Kamerstuk 36 848, nr. 31). Hiervan wordt € 45 miljoen ingezet om de bezuinigingen op de rijksmediabijdrage
van de landelijke publieke omroep deels terug te draaien.8 Hiermee is de noodzaak voor het verhogen van de reclame-inkomsten op de korte termijn
vervallen. Om deze reden zal ik de aangekondigde verhoging van het aandeel reclame-inkomsten
in de financiering van de landelijke publieke omroep met € 11,7 miljoen niet doorzetten.
Ook het terugdraaien van de verlaging van de toegestane hoeveelheid reclame op de
lineaire televisiekanalen van de landelijke publieke omroep van 8% naar 10% zet ik
vooralsnog niet door.9 Ik ga de komende tijd gebruiken om mij te oriënteren op de rol die reclame op de
langere termijn speelt bij de financiering van het budget van de landelijke publieke
omroep. De moties die raken aan het reclamedossier die de afgelopen periode zijn aangenomen
zal ik hierbij betrekken. Het gaat hier bijvoorbeeld om de motie van het lid Martens-America
(VVD) die vraagt reclame bij podcasts bij de landelijke publieke omroep te verbieden.10 Ik zal uw Kamer nader informeren over het reclamedossier in de reeds toegezegde Kamerbrief
die ik zal sturen wanneer ik het wetsvoorstel over de hervorming in internetconsultatie
breng. Hierin zal ik ook terugkomen op de aangenomen moties die raken aan dit dossier,
waaronder de al genoemde motie van het lid Martens-America (VVD). Deze brief is net
als de internetconsultatie voorzien rond de zomer.
Wet Normering Topinkomens en overhead
Tijdens het Wetgevingsoverleg media op 26 januari 2026 heeft mijn ambtsvoorganger
toegezegd uw Kamer binnen enkele weken na het debat te informeren over wat er al is
onderzocht rond topinkomens bij de landelijke publieke omroep.11 Daarnaast ga ik hier nog in op de aangenomen motie van het lid van der Plas (BBB)
over de overhead bij de landelijke publieke omroep.12
KPMG-onderzoek
In de Mediabegrotingsbrief voor het jaar 2024 is de Kamer geïnformeerd over het onderzoek
dat het Commissariaat voor de Media (het Commissariaat) in 2023 heeft laten uitvoeren
door KPMG Forensic naar de naleving van de Wet Normering Topinkomens (WNT) in de mediasector
en het Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO).13 Het onderzoek, inclusief de reactie van het Commissariaat, is aan de Kamer toegezonden
per brief van 11 januari 2024.14 Het KPMG-onderzoek geeft een feitelijk en onafhankelijk inzicht in de wijze waarop
de NPO en de landelijke publieke omroepen de WNT en het BPPO naleven. Ook is er aandacht
voor de wijze waarop het Commissariaat het toezicht op de WNT en het BPPO heeft ingericht
en uitgevoerd.
Uit het KPMG-onderzoek is naar voren gekomen dat er binnen de landelijke publieke
omroep geen topfunctionarissen en presentatoren meer zijn die boven de maximumnorm
voor de bezoldiging zitten. Het aantal presentatoren dat op grond van een overgangsregeling
boven de maximumnorm werd beloond, is in de afgelopen jaren teruggebracht van zeventien
naar nul. Dit laat duidelijk zien dat de regelgeving zijn werk heeft gedaan voor werknemers
van de publieke omroep. Ook laat het onderzoek van KPMG zien dat er geen overtredingen
zijn geconstateerd rond de inhuur van presentatoren bij de onderzochte onafhankelijke
producenten.
In het onderzoek staan ook verbeterpunten, bijvoorbeeld over de verantwoording van
beloningen van presentatoren die bij meerdere omroepen werken of via buitenproducenten
worden betaald. Het Commissariaat concludeerde daarom dat het BPPO verder aangescherpt
kon worden.15
Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO)
De NPO is met de verbeterpunten aan de slag gegaan en zoals ook gemeld in de Kamerbrief
van 10 juli 2025 heeft dit geresulteerd in een aangepast en aangescherpt BPPO.16 Een belangrijke wijziging is dat omroepen presentatoren die bepalend zijn voor één
programma en waarvan buiten kijf staat dat zij voldoen aan de criteria voor het toekennen
van een beloning op BPPO-niveau, altijd rechtstreeks gecontracteerd zullen worden
door de betreffende omroep. Ook als het programma wordt geproduceerd door een externe
producent vindt er in die gevallen dus geen betaling plaats door de producent aan
de presentator. Dat draagt bij aan de naleving van het BPPO en het toezicht daarop.
Voor presentatoren die voor meerdere opdrachtgevers werken, geldt dat hun totale beloning
voor werkzaamheden voor de publieke omroep per jaar niet boven het BPPO-maximum mag
uitkomen. Voor de naleving hiervan geldt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van
de presentator zelf, de producenten, de contracterende omroepen en de NPO. In voorkomende
gevallen wijst de NPO een coördinerende omroep aan die hier de eindregie op voert.
Daarnaast is van belang om te vermelden dat er een Samenwerkingscode tot stand is
gekomen tussen de NPO, het College van Omroepen (CvO), de Vereniging van Nederlandse
Content Producenten (NCP) en de Nederlandse Audiovisuele Producenten Alliantie (NAPA).
In deze Samenwerkingscode is bepaald dat ook producenten zich zullen committeren aan
de beloningsregels uit het BPPO.
Verlaagde sectorale maxima voor media-instellingen
Sinds 2021 gelden voor de regionale en landelijke publieke omroepen verlaagde maxima
op grond van artikel 2.6 van de WNT. Hiermee is invulling gegeven aan de behoefte
die er in de samenleving en de politiek was voor verdere regulering van de bezoldiging
van bestuurders bij landelijke en regionale media-instellingen.
Om te bepalen welke instelling bij welk verlaagd maximum wordt ingedeeld, is gebruikgemaakt
van vier generieke instellingscriteria: totale baten, aantal leden, mandaat en bereik.
Deze instellingscriteria bieden een weergave van de zwaarte van de functie van de
bestuurders gebaseerd op functiewaarderingsverhoudingen. Gezamenlijk geven de criteria
een indicatie van de complexiteit van de betreffende bestuursfunctie. Hoe lager de
complexiteit van de instelling, hoe lager het bezoldigingsmaximum is dat voor de instelling
geldt. De basis voor de criteria en de bezoldigingsklassen komt uit een onafhankelijk
onderzoek dat is uitgevoerd door Panteia en AWVN.17
Daarnaast ben ik van plan een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in het kader van
het wetsvoorstel versterking lokale publieke omroepen. Als gevolg van dit wetsvoorstel
zullen de bestuurders van lokale publieke omroepen ook onder de WNT komen te vallen.
Uit het onderzoek moet blijken wat een redelijk (verlaagd) maximum is voor deze categorie
bestuurders.
Kamervragen interim-salarissen
Ik verwijs in het kader van de toezegging rondom salarisconstructies ook naar de antwoorden
van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – mede namens de Ministers
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – op
vragen van de leden Mohandis en Patijn (beiden GroenLinks-PvdA).18
Het betrof hier de situatie van een topfunctionaris bij de landelijke publieke omroep
waarbij sprake was van meerdere interim-opdrachten en waarbij mogelijk het WNT-maximum
werd overschreden. De WNT maakt onderscheid tussen topfunctionarissen in dienstbetrekking
en topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (bijvoorbeeld interim of ZZP). De WNT
staat echter toe dat aan een leidinggevende topfunctionaris zonder dienstbetrekking
in de eerste twaalf kalendermaanden van een functievervulling een hoger bedrag dan
het algemeen bezoldigingsmaximum van artikel 2.3 van de WNT kan worden uitgekeerd.
Hiervoor is gekozen zodat een instelling met een urgente vervangingsvraag of bij behoefte
aan specialistische kennis een geschikte kandidaat kan werven. Daarnaast biedt dit
hogere bezoldigingsmaximum compensatie aan de topfunctionaris voor de (financiële)
risico’s die samenhangen met de veelal flexibele en kortdurende opdrachten. Vanaf
de dertiende kalendermaand van de functievervulling geldt echter het (verlaagde) maximum
dat voor de instelling van toepassing is. Het is dan ook niet mogelijk om een topfunctionaris
zonder dienstbetrekking langer dan één jaar meer te betalen dan het bezoldigingsmaximum
dat voor de instelling van toepassing is.
Verder kent de WNT in artikel 1.6a WNT de zgn. anticumulatiebepaling. Daarin is bepaald
dat de totale bezoldiging van een topfunctionaris die op basis van een dienstbetrekking
gelijktijdig werkzaam is bij twee of meer WNT-instellingen, niet hoger mag zijn dan
het algemeen bezoldigingsmaximum uit artikel 2.3 WNT. Zoals ook in het antwoord op
de Kamervragen is aangegeven ziet de anticumulatiebepaling van artikel 1.6a WNT niet
op de situatie dat een topfunctionaris zonder dienstbetrekking twee of meer (interim-)functies
bij twee of meer WNT-instellingen naast elkaar vervult. Naar aanleiding van deze casus
zal de Minister van BZK laten onderzoeken of de beschreven situatie zich vaker voordoet
of heeft voorgedaan. Zo ja, dan zal de Minister van BZK een voorstel indienen om de
WNT zodanig aan te passen om de anticumulatiebepaling van artikel 1.6a WNT uit te
breiden voor interimmers.
Normering overhead
Tot slot heeft uw Kamer bij het Wetgevingsoverleg media een motie aangenomen die oproept
tot het normeren van overhead bij de gehele landelijke publieke omroep. Zoals in het
debat toegezegd ga ik, in overleg met de NPO en de omroepen, een voorstel doen voor
een benchmark voor overheadkosten en de wijze waarop daarover door de NPO en de omroepen
gerapporteerd wordt. Ik zal uw Kamer hierover nader informeren in het vierde kwartaal
van 2026, in de Mediabegrotingsbrief 2027. De motie vraagt daarnaast om bij eventuele
toekomstige bezuinigingen op de publieke omroep de raad van bestuur, de raad van toezicht
en de directie van de NPO minstens hetzelfde percentage te laten besparen als wat
wordt bezuinigd op het mediabudget. Die koppeling kan en wil ik niet toezeggen. De
publieke omroep is onafhankelijk in zijn keuzes over inzet van de beschikbare middelen.
Dat geldt dus ook voor de invulling van bezuinigingen. Beloningen van individuele
medewerkers, bestuurders of toezichthouders worden bepaald door contractuele afspraken
tussen de instelling en het betreffende individu. De overheid is hier geen partij
in. Bovendien worden de beloningen van bestuurders en toezichthouders bij de publieke
omroep al gemaximeerd door de WNT.
Ik hoop u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd over mijn inzet op het dossier
hervorming landelijke publieke omroep en de huidige stand van zaken omtrent het wetsvoorstel
alsook hoe ik om ga met de aangenomen moties tijdens het wetgevingsoverleg. Ik zal
uw Kamer opnieuw informeren over de hervorming wanneer ik het wetsvoorstel in internetconsultatie
breng.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap