Brief regering : VOG afgifte en de verhouding tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en andere departementen
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 139
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 april 2026
In het commissiedebat Staats- en bestuursrecht van 11 december 2025 zegde mijn ambtsvoorganger
toe uw Kamer te informeren over de verhouding tussen enerzijds de afgifte van de Verklaring
Omtrent het Gedrag (VOG) en anderzijds de beleidsruimte van andere departementen dan
het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Toegezegd is in het bijzonder in te gaan
op de taxibranche waarvoor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
verantwoordelijk is.1 De aanleiding voor deze toezegging was de vraag van het lid Straatman naar de reden
dat personen in de continue screening in de kinderopvang in afwachting van een nieuwe
VOG op non-actief gesteld worden en personen in de taxibranche niet. Met deze brief
doe ik de toezegging gestand.
Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het regelgevend
kader voor de werking van de VOG en voor de uitvoering daarvan door Justis. Deze vindt
plaats binnen de kaders van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Besluit
justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.2 Het is aan vakministers om regels (voor) te stellen ter bescherming van de integriteit
in hun sectoren, zoals een verplichting om voor de uitoefening van het beroep een
VOG te overleggen. Ook cao’s kunnen aanvullende afspraken en verplichtingen bevatten.
In de kinderopvang en de taxibranche geldt een aanvullende verplichting van continue
screening.
Dit betekent het volgende voor wat betreft de continue screening in de kinderopvang
en taxibranche. In beide processen van continue screening geeft de Justitiële Informatiedienst
(Justid) een melding af aan screeningsautoriteit Justis bij een wijziging in de justitiële
documentatie over een persoon in de continue screening. Wanneer Justis naar aanleiding
van deze wijziging inschat dat een nieuwe VOG-screening nodig is, geeft Justis een
kennisgeving af aan de toezichthouder in de betreffende sector. Mijn ambtsvoorganger
gaf tijdens het commissiedebat al aan dat mijn collega’s van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) en van IenW de opdrachtgevers van de continue screening in de kinderopvang respectievelijk
de taxibranche zijn, dat de te beschermen belangen en risico’s in beide sectoren niet
gelijk zijn en het daarmee ook niet vreemd is dat mijn collega’s van SZW en IenW andere
keuzes hebben gemaakt in de inrichting van het proces met betrekking tot de continue
screening.3 In de kinderopvang wordt na een kennisgeving van Justis een nieuwe VOG aangevraagd
en wordt de betrokkene op non-actief gesteld totdat Justis op de aanvraag heeft besloten.
In de taxibranche wordt in dat geval eveneens een nieuwe VOG aangevraagd en blijft
de betrokkene werkzaam totdat Justis op de aanvraag heeft besloten. In het verleden
werd de chauffeurskaart van chauffeurs over wie Justis had geoordeeld dat een nieuwe
screening nodig was, namens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) na een melding
van Justis onmiddellijk geschorst. Sinds een uitspraak van het College van Beroep
voor het bedrijfsleven schorst de ILT een chauffeurskaart niet meer direct na een
melding van Justis.4 Omdat de ILT na een kennisgeving van Justis niet zelf op basis van de ernst van de
gepleegde feiten een afweging kan maken of schorsing nodig is, zal een dergelijke
schorsing niet rechtsgeldig zijn. Op grond van de huidige regelgeving zal een melding
in het kader van de continue screening een vermoeden opleveren dat door een taxichauffeur
niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG. De ILT kan wel
van de taxichauffeur verlangen dat deze binnen een door de ILT gestelde termijn een
nieuwe VOG overlegt. De ILT kan de chauffeurskaart intrekken als niet of niet tijdig
een nieuwe VOG wordt ingediend.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het regelgevend kader voor de werking van de
VOG en voor de uitvoering daarvan door Justis houd ik oog voor de uitvoerbaarheid
en streef ik naar samenhang in de toepassing van de VOG. Op dit moment gebeurt dit
onder meer door middel van advisering bij de invoering of wijziging van VOG-verplichtingen.5 Ik werk aan een consistente en uniforme toepassing van de VOG gebaseerd op risico’s
binnen functies, wat vraagt om bestendiging van die advisering in het streven naar
samenhang. Hierbij let ik op dat er geen extra complexiteit in het VOG-stelsel ontstaat.
Zoals mijn ambtsvoorganger schreef aan uw Kamer, bereid ik een risicomethodiek voor
de VOG voor.6 Deze methodiek wordt ondersteunend bij het afwegen of een VOG-screening verplicht
dient te worden gesteld voor bepaalde functies en hoe deze verplichting het beste
vormgegeven kan worden. Op basis hiervan worden keuzes gemaakt in de toepassing van
de VOG. Het gaat onder meer om de frequentie van de screening, te hanteren terugkijktermijn
in justitiële documentatie, te betrekken bronnen en het al dan niet toepassen van
een verscherpt toetsingskader. Deze risicomethodiek wordt in samenwerking met TNO
gerealiseerd. Daarbij zijn ook andere departementen en sectoren betrokken.
Ik verwacht voor het einde van dit jaar een conceptmethodiek gereed te hebben. Vervolgens
zal ik bezien hoe deze waar mogelijk en passend kan worden toegepast in de praktijk.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid