Brief regering : Onderzoek naar de toepassing van de bevoegdheid in artikel 13b Opiumwet 2021-2023 en onderzoek naar de effecten en gevolgen van de toepassing van artikel 13b Opiumwet
34 763 Wijziging van de Opiumwet (verruiming sluitingsbevoegdheid)
Nr. 22
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 april 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over twee WODC-onderzoeken met betrekking tot
artikel 13b Opiumwet. Het gaat om «Onderzoek naar de toepassing van de bevoegdheid
in artikel 13b Opiumwet 2021–2023 (Deelonderzoek A)» en «Onderzoek naar de effecten
en gevolgen van de toepassing van artikel 13b Opiumwet (Deelonderzoek B)».
Deelonderzoek A omvat de driejaarlijkse monitor over de toepassing van artikel 13b
Opiumwet, die is opgezet naar aanleiding van de motie van de leden Buitenweg/Van Nispen
uit 2018.1
Deelonderzoek B omvat verdiepend onderzoek naar de effecten en gevolgen van artikel
13b Opiumwet. Dit is een vervolg op een verkenning naar het monitoren van de gevolgen
van de toepassing van artikel 13b Opiumwet. Die verkenning is destijds gedaan ter
uitvoering van de motie van de leden Sneller/Van Nispen.2 In de beleidsreactie van 24 juni 2024 is toegezegd om de aanbeveling van de onderzoekers
op te volgen om eenmalig een verdiepend onderzoek te doen naar de gevolgen van de
toepassing van artikel 13b Opiumwet.3 Met deelonderzoek B is deze toezegging uitgevoerd.
Artikel 13b Opiumwet
Artikel 13b Opiumwet geeft een burgemeester kort gezegd de bevoegdheid herstelmaatregelen
te treffen wanneer er in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf drugs
worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, of wanneer
voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die bestemd zijn voor het bereiden of telen
van drugs. Op grond van artikel 13b Opiumwet kan een burgemeester een waarschuwing
geven, een last onder dwangsom opleggen of een pand of bijbehorend erf sluiten met
toepassing van bestuursdwang.
Opzet van de onderzoeken
Om inzicht te krijgen in de toepassing van de bevoegdheid in artikel 13b Opiumwet
op gemeentelijk niveau, hebben de onderzoekers van Deelonderzoek A gebruik gemaakt
van enquêteonderzoek onder gemeenten, beleidsanalyses en een expertmeeting. De enquête
werd ingevuld door 217 gemeenten. In de expertmeeting hebben de onderzoekers de voorlopige
bevindingen besproken met vertegenwoordigers van zestien verschillende gemeenten.
Om inzicht te krijgen in de rechterlijke toetsing hebben de onderzoekers gebruik gemaakt
van kwalitatieve en kwantitatieve jurisprudentieanalyses.
Voor Deelonderzoek B hebben de onderzoekers onder andere gebruik gemaakt van casestudies,
interviews met bewoners en ondernemers, buurtonderzoek, een enquête onder woningcorporaties
en jurisprudentieonderzoek.
Conclusie van de onderzoeken
Volgens de onderzoekers kunnen de resultaten van beide deelstudies burgemeesters ondersteunen
bij de eigenstandige lokale toepassing van de bevoegdheid uit artikel 13b Opiumwet
door meer structuur, transparantie en voorspelbaarheid te scheppen bij de toepassing
van die bevoegdheid. De onderzoekers geven aan dat daarbij in het bijzonder de keuzes
tussen de verschillende maatregelen, de onderbouwing van de noodzaak en evenredigheid
daarvan, alsook het betrekken van persoonlijke omstandigheden, waaronder de aanwezigheid
van minderjarige kinderen en de (mogelijke) huurrechtelijke gevolgen goed verdisconteerd
moeten worden. En dat het daarbij van belang is aan te sluiten bij de meest recente
jurisprudentie van de Afdeling.
Deze op basis van input van o.a. gemeenten ervaren meerwaarde van meer structuur,
transparantie, en voorspelbaarheid in de toepassing van artikel 13b Opiumwet, vormen
voor de onderzoekers de basis voor de aanbeveling om een landelijk handelingskader
te ontwikkelen voor de toepassing van artikel 13b Opiumwet. In een dergelijk landelijk
handelingskader kunnen worden opgenomen:
• De stappen in het uitvoeringsproces van artikel 13b Opiumwet.
• Richting aan de gewenste inhoud en kwaliteit van bestuurlijke rapportages van de politie,
mede in het licht van gesignaleerde knelpunten rond volledigheid, tijdigheid en noodzakelijkheid
van informatie over persoonlijke omstandigheden.
• Handvatten voor het (beter) informeren van belanghebbenden over de procedure en de
mogelijkheden tot het zoeken van rechtsbescherming.
• Suggesties voor het informeren van omwonenden en de buurt.
• Een interactief beoordelingskader dat burgemeesters kunnen gebruiken bij de besluitvorming.
De onderzoekers geven daarbij aan dat een dergelijk handelingskader expliciet ruimte
dient te laten voor maatwerk en bestuurlijke afweging en geen afbreuk dient te doen
aan de beoordelingsruimte van de burgemeester.
De aanbeveling voor het opstellen van een handelingskader komt voort uit de synthese
van de belangrijkste resultaten van beide deelonderzoeken. In samenhang bezien laten
de resultaten zien dat burgemeesters bij de toepassing van artikel 13b Opiumwet opereren
in een complex speelveld. De onderzoekers concluderen dat in de praktijk ingrijpende
maatregelen, met name woningsluitingen, frequent worden ingezet, terwijl minder ingrijpende
alternatieven in veel gevallen eveneens hadden kunnen bijdragen aan het beëindigen
van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Tegelijkertijd
zijn de (onbedoelde) gevolgen van sluiting aanzienlijk, met name voor (kwetsbare)
bewoners, en blijkt uit de jurisprudentieanalyse dat de rechter regelmatig corrigerend
optreedt wanneer de noodzaak en/of de evenwichtigheid van de maatregel ontbreekt of
onvoldoende is onderbouwd. Daarbij komt in de onderzoeken naar voren dat belanghebbenden
de weg naar rechtsbescherming niet altijd goed weten te vinden.
Verder signaleren de onderzoekers dat gemeenteambtenaren knelpunten ervaren in de
uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld in de kwaliteit en tijdigheid van bestuurlijke rapportages
van de politie. Ook ervaren gemeenteambtenaren de strengere rechterlijke toetsing
en de belangenafweging als complex en tijdrovend. Tenslotte zien de onderzoekers dat
de handelwijze per gemeente sterk verschilt.
Vervolg
Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor het onderzoek. Veel van de signalen en knelpunten
zijn herkenbaar. Ik vind het daarom in ieder geval een nuttige aanbeveling van de
onderzoekers om een landelijk handelingskader te ontwikkelen dat burgemeesters kan
ondersteunen bij de toepassing van artikel 13b Opiumwet. In dat handelingskader kunnen
handvatten worden geboden voor een groot deel van de gesignaleerde knelpunten, zonder
afbreuk te doen aan de beoordelingsruimte van de burgemeester. Ik volg deze aanbeveling
op en vraag de onderzoekers om hier samen met het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid (CCV) – en met betrokkenheid vanuit de gemeentelijke praktijk – uitvoering
aan te geven. In het handelingskader zal in opvolging van de aanbeveling expliciet
aandacht worden besteed aan de keuzes tussen de verschillende maatregelen, de onderbouwing
van de noodzaak en evenredigheid daarvan, alsook het betrekken van persoonlijke omstandigheden,
waaronder de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de (mogelijke) huurrechtelijke
gevolgen. Daarbij wil ik wel benadrukken dat dit kader dient als hulpmiddel voor gemeenten.
Het blijft aan de burgemeester om elke situatie afzonderlijk af te wegen en te beoordelen.
Verder ga ik de bevindingen, aanbevelingen en het handelingskader zorgvuldig bespreken
met de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten via het Strategisch Beraad Veiligheid.
Ook zal ik de resultaten van het onderzoek bespreken in andere gremia waarin ik regelmatig
spreek met gemeenten, zoals de G4, de G40 en de M50. Op basis van deze gesprekken
zal ik bezien of er eventueel aanvullend op het handelingskader nog andere acties
nodig zijn.
Bestuurlijke maatregelen zoals sluiting van een pand zijn een ingrijpend besluit voor
betrokkenen, zeker als het gaat om woningen. Het is dan ook van groot belang dat met
de toepassing van artikel 13b Opiumwet de beoogde doelen bereikt worden, zonder dat
betrokkenen disproportioneel geraakt worden. Daarom zal ik zowel bij het opstellen
van het handelingskader als in mijn gesprekken met gemeenten expliciet aandacht vragen
voor het overwegen van minder ingrijpende maatregelen dan een sluiting. Ook zal ik
in het bijzonder aandacht hebben voor het (beter) informeren van betrokkenen over
de procedure en de mogelijkheden om rechtsbescherming te zoeken.
Ik zal uw Kamer kort na het komende zomerreces de beleidsreactie doen toekomen. Ik
verwacht dat ik uw Kamer dan ook het toegezegde handelingskader kan toesturen.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid