Brief regering : Evaluaties Wet versterken positie mbo-studenten en Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten en vervolg Verbeteragenda passend onderwijs mbo
31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
31 497
Passend onderwijs
Nr. 692
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2026
Alle studenten verdienen onderwijs waarin zij hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen,
ongeacht hun persoonlijke of financiële situatie. De afgelopen jaren is op verschillende
manieren ingezet op het versterken van de positie van mbo-studenten en het verbeteren
van de ondersteuning aan mbo-studenten in een kwetsbare positie. Met de Wet versterken
positie mbo-studenten en de Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten zijn eisen
gesteld aan mbo-instellingen om studenten in staat te stellen hun rechten uit te oefenen
en ondersteuning aan te vragen als zij dat nodig hebben. Met deze brief informeer
ik uw Kamer over de resultaten van de evaluaties van beide wetten. Daarnaast werkt
het Ministerie van OCW samen met diverse partijen uit het passend onderwijsveld1 aan de uitvoering van de Verbeteragenda passend onderwijs mbo 2020–2025 (hierna:
Verbeteragenda). In het tweede deel van deze brief informeer ik uw Kamer over de Verbeteragenda
en de wijze waarop ik hieraan vervolg wil geven, conform de toezegging van mijn voorganger
aan uw Kamer.2
Met de maatregelen in beide wetten en de Verbeteragenda is een positieve beweging
in gang gezet. De positie van mbo-studenten is versterkt en er is meer aandacht voor
hun behoeften. Kijkend naar de evaluaties en de opbrengsten van de Verbeteragenda,
stel ik vast dat het wettelijke kader over het algemeen helder is. Nu is er vooral
aandacht nodig voor verdere verbetering in de praktijk, om ervoor te zorgen dat alle
studenten zich volop kunnen ontwikkelen op het mbo. Op een aantal thema’s is meer
nodig, daarover wil ik gerichte afspraken maken met de betrokken partijen. Dit zal
ik hieronder nader toelichten.
1. Evaluatie Wet versterken positie mbo-studenten en Wet verbetering rechtsbescherming
mbo-studenten
De Wet versterken positie mbo-studenten is op 1 augustus 2020 in werking getreden.
In de evaluatie van deze wet is onderzocht wat de effecten zijn van de maatregelen
en of de wet bijdraagt aan het beoogde doel: het verbeteren van de positie van mbo-studenten.
De Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten is sinds 1 augustus 2023 van kracht.
Zoals in 2024 is toegezegd door mijn voorganger, is een tussenevaluatie uitgevoerd
om zicht te krijgen op de implementatie van de wet door mbo-instellingen.3
In beide wetten, en dus ook in de evaluaties, zijn veel verschillende maatregelen
opgenomen. Ten behoeve van de leesbaarheid beschrijf ik hier alleen de belangrijkste
resultaten. Vervolgens licht ik toe wat ik met deze resultaten zal doen.
Belangrijkste resultaten
Informatievoorziening aan studenten
Verschillende maatregelen uit de wetten moesten de informatievoorziening aan studenten
verbeteren en voorzieningen laagdrempeliger maken. Zo moeten mbo-instellingen rechten
en plichten van studenten opnemen in een openbaar studentenstatuut. Ook moet elke
instelling een toegankelijke faciliteit oprichten waar studenten met vragen en klachten
terecht kunnen. Uit de evaluatie blijkt dat instellingen de maatregelen uit de wet
implementeren, maar dat dit niet automatisch betekent dat de informatievoorziening
voor studenten ook daadwerkelijk verbetert. Er zijn verschillen in de mate waarin
informatie openbaar is en informatie is voor studenten vaak niet goed te vinden en
te begrijpen. Alleen informatie op een website plaatsen is daarvoor niet voldoende.
Voor studenten speelt de studieloopbaanbegeleider (slb’er) een belangrijke rol in
informatievoorziening. Via de slb’er komt de student vaak ook bij de juiste voorziening
terecht. Dit maakt studenten wel afhankelijk van de kennis en kunde van de individuele
slb’er.
Mbo-studentenfonds
Met de Wet versterken positie mbo-studenten is het mbo-studentenfonds opgericht. Hiermee
kunnen instellingen verschillende groepen studenten financieel ondersteunen.4 Uit de evaluatie blijkt dat de 50 instellingen waarvan gegevens beschikbaar waren,
in studiejaar 2023/2024 in totaal bijna € 8,3 mln. hebben uitgegeven aan het fonds.
De helft van de instellingen heeft het fonds met eigen middelen uitgebreid. Deze instellingen
kiezen ervoor om de doelgroepen uit te breiden, bijvoorbeeld naar meerderjarige studenten,
bbl-studenten, vavo-studenten en asielzoekers. Verreweg de meeste toekenningen uit
het fonds gingen naar studenten met onvoldoende financiële middelen voor de aanschaf
van onderwijsbenodigdheden. De hoogte van de toegekende bedragen verschilt tussen
instellingen. Dit kan deels komen door verschillen in de kosten voor leermiddelen
tussen opleidingen. Andere verschillen tussen instellingen, zoals in de vergoedingen
die studentenraadsleden ontvangen, zijn minder goed te verklaren. De meeste studenten
die gebruik hebben gemaakt van het fonds zijn tevreden over de procedure en de vergoeding,
sommige studenten vinden de procedure te complex en de afbakening in doelgroepen onwenselijk.
Van alle bevraagde studenten geeft 36% aan het studentenfonds te kennen, meestal via
de slb’er, mentor of coach. Studenten zien ruimte om de bekendheid van het fonds te
vergroten door informatie actief te delen en niet pas als de student zelf het initiatief
neemt.
Studenten met een handicap of chronische ziekte
Zoals aan uw Kamer is toegezegd, is in deze evaluatie ook gekeken naar de wijze waarop
wordt omgegaan met studenten met een beperking of chronische ziekte.5 In het tweede deel van deze brief ga ik in op de rol van het ministerie hierin. Met
de invoering van beide wetten zijn de randvoorwaarden aangescherpt voor de ondersteuning
die mbo-instellingen aan studenten met een handicap of chronische ziekte moeten bieden.
Het gaat vooral om het maken, vastleggen en evalueren van ondersteuningsafspraken.
Uit de evaluatie blijkt dat instellingen hun werkwijze voor het vastleggen van afspraken
over extra ondersteuning hebben aangepast. Het aandeel studenten met een ondersteuningsbehoefte
dat afspraken heeft gemaakt is ook toegenomen, maar er zijn grote verschillen tussen
instellingen. Ook worden deze afspraken lang niet altijd vastgelegd en geëvalueerd.
Instellingen geven aan dat studenten niet altijd melden dat zij behoefte hebben aan
extra ondersteuning en dat intakers nog niet altijd over de juiste vaardigheden beschikken
om dit goed uit te vragen. Ook kost het tijd om ondersteuningsafspraken te maken en
dat botst soms met de wens om een student snel te plaatsen. Wel zijn studenten die
afspraken hebben gemaakt veelal positief over het nakomen van de afspraken. Het is
volgens de onderzoekers nog te vroeg om te oordelen of dit ook daadwerkelijk leidt
tot betere ondersteuning.
Zwangere studenten en studerende ouders
Vrijwel alle instellingen hebben regelingen ingevoerd voor zwangere studenten en studerende
ouders, zoals verlofregelingen en maatwerk in lessen, toetsen en examens. Studenten
die gebruik maken van deze regelingen zijn hier blij mee. Ook hier blijkt dat studenten
informatie over deze regelingen vaak lastig kunnen vinden. In deze evaluatie is ook
gekeken naar het aantal studerende moeders in het mbo dat uitvalt, zoals toegezegd
door mijn voorganger tijdens het commissiedebat mbo van 16 april 2024.6 Uit cijfers van het CBS van begin 2025 blijkt dat het diplomarendement onder studenten
jonger dan 21 jaar die in het betreffende jaar een kind hebben gekregen na één jaar
lager is dan bij jonge studenten zonder kinderen.7 De eerste groep valt ook drie keer vaker uit. Bij oudere studenten met kinderen blijkt
het diplomarendement juist relatief hoog en is het verschil in uitval met studenten
zonder kinderen een stuk kleiner. In de cijfers zijn geen grote ontwikkelingen te
zien in de periode voor en na de inwerkingtreding van de wet. De onderzoekers zien
in deze gegevens nog geen effecten van maatregelen voor zwangere studenten ten aanzien
van studiesucces.
Beleidsreactie
Uit beide evaluaties blijkt dat mbo-instellingen de afgelopen periode stappen hebben
gezet om uitvoering te geven aan de Wet versterken positie mbo-studenten en de Wet
verbetering rechtsbescherming mbo-studenten. De studenten die gebruik maken van de
geboden voorzieningen, zijn over het algemeen tevreden en voelen zich erdoor geholpen.
Dat stemt mij positief. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie dat op een aantal punten
meer nodig is. Ook zijn de verschillen tussen en binnen instellingen op onderdelen
groot. Dat is soms logisch, maar dit kan ook leiden tot kansenongelijkheid voor (groepen)
studenten. Deze bevindingen zijn in lijn met de conclusies van de Algemene Rekenkamer
over gelijke kansen in het mbo8 en met de voortgangsrapportage van de Werkagenda9 die ik recent naar uw Kamer stuurde. Hieronder licht ik toe welke stappen ik de komende
periode wil zetten om de positie van mbo-studenten verder te verbeteren en verschillen
tussen instellingen te verkleinen.
1. Informatievoorziening
In de versterking van de positie en de rechtsbescherming van mbo-studenten is goede
informatievoorziening cruciaal. Als je niet weet welke rechten je hebt en hoe je deze
kunt effectueren blijft een sterke positie en goede rechtsbescherming voor de student
een papieren werkelijkheid. Voorzieningen voor studenten die extra ondersteuning nodig
hebben zijn alleen effectief als studenten deze ook daadwerkelijk weten te vinden.
Het blijkt lastig om informatie voor alle studenten toegankelijk en begrijpelijk te
maken, studenten zijn hiervoor nog vaak afhankelijk van hun slb’er. Wel zie ik tal
van goede voorbeelden van instellingen die studenten proactief benaderen of hun website
toegankelijk maken. Maar ik vind het van belang dat we hierin voor alle mbo-studenten
verbetering boeken. Daarnaast moet informatie ook goed vindbaar zijn voor ouders,
onderwijspersoneel en externe partijen. Daarom ben ik in gesprek met de MBO Raad en
JOBmbo, om te kijken hoe we concreter kunnen maken wat van instellingen wordt verwacht.
Ik wil ook dat de verbetering van informatievoorziening samen met studenten wordt
vormgegeven, want zij weten hoe informatie het beste bij hen terecht komt. Hiermee
geef ik tevens uitvoering aan de motie van de leden Van der Graaf en Van der Molen,
met het verzoek om de bekendheid van het mbo-studentenfonds onder studenten, docenten
en studieadviseurs te vergroten.10 Hierin is een eerste stap gezet, doordat we het mbo-studentenfonds nu ook actief
onder de aandacht brengen van studenten en professionals via de handreikingen passend
onderwijs.11 Deze handreikingen moeten de komende periode aan bekendheid winnen.
Om de informatievoorziening voor studenten met een ondersteuningsbehoefte te verbeteren,
verstrek ik subsidie aan het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO). Met hulp
van ECIO kunnen instellingen informatie verbeteren op hun websites, op voorlichtingsbijeenkomsten
en open dagen. Hiertoe zijn diverse workshops georganiseerd door ECIO en de MBO Raad
en er is een checklist beschikbaar.12 Ook analyseert ECIO de websites van alle mbo-instellingen op toegankelijkheid en
beschikbaarheid van informatie over de ondersteuning. Zij biedt instellingen die hier
veel verbetering op kunnen maken een adviesgesprek aan. Dit blijft ECIO ook de komende
jaren doen.
2. Mbo-studentenfonds
Het is een bewuste keuze geweest om de uitvoering van het mbo-studentenfonds bij de
instellingen te beleggen. Het fonds moet namelijk laagdrempelig toegankelijk zijn
voor studenten. Daarom verbaast het niet dat er in de praktijk verschillen zijn tussen
instellingen en deze zijn ook niet altijd onwenselijk. In het netwerk studentenfonds
worden al afspraken gemaakt over de hoogte van bepaalde tegemoetkomingen en worden
best practices uitgewisseld tussen mbo-instellingen. Maar in de praktijk zijn er nog
verschillen die wel ongewenst lijken, zoals verschillen in de hoogte van vergoedingen
voor studentenraadsleden en de doelgroepen die gebruik kunnen maken van het fonds.
Ik vind het van groot belang dat verschillen niet leiden tot ongelijke kansen voor
studenten. Daarom verken ik momenteel met JOBmbo en de MBO Raad welke afspraken nodig
zijn om deze zo veel mogelijk weg te nemen, in lijn met de aanbevelingen van de Algemene
Rekenkamer.13
3. Bewustwording
Tot slot blijkt uit de evaluatie dat instellingen stappen hebben gezet in het vastleggen
van ondersteuningsafspraken met studenten, maar dat deze niet altijd tijdig en/of
schriftelijk worden vastgelegd en jaarlijks geëvalueerd. Daarnaast wordt een behoefte
aan ondersteuning niet altijd (tijdig) gesignaleerd. Ik deel met de onderzoekers dat
een verandering nodig is in bewustwording ten aanzien van studenten in een kwetsbare
positie, zodat zij gezien worden en de juiste ondersteuning krijgen. In het volgende
deel over de Verbeteragenda ga ik hier verder op in.
2. Vervolg Verbeteragenda passend onderwijs mbo
Met de Verbeteragenda heeft het Ministerie van OCW samen met betrokken partijen gewerkt
aan een verbetering van (1) de intake en ouderbetrokkenheid, (2) de kwaliteit van
de ondersteuning door onderwijsteams, (3) de samenwerking tussen het mbo en het sociaal
domein voor de inzet van externe hulp, ondersteuning en zorg en (4) de begeleiding
bij de beroepspraktijkvorming (bpv) van studenten met een extra ondersteuningsbehoefte
en hun eerste stappen op de arbeidsmarkt.
De Verbeteragenda heeft de afgelopen jaren een positieve beweging in gang gezet voor
de ondersteuning van studenten in het mbo. De tevredenheid van studenten over de ondersteuning
op school en tijdens de bpv is toegenomen en het lukt instellingen steeds beter om
de ondersteuning zowel in als buiten de klas te organiseren. Maar we zijn er nog niet.
De bewustwording en kennis van het personeel over studeren met een ondersteuningsbehoefte
moet beter. Ook moet de begeleiding tijdens de bpv verder verbeteren. Mede op basis
van gesprekken die ik met studenten, mbo-instellingen en andere organisaties heb gevoerd,
kom ik tot de conclusie dat dit vraagt om een andere werkwijze. Een werkwijze met
minder landelijke activiteiten en meer gerichte ondersteuning voor instellingen.
Hierna ga ik in op de belangrijkste opbrengsten van de Verbeteragenda en de uitdagingen
voor de komende periode. Tot slot schets ik hoe ik de positieve ontwikkeling vast
wil houden en met de benoemde uitdagingen aan de slag wil.
Het onderwijs wordt passender, maar kent ook uitdagingen
De juiste ondersteuning voor de student op school
Goede ondersteuning in het mbo staat of valt met toelating tot de opleiding en een
goede kennismaking. Ik ben daarom blij te zien dat studenten met een ondersteuningsbehoefte
nauwelijks worden geweigerd en ook zelfselectie14 zeer beperkt voorkomt. Na aanmelding bij de opleiding maken instellingen steeds vaker
ondersteuningsafspraken met deze studenten en deze afspraken worden in overgrote meerderheid
ook nagekomen. Dit vind ik positief, omdat de wettelijke basis hiervoor met de Wet
verbetering rechtsbescherming mbo-studenten is aangescherpt. De afgelopen jaren wordt
steeds meer ondersteuning als basisondersteuning aangeboden: de ondersteuning is in
of dicht bij de klas beschikbaar. Ik vind dit een goede ontwikkeling, omdat studenten
zo beter bij het klassenproces betrokken blijven. Tegelijkertijd zien onderwijsteams
en mbo-instellingen toenemende uitdagingen om de juiste ondersteuning te kunnen bieden.
De ondersteuningsvraag van studenten neemt toe en lijkt complexer te worden. Dit komt
ook naar voren in recent onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, dat ik als
bijlage bij deze brief voeg.15 Onderwijsteams ervaren niet altijd voldoende kennis en expertise om aan de ondersteuningsvraag
te kunnen voldoen. Mijn voorganger heeft uw Kamer al geïnformeerd over de stappen
die hierop gezet dienen te worden.16
Extra ondersteuning en hulp door externe partners
Om te voorkomen dat studenten door hun ondersteuningsbehoefte uitvallen of studievertraging
oplopen is er voor hen soms extra ondersteuning, hulp en zorg (hierna: ondersteuning)
door externe partners nodig. Bijvoorbeeld door jeugdhulpverleners, psychiaters, jongerenwerkers
en budgetcoaches. Deze ondersteuning moet laagdrempelig en vroegtijdig beschikbaar
zijn, om de kans op uitval of studievertraging te verkleinen. Een goede samenwerking
tussen het mbo en externe partners is hiervoor cruciaal en hierin is de afgelopen
periode veel geïnvesteerd. Het document Mbo-student centraal beschrijft diverse praktijkvoorbeelden van succesvolle samenwerkingen tussen mbo
en partners in het sociaal domein.17 Maar er is meer nodig: de benodigde ondersteuning moet laagdrempelig beschikbaar
zijn voor álle mbo-studenten, ongeacht hun leeftijd en ongeacht de gemeente waarin
ze wonen. Dat is nu niet mogelijk.18 Daarom heb ik in beeld laten brengen wat er nodig is om dat wel te realiseren. Het
onderzoeksrapport stuur ik als bijlage bij deze brief aan uw Kamer.19 Het onderzoek heeft een set basisafspraken tussen mbo-instellingen en gemeenten opgeleverd,
vastgesteld door de MBO Raad, VNG en het Ministerie van OCW, om regionaal meer en
beter samen te werken in het ondersteunen van mbo-studenten op het gebied van gezondheid
en welzijn.
Ondersteuning en begeleiding bij de bpv en de eerste stappen op de arbeidsmarkt
De afgelopen jaren is het belang van (extra) ondersteuning en begeleiding tijdens
de bpv onder de aandacht van mbo-instellingen gebracht. Veel is mogelijk en deze mogelijkheden
worden steeds meer bekend. Het Handboek bpv is hiervoor een belangrijke basis geweest.
Dit handboek dient ook als naslagwerk met tips en informatie voor bpv-begeleiders.20 Hoewel de ondersteuning tijdens de bpv hierdoor is verbeterd, zijn studenten nog
te vaak ontevreden over de geboden ondersteuning en lukt het instellingen nog onvoldoende
om de ondersteuning te realiseren. Daarom is vanuit de Verbeteragenda ook een leergang
voor de begeleiding bij de bpv ontwikkeld, die in oktober 2025 van start is gegaan.
Daarnaast wordt een leergang ontwikkeld voor bpv-coördinator en voor aanvullende loopbaanbegeleiding
in het kader van de Wet van school naar duurzaam werk. Deze leergang gaat naar verwachting
vanaf studiejaar 2026/2027 van start.
Ik verwacht dat de goede beweging zich de komende jaren doorzet door de benutting
van het handboek en doordat bpv-begeleiders en -coördinatoren zich via de leergangen
verder kunnen bekwamen. Ik zie op dit moment dan ook geen meerwaarde van een nieuw
plan van aanpak om de begeleiding en het vinden van een stageplek voor jongeren met
een beperking te verbeteren en uitval te voorkomen, waar de motie van de leden Westerveld
en Tseggai (GL/PvdA)21 om vraagt. Dat heb ik ook zo besproken met JOBmbo, JongPIT, SWOM en Ieder(in). Wel
zal ik de ontwikkeling van de begeleiding en ondersteuning bij de bpv van mbo-studenten
met een extra ondersteuningsbehoefte blijven volgen. Als verdere verbetering uitblijft,
zal ik in overleg met landelijke belangenorganisaties van scholieren en studenten,
jongeren met een beperking, onderwijsinstellingen en werkgevers bezien wat er dan
nodig is om de begeleiding en het vinden van een stageplek voor jongeren met een beperking
te verbeteren en onnodige uitval tegen te gaan. De motie heb ik ook besproken in de
Landelijke werkgroep tegen stagediscriminatie in het hbo en wo, waar periodiek de
voortgang van het Werkprogramma Stagediscriminatie HO wordt gemonitord. In deze werkgroep
zitten de VH, UNL, VNO-NCW en studentenorganisaties ISO en LSVb, evenals Echo en een
aantal deelnemende hbo-instellingen, onder leiding van de Ministeries OCW en SZW.
Alle leden van de werkgroep erkennen dat studenten met een functiebeperking extra
aandacht en begeleiding nodig hebben voorafgaand en tijdens hun stage. Hier wordt
ook nadrukkelijk aandacht aan besteed in het huidige Werkprogramma en in de Leerlijn
Stagediscriminatie, een trainingsprogramma voor stagedocenten in het hbo en wo. Gelet
op alle activiteiten die al vanuit het Werkprogramma lopen en de aandacht voor studenten
met een functiebeperking hierbij, waren de leden van de Landelijke Werkgroep het erover
eens dat een extra plan van aanpak niet nodig is. Wel blijft er binnen de huidige
aanpak structureel aandacht voor deze doelgroep. Hiermee beschouw ik de motie van
de leden Westerveld en Tseggai als afgedaan.
Maatwerk bij bijzondere omstandigheden
Conform de motie van het lid Tseggai (GL/PvdA)22 en de toezegging van mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer23 ga ik in deze brief ook in op maatwerkmogelijkheden en mogelijke verbeteringen. Het
gaat dan in het bijzonder om maatwerkmogelijkheden om te kunnen studeren in combinatie
met werk, zwangerschap, beperking, topsport en mantelzorg.
In het mbo zijn veel mogelijkheden om studenten maatwerk te bieden. Een daarvan is
het aanpassen van de onderwijstijd voor een individuele student. De mbo-instelling
maakt dan met de student de afspraak dat hij minder uren aanwezig hoeft te zijn. Deze
uren is de student dan geoorloofd afwezig. Deze afwezigheid heeft in principe geen
gevolgen voor de totale studieduur van de student.24 Deze individuele afspraken hoeven vooraf ook niet met de Inspectie te worden besproken.
Voorwaarde is wel dat de student kan voldoen aan de kwalificatie-eisen die voor een
diploma in het kwalificatiedossier zijn opgenomen. Als dat niet lukt, kan de student
alsnog langer over zijn opleiding doen dan gepland. Voor studenten met een handicap
of chronische ziekte zijn ook aanpassingen mogelijk, bijvoorbeeld in examinering.
Dit kan bij instellingsexamens bijvoorbeeld door de student extra tijd te geven, hulpmiddelen
toe te staan (bijvoorbeeld voorleessoftware of gebarentolk) of de vorm of inhoud van
het examen aan te passen.25 Voor studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen of geen
diploma niveau 3 of 4 kunnen behalen, zijn er verschillende mogelijkheden. Zij kunnen
gebruik maken van het mbo-studentenfonds, de prestatiebeurs kan in uitzonderlijke
gevallen worden omgezet in een gift en voor studenten van niveau 3 en 4 kan eenmalig
de prestatiebeurs worden verlengd met 12 maanden. Daarnaast kan de termijn om het
diploma te behalen worden verlengd als er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Tot slot hebben studenten die recht hebben op studiefinanciering, en om medische redenen
minder belastbaar zijn en daarom niet kunnen bijverdienen, recht op individuele studietoeslag.26 Uit gesprekken die mijn ministerie heeft gevoerd, blijkt dat veel van deze mogelijkheden
onbekend zijn of te nauw worden geïnterpreteerd. Daarom is ook de handreiking passend
onderwijs ontwikkeld.27 Docenten, ondersteuners en beleidsmakers kunnen zien welke ondersteuning of maatwerk
mogelijk is volgens de wet en welke ruimte de instelling heeft om hier invulling aan
te geven. Ook voor studenten zijn er een handreiking en filmpjes, om te zien waar
je als student recht op hebt.28 De komende jaren blijf ik inzetten op kennisdeling op dit thema, zodat de bestaande
mogelijkheden beter bekend en benut worden. Hiermee beschouw ik de motie van het lid
Tseggai als uitgevoerd, wat het mbo betreft. Voor het hbo en wo wordt momenteel onderzocht
hoe financiële en maatwerkvoorzieningen zijn ingericht, naar aanleiding van deze motie.
Uw Kamer ontvangt voor de zomer een brief hierover.
Door met de ingezette beweging
Instellingen werken verder aan de thema’s van de Verbeteragenda
Ik vind het van groot belang dat op de thema’s van de Verbeteragenda ook de komende
jaren nog stappen worden gezet. De uitvoering van de Verbeteragenda is onderdeel van
de Werkagenda mbo (2023–2027). In hun kwaliteitsagenda’s hebben instellingen al aangegeven
de inzet op de vier verbeterlijnen van de Verbeteragenda te zien als een van de acties
voor de komende periode. Via de monitoring van de Werkagenda mbo volg ik de komende
periode hoe de mbo-instellingen doorgaan met de uitvoering van de vier verbeterlijnen
op hun instelling. De opgeleverde producten breng ik nadrukkelijk bij hen onder de
aandacht, omdat deze belangrijk zijn voor verdere verbetering van passend onderwijs
in het mbo. Daarnaast vindt in 2026 nog een meting van de Monitor passend onderwijs
plaats, waarmee ik zicht krijg op de mate waarin de positieve beweging verder doorzet.
Ondersteuning voor mbo-instellingen op specifieke onderdelen
De komende jaren verstrek ik ECIO subsidie om de mbo-instellingen te ondersteunen
op drie onderdelen. Dit gebeurt onder meer via landelijke kennissessies en producten,
maar ook door gerichte monitoring voor mbo-instellingen. Eén van die onderdelen is
informatievoorziening. Dit heb ik eerder in deze brief al toegelicht. Hieronder ga
ik in op de andere twee onderdelen.
Fysieke en digitale toegankelijkheid
In 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de Nationale strategie voor de implementatie
van het VN-verdrag handicap. Een belangrijke maatregel uit deze strategie is om de
basistoegankelijkheid van het vervolgonderwijs te verbeteren. Nog te vaak worden studenten
beperkt in hun deelname aan het onderwijs door fysieke of digitale drempels. Aanpassingen
voor fysieke en digitale toegankelijkheid vergen soms een lange adem, maar zijn soms
ook klein en eenvoudig met grote impact. Daarom ontwikkelt ECIO voor zowel fysieke
als digitale toegankelijkheid een checklist voor beleidsmakers, zodat instellingen
concrete stappen kunnen maken. Middels kennissessies worden uitdagingen uit deze checklists
en actuele ontwikkelingen opgepakt in de sector. Tot slot zal ECIO ook een beleidskader
ontwikkelen, zodat mbo-instellingen fysieke en digitale toegankelijkheid beter en
structureel in hun beleid kunnen integreren. Voor de zomer informeer ik uw Kamer over
de verdere uitwerking van de moties van het lid Ceder (CU) ten aanzien van digitale
toegankelijkheid in het onderwijs.29
Brede implementatie van het VN-verdrag handicap
De afgelopen jaren heeft ECIO in opdracht van mijn ministerie instellingen in het
vervolgonderwijs al ondersteund bij de implementatie van het VN-verdrag handicap.
Door ondertekening van de «intentieverklaring VN-verdrag Handicap» maken onderwijsinstellingen
gebruik van de ondersteuning van ECIO hierbij. Veel mbo-instellingen voldoen nog niet
aan alle eisen van dit verdrag. Ik heb ECIO daarom gevraagd in te zetten op uitbreiding
van het aantal mbo-instellingen dat de intentieverklaring heeft ondertekend. Daarnaast
heb ik afgesproken dat ondertekening van deze verklaring niet vrijblijvend kan zijn.
Door middel van een jaarlijkse zelfscan kijken de deelnemende mbo-instellingen waar
ze staan en welke stappen ze hebben gezet om aan de eisen van het verdrag te voldoen.
ECIO faciliteert de instellingen vervolgens met een individueel adviesgesprek, themabijeenkomsten
en een landelijke werkgroep om met de uitkomsten aan de slag te kunnen.
Kennisdeling en leren van elkaar
Een belangrijk signaal dat ik van mbo-instellingen heb ontvangen is dat zij behoefte
hebben aan meer kennisuitwisseling en -benutting. De afgelopen periode gebeurde dit
al veel, maar een meer structurele aanpak is gewenst. Ik deel die opvatting. Het verspreiden
van goede aanpakken en kennis helpt bij het verkleinen van verschillen tussen opleidingen
en voorkomt dat iedere mbo-instelling het wiel opnieuw uitvindt. De komende jaren
zal ik deze kennisdeling op het gebied van passend onderwijs faciliteren. Zoals hiervoor
geschetst speelt ECIO daarbij op een aantal terreinen een belangrijke rol. Daarnaast
faciliteer ik de komende periode kennisdeling via KLIMmbo dat met ingang van 2026
het landelijk kennispunt is voor professionals in het mbo voor onder meer passend
onderwijs en via een verbetering van de kennisdeling in de bestaande kennisnetwerken
van passend onderwijs in het mbo.
Tot slot
Met de wettelijke maatregelen en de Verbeteragenda is een stevige basis gelegd voor
de verbetering van de positie, rechtsbescherming en ondersteuning van (kwetsbare)
mbo-studenten. Nu is vooral verdere verbetering nodig in de praktijk, om ervoor te
zorgen dat de maatregelen studenten ook daadwerkelijk bereiken en studenten zich gezien
voelen. Daarbij zet ik er ook op in dat ongewenste verschillen tussen instellingen
zoveel mogelijk worden weggenomen. Ik vertrouw erop dat instellingen de positieve
beweging voortzetten en zal hen hierin gericht ondersteunen. Ik blijf de ontwikkelingen
de komende periode nauwgezet volgen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap