Brief regering : Coördinatie operationeel contraterrorismebeleid
29 754 Terrorismebestrijding
Nr. 778
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 april 2026
De dreiging die uitgaat van terrorisme is breed en diffuus. De Nationaal Coördinator
Terrorisme en Veiligheid (NCTV) schrijft in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland (DTN) dat er een terroristische en geweldsbereide extremistische dreiging
uitgaat van de jihadistische, rechts-terroristische en anti-institutioneel extremistische
bewegingen in Nederland.1 Ook de individualisering van terrorisme maakt de dreiging van aanslagen onvoorspelbaar.
Het dreigingsniveau blijft niveau 4: er is in Nederland een substantiële terroristische
dreiging en een reële kans dat een aanslag in Nederland plaatsvindt. Deze dreiging
wordt onder andere beïnvloed door geopolitieke ontwikkelingen, zoals de verschillende
ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Daarnaast is uw Kamer eerder geïnformeerd over
veiligheidsrisico’s die ontstaan als gevolg van het onrechtmatig verblijf van terrorismeveroordeelden
met een hoog dreigingsprofiel die vrijkomen uit detentie.2 Zoals ook volgt uit het coalitieakkoord vraagt dit om inlichtingen- en veiligheidsdiensten
en een Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) die snel en doortastend
kunnen handelen en het kabinet investeert hierin. Het is noodzakelijk dat zij een
goed beeld hebben van de personen die de Nederlandse belangen bedreigen en de risico’s
voor de nationale veiligheid zoveel mogelijk wegnemen.
In de voorgaande jaren is uw Kamer, conform de motie van de leden Michon-Derkzen (VVD)
en Bikker (CU), periodiek geïnformeerd over de ontwikkelingen omtrent uitreizigers
door middel van de Halfjaarlijkse rapportage uitreizigers.3 Voornoemde ontwikkelingen, in combinatie met het veranderde speelveld, maken het
wenselijk om breder te rapporteren dan enkel over uitreizigers. In deze brief wordt
achtereenvolgens ingegaan op de ontwikkelingen rond uitreizigers met een Nederlandse
link in Syrië en Irak, internationale samenwerkingen en de coördinatie ten aanzien
van terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel die vrijkomen uit detentie
zonder rechtmatig verblijf.
Uitreizigers in Syrië en Irak
Sinds begin januari 2026 hebben zich verschillende ontwikkelingen in Syrië en Irak
voorgedaan. Over de ontwikkelingen omtrent uitreizigers met een Nederlandse link is
uw Kamer, conform de motie Michon-Derkzen en van Dijk, op 19 februari jl. geïnformeerd.4 Destijds heeft het kabinet bevestigd dat mannelijke uitreizigers met een Nederlandse
link zijn overgebracht naar Iraakse detentiecentra. Over de aantallen en achtergronden
van deze personen kan geen informatie worden gegeven, mede omdat dit individuele casuïstiek
betreft. Volgens recente berichten in de media zijn vrouwelijke uitreizigers die zich
tot voor kort in al Hol bevonden grotendeels verplaatst, dan wel ontsnapt, naar andere
regio’s in Syrië of Irak. Het is op dit moment onduidelijk waar de vrouwen en kinderen
met een Nederlandse link zich bevinden.
Het kabinetsstandpunt blijft ongewijzigd: berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging
van eventuele gevangenisstraffen moet in de regio plaatsvinden. Nederland staat, samen
met andere internationale partners, in contact met de Iraakse autoriteiten om daartoe
binnen de (internationale) wettelijke vereisten afspraken te maken. Ten aanzien van
verzoeken tot repatriëring van uitreizigers weegt het kabinet in iedere casus alle
verschillende omstandigheden en factoren. Daarbij worden onder meer de risico’s voor
de nationale veiligheid, internationale betrekkingen, de veiligheidssituatie in het
gebied en de veiligheid van de personen bij de eventuele repatriëring, betrokken.
In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers – ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers
– een hogere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun grotere rol in de strijd
en gevechtstraining en -ervaring. Tot op heden heeft deze afweging ertoe geleid dat
alleen vrouwelijke uitreizigers, in het kader van hun strafzaak, en kinderen zijn
gerepatrieerd. Wanneer personen zich melden bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging
in de regio kan reguliere terugkeer naar Nederland plaatsvinden onder begeleiding
van de Koninklijke Marechaussee. Na aankomst in Nederland wordt de verdachte aangehouden
voor verhoor en besluit het Openbaar Ministerie over de vervolging.
Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen, zijn verschillende maatregelen getroffen.
Het Openbaar Ministerie is – waar mogelijk – tegen alle onderkende uitreizigers met
een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek gestart. Daarnaast is ten aanzien
van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap
kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
(RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen
ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers – waar mogelijk –
ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners
zijn alert en er wordt voortdurend onderzocht of aanvullende maatregelen getroffen
kunnen worden.
Internationale samenwerkingen
Om de internationale en nationale veiligheid te waarborgen is intensieve internationale
samenwerking en informatie-uitwisseling van belang. De motie van de leden Bikker en
Erkens verzoekt de regering zich in Europees verband actief in te zetten voor het
verbeteren van het delen van relevante informatie en het beter afstemmen van beleid,
met als doel de dreiging die uitgaat van jihadisme te verminderen.5 In Europees verband heeft Nederland hierop een leidende rol. Binnen de Anti-ISIS
Coalitie (AIC) is Nederland, samen met Interpol, de Verenigde Staten, Turkije en Koeweit
covoorzitter van de Terrorist Travel Working Group en is Nederland leidend in het
onderzoeken hoe het onderkennen van reisbewegingen van IS-strijders verbeterd kan
worden binnen het internationale stelsel.
Coördinatie terrorismeveroordeelden uit detentie met een hoog dreigingsprofiel zonder
rechtmatig verblijf
Wanneer personen in Nederland onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met
een terroristisch oogmerk hebben zij de fundamenten van onze rechtsstaat – en alles
waar zij voor staat – bewust verworpen en de aanspraak op het Nederlanderschap verspeeld.
Het kabinet kan op grond van artikel 14, tweede lid RWN het Nederlanderschap van deze
personen intrekken. Bij iedere casus worden de omstandigheden en factoren nauwkeurig
gewogen om te evalueren of de bevoegdheid tot intrekking toegepast kan worden. De
intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid RWN gaat in
de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod
door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hierna dient de persoon Nederland
te verlaten. Bij het uitblijven van vertrek naar het land van de overgebleven nationaliteit,
verblijven deze personen onrechtmatig in Nederland.
Uw Kamer is in de achtste halfjaarlijkse rapportage uitreizigers geïnformeerd over
de veiligheidsrisico’s als gevolg van het onrechtmatig verblijf van terrorismeveroordeelden
met een hoog dreigingsprofiel.6 In deze Kamerbrief is toegezegd uw Kamer nader te informeren over de voortgang van
motie Boswijk die ziet op het gerichter uitvoeren van het intrekken van het Nederlanderschap
en alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat deze personen Nederland daadwerkelijk
verlaten.7 Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen
processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van deze casuïstiek
uitgaan te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden totdat
vertrek gerealiseerd is. De aanpak is geïntensiveerd om te voorkomen dat personen
uit beeld raken en om vertrek te realiseren. Hieronder worden enkele aanvullende maatregelen
nader toegelicht: de intensivering van maatwerk op vertrek; de verkenning van een
uniforme risicotaxatie, en; verdere risico-mitigerende maatregelen.
Maatwerk op vertrek
Het kabinet intensiveert, conform motie Boswijk, de inzet op het maatwerk van vertrek
van personen die een risico vormen voor de nationale veiligheid en geen rechtmatig
verblijf (meer) hebben.8 Deze inzet richt zich op het borgen van een vroegtijdige en gerichte start van het
terugkeerproces en het daarbij benutten van het maatwerk en het versterken van samenwerking
en afstemming tussen de relevante betrokken partners. Er wordt ingezet op een gerichte
en meer samenhangende aanpak voor deze complexe dossiers, gebaseerd op verschillende
sessies met de betrokken organisaties waarin werkwijzen en ervaringen zijn geëvalueerd.
Tegelijk wordt onderzocht waar het bestaande instrumentarium in de praktijk kan worden
versterkt of doorontwikkeld om knelpunten gerichter te kunnen adresseren.
Het realiseren van vertrek in deze dossiers blijft mede afhankelijk van externe factoren,
waaronder de medewerking van landen van herkomst en individuele juridische procedures.
Juist omdat medewerking van herkomstlanden en juridische procedures vaak een lange
doorlooptijd hebben, wordt ingezet op een proactieve en samenhangende benadering,
zodat beschikbare interventies tijdig en effectief kunnen worden benut en diplomatieke
inzet goed kan worden voorbereid. Er wordt gewerkt aan een gefaseerde implementatie
van deze werkwijze in de lopende casuïstiek, waarbij het intensiveren van maatwerk
op vertrek centraal staat. Deze versterkte aanpak loopt parallel aan de uitvoering
van het coalitieakkoord ten aanzien van het vergroten van de mogelijkheden voor toezicht
op personen die (nog) niet kunnen vertrekken. De pilot van het Landelijk Afstemmingsoverleg
Vertrek (LAOV) is reeds ingericht op het versterken van de inzet op het vertrek van
terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf. Na bestuurlijke besluitvorming
wordt het LAOV bestendigd met een versmalde doelstelling: landelijk zicht houden tot
aan vertrek en casuïstiekafstemming.
Verkenning uniforme risicotaxatie
Het is van belang om een eenduidig risicobeeld te ontwikkelen van personen zonder
rechtmatig verblijf, om in te kunnen schatten of zij een dreiging voor de nationale
veiligheid vormen. Door de verschillende en soms beperkte informatieposities van betrokken
organisaties is dit niet altijd mogelijk en kunnen maatregelen omtrent terrorismeveroordeelden
zonder rechtmatig verblijf niet altijd optimaal op elkaar aansluiten.
Met deze reden is een verkenning uitgevoerd of, en op welke manier, verbetering van
beeldvorming en uniformering van risicotaxaties van toegevoegde waarde kan zijn. Uit
gesprekken met lokale partners en ketenpartners bleek een breed gedeelde erkenning
van de problematiek. Dit komt doordat betrokken partners een beperkte informatiepositie
hebben ten aanzien van casuïstiek, omdat zij zich grotendeels moeten baseren op de
informatie die alleen bij de eigen organisatie bekend is. Hierdoor is het niet mogelijk
om op eenduidige wijze de risico’s die deze personen vormen in te schatten.
Uniforme risicotaxaties die met de betrokken ketenpartners gedeeld kunnen worden,
zijn van meerwaarde in de fase voorafgaand aan een besluit over intrekking van het
Nederlanderschap, en in situaties waarin het Nederlanderschap al is ingetrokken maar
er geen perspectief is op vertrek. Dit jaar start de vormgeving van een manier waarop
betrokken partners door een integrale benadering, uniforme risicotaxaties kunnen opstellen
om gerichte en effectieve maatregelen te treffen.
Risico-mitigerende maatregelen
Dit kabinet zet volop in op het realiseren van aanvullende maatregelen om de risico’s
te mitigeren die uitgaan van ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met een hoog
dreigingsprofiel en onrechtmatig verblijf. Daarom is met oog op de noodzakelijke uitbreiding
van risico-mitigerende maatregelen een internationale uitvraag gedaan naar hoe andere
landen met het onrechtmatig verblijf van ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met
een hoog dreigingsprofiel omgaan. Uit deze uitvraag volgt dat andere landen deze problematiek
herkennen waarbij elk land een wettelijke aanpak heeft gekozen die past binnen het
eigen rechtssysteem. De uitvraag ziet op Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk,
Zweden en Denemarken. Een aantal van deze landen kent een multidisciplinaire aanpak
met mogelijkheden voor specifieke organisaties om toezichtmaatregelen op te leggen,
waaronder meldplicht en gebiedsverboden. Dit kan in bepaalde gevallen gehandhaafd
worden met elektronisch toezicht.
Het Nederlandse rechtssysteem biedt soortgelijke mogelijkheden. Zo kan een rechter
in een strafzaak inzake een terroristisch misdrijf toezichtmaatregelen opleggen op
grond van de Wet langdurig toezicht, bijvoorbeeld een locatie- of gebiedsverbod. Deze
toezichtmaatregelen kunnen worden opgelegd voor de duur van twee tot vijf jaar na
detentie en – als aan de voorwaarden wordt voldaan – met eenzelfde termijn worden
verlengd. Daarnaast kunnen op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen
terrorismebestrijding (Twbmt) aan een persoon vrijheidsbeperkende maatregelen worden
opgelegd in het belang van de nationale veiligheid, als de betreffende persoon op
grond van zijn of haar gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische
activiteiten of de ondersteuning daarvan. Hiertoe behoren maatregelen als een meldplicht,
contactverbod en gebiedsverbod. Deze maatregelen worden opgelegd voor de duur van
zes maanden en kunnen worden verlengd als er op dat moment concrete gedragingen zijn
die wijzen op een gecontinueerde dreiging voor de nationale veiligheid. Ten behoeve
van de handhaving van een gebiedsverbod in het kader van de Twbmt is elektronische
monitoring mogelijk. Het kabinet voert voortvarend de afspraken uit het coalitieakkoord
uit waaronder de permanentmaking van de Twbmt. Zo is het advies van de Raad van State
verwerkt en is het wetsvoorstel op 24 maart jl. bij uw Kamer ingediend.9 Daarnaast zet het kabinet zich, conform het coalitieakkoord in om de wettelijke mogelijkheid
te creëren om ter bescherming van de nationale veiligheid elektronische monitoring
in combinatie met een gebiedsgebod op te leggen. Tot slot kunnen er vreemdelingenrechtelijke
maatregelen worden opgelegd om betrokkene beschikbaar te houden voor vertrek. Hierbij
valt te denken aan een meldplicht, een gebiedsgebod en wanneer daadwerkelijk zicht
is op vertrek: vreemdelingendetentie. Aan deze maatregelen kan geen elektronische
monitoring worden gekoppeld. Vreemdelingendetentie geldt voor een beperkte duur, waarbij
doorlopend een proportionaliteitstoets plaatsvindt.
Het Verenigd Koninkrijk heeft de mogelijkheid om een beperkte en tijdelijke juridische
voorziening op te leggen om op verschillende manieren en door verschillende organisaties
duurzaam (toe)zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden, waaronder ook
vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Dit kan doordat er strenge vrijheidsbeperkende
voorwaarden aan deze voorziening zijn gekoppeld. Conform het coalitieakkoord wordt
gekeken naar de mogelijkheden om in Nederland een tijdelijke toezichtmaatregel ten
behoeve van de nationale veiligheid in te voeren, naar analogie van het Verenigd Koninkrijk.
Hierbij geldt als uitgangspunt dat de toezichtmaatregel geen (permanente) aanspraak
op voorzieningen oplevert. Deze tijdelijke voorziening dient enkel ter bescherming
van de nationale veiligheid en wordt zo ingericht dat er geen rechten uit voort komen.
Tot slot zijn gesprekken gevoerd met ketenpartners en lokale partners om bij onrechtmatig
verblijvende ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel
meer zichtmomenten te creëren. Zo worden de mogelijkheden om toezicht te houden ter
voorkoming van recidive onderzocht door onder meer Reclassering Nederland en betrokken
operationele partners. Ook worden best practices gedeeld met lokale partners die in de toekomst mogelijk te maken krijgen met soortgelijke
casuïstiek, om zo de inzet vanuit gemeenten te versterken. Over de voortgang van bovenstaande
risico-mitigerende maatregelen wordt uw Kamer voor eind 2026 geïnformeerd.
Tot slot
De onvoorspelbare wereld anno 2026 brengt grote uitdagingen met zich mee om Nederland
veilig te houden en te beschermen tegen terroristische dreigingen en aanslagen. De
aanhoudende dreiging die uitgaat van terrorisme en extremisme vraagt om een vastberaden,
doordachte en proportionele aanpak. In een tijd waarin veiligheid en vrijheid onder
druk staan, is het van essentieel belang dat deze aanpak niet alleen effectief is,
maar ook recht doet aan onze rechtsstaat en onze kernwaarden beschermt.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
-
Indiener
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Medeindiener
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie