Brief regering : Voortgang energiebesparing
30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 858
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 april 2026
De huidige situatie in het Midden-Oosten leidt tot verstoring op de energiemarkten
en raakt onze huishoudens, bedrijven en instellingen. Deze situatie maar ook bredere
geopolitieke onzekerheid over de leveringen van energie onderstreept het belang van
energiebesparing. Energiebesparing is een essentieel onderdeel van de strategie om
minder afhankelijk te worden van derde landen en om weerbaarder te zijn tegen prijsschokken.
Energiebesparing is daarnaast ook essentieel voor het omgaan met en verminderen van
netcongestie en helpt bij het versterken van de concurrentiekracht.1 Energie die we niet gebruiken, hoeven we niet te produceren, te importeren, te vervoeren
of te betalen. Zoals toegezegd in het debat met uw Kamer op 25 maart 2026 doet het
kabinet een brede verkenning naar mogelijke maatregelen om de huidige ontstane situatie
in het Midden-Oosten het hoofd te bieden. Hierover zal het kabinet de Kamer voor het
meireces informeren.
De energiebesparingsplicht en toezicht en handhaving daarop is een belangrijk instrument
om energiebesparing te realiseren. Met deze brief informeert het kabinet uw Kamer
over de stand van zaken rondom de versterking van de energiebesparingsplicht en ondersteuning
bij de naleving ervan. Daarnaast wordt de status van naleving en de financiering van
toezicht en handhaving behandeld. Hiermee wordt de toezegging aan Lid Rooderkerk en
lid Kröger om in kaart te brengen wat de financiële bijdragen van de medeoverheden
zijn afgedaan.2 Ten derde wordt in deze brief ingegaan op hoe het toezicht wordt versterkt conform
de motie van het lid Van Oosterhout.3 Ten vierde wordt in deze brief ingegaan op de toezegging aan het Eerste Kamerlid
Visseren-Hamakers om meer inzicht te geven in de financiële balans tussen investeringen
in energiebesparing en andere klimaatmaatregelen.4 Ook wordt ingegaan op de conclusies uit de energiebesparingsmonitor van TNO.
Tevens stuur ik naar aanleiding van een toezegging aan het lid Teunissen5 tijdens het plenaire debat over de Economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten
voor Nederland, opnieuw het onderzoek naar de energiebesparingsplicht als voorwaarde
bij de subsidies, zie bijlage 1. Uit dit onderzoek volgt dat deze voorwaarde niet
uitvoerbaar is.
Separaat is uw Kamer ingelicht over de voortgang van de implementatie van de Energie-efficiëntie
richtlijn.6 De vragen die zijn gesteld met betrekking tot het wetsvoorstel ter implementatie
van de richtlijn worden op korte termijn verstuurd naar uw Kamer.
1. Versterken van en ondersteunen bij de energiebesparingsplicht
Onder de energiebesparingsplicht moeten alle locaties van bedrijven en instellingen
met een jaarlijks energiegebruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalenten) de. energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd
van 5 jaar of minder uitvoeren. Hierover dienen deze locaties te rapporteren door
middel van de informatieplichtrapportage7 en de onderzoeksrapportage8. De energiebesparingsplicht is nodig, omdat de hier aan de orde zijnde maatregelen
vaak niet worden getroffen terwijl het wel bedrijfseconomisch en maatschappelijk kosteneffectieve
investeringen zijn. Uit gesprekken met bedrijven, instellingen en brancheverenigingen
blijkt dat dit met name komt doordat de natuurlijke focus van een bedrijf of instelling
ligt op investeringen die vallen binnen het primaire proces en doordat bedrijfstechnisch
de baten en lasten van deze investeringen, met name in grote bedrijven, decentraal
worden afgewogen. Daardoor heeft het deel van de organisatie waar de uitgaven voor
de energierekening worden gedaan profijt van lagere energiekosten, terwijl het organisatieonderdeel
dat de noodzakelijk investeringen doet voor de energiebesparende maatregelen te maken
krijgt met hogere uitgaven.
Eens in de vier jaar wordt de energiebesparingsplicht geactualiseerd. Voor de actualisatieronde
van 2027 wordt gewerkt aan een aantal wijzigingen gericht op het verbeteren van de
energiebesparingsplicht, het verminderen van de regeldruk en ondersteunen van bedrijven
en instellingen. De Kamer is hierover eerder geïnformeerd.9 Gelet op de huidige geopolitieke situatie in het Midden-Oosten, het belang van energie
onafhankelijkheid en het zuinig omgaan met energie, vindt het kabinet het belangrijk
dat Nederland en meer specifiek bedrijven en instellingen weerbaarder worden. De energiebesparingsplicht
zet hen hiertoe aan. Energiebesparing biedt, zoals het IEA aangeeft, ook een concurrentievoordeel.10 In dit licht werkt het kabinet de voorgenomen actualisatie momenteel uit, waarbij
– in het licht van de huidige geopolitieke situatie – in het bijzonder de effecten
voor het energiebesparingspotentieel zullen worden gewogen. Op korte termijn zal de
internetconsultatie worden gestart. Uw Kamer wordt hierover nader geïnformeerd.
Om bedrijven te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen wordt
gewerkt aan het energiebesparingsfonds. Bij dit fonds kunnen bedrijven en instellingen
leningen krijgen voor het toepassen van energiebesparende maatregelen. Naar verwachting
is het fonds eind 2026 operationeel.
Ook grote bedrijven worden ondersteund. In navolging van de motie-Flach11 is eind vorig jaar het project Versnelling van Industriële besparing van Energie
– 2030 (VIBE 2030) van start gegaan. Doel van het project is een groot aantal energie-intensieve
bedrijven te ondersteunen bij het uitvoeren van energiebesparende maatregelen. De
aanpak gaat uit van het identificeren van veel voorkomende technische processen; daarvoor
worden gevalideerde standaardoplossingen uitgewerkt en wordt de kennis hierover breed
aangeboden. Er zullen hiervoor een aantal toolkits worden ontwikkeld. Gestart is met
de branche van de rubber- en kunststofindustrie en de branche voor margarine, vetten
en oliën. Het doel is een versnelling van de implementatie van deze oplossingen bij
de bedrijven te bereiken. Het project wordt uitgevoerd door de brancheorganisaties
FME en Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) en de omgevingsdienst DCMR
Milieudienst Rijnmond en wordt ondersteund door RVO.
2. Financiering toezicht en naleving energiebesparingsplicht
Het bevoegd gezag voor de handhaving van de energiebesparingsplicht ligt voor veel
locaties van bedrijven en instellingen bij de gemeenten. Voor sommige complexe bedrijven
en instellingen is de provincie aangewezen als bevoegd gezag. De decentrale overheden
zijn verplicht om het toezicht, conform het basistakenpakket bij de omgevingsdiensten
te beleggen. Daarnaast is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) verantwoordelijk
voor de mijnbouwlocaties waarbij het toezicht wordt uitgevoerd door het Staatstoezicht
op de Mijnen (SodM). Voor de aangewezen defensieadressen is Inspectie Leefomgeving
en Transport (ILT) het bevoegd gezag12.
In het commissiedebat Energiebesparing van 18 december 2024 is toegezegd om inzicht
te geven in de beschikbare middelen van decentrale overheden en het kabinet voor het
toezicht, de capaciteit van toezicht en de naleving van de energiebesparingsplicht.
Om hier inzicht in te verkrijgen is een onderzoek uitgevoerd door het Informatiepunt
Leefomgeving, onderdeel van Rijkswaterstaat, onder de 28 omgevingsdiensten in Nederland
voor het jaar 2025. Het rapport «Middelen voor energietoezicht bij omgevingsdiensten» is meegezonden met deze kamerbrief.
Beschikbare financiële middelen voor toezicht en handhaving
In het onderzoek zijn de financiële bijdrages van 302 gemeenten en 9 provincies in
kaart gebracht en de bijdrage die omgevingsdiensten hebben ontvangen vanuit de SpUk
THE. Daaruit blijkt dat gemeenten in 2025 in totaal € 13,7 miljoen beschikbaar hebben
gesteld voor toezicht. De provincies hebben in 2025 in totaal € 3,2 miljoen besteed
aan toezicht en handhaving. Deze bedragen liggen waarschijnlijk hoger omdat niet alle
gemeenten en provincies hebben meegedaan aan het onderzoek. In de periode 2022–2026
is vanuit het Rijk in totaal € 56 miljoen via de SpUk THE beschikbaar gesteld. In
2025 is vanuit de SpUk THE € 8,8 miljoen aan omgevingsdiensten uitgekeerd. Deze middelen
zijn additioneel op de middelen die gemeenten en provincies beschikbaar stellen toezicht
en handhaving op de energiebesparingsplicht.
Gemiddeld zijn omgevingsdiensten voor 48% afhankelijk van de financiering vanuit de
gemeenten, voor 9% vanuit de provincies en voor 43% van de SpUk THE. Uit het onderzoek
blijkt dat de financiële bijdragen ver uiteenlopen, zo is een drietal omgevingsdiensten
voor meer dan 80% van hun financiering voor toezicht op de energiebesparingsplicht
afhankelijk van de bijdrage van de rijksoverheid via de SpUk THE. Ook de beschikbare
middelen vanuit gemeenten en provincies lopen sterk uiteen. Sommige omgevingsdiensten
ontvangen geen of relatief beperkt financiering van de gemeente of provincie. De grote
verschillen kunnen worden verklaard door onder andere de spreiding van het aantal
bedrijven en instellingen en prioriteiten van het decentrale bestuur. Echter in een
aantal gevallen ontbreekt de motivering waarom een gemeente of provincie er geen of
nauwelijks middelen beschikbaar stelt voor het toezicht op de energiebesparingsplicht.
Gemeenten en provincies hebben namelijk beleidsvrijheid met betrekking tot de mate
van toezicht en handhaving en daarmee de besteding van hun middelen hieraan. Het kabinet
gaat in gesprek met de medeoverheden over de uitkomsten van het rapport.
Tussenstand naleving
In Nederland hebben ca. 100.000 adressen een energiegebruik dat boven de energiebesparingsplichtgrens
uitkomt. De doelgroep van de energiebesparingsplicht is naar verwachting echter kleiner.
Een energiebesparingsplichtige locatie, een bedrijf of instelling, kan meerdere adressen/huisnummers
kan hebben, terwijl het aantal van ca. 100.000 gebaseerd is op CBS-cijfers voor het
aantal adressen met een energiegebruik boven de energiebesparingsgrens. Naar verwachting
bestaat het merendeel van de locaties uit één adres. Een glastuinbouwbedrijf of groter
industrieel bedrijf kan ook bestaan uit bijvoorbeeld twee of drie adressen. Een grootindustrieel
complex dat wordt gezien als één locatie, kan uit veel meer adressen bestaan. Een
volledige inschatting van het aantal locaties dat is bezocht door toezicht en handhaving
met een energiebesparingsplicht is daardoor nu nog niet te maken. Omgevingsdiensten
werken aan het verbeteren van hun inzicht in welke locaties van bedrijven en instellingen
onder de energiebesparingsplicht vallen, waarbij zij worden geholpen doordat het sinds
2025 wettelijk is toegestaan om de energiegebruiksdata van de netbeheerders te ontvangen.
Ook werken de omgevingsdiensten op basis van de door hun ontvangen informatie risicogestuurd.
Dit om de capaciteit en middelen voor toezicht en handhaving zo effectief mogelijk
in te zetten.
In het onderzoek zijn de omgevingsdiensten ook gevraagd naar hun inzicht in de effectiviteit
van de energiecontroles. Omgevingsdiensten geven aan dat tussen een eerste en tweede
controlebezoek bij locaties in hun regio een significante groei van het nalevingspercentage
te zien is.
De huidige ronde van de energiebesparingsplicht loopt van 2023–2027. In het rapport
van IPLO is een tussenstand gegeven van het percentage van de doelgroep van de energiebesparingsplicht
dat is bezocht sinds het begin van deze ronde tot aan oktober 2025. In die periode
is minimaal 31% (30.681 locaties) van de doelgroep gecontroleerd En op basis daarvan
is duidelijk dat in elk geval meer dan 16% (16.401 locaties) van de doelgroep volledig
voldoet. Voor de overige locaties is het handhavingstraject nog niet volledig afgerond,
dan wel moeten de gegevens nog worden verwerkt. Van deze groep is dus nog niet duidelijk
welk aandeel voldoet.
Alleen bij een controle van een omgevingsdienst kan worden geconstateerd of een locatie
volledig voldoet. Daarbij betekent het niet dat bedrijven en instellingen die nog
niet zijn bezocht niet voldoen aan de energiebesparingsplicht. Ook moet worden vermeld
dat omgevingsdiensten steeds meer risicogestuurd werken en zij niet alle bedrijven
en instellingen in hun gebied in een ronde van de energiebesparingsplicht, met een
looptijd van 4 jaar, bezoeken.
Toezicht op Defensie adressen (ILT) en Mijnbouwadressen (SodM)
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)
zijn bevoegd voor uitvoering van toezicht op de energiebesparingsplicht bij specifiek
aangewezen adressen. De ILT houdt toezicht op circa 180 defensielocaties, waarvan
37 onder de onderzoeksplicht en 25 deels onder de informatieplicht vallen13. De ILT heeft vanaf 2024 tot en met 2026 in totaal circa 2.000 uur beschikbaar gesteld
voor het toezicht op de energiebesparingsplicht. Hiervan is 1.290 uur uitbesteed aan
OmgevingsdienstNL. Overige uren zijn door de ILT zelf gemaakt en bekostigd uit eigen
middelen.
Het merendeel van de defensielocaties met een informatieplicht vallen onder het toezicht
van de omgevingsdiensten. In 2025 zijn door de ILT 9 van de 37 onderzoeksplichtrapportages
beoordeeld. 6 hiervan zijn fysiek bezocht. Er is gekozen om een steekproef te doen
omdat veel defensielocaties vergelijkbaar met elkaar zijn. Defensie voert momenteel
veel van de besparende maatregelen uit conform de aanpak van het Programma Verduurzaming
Vastgoed Defensie waarover de Kamer eerder is geïnformeerd14.
Sinds 1 juli 2023 moeten ook mijnbouwadressen voldoen aan de energiebesparingsplicht.
Het SodM is aangewezen voor het toezicht bij de milieubelastende activiteit mijnbouw,
waaronder de energiebesparingsplicht. In gevallen waar de SodM niet voor toezicht
is aangewezen, is dat de omgevingsdienst. Voor adressen waarbij er veel energie wordt
verbruikt in processen, zoals activiteiten met pompinstallaties, is het SodM meestal
wel toezichthouder.
SodM laat op dit moment een onderzoek uitvoeren naar de meest voorkomende energiebesparende
maatregelen, het energiebesparingspotentieel binnen de mijnbouwsector en hoe de naleving
van de energiebesparingsplicht is. SodM verwacht dat dit onderzoek in de zomer van
2026 zal worden afgerond. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kijkt SodM
hoe zij risico-gestuurd toezicht kan houden op de energiebesparingsplicht. Dat laat
onverlet dat SodM reeds op dit moment de naleving van de energiebesparingsplicht bevordert
wanneer SodM bij inspecties van mijnbouwadressen een overtreding van de energiebesparingsplicht
vaststelt.
3. Versterking toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht
De motie van 18 december jl. van het lid Van Oosterhout verzoekt de regering met concrete
voorstellen te komen voor de verbetering van de handhaving, inclusief benodigde middelen
(Kamerstuk 29 023, nr. 613). De SpUk THE heeft sinds 2022 een stevige impuls gegeven aan de verbetering van
toezicht en handhaving. Ook het delen van de energiegebruiksgegevens van netbeheerders
met omgevingsdiensten sinds juli 2025 draagt hieraan bij. Op dit moment wordt met
verschillende maatregelen gewerkt aan uitvoering van deze motie.
a. Meerjarig uitvoeringsplan van OmgevingsdienstNL
Om de uitvoering van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te versterken
heeft het kabinet in het voorjaar van 2024 aan OmgevingsdienstNL een subsidie verstrekt
om een meerjarig uitvoeringsplan energiebesparing op te stellen in samenwerking onder
meer de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO)
en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het meerjarig uitvoeringsplan
(MUP) is eind 2025 vastgesteld en is bijgevoegd. In het meerjarige uitvoeringsplan
zijn zes relevante thema’s geïdentificeerd die zorgen voor versterking van het toezicht,
namelijk 1. uniforme werkwijzen, 2. kennisdeling, 3. data, 4. opleidingen, 5. wetgeving
en samenwerking en 6. communicatie. Voor de realisatie van deze projecten en producten
heeft het Ministerie van EZK een subsidie verstrekt aan OmgevingsdienstNL ter hoogte
van € 572.693. Deze subsidie loopt van 1 september 2025 tot 31 december 2027. Deze
subsidie was al vooruitlopend op de vaststelling van het MUP toegekend, zodat toen
al met deze maatregelen aan de slag kon worden gegaan. Vanuit gemeenten en provincies,
is er ook een financiële inbreng, deze bedraagt tenminste 15% van het totale subsidiebedrag.
Door de uitvoering van het meerjarig uitvoeringsplan wordt het kennisniveau van toezichthouders
verbeterd en wordt gewerkt aan meer risico-gestuurd toezicht met als doel om beter
en effectiever toezicht te houden op de energiebesparingsplicht.
b. Onderzoek norm voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht
Vanaf 2027 stelt het kabinet jaarlijks structureel € 14,3 miljoen beschikbaar voor
het toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. Het kabinet wil het aantal
specifieke uitkeringen zoveel mogelijk beperken en de middelen vanuit het Rijk zoveel
mogelijk laten uitkeren via het gemeente- en provinciefonds. Om na het aflopen van
de SpUk THE te borgen dat toezicht en handhaving wordt uitgevoerd en zodoende energiebesparende
maatregelen worden getroffen en er sprake is van een gelijk speelveld voor bedrijven
en instellingen is het kabinet voornemens om een norm voor toezicht en handhaving
te onderzoeken. Uit het IPLO-rapport naar de beschikbare middelen voor toezicht en
handhaving blijkt dat de financiële bijdrage sterk varieert tussen gemeenten en provincies.
Zonder een norm bestaat het risico dat toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht
landelijk uiteenloopt. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), OmgevingsdienstNL
(ODNL), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en het Ministerie van BZK onderschrijven
het belang van het opstellen van een norm om de inzet op toezicht en handhaving te
borgen. Bij het vaststellen van een mogelijke norm dient rekening te worden gehouden
met hoeveel toezicht er nodig is om te zorgen voor een goede naleving van de energiebesparingsplicht,
maar ook met de kosten en de vraag wanneer de kosten in verhouding staan tot het effect
dat wordt bereikt. In het rapport van de Algemene Rekenkamer is ook geadviseerd om
te bezien hoe toezicht zo effectief mogelijk kan plaats vinden.15
Op dit moment wordt onderzocht hoe deze norm kan worden vormgegeven en of deze juridisch
kan worden geborgd, dit traject inclusief een juridische borging duurt naar verwachting
1,5 tot 2 jaar. Ik verwacht eind dit jaar hierover een update te kunnen geven. Wanneer
de norm meer concreet vorm krijgt zal ook inzichtelijk zijn of en zo ja hoeveel aanvullende
middelen nodig zijn, zoals de motie van het lid Van Oosterhout verzoekt.16
Om ervoor te zorgen dat omgevingsdiensten in de tussentijd over de financiële middelen
kunnen blijven beschikken die zij nodig hebben vanuit het Rijk heeft het kabinet in
afstemming met de VNG, IPO en ODNL, besloten om in 2027 en 2028 de structurele bijdrage
voor toezicht en handhaving via de verlenging van de Specifieke Uitkering Toezicht
en Handhaving op de energiebesparingsplicht (SpUk THE) beschikbaar te stellen. In
de tussentijd zal het Kabinet het gesprek met gemeentes, provincies en omgevingsdiensten
over het opstellen van een norm voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht
voortzetten en de bevindingen van het IPLO rapport daarbij betrekken.
4. Investeringen in energiebesparing
Tijdens de plenaire vergadering van de commissie voor Economische Zaken/Klimaat en
Groene Groei (EZ/KGG) van 1 juli 2025 heeft het Lid Visseren-Hamakers (PvdD, EK) meer
inzicht gevraagd in de financiële balans tussen investeringen in energiebesparing
en andere klimaatmaatregelen naar aanleiding van de behandeling van de begroting voor
Klimaat en Groene Groei 2025.17
Allereerst is het belangrijk te benoemen dat het kabinet energiebesparing en CO2-reductie niet als aparte opgaven ziet, maar juist als doelen die gezamenlijk bijdragen
aan een weerbaar en duurzaam Nederland. Zo wordt in de klimaat- en energiecyclus gewerkt
aan maatregelen die bijdragen aan de klimaat- én energiedoelen. Dit betekent dat maatregelen
vaak zowel een besparingseffect als een CO2-reductie effect hebben, bijvoorbeeld via de inzet op warmtepompen of warmtenetten,
of elektrificatie van mobiliteit en industrie. Elektrificatie zorgt voor een sterke
toename van energie efficiëntie: elektromotoren zijn veel efficiënter dan verbrandingsmotoren
en warmtepompen zijn efficiënter dan CV ketels. Voorbeelden van beleidsmaatregelen
voor de klimaat- én energiedoelen zijn de investering in toezicht en handhaving op
de energiebesparingsplicht, fixteams voor kleine mkb-ers, de Investerings Subsidie
Duurzame Energie (ISDE) en het onderzoeksbudget voor klimaat & energie, waarmee informatie
wordt gewonnen die helpt de klimaat- en energievraagstukken op te lossen.
Hoewel de synergie tussen deze opgaves groot is, is er ook beleid dat van groot belang
is voor de klimaattransitie, maar dat het energiegebruik van Nederland juist doet
toenemen. Voorbeelden hiervan zijn het afvangen en opslaan van CO2, of het produceren van waterstof. Het kabinet investeert deels hierin via specifiek
instrumentarium, maar ook via instrumenten waarmee energiebesparing wordt gestimuleerd.
Dit maakt het lastig om instrumenten toe te wijzen aan één van beide doelen, zoals
is toegezegd. Een voorbeeld van hiervan is de DEI+, waaronder subsidie wordt verstrekt
voor energie-efficiëntie, maar ook voor CO2 afvang.
Met in achtneming dat niet elk instrument of aan energiebesparing of aan klimaat kan
worden toebedeeld is de ontwerpbegroting van Klimaat en Groene Groei voor 2026 geanalyseerd
voor de jaren 2025 tot en met 2030 en grofweg onderscheid gemaakt tussen de volgende
drie categorieën:
a. investeringen die (deels) bijdragen aan energiebesparing én aan de klimaatgave, zoals
het subsidie instrument SDE++, investeringen in geothermie, of de realisatie van zon
op zee.
b. investeringen die hoofdzakelijk bijdragen aan de klimaatopgave, maar niet aan de energiebesparingsopgave,
zoals investeringen in CCS, kernenergie of waterstof.
c. investeringen die bijdragen aan andere beleidsdoelen, zoals onderzoek naar bodembeweging
in het kader van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen, de stikstof aanpak
voor piekbelasters in de Industrie, of algemeen organisatorische kosten.
Uit deze analyse is gebleken dat circa 52% van de bestedingen vallen onder categorie
a en dus (deels) bijdragen aan energiebesparing (en aan de klimaatopgave), 22% van
de bestedingen vallen onder categorie b en dragen hoofdzakelijk bij aan de klimaatopgave.
De overige 26% zijn bestedingen die bijdragen aan andere doelen.
Categorie
Bedrag
Percentage
a
investeringen die (deels) bijdragen aan energiebesparing én aan de klimaatopgave
€ 26.196.803.000
52%
b
investeringen die hoofdzakelijk bijdragen aan de klimaatopgave, maar niet aan de energiebesparingsopgave
€ 11.143.816.000
22%
c
investeringen die bijdragen aan andere beleidsdoelen
€ 12.846.806.000
26%
Het is van belang om hierbij te vermelden dat op de begroting van andere departementen
ook investeringen ten behoeve van de klimaat- en energietransitie zijn opgenomen.
Het behalen van de klimaat- en energietransitie is namelijk een kabinetsbrede inspanning.
5. Uitkomsten energiebesparingsmonitor
TNO heeft in de jaarlijkse «Monitor energiebesparing» naar de ontwikkeling van het
energiegebruik in diverse sectoren gekeken. Het totaal finaal energieverbruik daalde
van 1970 PJ in 2015 naar 1707 PJ in 2024; een daling van 263 PJ, ca. 14%. Een deel
van deze daling heeft te maken met warmere winters. Met correctie voor de buitentemperatuur,
waarbij rekening is gehouden met de geleidelijk hogere temperaturen door klimaatverandering,
daalde het finaal energieverbruik van 1995 naar 1748 PJ, een daling van 247 PJ (12%).
Daarvan betreft 119 PJ een daling van het energieverbruik in de sector gebouwde omgeving,
76 PJ in de sector industrie, 32 PJ in de sector mobiliteit inclusief luchtvaart en
19 PJ in de sector landbouw.
Uit de ontwikkeling van het finaal en primair energieverbruik van de afgelopen jaren
lijkt het halen van het nationale EED-doel voor finaal verbruik op het eerste gezicht
binnen bereik, maar er zijn onderliggende trends die in de komende jaren in sommige
sectoren naar verwachting tot een stijging van het finaal energieverbruik leiden.
In de raming van de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV) wordt in de sectoren
gebouwde omgeving en de luchtvaart in de raming van de KEV 2025 een stijging verwacht.
In de sectoren industrie, landbouw en binnenlandse mobiliteit wordt wel een daling
van het finaal energieverbruik in 2030 verwacht ten opzichte van 2024. In de gebouwde
omgeving daalt het energieverbruik in de raming door de toepassing van na-isolatie
en warmtepompen, maar die daling wordt tenietgedaan door een verwachte toename van
het elektriciteitsverbruik van datacenters. Het energieverbruik van de binnenlandse
mobiliteit daalt in de raming door elektrificatie, maar het gebruik van bunkerbandstoffen
stijgt door een toename van het aantal vluchten. In de glastuinbouw blijft het finaal
energieverbruik ongeveer gelijk. In de industrie daalt het energieverbruik tussen
2024 en 2030 in de raming van de KEV 2025 door elektrificatie en doordat de productie
in sommige sectoren afneemt. De KEV 2025 stelt daarom dat in het basispad (met vastgesteld
en voorgenomen beleid) de kans op het halen van het doel voor finaal verbruik 10%
en op het doel voor primair verbruik minder dan 5% is (PBL, 2025).
Tot slot
De huidige situatie vraagt een gezamenlijke inspanning om energie te besparen. Energiebesparende
maatregelen leiden tot een (structureel) lager energiegebruik. Bedrijven, instellingen
en mensen krijgen zo meer grip op hun energierekening en ondervinden minder de gevolgen
van door geopolitieke schokken. Zo kunnen we bouwen aan een weerbaar en duurzaam energiesysteem.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei