Brief regering : Update voortgang Kabinetsinzet Economische Veiligheid
30 821 Nationale Veiligheid
Nr. 332
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT, VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
EN VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2026
De economische veiligheid blijft onverminderd van belang. Het conflict in het Midden-Oosten
laat zien hoe geopolitiek direct doorwerkt op onze economie en onze veiligheid. Statelijke
actoren zetten steeds vaker heimelijke en openlijke economische instrumenten in om
hun geopolitieke doelen te bereiken. Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)
2025 onderstreept dat deze dreiging onverminderd hoog is.1 Dit heeft gevolgen voor de internationale handel, verstoort waardeketens en heeft
grote gevolgen voor Nederland als open economie. Het Nederlandse economische veiligheidsbeleid
ziet daarom onder andere toe op het weerbaar maken van onze economie tegen de inzet
van economische activiteiten of instrumenten, die een risico vormen voor de nationale
veiligheid, door of in opdracht van statelijke actoren. Ook uw Kamer heeft het belang
en urgentie van economische veiligheid daarvan uitgestraald in het debat economische
veiligheid en strategische autonomie van 4 maart jl. Op basis van het uitgangspunt
«open waar het kan, gesloten waar het moet» blijft het kabinet zich inzetten om de
Nederlandse economische veiligheid te waarborgen. Zoals reeds aangekondigd in het
debat van 4 maart 2026 geven de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Justitie
en Veiligheid en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking u met deze brief
mede namens de Ministers van Asiel en Migratie, Klimaat en Groene Groei, Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een update van de beleidsaanpak
op economische veiligheid. Zoals toegezegd in het debat over de economische gevolgen
van het gewapend conflict in het Midden-Oosten voor Nederland van 25 maart 2026 bevat
de Kamerbrief ook een overzicht van de parameters die inzicht geven in de beschikbaarheid
van kritieke producten. In bijlage 1 vindt u namens de Minister van Economische Zaken
en Klimaat de onbeantwoorde vragen uit het commissiedebat over economische veiligheid
en strategische autonomie van 4 maart jl.
Update beleidsinstrumentarium
Het vorige kabinet heeft uw Kamer op 1 juli 2025 geïnformeerd over de geïntegreerde
aanpak binnen het economisch veiligheidsbeleid langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken). Dit gebeurt in nauwe samenwerking met onder andere door het bedrijfsleven
en kennisinstellingen op dit thema.2
Economische veiligheid gaat over zowel het beschermen van publieke belangen alsook
over het versterken van strategische sectoren. Alleen zo waarborgen we ons verdienvermogen
en onze veiligheid. Een sterke, innoverende en concurrerende economie is namelijk
beter bestand tegen dreigingen voor de nationale veiligheid.3 Hieronder volgt een overzicht van de laatste ontwikkelingen van de beleidsaanpak
economische veiligheid.
Protect
Akkoord herziening EU verordening inzake inkomende investeringen (FDI)
Op 11 december 20254 hebben de Raad van de Europese Unie (hierna de Raad) en het Europees Parlement een
politiek akkoord bereikt over de herziening van de Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening.5 Nederland verwelkomt het onderhandelingsresultaat, waarmee ook gevolg wordt gegeven
aan de oproep van de motie van het lid Van der Lee c.s.6 om initiatieven van de Europese Commissie te steunen die gericht zijn op het aanscherpen
en harmoniseren van voorwaarden voor buitenlandse investeerders in strategische sectoren.
Sinds de start van de onderhandelingen in 2024 heeft het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat, in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie
van Justitie en Veiligheid en andere departementen, actief bijgedragen aan de onderhandelingen
over deze herziening. Met de wijziging van de verordening worden de reikwijdte, deadlines
en procedures van de diverse nationale investeringstoetsingsregimes binnen de Europese
Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer
coherente manier aangepakt. Hiermee ontstaat tevens een gelijker speelveld voor investeerders.
De verwachting is dat de Raad en het Europees Parlement de herziene tekst in de komende
maanden formeel zullen vaststellen. Daarna start voor de lidstaten de termijn voor
omzetting van de verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze verordening
geïmplementeerd via een wijziging van onder andere de Wet veiligheidstoets investeringen
fusies en overnames (Wet vifo). Na de formele vaststelling van de verordening informeert
het kabinet u per brief over de definitieve uitkomsten van de onderhandelingen en
de vervolgstappen. Het zal naar verwachting ongeveer twee jaar duren voordat de benodigde
wetswijzigingen in werking treden. Voor de tussentijd acht het kabinet het van belang
om de risico's voor de nationale veiligheid zo goed mogelijk te ondervangen en zo
nodig bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aanvullende technologieën onder de
reikwijdte van de Wet vifo te laten vallen. Ten aanzien van de in mijn eerdere brief
genoemde verdere uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet vifo met zes technologieën
(te weten, biotechnologie, AI, nucleaire technologie voor medisch gebruik, geavanceerde
materialen, nanotechnologie, en sensor en navigatie technologie) verwachten wij dat
de betreffende AmvB in het tweede kwartaal van 2026 ter voorhang aan uw Kamer kan
worden aangeboden. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de motie van lid Dekker
die verzoekt tot een uitbreiding van de Wet vifo.7 Met de toevoeging van biotechnologie wordt tevens tegemoetgekomen aan de motie-Meulenkamp.8 Ten aanzien van de oproep van de motie van het lid Van der Lee om in een eventuele
aanpassing van de Wet vifo ook strategische autonomie expliciet mee te wegen,9 merkt het kabinet op dat in de Wet vifo onder de noemer van «nationale veiligheid»
thans rekening wordt gehouden met de bescherming van belangen zoals de democratische
rechtsorde, veiligheid van de staat en de maatschappelijke stabiliteit voor zover
die raken aan de continuïteit van vitale processen, het weglekken van kritieke of
strategische kennis en het ontstaan van ongewenste strategische afhankelijkheden.
Dat laatste betekent dat open strategische autonomie al expliciet kan worden meegewogen
in dit instrument, waardoor op dit punt geen aanpassing nodig is.
Evaluatie WOZT en Wet vifo
Met de brief van 20 februari jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten
van de recente evaluatie van de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT)
en de tussentijdse evaluatie op hoofdlijnen van de Wet vifo.10 De onderzoekers hebben geconcludeerd dat de WOZT waarschijnlijk het nagestreefde
doel heeft bereikt, namelijk het beperken van ongewenste zeggenschap of significante
invloed. Het bestaan van de wet heeft als gevolg dat potentiële partijen met een risicoprofiel
ontmoedigd worden om te investeren binnen de telecommunicatiesector waardoor daadwerkelijk
ingrijpen overbodig is. Voor de Wet vifo wordt op basis van het evaluatierapport geconcludeerd
dat deze ook waarschijnlijk het nagestreefde doel bereikt en dat de neveneffecten
bij de huidige vormgeving van de Wet vifo te overzien lijken.
Tussentijdse Evaluatie Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid (BEV)
Afgelopen najaar is de tussentijdse evaluatie opgeleverd die is aangekondigd bij de
oprichting van de BEV.11 Deze evaluatie werd door PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. uitgevoerd, in opdracht
van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De eindrapportage zal vertrouwelijk
ter inzage aan uw Kamer worden voorgelegd.
De onderzoekers hebben geconcludeerd dat de BEV in zijn rol als laatste redmiddel12 zowel doeltreffend als doelmatig is. Wel geven zij aan dat de in de praktijk gehanteerde
criteria momenteel cumulatief een beperkend effect op de doeltreffendheid van het
instrument hebben. Op dit moment is het instrument qua budget gezien toereikend en
is er geen aanleiding om dit te verhogen of verminderen.
De komende tijd worden de bevindingen en aanbevelingen nader bestudeerd en eventueel,
in samenwerking met betrokken partners, uitgewerkt tot een doorontwikkeling van de
BEV. Indien dat leidt tot veranderingen aan het instrument, dan zal dat zo snel als
mogelijk, al dan niet vertrouwelijk, met uw Kamer worden gedeeld. Uiterlijk eind 2028
vindt de wettelijke evaluatie van de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid
plaats.
Kritieke entiteiten
Op 12 december 2025 hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de prioriteit waarmee het
voorgaande kabinet werkt aan de robuustheid, redundantie en het herstelvermogen van
de vitale processen. Hierin zijn, vooruitlopend op het wetsvoorstel Wet Weerbaarheid
kritieke entiteiten (Wwke) een aantal stappen gezet. Veiligheidspartners, vakdepartementen
en vitale sectoren werken daarbij intensief samen. Zo zijn departementen in samenspraak
met hun uitvoeringsorganisaties en sectoren bezig met het uitvoeren van risicoanalyses
voor het aanwijzen van kritieke entiteiten onder de Wwke. De wetsvoorstellen Wwke
en Cyberbeveiligingswet (Cbw) zijn 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en worden
nu doorgeleid ter behandeling in de Eerste Kamer. Wanneer het wetsvoorstel Wwke in
werking is getreden zullen de respectievelijke vakministers op basis van sectorale
risicobeoordelingen kritieke entiteiten aanwijzen. Voor de kritieke entiteiten moeten
vervolgens ook eigen risicobeoordelingen worden uitgevoerd en op basis hiervan passende
en evenredige technische, beveiligings- en organisatorische maatregelen worden genomen
omwille van hun weerbaarheid. Het wetsvoorstel Wwke is beoogd in 2026 in werking te
treden. Daarmee zal ook invulling worden gegeven aan de motie van Van Lanschot c.s.
om kritieke entiteiten in kaart te brengen.13 Gezien de vertrouwelijkheid van de risicobeoordeling en aanwijzingen van kritieke
entiteiten kan uw Kamer hierover vertrouwelijk worden geïnformeerd. Momenteel is de
Wet vifo nog gericht op de beleidsmatige Aanpak vitaal14. Deze Aanpak zal grotendeels overgaan in het nieuwe wettelijke kader van de Wwke.
Het is daarom van cruciaal belang dat de terminologie en reikwijdte van de Wet vifo
aansluit op de Wwke. Er wordt onderzocht of en in hoeverre bij een wijziging van de
Wet vifo ook op dit nieuwe wettelijk kader kan worden aangesloten.
Ongewenste kennis- en technologieoverdracht via individuele kenniswerkers
Het meest recente Dreigingsbeeld Statelijke Actoren15 laat zien dat de dreiging van ongewenste overdracht van kennis en technologie onverminderd
hoog blijft. Statelijke actoren gebruiken verschillende methoden om kennis en technologie
te verwerven, ook via menselijke bronnen. Dit gaf in 2023 aanleiding om te verkennen
of en hoe risico’s op ongewenste kennis- en technologieoverdracht via kenniswerkers
bij sensitieve technologiebedrijven kunnen worden gemitigeerd. Als onderdeel van deze
verkenning heeft de voormalig Minister van Economische Zaken gesproken met verschillende
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en een internationale vergelijking uitgevoerd
naar welke maatregelen andere landen nemen om vergelijkbare veiligheidsrisico’s te
mitigeren. Ook zijn er lessen getrokken uit aanpalende initiatieven binnen de kabinetsaanpak
Economische Veiligheid, zoals het wetsvoorstel screening kennisveiligheid van de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De uitkomsten hiervan vindt uw Kamer in bijgevoegde
rapportage.
Bedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het beschermen van hun kennis
en technologie en geven hier invulling aan door uiteenlopende maatregelen te nemen,
zoals het beveiligen en compartimenteren van hun kennis en het screenen van personeel.
De verkenning en de recent gepubliceerde studie van Clingendael, getiteld «Hoe Nederlandse
bedrijven omgaan met economische veiligheid»»16, onderstreept de noodzaak om economische veiligheid verder te integreren in de bedrijfsvoering
van bedrijven. Het beschermen van hun intellectueel eigendom en verdienvermogen biedt
bedrijven vanuit economisch oogpunt ook kansen. In 2026 zet het kabinet daarom verder
in op de campagne «Bescherm wat je sterk maakt», waarmee het kabinet bedrijven helpt
bij het identificeren en mitigeren van economische veiligheidsrisico’s. Personeelsbeleid
vormt onderdeel van de handreiking economische veiligheid voor ondernemers en zal
ook in nieuwe tools en ondersteuningsmogelijkheden als onderdeel van deze campagne
worden meegenomen.
In de verkenning heeft de voormalig Minister van Economische Zaken aanvullend onderzocht
of het instellen van een wettelijke screeningsplicht voor kenniswerkers bij alle sensitieve
technologiebedrijven noodzakelijk en wenselijk is. Op basis van deze verkenning concludeert
het kabinet dat dit momenteel niet opportuun is vanwege kanttekeningen bij de effectiviteit,
uitvoerbaarheid en proportionaliteit, mede in relatie tot de regeldruk voor bedrijven.
De doelgroep is zeer omvangrijk en dat brengt aanzienlijke uitdagingen en uitvoeringslasten
met zich mee. Het is daarom belangrijk om als onderdeel van het bredere economische
veiligheidsbeleid concreter af te bakenen waar precies de risico’s zitten met betrekking
tot ongewenste kennisoverdracht, welke kennis het kabinet primair wil beschermen en
welke aanvullende maatregelen daarvoor nodig zijn, waaronder op het terrein van personeelsbeleid
en screening. In een volgende stap zal het kabinet dit nader onderzoeken. Dit zal
het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat doen in nauwe samenwerking met de
betrokken departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
om samenhang in de aanpak gericht op kenniswerkers binnen de kennissector en het kennisintensieve
bedrijfsleven te waarborgen, en daarmee ook een gelijk speelveld, met inachtneming
van het dreigingsbeeld.
Resultaten pilot beoordeling ongewenste kennis- en technologieoverdracht in relatie
tot erkend referenten
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND) hebben, met medewerking van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat,
het Bureau Toetsing en Investeringen (BTI), de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid (NCTV) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een
pilot uitgevoerd om ongewenste kennis- en technologieoverdracht in relatie tot erkend
referenten tegen te gaan. Aan de hand van een aantal fictieve casussen is onderzocht
of middels een aanvullende beoordelingssystematiek aanvragen voor het erkend referentschap
en bestaande erkend referenten kunnen worden beoordeeld op risico’s op ongewenste
kennis- en technologieoverdracht. Daarbij is gekeken of een dergelijke beoordelingssystematiek
uitvoerbaar, effectief en proportioneel is in relatie tot de te ondervangen dreiging
voor de nationale veiligheid die mogelijk uitgaat van een erkenning.
De pilot is afgerond en de daaruit volgende conclusie is dat de beoordelingssystematiek
in zijn huidige vorm niet proportioneel en effectief wordt geacht, en bovendien tegen
de grenzen van uitvoerbaarheid lijkt aan te lopen. Deze conclusie volgt met name uit
de noodzaak tot grote aanpassingen van wet- en regelgeving, alsmede lage verwachtingen
omtrent de effectiviteit enerzijds en de hoge uitvoeringslasten anderzijds. Daarnaast
zou de beoordelingssystematiek mogelijk discriminatoire effecten kunnen hebben en
zou de toepassing tot aanzienlijke economische en diplomatieke gevolgen kunnen leiden.
Tegen deze achtergrond ligt het meer voor de hand om de dreiging op een gerichte en
minder ingrijpende wijze te mitigeren, met maatregelen die aansluiten op concrete
risicosignalen en die uitvoerbaar zijn binnen bestaande wettelijke kaders en capaciteit,
in plaats van inzet op een brede, capaciteit intensieve en mogelijk juridisch kwetsbare
beoordelingssystematiek. Deze bevindingen worden nader toegelicht in de meegestuurde
weergave van de pilot.
Naar aanleiding van deze resultaten heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid
en de IND gezamenlijk met het BTI, de NCTV, het Ministerie van Economische Zaken en
Klimaat, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en het Ministerie van
Buitenlandse Zaken vastgesteld dat de pilot geen vervolg zal krijgen in zijn huidige
vorm. Op dit moment wordt in samenwerking met partners in het economische veiligheidsdomein
bezien hoe verschillende aspecten van de dreiging op een passende wijze gemitigeerd
kunnen worden, in lijn met de kabinetsinzet op economische veiligheid. Er wordt onder
andere binnen het spoor inzake bewustwording en communicatie aanvullende aandacht
gegeven aan het ecosysteemrisico met betrekking tot bedrijven binnen sensitieve sectoren.
Promote
Op 17 oktober 2025 heeft het voorgaande kabinet uw Kamer geïnformeerd over het vernieuwde
industriebeleid.17 De hoofdopgave van het industriebeleid is om het verdienvermogen te vergroten, bij
te dragen aan maatschappelijke opgaven, en de economische weerbaarheid van Nederland
te versterken. Naast een gerichte inzet op markten en technologieën versterkt het
kabinet met het vernieuwde industriebeleid ook de randvoorwaarden voor groei en economische
veiligheid. Conform de motie van het lid Ceder18 om het verwerven van control points expliciet onderdeel te maken van het (geo-) economisch
beleid zal in het promote-beleid worden geprioriteerd. De focus voor een krachtiger
en weerbaarder Nederland en Europa moet de komende jaren onder meer liggen op hoogwaardige
technologie. Het creëren van de juiste randvoorwaarden, met daarbij in specifieke
gevallen actieve en gerichte stimulerende maatregelen, is nodig om (technologische)
leiderschapsposities en essentiële capaciteiten in strategische waardeketens te verkrijgen
en behouden. Daarnaast versterkt de inzet op een circulaire economie de economische
veiligheid: door recycling en hergebruik vermindert de afhankelijkheid van schaarse
grondstoffen en materialen. Ten aanzien van de motie van lid Dekker19 om de mogelijkheid van strategische overheidsparticipatie te bekijken, merkt het
kabinet op dat reeds via publieke-private financiering en de voorwaarden die daaraan
worden verbonden enige invloed in start- en scale ups dan wel bedrijven van strategisch
economisch belang kan worden verkregen. Onder hele specifieke omstandigheden en verbonden
aan de specifieke financieringsbehoefte van de start- en scale up, geschiedt dat door
een participatie die door een intermediaire organisatie wordt gehouden zoals een regionale
ontwikkelingsmaatschappij of Invest-NL. Dit is reeds door de Minister van Economische
Zaken en Klimaat toegelicht in het debat economische veiligheid en strategische autonomie
van 4 maart jl. Met het rechtstreeks innemen van strategische aandeelhoudersposities
door de Staat moet men naar het oordeel van het kabinet terughoudend zijn, wegens
het risico op marktverstoring en de hoge kosten voor de Rijksbegroting.
De Nationale Technologie Strategie (NTS) geeft een beschrijving van de tien prioritaire
technologiegebieden waarin Nederland een sterke positie heeft en die zij wil behouden
en versterken. Op 26 januari jl. werden de NTS actieagenda’s gepresenteerd. Deze verdere
uitwerking van de NTS is het resultaat van een succesvolle samenwerking tussen bedrijven,
kennisinstellingen en overheden waarin innovatieagenda’s voor de verschillende ecosystemen
zijn ontwikkeld, die ook de basis kunnen vormen voor verdere samenwerking in Europa.
Ook het Rapport Wennink biedt een promote agenda met de randvoorwaarden voor verdere
investeringen in vier strategische technologiegebieden (digitalisering en AI, life
sciences en biotechnologie, veiligheid en weerbaarheid en energie- en klimaattechnologie)
om het toekomstige verdienvermogen veilig te stellen.20
Op 4 maart 2026 heeft de Commissie het voorstel voor de verordening Industrial Accelerator
Act (IAA) gepubliceerd.21 Met de IAA wil de Commissie de economische veiligheid, strategische autonomie en
concurrentiekracht van de EU versterken door de industriële capaciteit en verduurzaming
in strategische sectoren te versnellen. Het voorstel maakt onderdeel uit van de Clean
Industrial Deal en bevat onder meer maatregelen op het gebied van vraagcreatie en
regels rond buitenlandse investeringen. De Commissie onderbouwt het voorstel met geopolitieke
spanningen, mondiale concurrentiedruk en risicovolle strategische afhankelijkheden
van derde landen. De IAA ziet op sectoren zoals energie-intensieve industrie, de auto-industrie
en netto-nultechnologieën. Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-fiche is
in voorbereiding en wordt naar verwachting in april aan de Tweede Kamer gestuurd.
De onderhandelingen in Brussel moeten nog starten.
Partner
Europees niveau
Op 3 december 2025 heeft de Europese Commissie het Economische Veiligheidspakket gepresenteerd,
bestaande uit de mededeling Versterken van de Europese economische veiligheid (hierna:
de mededeling) en het actieplan RESourceEU. Het kabinet verwelkomt de mededeling en
het actieplan en voor beide zijn BNC-fiches opgesteld.22
De mededeling bouwt voort op de EU-strategie van 2023. Daarbij zal de Commissie zich
hoofdzakelijk richten op zes prioritaire hoog-risicodomeinen: 1) het verminderen van
risicovolle strategische afhankelijkheden voor goederen en diensten, 2) het aantrekken
van veilige en waarde toevoegende investeringen in de EU, 3) het ondersteunen van
een sterke Europese defensie- en ruimtevaartindustrie en andere kritieke industriële
sectoren, 4) het ontwikkelen en behouden van het EU-leiderschap op het gebied van
kritieke technologieën, 5) het beschermen van gevoelige informatie en data en 6) het
beschermen van de kritieke infrastructuur van de EU. Binnen deze domeinen streeft
de Commissie naar om een meer proactieve en gecoördineerde inzet van het bestaande
defensieve en offensieve instrumentarium, zoals FDI-screening, exportcontrole en handelsinstrumenten,
gerichter en geïntegreerd in te (laten) zetten. Ook wordt er gepleit voor versterkte
coördinatie en samenwerking binnen de EU en met gelijkgezinde partnerlanden. De Commissie
werkt dit verder uit in wetgeving en concrete maatregelen; later dit jaar volgen voorstellen,
waarover uw Kamer te zijner tijd wordt geïnformeerd. Mogelijke maatregelen binnen
deze aanpak zijn zowel te typeren als protect, promote en partner als kennisopbouw.
Het kabinet ziet deze mededeling als een goede stap in het versterken van de economische
veiligheid van de EU en benadrukt daarbij het belang van een krachtige, gerichte en
geïntegreerde aanpak.
Het RESourceEU Actieplan richt zich op kritieke grondstoffen en is bedoeld om de uitvoering
van de Critical Raw Materials Act (CRMA) te versnellen en versterken, teneinde beter om te kunnen gaan met urgente
leveringszekerheidsrisico’s van ruwe en verwerkte kritieke grondstoffen, en componenten
die kritieke grondstoffen bevatten. Het is een breed actieplan van zes pijlers, met
zowel onmiddellijke acties als voorstellen die in de loop van 2026 worden uitgewerkt
in wetgeving en uitvoeringsinstrumenten. De (aangekondigde) maatregelen in RESourceEU
moeten leiden tot meer Europese mijnbouw-, verwerkings- en recyclingprojecten, diversificatie
van leveranciers en de verdere uitbouw van strategische partnerschappen met relevante
derde landen die rijk zijn aan kritieke grondstoffen. Het kabinet is positief over
de strategische koers van RESourceEU en zal uw Kamer, zoals toegezegd tijdens het
commissiedebat over economische veiligheid en strategische autonomie van 4 maart jl.,
voor de zomer nader informeren over de voortgang van de CRMA en de Nederlandse inzet
daarbij.
Het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) ondersteunt de Europese inzet om de leveringszekerheid
van kritieke grondstoffen te versterken. Binnen het European Competitiveness Fund
(ECF), waar relevant in synergie met Global Europe, wordt voorzien in financiering
om investeringen in strategische technologieën te vergroten, partnerschappen met derde
landen op het gebied van kritieke grondstoffen te versterken en de ontwikkeling van
bijbehorende waardeketens op te schalen. De onderhandelingen hierover zijn momenteel
gaande en Nederland neemt hier actief aan deel.23
Het kabinet hecht belang aan een gezamenlijke aanpak van economische veiligheid op
EU-niveau, gezien de verwevenheid van de interne markt en de gedeelde Europese slagkracht.
In dit kader neemt Nederland actief deel aan het Economic Security Network, ook geïntroduceerd
in de mededeling, waarin lidstaten en de Europese Commissie nauwer samenwerken. Dit
netwerk bevordert scenario-ontwikkeling, risicobeeldvorming, informatie-uitwisseling
en ondersteuning bij de uitvoering van maatregelen door lidstaten. In lijn met de
motie-Ceder en Erkens zet Nederland in Europees verband tevens in op samenwerking
met gelijkgezinde partners buiten de EU ter bevordering van de economische weerbaarheid,
zoals ook benadrukt in het BNC-fiche naar aanleiding van de mededeling.24 Daarbij hoort ook een positieve grondhouding ten opzichte van handelsakkoorden en
strategische partnerschappen met derde landen, bijvoorbeeld omdat deze bijdragen aan
de diversificatie van toeleveringsketens.
Op 4 maart 2026 heeft de Europese Commissie de mededeling voor de Europese Havenstrategie
gepubliceerd. In deze strategie zet de Commissie zich in om de komende jaren te werken
aan een versterkte Europese aanpak om risico’s in havens, die voortkomen uit economische
betrokkenheid van derde landen, te beperken. Dit wil de Commissie onder meer doen
door het bestaande EU-instrumentarium tegen ongewenste buitenlandse invloed te verduidelijken
met sectorspecifieke duiding voor de havensector en door het opzetten van een EU-breed
raamwerk om buitenlandse investeringen in Europese havens beter in kaart te brengen
en te monitoren. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal uw Kamer informeren
over het kabinetsstandpunt via het BNC-fiche.
Internationaal niveau
Naast de Europese inzet werkt Nederland aan bilaterale partnerschappen en economische
veiligheidsdialogen met gelijkgestemde derde landen. De beschreven aanpak in de EV-voortgangsbrief
van juli 2025 wordt daarmee voortgezet. Dit draagt bij aan het versterken van het
wederzijdse vertrouwen tussen Nederland en deze landen, het gezamenlijk adresseren
van risico’s en het vergroten van de economische veiligheid en weerbaarheid. Het kabinet
verwijst hierbij ook naar de Beleidsagenda Buitenlandse Handel van mei 2025.
Kennisopbouw en monitoring
Kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden
De afgelopen maanden zijn verschillende analyses uitgevoerd gericht op het identificeren
van risicovolle strategische afhankelijkheden, waaronder in de energie- en chemiesector,
voedselvoorziening en op digitaal terrein.25 Het kabinet brengt, indien nodig, handelingsopties in kaart om ten aanzien van deze
afhankelijkheden risico’s te verminderen. De analyse van het energiedomein is inmiddels
afgerond en wordt als bijlage bij deze Kamerbrief vertrouwelijk ter inzage aan uw
Kamer aangeboden. Aangezien het niet verstandig is om in het openbaar te communiceren
over de bevindingen inzake risicovolle strategische afhankelijkheden, biedt het kabinet
uw Kamer aan om in een vertrouwelijke technische briefing verdere informatie te geven
over de uitkomsten en voortgang op de analyses in het kader van de interdepartementale
Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA). Daarin zal tevens worden ingegaan
op de motie-Dobbe c.s.26
Parameters beschikbaarheid kritieke producten
Zoals tijdens het debat over de economische gevolgen van het gewapend conflict in
het Midden-Oosten voor Nederland van 25 maart 2026 toegezegd, geeft deze brief ook
een overzicht van parameters die inzicht geven in de beschikbaarheid van kritieke
producten (zoals medicijnen, voedsel en brandstoffen). Het is daarbij van belang onderscheid
te maken tussen drie perspectieven die nauw samenhangen maar elk om een eigen set
parameters vragen:
a) parameters die de beschikbaarheid van kritieke producten onder normale omstandigheden
(dus zonder crisis) in beeld brengen,
b) parameters die zicht geven op (risicovolle) strategische afhankelijkheden van Nederland
(zonder of tijdens een crisis), en
c) parameters die inzicht bieden in de crisisbestendigheid van het land tegen externe
schokken.
Deze drie perspectieven hangen nauw met elkaar samen, maar vragen elk om een eigen
set aan indicatoren.
a) Beschikbaarheid onder normale omstandigheden
Het is ook los van een conflictsituatie of situaties met risicovolle strategische
afhankelijkheden altijd van belang om zicht te hebben op de feitelijke beschikbaarheid
van kritieke producten in onder reguliere omstandigheden. Een goed functionerende
markt draagt bij aan stabiele beschikbaarheid van kritieke producten en geeft inzicht
waar al knelpunten kunnen ontstaan.
Belangrijke parameters hierbij zijn onder andere de balans tussen vraag en aanbod.
Dit betreft bijvoorbeeld: is er structureel voldoende aanbod om aan de binnenlandse
vraag te voldoen. Ook prijsontwikkeling en prijsvolatiliteit zijn relevante indicatoren.
Sterke of plotselinge prijsstijgingen kunnen namelijk wijzen op schaarste of spanningen
in de markt. Daarnaast is de mate van marktwerking van belang. Het gaat hierbij onder
andere om concurrentie tussen aanbieders, toetredingsbarrières voor nieuwe leveranciers
en de transparantie van de markt. Ook de betrouwbaarheid van levertijden en voorraadvorming
in de keten zijn belangrijke indicatoren. Lange of oplopende levertijden kunnen duiden
op kwetsbaarheden, ook wanneer er geen sprake is van een crisis. Tot slot spelen kwaliteit
en toegankelijkheid een rol. Producten kunnen formeel beschikbaar zijn, maar door
hoge prijzen, beperkte distributie of kwaliteitsverschillen toch moeilijk toegankelijk
zijn voor bepaalde gebruikers of sectoren.
b) Risicovolle strategische afhankelijkheden
In de brief over strategische afhankelijkheden van 12 mei 202327 is aan uw Kamer toegelicht welke parameters worden gehanteerd om te bepalen of en
in hoeverre sprake is van een risicovolle strategische afhankelijkheden.
Om te kunnen spreken van een afhankelijkheid voor Nederland is (i) de relatieve importomvang
ten opzichte van de binnenlandse productie van belang, en wordt (ii) gekeken naar
de herkomstconcentratie van importstromen. Wanneer Nederland in verhouding tot de
eigen binnenlandsproductie een groot aandeel van een bepaald product, dienst of technologie
importeert, is er sprake vaneen hoge importafhankelijkheid. Dit vergroot de kwetsbaarheid,
met name wanneer deze betrekking heeft op kritieke goederen. Wanneer importen sterk
geconcentreerd zijn in een beperkt aantal landen buiten de EU, neemt het risico toe
dat geopolitieke spanningen, handelsbeperkingen of verstoringen in die landen directe
gevolgen hebben voor de Nederlandse voorzieningszekerheid. Een meer gediversifieerde
herkomst verkleint dit risico. Hierbij zijn zowel directe als indirecte afhankelijkheden
relevant. Indirecte afhankelijkheden ontstaan via complexe waardeketens, waarbij goederen
of grondstoffen via derde landen worden verwerkt of doorgevoerd. Juist deze indirecte
afhankelijkheden kunnen in crisissituaties onverwachte knelpunten veroorzaken. Ook
spelen strategische factoren een rol, zoals de mate van nationale zeggenschap over
kennis, technologie, innovatiecapaciteit en investeringen.
Afhankelijkheden zijn op zichzelf niet problematisch. Een afhankelijkheid is strategisch
wanneer het betreffende product cruciaal is voor het borgen van de publieke belangen
in Nederland of de EU (zoals volksgezondheid of voedselzekerheid), voor de continuïteit
van vitale processen (zoals energievoorziening of digitale infrastructuur) of de toegang
tot gevoelige informatie van derden. Om tot slot te beoordelen of een strategische
afhankelijkheid risicovol is, dient het risico op leveringsonderbrekingen te worden
beoordeeld. Dit hangt af van marktfactoren (zoals markt- en leveranciersconcentratie),
de beschikbaarheid van substituten en de stabiliteit van politieke en economische
relaties met leverende landen. Als deze factoren gezamenlijk wijzen op een verhoogd
risico, wordt gesproken van een risicovolle strategische afhankelijkheid.
c) Crisisbestendigheid
Tot slot is het belangrijk om te beoordelen in hoeverre Nederland externe verstoringen
kan opvangen. Crisisbestendigheid gaat minder over de risico’s in de waardeketens,
maar vooral over de combinatie van het prepareren op een crises, het vermogen om verstoringen
op te vangen, zich aan te passen en daarvan snel te kunnen herstellen, oftewel de
weerbaarheid van deze ketens.
Een belangrijke factor is de beschikbaarheid van (strategische) voorraden, afhankelijk
van het type van het kritieke product. Dit gaat om publieke en private voorraden van
kritieke goederen, en of deze voldoende zijn om tijdelijke tekorten op te vangen.
Ook de spreiding van aanvoerkanalen speelt een grote rol. Het gaat hierbij niet alleen
om verschillende landen van herkomst, maar ook om diverse transportmogelijkheden,
productiefaciliteiten en routes. Hoe meer alternatieven beschikbaar zijn, hoe beter
Nederland kan inspelen op verstoringen.
Daarnaast is het van belang hoe flexibel de binnenlandse of Europese productie is.
Kan Nederland de productie van essentiële goederen snel opschalen als dat nodig is?
Dit hangt samen met beschikbare capaciteit, grondstoffen, arbeid en technologie. Verder
dragen goed functionerende logistieke en distributienetwerken bij aan de weerbare
economie. Betrouwbare infrastructuur en goede coördinatie zorgen ervoor dat schaarse
goederen snel op de juiste plek terechtkomen.
Tot slot is het aanpassingsvermogen van zowel overheid als bedrijfsleven cruciaal.
Het gaat erom hoe snel nieuwe oplossingen worden gevonden en toegepast als omstandigheden
veranderen, zoals (innovatieve) substitutiemogelijkheden.
In samenhang geven deze drie perspectieven een compleet beeld. De parameters voor
normale beschikbaarheid laten zien hoe de markt in de praktijk functioneert. De parameters
voor specifiek risicovolle strategische afhankelijkheden laten zien waar de grootste
strategische risico’s in waardeketens zitten en of er aanleiding en noodzaak is om
hier (preventief) mitigerende maatregelen op te nemen. De parameters voor crisisbestendigheid
maken duidelijk in hoeverre Nederland in staat is om met (tijdelijke) verstoringen
om te gaan wanneer die zich voordoen. Dit neemt echter niet weg dat grenswaarden of
het relatieve belang van de verschillende parameters die worden gehanteerd, verschillend
zijn per kritiek product. Dat maakt analyse complex en vereist kwalitatieve beoordeling,
mede gebaseerd op signalen uit de private sector, op maatstaven die daar toepasselijk
voor zijn. Daarbij speelt ook een Europees component, aangezien Nederland onderdeel
is van de Europese interne markt met daarbinnen vrij verkeer van goederen.
Ondersteuning bedrijfsleven
Bedrijvenmonitor
In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken is er een enquête uitgevoerd
onder Nederlandse bedrijven die actief zijn in sleuteltechnologieën of vitale processen.28 Het doel van de enquête was om inzicht te krijgen in hoe deze bedrijven economische
veiligheidsrisico’s percipiëren, welke maatregelen zij treffen en hoe de overheid
hen kan ondersteunen.
Van de 90 respondenten blijkt bijna de helft nog niet bekend te zijn met het concept
van economische veiligheid. Dit begrip omvat een breed scala aan risico’s die bedrijven
en de Nederlandse economie kwetsbaar kunnen maken, zoals investeringen, cyberdreiging,
en geopolitieke factoren die invloed hebben op toeleveringsketens en personeelsbeleid.
Tegelijkertijd erkent 90% van de bedrijven de aanwezigheid van risico’s op dit gebied,
maar investeert lang niet iedereen in de aanpak ervan. Met name op het gebied van
toeleveringsketens en investeringen in kritieke sectoren, fusies en overnames is er
een aanzienlijk verschil tussen de waargenomen risico’s en de maatregelen die daadwerkelijk
worden genomen. In tegenstelling tot cyberveiligheid, waar het risico als groot wordt
ingeschat, maar bedrijven ook daadwerkelijk maatregelen nemen om zichzelf te beschermen.
Een groot aantal respondenten geeft aan niet goed te weten welke maatregelen zij moeten
nemen om deze risico’s aan te pakken. Kosten en een gebrek aan kennis worden vaak
genoemd als belangrijke belemmeringen.
Het kabinet is voornemens de monitor jaarlijks uit te voeren, zodat trends in de loop
van de tijd kunnen worden gevolgd. Ook zullen de inzichten van dit onderzoek gebruikt
worden om beleid verder te ontwikkelen en beter tegemoet te komen aan de behoefte
van het bedrijfsleven.
Communicatiecampagne
Op 1 oktober 2025 is de campagne «Bescherm wat je sterk maakt» gelanceerd. Deze campagne
liep in de periode oktober tot en met december 2025 en had een looptijd van zes weken.
Het doel van de campagne was om het kennisintensieve mkb bewuster te maken van economische
veiligheidsrisico’s en het handelingsperspectief en handelingsvermogen van ondernemers
te vergroten. Economische veiligheid raakt aan meerdere aspecten van de bedrijfsvoering.
Binnen de campagne is dit uitgewerkt langs vier samenhangende clusters: producten
(waaronder identificatie assets en IP), omgeving (digitaal en fysiek), samenwerkingen
(waaronder toeleveringsketen) en groei (waaronder investeringen en personeelsbeleid).
Binnen elk van deze clusters zijn diverse maatregelen geïdentificeerd die bedrijven
kunnen nemen om hun economische veiligheid te versterken.
Via campagne-uitingen en de ontwikkeling van ondersteunende instrumenten zijn eerste
stappen gezet om ondernemers hierbij te helpen. De campagne-uitingen bestonden onder
meer uit advertenties via LinkedIn, podcasts en uitzendingen op BNR Nieuwsradio en
advertenties op diverse websites. Daarnaast zijn verschillende tools ontwikkeld, zoals
het EV-stappenplan, waarmee ondernemers efficiënt hun assets en risico's in kaart
kunnen brengen, en de EV-scan, die op basis van het huidige veiligheidsprofiel gerichte
aanbevelingen biedt. Deze tools zijn terug te vinden op de gelanceerde website www.maakjebedrijfweerbaar.nl. Ook is er een podcastserie ontwikkeld om ondernemers te helpen in het navigeren
tussen groei en bescherming. In 2026 en daarna wordt de campagne voortgezet en verder
doorontwikkeld. Daarbij verschuift de focus van een brede koepelcampagne naar het
gerichter uitlichten van specifieke deelonderwerpen, zoals personeelsbeleid en toeleveringsketens.
Tot slot
Naar verwachting zal uw Kamer in het najaar 2026 opnieuw worden geïnformeerd over
de verdere voortgang op het gebied van economische veiligheid. In lijn met de motie
van het lid Grinwis29 zal in de volgende voortgangsbrief een actualisatie van het overzicht van het beschikbare
economisch veiligheidsinstrumentarium worden opgenomen, naar het voorbeeld in de Kamerbrief
van 1 juli jl. Daarnaast zullen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een periodieke,
vertrouwelijke technische briefing over het actuele economische veiligheidsbeeld aan
uw Kamer aanbieden, zoals voormalig Minister Economische Zaken ook aangaf in reactie
op de motie van het lid Van der Lee30 tijdens het Nexperiadebat op 4 december 2025.
Hopende u hiermee deze resterende vragen afdoende te hebben beantwoord.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Indieners
-
Indiener
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat -
Medeindiener
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Medeindiener
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid