Brief regering : Versterking van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem
29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie
31 239
Stimulering duurzame energieproductie
Nr. 643
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 april 2026
Decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem zijn essentieel voor woningbouw, economische
groei en verduurzaming van bedrijventerreinen en mobiliteit. Er ontstaan steeds meer
mogelijkheden om opwek, opslag en verbruik van energie lokaal te combineren. In de
kamerbrief van 18 juni 20251 heeft het vorige kabinet hiervoor een visie neergezet. In die brief zijn het perspectief
op decentrale ontwikkelingen en de hoofdkeuzes voor beleid beschreven. Ook is in die
brief toegezegd om beter in beeld te brengen welke besparingen op netinvesteringen
hiermee mogelijk zijn. Dit in aanvulling op acties die worden uitgevoerd vanuit het
Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN).
In deze brief beschrijf ik, mede namens de Staatssecretaris van Klimaat en Groene
Groei, hoe het kabinet de decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem voluit wil
versterken. Het energiesysteem bestaat uit een samenhangend geheel van bronnen, infrastructuur,
opslag en gebruikers op verschillende niveaus. We hanteren daarom niet één definitie
van een decentraal energiesysteem, maar spreken van decentrale ontwikkelingen. Het
streven is om deze ontwikkelingen gebiedsgericht vorm te geven, waarbij lokale opwek,
opslag en verbruik van energie zoveel mogelijk bij elkaar komen, zowel in tijd als
in ruimte. Daarmee dragen decentrale ontwikkelingen bij aan een betaalbaar, duurzaam
en betrouwbaar energiesysteem.
Het is de taak van de Rijksoverheid om de randvoorwaarden hiervoor op orde te brengen
zodat decentrale ontwikkelingen sneller en eenvoudiger tot stand kunnen komen. In
deze brief agendeer ik daartoe relevant beleid en acties, met name voor gebiedsgericht
beleid en marktontwikkelingen. Deze brief gaat daarmee onder andere over de stimulering
van de essentiële doorgroei van hernieuwbare energie op land, de uitwerking van het
sturingsinstrumentarium omgevingsrecht en de ontwikkeling van een strategische aanpak
voor gewenste marktontwikkelingen.
De brief is opgebouwd uit vier samenhangende delen. Allereerst ga ik in op de potentie
van decentrale ontwikkelingen. Vervolgens vertaal ik deze inzichten, samen met de
staat van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem (hierna: staat van decentraal),
naar concrete beleidsacties in een samenhangende en verbindende aanpak. Daarna wordt
de toekomst van decentraal verkend aan de hand van diverse innovatieprojecten. De
brief sluit af met afgedane moties en toezeggingen. Met deze brief voeg ik een aantal
jaarlijkse brieven samen, inclusief de bijbehorende monitoringsrapporten2,
3,
4,
5,
6. Ook stuur ik vijf onderzoeken mee die het afgelopen jaar zijn uitgevoerd7,
8,
9,
10,
11.
Potentie van decentrale ontwikkelingen
De recente gebeurtenissen benadrukken het belang van energie opwek op eigen bodem:
strategische onafhankelijkheid, grip op opwek en daarmee grip op betaalbaarheid. Nederland
is een windrijk land en heeft daardoor mogelijkheden voor opwek op zee en op land.
Nationale, grootschalige opwek betekent transport van deze energie naar bedrijven
en huishoudens verspreid over Nederland. Dit is kostbaar en vraagt veel ruimte. Decentrale
oplossingen zetten in op opwek dicht bij de vraag en energiedragers zoals warmte en
lokale flex, waarmee netcapaciteit op de langere termijn geborgd kan worden. Energiegemeenschappen
kunnen hier een rol in spelen. Zo kan lokaal energiebesparing, in combinatie met opwek,
opslag en verbruik afgestemd worden, zodat wonen, werken en verplaatsen mogelijk is.
Decentrale ontwikkelingen zijn hiermee óók een ruimtelijke opgave en een waardevolle
toevoeging voor het Nederlandse energiesysteem.
TNO heeft in beeld gebracht wat de potentie van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem
is op besparingen op investeringen in het elektriciteitsnet12. Als decentrale ontwikkelingen op de juiste manier worden ingezet, hoeft er minder
energie getransporteerd te worden, ook op momenten van piekbelasting. Op die manier
kan er bespaard worden op de verzwaring van het elektriciteitsnet. Het eerdere interdepartementale
beleidsonderzoek (IBO) naar de Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur13 vormt de basis voor dit TNO-onderzoek. Uit dit IBO bleek al dat er een significante
besparing mogelijk is als gevolg van het beter benutten van het net. Specifiek voor
decentrale ontwikkelingen schat TNO het besparingspotentieel in verdere doorrekeningen
op 4,5 tot 24,5 miljard euro14,
15, afhankelijk van hoe sterk er op wordt gestuurd. Een groot deel van de besparing,
2,5 tot 13 miljard euro, komt door de effecten van decentrale ontwikkelingen op de
hogere netvlakken, zogeheten knock-on effecten.
Het grootste deel van de in de studie beschreven decentrale ontwikkelingen richt zich
op eindverbruikers in de gebouwde omgeving en op en rond bedrijventerreinen:
• Ontwikkelingen in de gebouwde omgeving: flexibiliteit in de gebouwde omgeving (aansturing
van: laadpalen/bi-directioneel laden, warmtepompen, thuis- en buurtbaterijen); warmtebatterijen
en warmtenetten; energiegemeenschappen.
• Ontwikkelingen op en rond bedrijventerreinen: flexibiliteit op bedrijventerreinen
(industriële vraagresponse, conversie, opslag); warmtenetten; energiehubs.
Het rapport geeft aan dat veel beleid in gang is gezet en veel partijen al actief
zijn met decentrale ontwikkelingen, maar dat meer mogelijk en nodig is. Om het potentieel
van decentraal te verzilveren, doet het rapport aanbevelingen voor een aantal aanvullende
maatregelen. Het rapport geeft hiermee belangrijke handvatten voor de versterking
van de decentrale ontwikkeling van het energiesysteem om aan de slag te gaan met de
nodige acties.
Aan de slag met decentraal
Het kabinet geeft met de in de bijlage opgenomen «Staat van decentraal» een overzicht
van decentrale ontwikkelingen16. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt hoe het ervoor staat op basis van de drie hoofdkeuzes
uit de vorige Kamerbrief: 1) afstemmen van opwek, opslag en verbruik op ieder schaalniveau,
2) samenhang tussen gebiedsontwikkeling en het energiesysteem en 3) regie vanuit een
sociaal-maatschappelijk perspectief. De Staat van decentraal geeft een eerste inzicht
en is opgebouwd vanuit de beschikbare veelal sectorale informatie. Deze wordt de komende
jaren ontwikkeld tot een complete Monitor Decentraal om beter inzichtelijk te maken
hoe de drie hoofdkeuzes invulling krijgen. De eerste versie hiervan komt naar verwachting
in 2027 beschikbaar.
De Staat van decentraal laat zien dat een deel van de decentrale ontwikkelingen gestaag
groeien, zoals energiehubs, batterijen en het aantal leden van energiegemeenschappen.
Het RES-doel van 35 TWh opgewekte hernieuwbare decentrale elektriciteit in 2030 wordt
waarschijnlijk gehaald17, maar het totale bod van 55 TWh van de RES-regio’s raakt uit zicht. RES-regio’s blijven
zich inzetten om deze ambitie na 2030 te halen. Ook is de opwek van hernieuwbare elektriciteit
vaak nog niet gekoppeld aan lokaal verbruik en lopen hernieuwbare energieprojecten
in de praktijk tegen belemmeringen aan, zoals schaarse netcapaciteit om in te voeden
en ruimte. Daarnaast vlakt de verduurzaming in de sectoren wonen, werken en mobiliteit
af. Deze stagnerende ontwikkeling laat zien dat er urgentie is voor een aanpak om
de energietransitie vaart te laten behouden: een versterkte en verbindende aanpak
decentraal die lopend beleid – zoals dat al vorm krijgt voor de warmtetransitie18 en in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur19 – aanvult en waar nodig verbindt.
Figuur 1 bevat een samenhangende aanpak om de randvoorwaarden voor de ontwikkeling
van decentrale ontwikkeling te versterken. De aanpak richt zich op de drie hoofdkeuzes
voor decentraal en vertaalt die naar concrete acties in twee sporen: 1) Energiesysteem
en gebiedsgericht beleid en 2) Energiesysteem en marktontwikkelingen. Beide sporen
geven ook invulling aan de succesfactoren van decentraal uit de vorige Kamerbrief:
digitalisering, professionalisering en financiering.
Figuur 1: Versterkende en verbindende aanpak voor decentraal, aanvullend op lopend
beleid
Spoor 1: Energiesysteem en gebiedsgericht beleid
1. Integraal programmeren energiesysteem
Het energiesysteem van de toekomst vraagt om een goede samenwerking met andere ministeries
(o.a. BZK en IenW), medeoverheden, netbeheerders en maatschappelijke partners. Deze
interbestuurlijke samenwerking krijgt vorm in de uitwerking van de zogeheten Interbestuurlijke
Samenwerkingsagenda (ISA). De ISA afspraken zijn in 2025 uitgewerkt en het traject
is een volgende fase ingegaan: van afspraken maken naar doen.
Zo wordt nu gezamenlijk gewerkt aan pilots voor energiebeelden in vier provinciale
gebieden. De energiebeelden kijken integraal naar vraag en aanbod van alle decentrale
energiedragers. Dat kan zinvol zijn op meerdere schaalniveaus, zoals provincie, gemeente
of regio. Op basis van de energiebeelden wordt scherp gemaakt wat er nu en in de toekomst
mogelijk en nodig is aan opwek, opslag en verbruik voor wonen, werken en verplaatsen.
Om de samenhang met het nationale niveau (o.a. Nationaal Plan Energiesysteem Programma
Energie Hoofdstructuur en Nota Ruimte) te borgen, worden zoveel mogelijk gelijke uitgangspunten,
bronnen en definities gebruikt. Zo zijn de beelden vergelijkbaar en optelbaar op landelijk
niveau. Het energiebeeld wordt gebiedsgericht uitgewerkt, overeenkomstig de uitgangspunten
en principes uit de ontwerp Nota Ruimte, zodat de samenhang tussen energie en andere
ruimtelijke ontwikkelingen geborgd is. Tot slot worden in de vorm van energieafspraken
bestuurlijke keuzes gemaakt over de projecten en randvoorwaarden die nodig zijn om
aan de slag te gaan. Naar aanleiding van de pilots worden verdere afspraken gemaakt
over de interbestuurlijke samenwerking.
De ondersteuning voor medeoverheden voor deze interbestuurlijke samenwerking landt
vanaf 2027 in een nieuw Nationaal Programma in oprichting (NP i.o.). In dit programma
worden de krachten gebundeld van het huidige Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW),
Nationaal Programma Regionale Energie Strategieën (NP RES) en Samenwerkingsprogramma
Integraal Programmeren (SP IPE). Medeoverheden hebben eigen bevoegdheden in het Huis
van Thorbecke, maar gebruiken daarnaast de energyboards en energieregio’s20 om in de uitvoering verschillende opgaven in een gebied met elkaar af te stemmen.
De provincies, in samenwerking met gemeentes en netbeheerders, zijn ook aan de slag
met de ontwikkeling van het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie
en Klimaat (pMIEK) 3.0, met als deadline 1 maart 2027. Hierbij zijn twee aanvullende
aandachtspunten: focussen op het programmeren van toekomstige projecten en samen prioriteren
en beperken van het aantal projecten. Daarnaast zijn er in veel gebieden ook nationale
projecten, zoals aanlandingen wind op zee, grootschalige batterijen of het landelijk
waterstofnetwerk. Bij de toekomstige inrichting van het gasnet houd ik rekening met
lokale groen gasproductie, invoeding en de nationale groen gasvraag. Ook daarbij is
aandacht voor de ondersteuning, bijvoorbeeld via gebiedsinvesteringen voor gemeentes
waar veel projecten van nationaal belang samenkomen. Naar verwachting starten de eerste
uitkeringen hiervan in het derde kwartaal van 2026.
2. Hernieuwbare elektriciteit met zon- en windenergie op land
Om inzicht te krijgen in doorontwikkeling van specifiek zon- en windenergie op land,
is een onderzoek uitgevoerd door CE Delft en Generation Energy. Hierin is onderzocht
welke rol zon- en windenergie op land in de nationale energiemix richting 2040 kunnen
spelen en welke keuzes dit vraagt21. Uit de analyse blijkt dat hernieuwbare energie op land ook in 2040 van grote waarde
is én dat de potentie zeer groot is. Dit staat los van de ontwikkeling van kernenergie
met Small Modular Reactors (SMR’s). Het onderzoek laat zien dat het pure theoretisch
potentieel voor zon- en windenergie respectievelijk 600 GW en 50 GW is. Uit de uitgevoerde
scenariostudies blijkt dat er 8–15 GW wind op land en 57–127 GW zon-PV nodig is in
2040, gebaseerd op de verwachte vraagontwikkeling, voor een klimaatneutraal energiesysteem
in 2050.
Nieuwe richtwaarden voor opwek met zon- en wind op land voor 2040 zijn onderdeel van
de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Het perspectief wordt
verbreed ten opzichte van de huidige RES-doelstelling. Hierbij kijk ik niet alleen
naar de kosten, maar ook naar het sociaal-maatschappelijk en ruimtelijk perspectief.
Deze nieuwe ambitie wil ik laten landen in de te maken eerdergenoemde energieafspraken
met medeoverheden. Uiteraard betrek ik in dit proces ook de sector en maatschappelijke
organisaties. Ik zal de kamer begin 2027 over de voortgang van de energieafspraken
informeren.
Het rapport bevestigt dat het combineren van lokale opwek, opslag en verbruik om een
andere mix van instrumenten vraagt ten opzichte van alleen stimulering van opwek die
geen rekening houdt met tijd en ruimte. Financiële ondersteuning blijft noodzakelijk
voor een rendabele business case en verlaging van risico's. Dit is voor het belangrijkste
deel geborgd in de onlangs verschenen Kamerbrief over de tweerichtings-contracten
zon-PV en windenergie op land en op zee22. Naast de verdere uitwerking hiervan, inventariseer ik welk ander instrumentarium
moet worden aangepast of toegevoegd om de doorgroei mogelijk te maken. Hierbij betrek
ik ook de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE), die recentelijk is
geëvalueerd23. Een netefficiënte inpassing is cruciaal bij de doorgroei, waarbij soms sprake kan
zijn van botsende belangen. Daarom ga ik, in samenwerking met medeoverheden, netbeheerders
en de nationale programma's, verkennen waar zon- en/of windenergie op land netefficiënt
kan worden ingepast. Hiermee geef ik invulling aan de motie van het lid Kröger om
in kaart te brengen op welke locaties lokale opwek netcongestieverlagend werkt en
dit aan te jagen24.
Ook het programma Opwek Energie Rijksvastgoed (OER) speelt in op deze ontwikkelingen.
In het voorjaar van 2026 wordt met de RES-en een gezamenlijk beeld gemaakt van mogelijkheden
om vraag en aanbod bij elkaar te brengen in combinatie met opslag op rijksgronden.
Voor deze herijking starten eind 2026 een aantal focusprojecten. De ervaringen worden
benut voor de uitwerking van het programma OER. Bijgevoegd is het programmaplan OER25.
Om lokaal eigendom bij wind- en zonprojecten te stimuleren, ben ik een onderzoek gestart
naar de succesfactoren en belemmeringen hiervan. De resultaten worden voor de zomer
van 2026 verwacht en die zal ik gebruiken om te komen tot eventuele maatregelen om
het streefdoel uit het klimaatakkoord van 50% lokaal eigendom dichterbij te brengen.
Ook binnen OER-projecten wordt met NP RES en Energie Samen nagegaan hoe lokaal eigendom
kan worden bereikt aan de hand van een opgestelde handreiking26.
3. Elektriciteit en warmte
Naast elektriciteit is ook warmte een onmisbaar onderdeel van het energiesysteem,
zeker op lokaal niveau. De aanpak van de warmtetransitie is in meerdere Kamerbrieven
beschreven27. De wijze waarop de warmtetransitie vorm krijgt heeft ook impact op de behoefte aan
netcapaciteit voor elektriciteit op de verschillende netvlakken, vanwege de keuze
om wel of niet te elektrificeren in bepaalde gebieden. Een groter beroep op de lagere
elektriciteitsnetten door zon-PV en elektrisch vervoer heeft namelijk een effect op
de benodigde netcapaciteit op de hogere netvlakken. Om die reden wil ik aanpakken
bevorderen waarbij integraal per gebiedstype wordt gekeken naar zowel elektriciteit
en warmte voor de gebouwde omgeving, als ook de elektrificatie van mobiliteit in het
gebied, via het NP i.o. Een mooi voorbeeld hiervan is het energieprogramma van de
gemeente Arnhem.
Energie voor Arnhem is het energieprogramma van de gemeente Arnhem om in 2050 klimaatneutraal
te zijn. Het programma bestaat uit drie delen die op elkaar aansluiten. Als eerste
zijn de visie en ambitie in een koersdocument beschreven. Vervolgens is deze visie
vertaald naar de uitvoering in een omgevingsprogramma. Hierin wordt locatie specifiek
uitgelegd welke oplossingen waar mogelijk zijn. Denk daarbij aan warmtenetten, warmtepompen,
zonne-energie en andere systemen zoals laadinfra voor mobiliteit. Met veel aandacht
voor energiebesparing. Als laatste is de gemeente van plan om voor clusters van energiegebieden
een gebiedsenergieplan te maken samen met bewoners, bedrijven en partners. Dit gebeurt
gefaseerd door de gemeente heen.
Hierbij doen zich ook beleidsvragen voor rondom de betaalbaarheid van warmte en koude
oplossingen. Op dit moment lopen met name warmtenetten, ondanks dat ze de laagste
maatschappelijke kosten hebben, tegen onrendabele business cases aan. Het Interdepartementaal
Beleidsonderzoek «energietransitie van de woningvoorraad richting 2050»28 gaat hier inzicht in geven. De resultaten worden in de zomer van 2026 verwacht.
4. Energieplanologie op lokaal niveau
De relatie tussen energie en ruimtelijke ordening en planologie, ook bekend als energieplanologie,
ontwikkelt zich snel, en hiermee de behoefte aan een nieuwe rolinvulling van zowel
overheden als netbeheerders. De gebiedsgerichte afstemming tussen energiesysteem en
ruimtelijke ontwikkelingen vraagt om samenwerking en bijbehorende informatie-uitwisseling
tussen netbeheerders en overheden en de gerichte inzet van instrumenten zoals ontwerpend
onderzoek. Daarmee kan met een duidelijke rolverdeling netbewust gestuurd worden op
ruimtelijke functies en energieactiviteiten. Samen met provincies, gemeenten, netbeheerders
en de Minister van VRO kijk ik of het mogelijk is om decentrale overheden meer mogelijkheden
te geven om op decentraal niveau ruimtelijk te sturen op de samenhang tussen ruimtelijke
ontwikkelingen en de ontwikkeling van het energiesysteem. Ik betrek hierbij het amendement
Flach en Koekkoek29 op artikel 6.12 Energiewet, en de motie Grinwis en de Groot30, over het wettelijk verankeren van de energietoets.
Het ontwerpend onderzoek naar decentrale ontwikkelingen31 en het gezamenlijk oefenen met «energieconfiguraties» is daar onderdeel van. Energieconfiguraties
bestaan uit energiebouwstenen (opwek, transport, opslag, gebruik) en ruimtelijke bouwstenen
(woning, wijk, boerderij, agrarisch gebied, etc.). Met deze ontwerpbenadering maken
we gebiedsgericht zichtbaar welke energiebouwstenen beschikbaar zijn, wat de samenhang
met ruimtelijke functies is en wat de ruimtelijke impact is. Dit moet leiden tot een
betere verbinding en samenhang tussen de domeinen van ruimte en energie en concretisering
van het begrip energieplanologie. Ook de in september 2025 gepubliceerde Ontwerp Nota
Ruimte kiest voor energieplanologie als nieuwe werkwijze32. Hierin staan ontwikkelprincipes voor het (decentrale) energiesysteem en wordt gepleit
voor een meer integrale planning in samenhang met andere ruimtelijke opgaven, zowel
regionaal als nationaal. Provincies hebben hiervoor al aanzetten gegeven in hun energiesysteemvisies,
zo ook de provincie Noord-Holland.
De provincie Noord-Holland heeft samen met netbeheerders en gemeenten de Energievisie
2.0 gemaakt. Hierin staan de basiskeuzes voor een duurzaam, betrouwbaar en toekomstbestendig
energiesysteem. Denk daarbij aan keuzes voor collectieve warmte in gebouwde omgeving,
netbewuste elektrificatie van logistieke sector, beleid rondom energieopslag (o.a.
batterijen) en ruimtelijke inpassing daarvan, en energy hubs in de glastuinbouw. Daarnaast
zijn er 12 grotere en kleinere energieknooppunten benoemd waar grootschalig aanbod
en energie-intensieve vraag samen komen. Voor elk van deze energieknooppunten wordt
een eigen strategie ontwikkeld, passend bij het gebied. Daarnaast bevat de visie lokale
energiesystemen, waar vraag, aanbod en opslag samenkomen. Hierbij wordt actief gekeken
naar een zo goed mogelijk gebruik van het elektriciteitsnet. Op deze manier vereisen
ze vaak minder grootschalige ingrepen in de energie-infrastructuur. Zo werkt de provincie
Noord-Holland toe naar een combinatie van grote regionale knooppunten en kleinschalige
lokale systemen.
Daarnaast is het van belang dat medeoverheden voldoende middelen en capaciteit hebben
voor het lokaal samenbrengen van vraag en aanbod. Dit wordt onder andere geregeld
via het NP i.o. en de uitwerking van het sturingsinstrumentarium omgevingsrecht. Ook
ontvangen provincies, RES-regio's en gemeenten uitvoeringsmiddelen voor hun inzet
in de energietransitie waarover doorlopend het gesprek plaatsvindt met het Rijk. De
inzet van het kabinet is om de uitvoeringsmiddelen voor 2031 t/m 2040 te continueren
met 800 miljoen per jaar. Ook zijn middelen voor de energieregio’s beschikbaar t/m
2030 voor hun werkzaamheden voor NPRES en NPLW. Die worden onderdeel van de regiomiddelen
voor het NP i.o. Daarmee zorg ik ervoor dat de instrumentatie vanuit het Rijk voor
lagere overheden de juiste prikkels creëert om vraag en aanbod bij elkaar te organiseren.
Hiermee doe ik de toezegging af aan het lid De Groot33.
Spoor 2: Energiesysteem en marktontwikkelingen
De acute en urgente problematiek van netcongestie vraagt zowel actie en impact op
de korte als de lange termijn. Het LAN bevat hiervoor concrete acties. In de Kamerbrief
over het Aansluitoffensief Netcongestie34 zijn acht doorbraken voor flexibel netgebruik geïdentificeerd en uitgewerkt in concrete
maatregelen. Deze leiden met name op de korte termijn tot resultaten, gericht op het
drastisch terugbrengen van de wachtlijsten. Daarnaast is het lange termijnperspectief
van belang, waar netcongestie langduriger onderdeel blijft van het energiesysteem.
Zo bestaan er concrete innovatieve initiatieven die netcongestie verlichten en investeringen
in netuitbreidingen op den duur overbodig maken doordat de gevraagde capaciteit van
het elektriciteitsnet afneemt. Hiermee worden maatschappelijke kosten vermeden en
ontstaat er ruimte voor kostenbesparingen. De energiehub Medel35 op het nieuwe bedrijvenpark in Tiel is een voorbeeld waarbij gemeente, provincie
en netbeheerder samen met diverse adviseurs – elk met een eigen rol en expertise –
een oplossing hebben gevonden om de uitbreiding van netcapaciteit overbodig te maken.
Door de inzet van lokaal opgewekte zonne-energie, opslag in batterijen en een intelligent
energiemanagementsysteem kunnen de bedrijven op het park volledig in hun eigen energiebehoefte
voorzien.
Innovatieve voorbeelden als deze wil ik verder uitwerken tot een lange termijnbouwwerk
voor het beter benutten van het elektriciteitsnet. Dit vraagt om een strategische
systeembenadering. Een benadering die gebiedsgericht kijkt en de verschillende energiedragers
in samenhang beziet. Alhoewel lokale omstandigheden bijna per definitie verschillen,
waardoor lokaal maatwerk nodig is, kunnen een aantal generieke elementen worden onderscheiden.
Hieronder schets ik enkele van deze elementen. Deze wil ik de komende tijd uitwerken
in een strategische systeembenadering in nauwe samenwerking met de Topsector Energie.
Zodat er binnen een jaar – in afstemming met relevante partijen – een breed gedragen
aanpak ligt voor de marktontwikkelingen die de belemmeringen voor opschaling van innovatieve
projecten wegneemt.
1. Netbewust gebruik van energie-infrastructuur
Een belangrijk element is de relatie tussen congestiemanagement als tijdelijke maatregel
en structurele schaarste aan netcapaciteit op de lange termijn. Nieuwe contractvormen
als tijdsblokcontracten en groepscontracten spelen hier al op in. Hierbij doen zich
nieuwe vraagstukken voor. Onder meer waar het gaat om de ontwikkeling van greenfield-ontwikkelingen,
zoals netbewust bouwen en nieuwe bedrijventerreinen.
Een hieraan gerelateerd vraagstuk betreft het opvullen van bestaande contractruimte
met oplossingen achter de meter. Dit biedt voor aangeslotenen veelal een oplossing
zonder dat zij extra gecontracteerd vermogen nodig hebben. Tegelijk leidt het tot
een extra belasting van het elektriciteitsnet. Bij groepscontracten voor energiehubs
wordt al wel rekening mee gehouden met de belasting van het net. Hierbij wordt gekeken
naar de werkelijke profielen van de aangeslotenen, waarbij «achter de (groeps)meter»
niet betekent dat de vrije individuele ruimte van de afzonderlijke aangeslotenen zonder
meer benut kan worden. De uitdaging is om netbewuste investeringen en gedrag af te
stemmen op nettarieven die dit belonen. Niet alleen bij individuele aangeslotenen
maar ook in samenwerkingsvormen op bedrijventerreinen en in woonwijken.
2. Lokale flexibiliteit en nieuwe rollen op de energiemarkt
Een ander belangrijk element in het toekomstige energiesysteem betreft regelbaar elektrisch
vermogen met standaard aanstuurbare apparaten. Het netbeheerdersperspectief is hierbij
belangrijk, maar niet de enige invalshoek. Dit raakt aan meerdere vraagstukken van
de energiemarkt, zoals de groei van (thuis)batterijen en elektrisch vervoer, de effecten
van de beëindiging van de salderingsregeling, lokale toepassingen van energiedelen,
de rol van aggregatoren op de elektriciteitsmarkt, en de relatie tussen nettarieven
en de tarieven voor levering van energie. In een gewenst toekomstperspectief beschouwen
consumenten en bedrijven flexibiliteit als normaal, waarbij vanuit een gebiedsgerichte
benadering wordt gekeken hoe elektronen, moleculen en warmte elkaar ondersteunen.
Dit perspectief krijgt al vorm in innovatieve projecten en maatregelen zoals bij multi-commodity
energiehubs36.
3. Veranderende relatie met de netbeheerder
Een belangrijk vraagstuk ligt ook bij de veranderende rol van netbeheerders en hun
relatie met – nieuwe rollen van – dienstverleners van burgers en bedrijven die flexibiliteit
kunnen ontsluiten. Netbeheerders hebben behoefte aan kwaliteitsborging bij het contracteren
van lokale flexibiliteit. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de afgesproken flexibiliteit
ook daadwerkelijk geleverd wordt. Professionalisering van lokale partijen en heldere
verdeling van verantwoordelijkheden helpt om deze markt voor flexibiliteit op gang
te brengen. Hierdoor kunnen meer toepassingen ontstaan van organisatievormen en constructies
als energiegemeenschappen, energiehubs, aggregatoren, cable pooling, directe lijnen
en gesloten distributiesystemen. Vaak gaat ook om verschillende soorten activiteiten
waartussen coördinatie nodig is, als ook professionaliteit en uitvoerend vermogen
om de benodigde elementen te leveren, installeren, beheren en digitaal te besturen.
4. Digitalisering
De rol van data en digitalisering is ook essentieel in dit spoor, met name waar het
gaat om de sturing van decentrale assets als batterijen, warmtepompen en elektrische
voertuigen. Digitalisering is nodig voor het ontsluiten van de flexibiliteit van aanstuurbare
assets die onderling kunnen communiceren. Dit maakt het mogelijk om effectief te reageren
op markt- en netprikkels, vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen en de beschikbare
netcapaciteit efficiënter te benutten. Ook digitalisering van meetsystemen van netbeheerders
is van belang. Beter bemeterde netten zorgen voor een betere inschatting van wat er
wel en niet mogelijk en nodig is. Met de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem37 is de basis gelegd voor een samenhangende aanpak waaraan de komende tijd wordt doorgewerkt.
Ook heeft de digitalisering van de decentrale ontwikkeling van het energiesysteem,
en met name het elektriciteitssysteem, implicaties voor de weerbaarheid van het energiesysteem.
Hier liggen zowel risico’s als kansen als het gaat om strategische autonomie en digitale
soevereiniteit. Momenteel verken ik of er aanvullende acties en/of maatregelen nodig
zijn om de weerbaarheid te vergroten. De resultaten hiervan neem ik mee in de kabinetsreactie
op het recent gepubliceerde rapport van Topsector Energie over een autonoom en veilig
energiesysteem38.
Opschaling van innovatieve projecten: samenhang tussen gebiedsgericht beleid en marktontwikkelingen
Op basis van bovengenoemde acties werk ik in samenwerking met provincies, gemeentes,
netbeheerders, marktpartijen en eindgebruikers toe naar een toekomst waarin decentrale
ontwikkelingen onmisbaar zijn. Hierbij zijn innovaties op de deelgebieden van wonen,
werken en mobiliteit, en combinaties hiervan, essentieel. Dat is namelijk waar decentrale
ontwikkelingen samenkomen.
Er zijn al veel en verschillende innovatieve projecten. Voor het opschalen van deze
gebiedsgerichte innovaties is de bovengenoemde strategische aanpak nodig die rekening
houdt met lokaal maatwerk. Hierbij wil ik inspiratie halen uit en gebruik maken van
de Topsector Energie en het actieonderzoek van het innovatienetwerk Transform.
Wonen
Voor wonen liggen er, naast netbewust bouwen, belangrijke uitdagingen als het gaat
om collectieve en individuele toepassingen van de aansturing van lokale assets als
warmtepompen, zon-PV, thuis- en buurtbatterijen en laadinfra voor mobiliteit. Vanuit
het LAN zijn hiervoor al verschillende acties opgezet, die versterkt kunnen worden
door inbedding in een strategische benadering. De warmtetransitie kan lokaal ook een
oplossing zijn om naar meer decentraal te komen. Hieronder een voorbeeld uit Veenendaal39:
Het warmtenet in de nieuwbouwwijk Groenpoort in Veenendaal (ongeveer 1000 woningen)
is een flexibel all-electric systeem. Dit systeem bestaat uit een combinatie van bodem-
en luchtwarmtepompen voor warmte- en koudeopwekking, een warmte- en koudeopslag installatie,
een grote warmtebuffer en slimme sturing. Bijzonder is dat dit project is gerealiseerd
in een congestiegebied. Via een non-firm ATO zijn afspraken gemaakt dat er alleen
warmte mag worden geproduceerd buiten piektijden. Dit zal voornamelijk gebeuren als
er veel duurzame elektriciteit beschikbaar is. Op andere momenten wordt de warmte
geleverd uit de warmtebuffer. In 2024 werd het bekroond als het meest innovatieve
warmtenet van Nederland.
Werken
Er is aandacht nodig voor de relatie tussen individuele oplossingen en collectieve
oplossingen zoals die zich voordoen bij bedrijven(terreinen) en hun omgeving. Dit
vraagt onder meer om meer inzicht in de mogelijkheden om bij bedrijventerreinen te
gaan werken met een «cap» of een «virtueel hek» op de te gebruiken netcapaciteit.
In Arnhem is hier een oplossing voor ontwikkeld40:
Cleantech Park Arnhem beschikt over een innovatief capaciteitsdeelsysteem dat de beschikbare
capaciteit op het net slim verdeelt over de gebruikers. Het systeem is een combinatie
van technologische innovatie én sociale innovatie. Aan de ene kant is het een slim
softwaresysteem dat realtime de belasting monitort en aangesloten installaties aanstuurt,
aan de andere kant is het een set onderlinge afspraken over wie wanneer welke capaciteit
kan gebruiken. Dergelijke systemen kunnen, met beperkte aanpassingen, ook toegepast
worden op andere bedrijventerreinen in Nederland. Ondanks netcongestie kunnen bedrijven
op deze manier toch groeien of verduurzamen.
Ook is een doortastende aanpak van barrières bij energiehubs nodig, om bijvoorbeeld
een rendabele business case te creëren voor deelnemende bedrijven. Daarnaast vraagt
de doorontwikkeling van multi-commodity energiehubs aandacht. Het Stimuleringsprogramma
energiehubs bevat hiervoor de nodige impulsen. Specifiek voor waterstof ontwikkel
ik samen met GroenvermogenNL een regeling om lokale productie, transport, eventueel
opslag en verbruik te stimuleren in waterstofhubs.
Mobiliteit
Voor mobiliteit liggen de elektriciteitsvraagstukken op verschillende gebiedstypen
en schaalniveaus. Naast de ontwikkelingen bij het personenvervoer zoals laadvoorzieningen
bij nieuwbouw, is de ontwikkeling van laadinfrastructuur voor trucks en bestelwagen
op bedrijventerreinen een uitdagend vraagstuk. Het Charging Energy Hubs41 project wil dit versnellen:
Met technologische innovaties en verbeterde logistieke planning worden batterijopslag
en hernieuwbare energiebronnen geïntegreerd in bestaande elektriciteitsnetwerken.
Zo kunnen bij deze hubs elektrische vrachtwagens ook laden als het stroomnet vol zit.
Op drie use case locaties wordt dit getest, waarbij o.a. gebruik wordt gemaakt van
gelijkstroomoplossingen en open standaarden. Zo kunnen de geteste oplossingen in de
toekomst ook op andere (internationale) locaties overgenomen en ingevoerd worden.
Ook worden de uitdagingen rondom financiën en wet- en regelgeving in kaart gebracht.
Daarnaast is de ontwikkeling van bi-directioneel laden zeer kansrijk. De Staatssecretaris
van IenW zal later dit jaar de Tweede Kamer informeren over de opschaling van deze
technologie in de Nationale Routekaart Bi-directioneel laden. Met betrekking tot trucks
en bestelwagen laat het rapport Charging-Energy-Hubs42 zien dat er veel potentie is voor het combineren van logistieke laadvraag en lokale
duurzame energie. Er zijn ongeveer 500 locaties voor het collectief organiseren en
aansturen van laadvraag van meerdere gebruikers en modaliteiten, al dan niet in combinatie
met lokale duurzame energie-opwek en eventueel stationaire opslag. De realisatie hiervan
kent echter nog belangrijke barrières, zoals de samenwerking en te maken afspraken
tussen betrokken partijen, kosten en baten en technische voorzieningen die nodig zijn.
Daarom blijft ik mij met een gezamenlijke inzet van Ministeries van IenW, EZK, BZK
en FIN inspannen om de potentie van deze ontwikkeling te verzilveren.
Overige innovaties
Daarnaast zijn aanvullende technologische innovaties nodig om in 2050 tot een duurzaam
en klimaatneutraal energiesysteem te komen. Met betrekking tot batterijtechnologie
is er een heel scala aan ontwikkelingen, zoals natrium-ion batterijen (zoutbatterij),
ijzer-luchtbatterijen en vastestofbatterijen (solid state). Een redox-flow batterij
bijvoorbeeld heeft een langere levensduur en grotere brandveiligheid ten opzichte
van gangbare batterijen43. Veel van deze innovaties zijn nu nog niet commercieel beschikbaar en zullen versneld
opgeschaald moeten worden.
Overige moties en toezeggingen
Met deze brief geef ik ook invulling aan een aantal moties die niet zijn benoemd in
bovenstaande tekst. Als eerste, samen met de Ministeries van BZK en IenW, aan de moties
van de leden Vermeer/Postma44 en Vermeer45 over windturbines langs de grens. De besluitvorming over windprojecten in Duitsland
nabij de Nederlandse grens valt onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten.
Nederlandse burgers en maatschappelijke organisaties hebben bij grensoverschrijdende
effecten de mogelijkheid om hun zorgen te delen via Duitse inspraak en bezwaar- en
beroepsprocedures.
Het Verdrag van Espoo is niet van toepassing bij elke voorgenomen plaatsing van een
windturbine of bij het komen tot een uniforme bouwprocedure voor dergelijke projecten,
en geldt alleen als er sprake is van mer-plicht én van aanzienlijke grensoverschrijdende
milieueffecten. In deze gevallen biedt het Verdrag van Espoo verplichtingen rondom
informatie-uitwisseling, inspraak en overleg met het andere land. Tot op heden hebben
de Ministeries van BZK en IenW geen signalen vernomen dat er situaties zijn waarbij
het Verdrag van Espoo onterecht niet is toegepast. Het Ministerie van BZK blijft in
gesprek met Duitse autoriteiten, onder andere via de Nederlands-Duitse Ruimtelijke
Ordening Commissie (NDCRO) en andere bilaterale kanalen.
Daarnaast geef ik invulling aan de motie van het lid Vermeer46, waarin de regering wordt verzocht om ondersteuning te bieden aan regio’s die onevenredig
zwaar getroffen worden door de energie- en grondstoffentransitie en regionale transitieplannen
op te stellen die aansluiten bij lokale economische omstandigheden en mogelijkheden.
Dat doe ik door aansluiting te zoeken bij de energievisies die regio’s opstellen die
onder meer in beeld brengen wat er vanuit het lokale en regionale perspectief nodig
is en welke (on)mogelijkheden er zijn. In de interbestuurlijke samenwerkingsagenda
is hiervoor de basis gelegd. Het Nationale Programma in oprichting, waar ook NP RES,
NPLW en SP IPE onderdeel van zullen uitmaken zal hen hierbij ondersteunen.
Ook doe ik hierbij de toezegging af om de Kamer te informeren over gesprekken met
de medeoverheden over de opschaling van energiehubs, onder andere inzake gesloten
distributiesystemen (GDS)47. Met de medeoverheden en netbeheerders is besloten om een gezamenlijke aanpak uit
te werken voor de opschaling van energiehubs met groepscontracten voor transportcapaciteit
(GTO) en voor de doorontwikkeling van innovatieve energiehubs. Over de aansluiting
van wind- op zonneparken op een gesloten distributiesysteem is er Europese regelgeving
die beperkingen stelt, met het oog op de betrouwbaarheid van netten en onafhankelijk
beheer daarvan. Er is in beginsel onbegrensd ruimte voor aansluiting van productie-installaties
zo lang deze verwant zijn aan de exploitant van het GDS. De mogelijkheid om derde
partijen aan te sluiten – partijen zonder binding met de exploitant van het GDS –
is echter juridisch begrensd. Zo dient het transport van elektriciteit op het GDS primair (in de praktijk 51%) aangeslotenen verwant aan de beheerder van
het GDS te zijn. Afwijking van deze Europese vereisten is niet mogelijk.
Als laatste ga ik ook in op de motie Stoffer/Grinwis48 die de regering verzoekt om in samenspraak met de planbureaus en het CBS bij beleid
en jaarlijkse analyses in het kader van de klimaat- en energietransitie de maatschappelijke
en economische effecten voor regio’s inzichtelijk te maken, zodat beleid gevoerd kan
worden op het voorkomen van ongewenste ongelijkheden. Door verschillende kennisinstellingen
wordt daar inmiddels invulling aan gegeven. Zo brengt het CBS de brede welvaart in
kaart voor gemeenten, provincies en COROP-gebieden. Daarnaast heeft PBL in samenwerking
met het Research Centrum Onderwijs & Arbeidsmarkt (ROA) in 2022 een model ontwikkeld
om regionaal te verkennen waar de spanning op de arbeidsmarkt kan stijgen door de
investeringen volgend uit het klimaatbeleid. In het werkprogramma 2026 is PBL voornemens
in de Ruimtelijke verkenning in te gaan op regionale verschillen.
Tot slot
Decentrale ontwikkelingen zijn onmisbaar in het energiesysteem van de toekomst. De
Staat van decentraal laat zien dat de meeste decentrale ontwikkelingen gestaag groeien
en dat doorgroei mogelijk én nodig is. Om die potentie te verzilveren, is het essentieel
dat provincies, gemeenten, netbeheerders, energieregio’s, eindgebruikers en energiegemeenschappen
hun respectievelijke rol pakken. Het kabinet staat voor een samenhangende en verbindende
aanpak voor decentraal en heeft verschillende beleidsacties geagendeerd om de randvoorwaarden
voor decentrale ontwikkelingen op orde te brengen. Ik zal de Kamer begin 2027 informeren
over de voortgang van deze aanpak. Het kabinet zal ook actief het land in blijven
gaan om te leren van decentrale ontwikkelingen, ervaringen uit te wisselen met betrokken
partijen en eventuele obstakels te signaleren. Op die manier werkt we samen aan een
toekomstig energiesysteem dat wonen, werken en verplaatsen blijvend mogelijk maakt.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei