Brief regering : Schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie
26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
24 095
Frequentiebeleid
Nr. 1504
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2026
Hierbij informeer ik uw Kamer over de door mobiele netwerkaanbieders (MNO’s) ervaren
schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie, zoals toegezegd
in het commissiedebat Telecommunicatie van 30 januari 20251.
Ik ga in deze brief allereerst in op het belang van hoogwaardige connectiviteit. Vervolgens
geef ik een toelichting op de problematiek zoals die is besproken in het commissiedebat
en ga ik in op de bevindingen uit de analyse van de drie Nederlandse MNO’s. Tot slot
zet ik uiteen welke mogelijke oplossingsrichtingen dit jaar verkend gaan worden.
Hoogwaardige connectiviteit is ruggengraat van digitaliserende maatschappij
De beschikbaarheid van hoogwaardige digitale connectiviteit is één van de fundamenten
om de maatschappelijke en economische kansen van digitalisering ten volle te kunnen
benutten, zoals toegelicht in de Staat van de Digitale Infrastructuur.2 Daarom heeft het kabinet het belang van het behouden en verstevigen van een hoogwaardige
digitale infrastructuur, met bijbehorende connectiviteitsdoelstellingen3, opgenomen in de Strategie Digitale Economie.4
De dekking van (super)snelle vaste (glasvezel en coax) en mobiele (4G en 5G) netwerken
is zeer hoog in Nederland.5 Nederland staat hiermee continu in de top van landen in de EU.6 De hoge kwaliteit van de Nederlandse vaste en mobiele netwerken blijkt ook uit internationale
benchmarks7 en nationale metingen8.
MNO’s signaleren dat de kwaliteit van hun mobiele netwerken onder druk komt te staan
De MNO’s, verenigd in Monet, signaleren dat zij in toenemende mate meer moeite ervaren
met het vinden van voldoende geschikte locaties voor antenne-opstelpunten. Op termijn
kan dit ertoe leiden dat de kwaliteit en beschikbaarheid van hun mobiele netwerken
onder druk komt. Daarom vraagt Monet om maatregelen die de plaatsing van antennes
moeten vergemakkelijken. Ik vind het belangrijk dat mobiele connectiviteit van hoog
niveau is en blijft en neem daarom de signalen uit de sector serieus. Alvorens over
te gaan tot maatregelen, is het noodzakelijk dat er aantoonbare (structurele) problematiek
aan ten grondslag ligt. Om deze reden heb ik Monet verzocht om met een gedegen analyse
en nadere cijfermatige onderbouwing te komen van de ervaren problematiek.
Vooralsnog geen landelijke structurele problemen, wel meer moeite met vinden geschikte
locaties in (groot)stedelijke gebieden
Dialogic heeft in opdracht van Monet een onderzoek uitgevoerd naar de ervaren schaarste
van antenne-opstelpunten in Nederland.9 Ik ben Monet erkentelijk voor het (laten) uitvoeren van deze grondige analyse. In
het onderzoek is het proces van locatieverwerving en bouw van nieuwe antenne-installaties
beschreven en is er op grond van beschikbare data van de MNO’s een cijfermatige analyse10 uitgevoerd. Ook noemt het rapport een aantal mogelijke oplossingsrichtingen.
Locatieverwerving en bouw van nieuwe antenne-installaties is een veelzijdig en complex
proces.11 Uit de cijfermatige analyse blijkt dat er sinds 2020 een toename zichtbaar is in
het aantal nieuw benodigde antenne-locaties (zoekgebieden), overwegend in (groot)stedelijke
gemeenten. Desondanks is er geen toename zichtbaar in de doorlooptijd om een antenne-opstelpunt
te realiseren. De onderzoekers concluderen verder dat zij geen «grootschalige tekortkomingen
in netwerkdekking of -capaciteit kunnen vaststellen.» Op grond van deze bevindingen
lijkt er zich (vooralsnog) op landelijke schaal geen probleem voor te doen bij het
(tijdig) vinden van geschikte locaties voor de plaatsing van antennes. Wel geven de
onderzoekers aan dat zij «spanning [zien] tussen enerzijds de beleidsambities die
we als Nederland en Europa hebben en de druk die ontstaan is op de bedrijfsvoering
van de MNO’s.»
De druk op de bedrijfsvoering kan deels verklaard worden door een afname van (geschikte)
bestaande antenne-(dak)locaties, met name in (groot)stedelijke gebieden. Onder andere
als gevolg van toegenomen concurrentie om dakgebruik12 van hoge gebouwen en steeds zwaardere (5G) antenne-installaties13. Deels is de druk op de bedrijfsvoering het gevolg van een veranderde markt. Zo nemen
gebouweigenaren (zoals woningcorporaties) tussenpartijen in de hand bij de onderhandeling
over voorwaarden (waaronder beprijzing) voor de plaatsing van een antenne-installatie
op het dak14.
Waar het gaat om het functioneren van de markt van antenne-opstelpunten is het aan
de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om, waar nodig, in te grijpen.15 Bij het verkennen van eventuele oplossingsrichtingen, richt ik mij dan ook nadrukkelijk
op beleidsmatige inzet (bijv. via wet- of regelgeving) om de benutting van (dak)locaties
(in stedelijke gebieden) te bevorderen. In het volgende deel ga ik hier nader op in.
Verkenning oplossingsrichtingen om stedelijke opstelpuntlocaties te bevorderen
In de eerste plaats merk ik op dat Nederland al een vrij liberaal regime kent voor
de (bouw)regelgeving rond de plaatsing van antenne-installaties voor mobiele communicatie.
Zo kunnen antenne-installaties tot 5 meter zonder vergunning worden geplaatst. In
het Antenneconvenant tussen het Rijk, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en
de MNO’s zijn afspraken gemaakt over zorgvuldige plaatsing van vergunningsvrije antennes.
Ook is er, als onderdeel van het Nationaal antennebeleid uit 2000, een gedragslijn
die de plaatsing van antennes op Rijksobjecten vergemakkelijkt.16 Deze gedragslijn wordt met de recent van kracht geworden Europese gigabitinfrastructuurverordening
een verplichting voor alle overheidsinstanties om mee te werken aan een redelijk verzoek
van MNO’s om een antenne-installatie te plaatsen op hun objecten.
Toch zie ik, gezien de bevindingen van het Dialogic-rapport, aanleiding om aanvullende
maatregelen te verkennen:
1. Het ophogen van de grens voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties
van 5 naar 7 meter;
2. Het vernieuwen van het Antenneconvenant en daarbij betrekken van extra deelnemers.
Samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal ik het ophogen
van de grens van 5 naar 7 meter voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties
verkennen. Dit zou de mogelijkheid tot het delen van antenne-opstellingen op daken
moeten vergroten en daarmee de druk op het vinden van geschikte opstelpunten (in stedelijke
gebieden) kunnen verlagen. De ophoging van deze grens is ook genoemd in het rapport
van Dialogic.17
Daarnaast ben ik voornemens om het Antenneconvenant te vernieuwen18, waarbij ik mij ervoor inzet om meer deelnemers te betrekken bij het convenant, zoals
partijen met veel (hoogbouw) vastgoed19. Dit zou de beschikbaarheid van antenne-opstelpunten in stedelijk gebied kunnen bevorderen
en is ook genoemd in het Dialogic-rapport.
Ook de recent van kracht geworden Europese gigabitinfrastructuurverordening20 brengt extra mogelijkheden voor de MNO’s om antennes op overheidsgebouwen te plaatsen.
De verordening verplicht overheidsinstanties om mee te werken aan een redelijk verzoek
van MNO’s om een antenne-installatie te plaatsen op hun objecten. Dit gaat verder
dan de eerdergenoemde gedragslijn en geldt ook voor overheidsinstanties naast het
Rijk (zoals gemeenten). Ik zal de praktische uitwerking van de verordening in de komende
jaren volgen, om te zien of deze in Nederland inderdaad het effect heeft zoals de
wet beoogt. De MNO's bepleiten een uitbreiding van deze verplichting om mee te werken
aan een redelijk verzoek naar private eigenaren van hoge gebouwen, of een algehele
«gedoogplicht» voor het plaatsen van antennes. Ik zie op dit moment geen grond voor
een dergelijke maatregel die ingrijpt in het particulier eigendom. Wel blijf ik medeoverheden
ondersteunen met kennisuitwisseling en expertise. Periodiek bespreek ik met de MNO’s
en gemeenten de uitvoeringspraktijk rond antenneplaatsing in het antennebeleidsoverleg.
Verder zorgt het Antennebureau voor voorlichting over antennes en het maken en uitdragen
van voorbeeldbeleid voor antenneplaatsing voor gemeenten. Daarbij wil ik samen met
het Antennebureau kijken naar de ontwikkeling van een leidraad voor het behandelen
van toegangsverzoeken tot overheidsgebouwen op grond van de gigabitinfrastructuurverordening.
Ook hiermee blijf ik de soepele uitrol van antennes voor mobiele communicatie bevorderen.
Ten slotte spoor ik de MNO’s aan om, waar mogelijk, de aanbevelingen die Dialogic
in hun richting doet toe te passen (bijv. rond contract- en relatiebeheer met dak-
en grondeigenaren). Ook roep ik Monet op om de relevante cijfers over antenneplaatsing
te blijven monitoren, om gezamenlijk de vinger aan de pols te houden hoe antenneplaatsing
in de komende jaren zal verlopen.
Als de situatie daartoe aanleiding geeft, ben ik bereid te kijken naar aanvullende
(juridische) mogelijkheden om ervaren knelpunten rond antenneplaatsing aan te pakken.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
W.J.M. Aerdts
Indieners
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.