Brief regering : Voornemens ten aanzien van het privaatrecht in de komende kabinetsperiode en enkele wetgevingstrajecten in het bijzonder
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 1020 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 april 2026
Aanleiding
Voor 22 april a.s. heeft de Vaste Commissie van Justitie en Veiligheid van uw Kamer
een commissiedebat met mij ingepland over Civielrechtelijke onderwerpen. Van deze
gelegenheid maak ik graag gebruik om, als eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor
het privaatrecht, uw Kamer op hoofdlijnen mee te nemen in mijn voornemens op dit rechtsgebied
in de komende kabinetsperiode. Daarbij ga ik met name in op de onderdelen van het
coalitieakkoord waaraan (mede) via het privaatrecht invulling kan worden gegeven.
In het navolgende ga ik eerst kort in op de rol en positie van het privaatrecht binnen
onze rechtsorde, gevolgd door een bespreking van enkele dossiers waarop ik de komende
periode met name wil inzetten, langs drie hoofdlijnen: 1) het verbeteren van de toegang
tot het recht, 2) het beschermen van partijen in een kwetsbare positie en 3) het moderniseren
en vereenvoudigen van wet- en regelgeving. Ik zie ernaar uit om met uw Kamer het gesprek
en de samenwerking aan te gaan over de in deze brief genoemde en andere onderwerpen
op het terrein van het privaatrecht.
Voor wat betreft het insolventierecht merk ik specifiek nog op dat ik voornemens ben
om voor het einde van dit jaar uw Kamer een brief te sturen over de stand van zaken
van verschillende dossiers op dat terrein voor de komende periode, ook ter opvolging
van eerdere brieven hierover aan uw Kamer.1 Voorafgaand aan het genoemde commissiedebat over Civielrechtelijke onderwerpen, gaat
uw Kamer op 16 april a.s. met mij in debat over het personen- en familierecht. De
hierboven genoemde drie hoofdlijnen zijn evenzeer van toepassing binnen dat civielrechtelijke
rechtsgebied. Gelet evenwel op de agendering van dat afzonderlijke commissiedebat,
blijven dossiers op het terrein van het personen- en familierecht in het navolgende
buiten beschouwing.
De rol en positie van het privaatrecht
Het privaatrecht raakt alle burgers en bedrijven in onze samenleving en is alleen
al om die reden maatschappelijk zeer relevant. Vanaf onze geboorte krijgen we te maken
met het naamrecht, het afstammingsrecht en vraagstukken op het terrein van ouderlijk
gezag. Tijdens ons leven sluiten we overeenkomsten, verkrijgen we eigendomsrechten
en gaan we huwelijken en geregistreerd partnerschappen met elkaar aan. We kunnen te
maken krijgen met echtscheidingen, conflicten en schulden. In onder meer het Burgerlijk
Wetboek (BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vinden we regels
over dit alles. Ook na ons leven vervult het privaatrecht een belangrijke functie,
doordat het erfrecht regels stelt over onze nalatenschap. Het privaatrecht vergemakkelijkt
de deelname aan het rechtsverkeer in allerlei vormen. Dit kan bijvoorbeeld door een
rechtspersoon op te richten, zoals een stichting, vereniging of besloten vennootschap.
Het BW geeft de regels over de oprichting en inrichting van zulke rechtspersonen en
over fusies, splitsingen en overnames. Ook zijn er regels voor samenwerkingsverbanden
tussen ondernemingen, zoals de vof en de maatschap. De Faillissementswet regelt wat
er gebeurt als een natuurlijke persoon of rechtspersoon in financiële problemen komt.
Het privaatrecht vervult daarmee – voor velen vaak onbewust – een centrale rol in
hoe wij samenleven, werken, investeren en onze economie laten groeien. Het stelt grenzen
waar dat nodig is en beschermt personen in kwetsbare of economisch ongelijkwaardige
posities, zoals minderjarigen, werknemers of slachtoffers van een onrechtmatige daad.
Het biedt zekerheid, bijvoorbeeld door regels te stellen over de bescherming van ons
eigendomsrecht. Tegelijkertijd is het privaatrecht in staat om mee te ademen met ontwikkelingen
in de samenleving. Waar mogelijk, geeft het privaatrecht techniek neutrale en open
normen, waardoor het flexibel en veerkrachtig blijft.
Hoewel het privaatrecht over het algemeen goed functioneert, moeten we het blijven
onderhouden, zodat het toegesneden blijft op een moderne maatschappij. Veranderende
samenlevingsvormen of maatschappelijke opvattingen, nieuwe technieken die zich begeven
buiten bestaande wettelijke kaders, de wens om de concurrentiepositie van Nederland
en de Europese Unie in de wereld te versterken en de behoefte aan eenvoudiger en meer
efficiënte regels voor onder andere de afwikkeling van geschillen, vragen om blijvende
aandacht van de wetgever. In de komende kabinetsperiode ga ik dan ook, met het oog
op de afspraken vanuit het coalitieakkoord, graag de samenwerking aan met uw Kamer
om ons privaatrecht bij de tijd te houden.
De privaatrechtelijke (wetgevings-)agenda
Het voert te ver om in deze brief de veel omvattende privaatrechtelijke (wetgevings-)agenda
uitputtend te bespreken. Een deel van die kalender wordt bovendien uitgevoerd via
wetgeving van andere bewindspersonen uit het kabinet, die beleidsmatig eerstverantwoordelijk
zijn voor enkele deelgebieden, zoals het huurrecht en het arbeidsrecht, ook al zijn
deze geregeld in het BW. Als eerstverantwoordelijke voor het privaatrecht zet ik mij
op zulke deelterreinen wel in voor het bewaken van de kwaliteit, samenhang en aansluiting
op de gelaagde structuur van het BW. Daarnaast strekt een belangrijk deel van de privaatrechtelijke
wetgevingskalender ter uitvoering van regelgeving van de Europese Unie (EU), met name
van richtlijnen en verordeningen. In de komende periode werk ik daarom verder aan
de zorgvuldige en tijdige inpassing van die regels binnen onze nationale rechtsorde.
Hieronder benoem ik enkele thema’s en trajecten binnen het privaatrecht waarop ik
de komende periode in het bijzonder wil inzetten, zoals afgesproken in het coalitieakkoord.
Dit doe ik aan de hand van drie hoofdlijnen: 1) het verbeteren van de toegang tot
het recht voor burgers en bedrijven, 2) het beschermen van partijen met een kwetsbare
positie in de samenleving en 3) het moderniseren en vereenvoudigen van wet- en regelgeving.2 Deze hoofdlijnen vormen – gelet op de kernwaarden die zij vertegenwoordigen -een
constante waarlangs ook voor de toekomst het privaatrecht zich verder dient te ontwikkelen.
Ad 1. Verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers en bedrijven
Rechtzoekenden ervaren procederen bij de civiele rechter nu vaak als ingewikkeld.
Dit blijkt ook uit de laatste Geschilbeslechtingsdelta.3 Daarom wil ik inzetten op vereenvoudiging van het procesrecht, waarbij ik streef
naar één eenvoudige basisprocedure. Zo wil ik inzetten op het opheffen van het bestaande
onderscheid twee soorten civiele procedures – de dagvaardingsprocedure en verzoekschriftprocedure
– met elk hun eigen regels en bepaalde formaliteiten. Dit sluit ook aan bij de voorgenomen
vereenvoudiging van regels in het coalitieakkoord. Ik heb het WODC gevraagd te onderzoeken
welke inspiratie wij hiervoor uit het buitenland kunnen halen. Daarnaast treden we
hierover in overleg met ketenpartners, zoals de Rechtspraak, advocatuur, gerechtsdeurwaarders
en vertegenwoordigers van burgers.
Waar mogelijk, wordt het digitaal procederen in civielrechtelijke procedures verder
mogelijk gemaakt. De E-justice verordening geeft hieraan een impuls voor Europese
procedures zoals het Europees betalingsbevel. Daarnaast biedt de Rechtspraak voor
steeds meer procedures burgers en bedrijven ook digitaal toegang. Dit juich ik toe.
Voor professionals kan elektronisch procederen verplicht worden gesteld als blijkt
dat elektronisch procederen op vrijwillige basis goed werkt. Ik werk verder aan een
wettelijke regeling voor het gebruik van videoconferentie in civiele procedures. In
EU-verband is onlangs een vernieuwd kader voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting
voor consumenten tot stand gekomen (de herziene ADR-richtlijn). Op dit moment wordt
de implementatie daarvan voorbereid.
Ad 2. Het beschermen van partijen met een kwetsbare positie in de samenleving
Onlangs heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State advies uitgebracht op het
wetsvoorstel Wet overgang van onderneming in faillissement (WOVOF). Bij een bedrijfsovername
buiten faillissement is de koper verplicht om alle werknemers mee over te nemen tegen
dezelfde arbeidsvoorwaarden. Bij een bedrijfsovername vanuit faillissement (een doorstart),
kan de koper er nu nog voor kiezen met (bepaalde) werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst
aan te gaan, zonder de eerdere arbeidsvoorwaarden te hoeven hanteren. De WOVOF heeft
als doel deze verschillen in bescherming van werknemers binnen en buiten faillissement
te verkleinen. Dit sluit aan op het in het coalitieakkoord opgenomen uitgangspunt
van het bestrijden van discriminatie op de werkvloer bij werving en selectie van werknemers.
Momenteel bestudeert het kabinet het advies van de Raad van State.
We werken aan de bescherming van personen die het doelwit zijn van strategische rechtszaken
tegen publieke participatie (SLAPPS). Het gaat hierbij vaak om journalisten en mensenrechtenverdedigers
die zich uitspreken over zaken van algemeen belang, en via zulke SLAPPS monddood gemaakt
kunnen worden. Ons BW en Rv voorzien al in vrijwel alle maatregelen die de richtlijn
vereist. Het wetsvoorstel ter implementatie van de mogelijkheid tot zekerheidstelling
door de eiser – waartoe een EU-richtlijn verplicht – is momenteel aanhangig in uw
Kamer en gereed voor plenaire behandeling. Met het oog op de snelle invoering hiervan,
zie ik uit naar een spoedig debat met uw Kamer over dat wetsvoorstel.
Ad 3. Modernisering en vereenvoudiging van wet- en regelgeving
Een van de speerpunten van dit kabinet is het aanpakken van de regeldruk, onder meer
door het schrappen en vereenvoudigen van regels. Met het privaatrecht zetten we hierin
al de nodige algemene, maar ook concrete stappen. Zo zetten wij een onderzoek in gang
naar de vraag of ons BW, en het goederenrecht in het bijzonder, voldoende toekomstbestendig
is voor vraagstukken rondom overdracht en eigendom van digitale activa, zoals tokens
of cryptomunten.
Meer concreet heeft onlangs de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot invoering van het
elektronisch cognossement aangenomen.4 We zetten nu in op de spoedige inwerkingtreding daarvan, zodat waardepapieren bij
goederenvervoer over zee (cognossementen) in de nabije toekomst ook in een elektronische
variant mogelijk zijn.
Daarnaast is in de Eerste Kamer aanhangig de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke
rechtspersonen, waarmee voor rechtspersonen – zoals BV’s en NV’s – mogelijk wordt
gemaakt om onder voorwaarden algemene vergaderingen volledig langs digitale weg te
houden.5 Daarnaast werk ik aan technische vereenvoudiging van het NV-recht, zodat onnodige
beperkingen en formaliteiten voor deze rechtsvorm worden weggenomen. Ook wordt gekeken
hoe we het vennootschapsrecht verder kunnen flexibiliseren, waardoor bijvoorbeeld
ook meer armslag wordt geboden aan partijen die een onderneming in de vorm van een
rentmeestervennootschap willen voeren.
Met het wetsvoorstel Wet collectief rechtenbeheer en toezicht, waarvan de internetconsultatie
onlangs is afgesloten, wil het kabinet het wettelijk kader voor collectieve beheersorganisaties,
die belast zijn met de inning en verdeling van vergoedingen voor het gebruik van auteursrechtelijke
werken, en het toezicht daarop door het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA)
opnieuw vormgeven. Uitgangspunt daarbij is een hernieuwde en getrouwe omzetting van
EU-recht over (het toezicht op) collectief beheer en het terugdringen van nationale
koppen.
In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet inzet op jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving.
Hierin worden ook voorstellen betrokken op het terrein van het privaatrecht om bij
te dragen aan de verlaging van regeldruk. Het kabinet zet daarbij onder meer in op
deformalisering van het pandrecht, door de mogelijkheid van digitale registratie van
stille pandrechten. Daardoor wordt het eenvoudiger en goedkoper voor bedrijven om
pandrechten te vestigen – en daarmee goedkoper om krediet aan te trekken voor investeringen.
Ook in EU-verband staan de ontwikkelingen om te komen tot vereenvoudiging van bepaalde
processen niet stil. Onlangs is in Brussel een EU-richtlijn ter harmonisering van
de belangrijkste aspecten van het insolventierecht tot stand gekomen. Met deze richtlijn
wordt het ondernemingsklimaat in de EU aantrekkelijker door de complexiteit van de
verschillende nationale insolventieregels te verminderen. Momenteel wordt het wetsvoorstel
voorbereid waarmee we die richtlijn implementeren.
Afsluiting
Met deze brief heb ik uw Kamer op hoofdlijnen willen meenemen in mijn inzet op het
privaatrecht gedurende mijn ambtstermijn. Tijdens het commissiedebat spreek ik hierover
graag verder met uw Kamer. Ten behoeve van dat debat heeft de Vaste Commissie voor
Justitie en Veiligheid meerdere brieven en andere stukken op uiteenlopende onderdelen
van het privaatrecht geagendeerd. Vanzelfsprekend ga ik ook daarover graag met uw
Kamer in gesprek.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid