Brief regering : Appreciatie gewijzigde amendementen en moties inzake Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (Kamerstuk 36836)
36 836 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nr. 60
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2026
Op 8 april jl. heb ik, samen met de bewindspersonen van Klimaat en Groene Groei, met
uw Kamer gedebatteerd over het PEGA-wetsvoorstel.1 Na afloop van het debat is een aantal gewijzigde amendementen en moties ingediend.
Met deze brief apprecieer ik, mede namens de Minister en Staatssecretaris van Klimaat
en Groene Groei, de gewijzigde amendementen en moties.
Gewijzigd amendement van de leden Bushoff en Beckerman ter vervanging van nr. 19 over
een gelijkwaardige behandeling voor versterking van woningen in batch 1588 (Kamerstuk
36 836-54)
Dit amendement is aangepast op de punten die tijdens het debat zijn besproken. In
de eerste plaats is aangepast dat batch 1588 enkel t.a.v. de versterking anders wordt
behandeld en in de tweede plaats is verduidelijkt dat batch 1588 gelijk moet worden
behandeld, maar dat dit niet meer moet zijn. Hierdoor kan ik dit amendement Oordeel
Kamer geven.
Gewijzigd amendement van de leden Beckerman en Bushoff ter vervanging van nr. 36 over
het versterken van de positie van regionale overheden (Kamerstuk 36 836-55).
Tijdens het debat is amendement met Kamerstuk 36 836, nr. 36 ingediend over verbreding van de toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden ten
aanzien van mijnbouw naar heel Nederland. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene
Groei heeft dit amendement tijdens het debat ontraden.
De wijziging van het amendement beoogt de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden
uit te breiden naar schade als gevolg van uitstroming van delfstoffen die kan voortvloeien
uit de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. Dit is een uitbreiding ten opzichte
van het amendement zoals het op 8 april jl. is ingediend.
Ook deze uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden betreft een
afwijking van de hoofdregel uit het Nederlandse civiel procesrecht, zijnde «wie stelt,
bewijst». Een dergelijke afwijking moet, zoals de Raad van State in verschillende
voorlichtingen en adviezen heeft aangegeven, een voldoende draagkrachtige motivering
hebben. In het geval van schade als gevolg van uitstroom van delfstoffen ontbreekt
een dergelijke motivering in het geheel.
De uitstroom van delfstoffen als gevolg van mijnbouwactiviteiten doet zich niet vaak
voor en als dit zich voordoet, leidt dit niet altijd tot schade. Anders dan bij schade
door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld is er geen sprake
van een groot aantal gelijksoortige schadegevallen waarvan vaststaat dat verreweg
het grootste deel aan één bepaalde oorzaak moet worden toegeschreven. Verder is geen
geval bekend van uitstroom van delfstoffen als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarin
het causaal verband tussen de aanleg en exploitatie van een mijnbouwwerk, uitstroom
van delfstoffen en daardoor veroorzaakte schade niet (eenvoudig) kon worden aangetoond.
Er is derhalve geen sprake van een rechtvaardiging voor dit onderdeel van het (gewijzigd)
amendement.
Deze wijziging leidt derhalve niet tot een andere appreciatie. Dit betekent dat het
amendement met Kamerstuk 36 836, nr. 55 wordt ontraden.
Gewijzigd amendement van de leden Beckerman en Bushoff ter vervanging van nr. 25 over
een grondslag om fouten in beoordelingsrapporten te herstellen (Kamerstuk 36 836-56)
Dit amendement is aangepast in de zin dat het beter aansluit bij de systematiek van
de versterkingsoperatie zoals geregeld in de wet, maar inhoudelijk bevat het nieuwe
amendement geen aanpassingen. Mijn oordeel blijft daarom hetzelfde als ik over laatstgenoemd
amendement heb uitgesproken in het debat, namelijk ontraden. Zoals ik toen al heb
aangegeven is voor het doel van het amendement, namelijk dat er snel gehandeld moet
worden als blijkt dat er fouten in een beoordeling zitten, geen wetsbepaling nodig.
Het amendement suggereert dat er pas nieuwe besluiten genomen zouden kunnen worden
als de wet en de ministeriële regeling, met een verplichte voorhang van vier weken,
zijn afgerond. Dat zou dan een verslechtering zijn ten opzichte van de huidige situatie
waarin direct gehandeld kan worden.
Als al een versterkingsbesluit of besluit op norm is genomen en later blijkt dat het
daaraan ten grondslag liggende advies fouten bevatte, kan dat besluit sowieso in samenspraak
met de bewoner worden herzien. Als het besluit nog moet worden genomen en de gebreken
in het advies dus aan het licht komen voorafgaand aan het besluit – waar de formulering
van het amendement met «kan Onze Minister in het versterkingsbesluit van dat advies
afwijken ten gunste van de eigenaar» van uit lijkt te gaan – dan geldt ook dat het
«slechts» om een advies gaat, waar in samenspraak met de bewoner altijd van kan worden
afgeweken. Daarmee heeft het amendement dus geen meerwaarde en zou het zelfs een vertraging
opleveren als we daarop zouden moeten wachten.
Er hoeft dus geen «langdurig wetgevingstraject» te worden doorlopen om fouten te herstellen,
zoals de toelichting bij het amendement suggereert: de wettelijke mogelijkheid om
bij eventuele gebleken fouten op te treden is er al, en hoeft dus niet eerst gecreëerd
te worden. Bovendien speculeert het amendement al over «gebreken in versterkingsadviezen»,
waarbij in de toelichting wordt verwezen naar een nog te verschijnen eindrapport van
het Adviescollege Veiligheid Groningen. Zo lang dat eindrapport er nog niet is, zie
ik sowieso geen reden daar al een wettelijke bepaling voor op te nemen.
Gewijzigd amendement van de leden Bushoff en Beckerman ter vervanging van nr. 26 over
het versterken van de positie van regionale overheden (Kamerstuk 36 836-57).
Tijdens het debat heb ik het te vervangen amendement oordeel Kamer gegeven en het
amendement is op enkele wetstechnische punten aangepast. Mijn oordeel blijft ongewijzigd
en ik kan ook dit amendement Oordeel Kamer geven.
Moties
Daarnaast heb ik vernomen dat een tweetal moties van de leden Bushoff en Beckerman
is aangepast zoals in het debat is besproken. Hierdoor kan ik de moties met Kamerstuk
36 836, nr. 59 (ter vervanging van 36 836-42) en Kamerstuk 36 836, nr. 58 (ter vervanging van 36 836-39) oordeel Kamer geven.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Indieners
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties