Brief regering : Beleidsvoorstellen uit de 1e suppletoire begroting 2026 van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Hoofdstuk XXII) met CW 3.1. kaders
36 915 XXII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 april 2026
In deze brief informeer ik de Tweede Kamer over nieuwe voorstellen met financiële
gevolgen (€ 20 mln. of meer in enig jaar) die zijn opgenomen in de Voorjaarsnota 2026.
Deze zijn verwerkt in de 1e suppletoire begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening (VRO) hoofdstuk
XXII (Kamerstuk 36 915 XXII).
In deze brief wordt conform wetsartikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 per voorstel
ingegaan op doelen, instrumenten, financiële gevolgen, verwachte doeltreffendheid
en doelmatigheid en voorgenomen monitoring en evaluatie. Sinds eind 2021 gebeurt dit
Rijksbreed via de werkwijze «Beleidskeuzes uitgelegd», zie Kamerstuk 31 865, nr. 198.
In deze brief zijn onderstaande beleidsvoorstellen opgenomen1:
Begrotingsartikel 1: Woningmarkt:
• Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO)
Begrotingsartikel 2: Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit:
• Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)
1. Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO)
Beleidskeuzes uitgelegd
1. Doel(en)
Om ervoor te zorgen dat ouderen ook in de toekomst goed wonen is een passend woningaanbod
nodig. Het Rijk stimuleert geclusterd bouwen voor ouderen en de realisatie van ontmoetingsruimten
in geclusterde woonvormen met deze regeling. Hierdoor kunnen er meer geclusterde woonvormen
voor ouderen gerealiseerd worden en wordt het makkelijker voor ouderen om langer zelfstandig
te blijven wonen, elkaar te ontmoeten en te helpen. Daarnaast heeft deze regeling
een belangrijk neveneffect. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de verhuizing van ouderen
naar geschikte woningen zoals in geclusterde woonvormen de grootste bijdrage levert
aan het doorverhuizen van andere groepen op de huizenmarkt, tot wel 7 verhuizingen2. Door het bouwen voor ouderen kan ook een doorstroming op de woningmarkt op gang
wordt gebracht waardoor andere groepen in de samenleving zoals gezinnen en starters
een kans krijgen op een passende woning.
2. Beleidsinstrument(en)
Met de openstelling van de vierde tranche van de regeling kan subsidie worden aangevraagd,
waarmee de bouw van nieuwe ontmoetingsruimten gerealiseerd kan worden. De huidige
regeling blijft, op enkele technische aanpassingen na en qua hoogte van het subsidieplafond
(€ 40 mln. minus uitvoeringskosten), inhoudelijk gelijk. De subsidieregeling wordt
uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en aanvragen worden
beoordeeld op volgorde van binnenkomst tot het subsidieplafond is bereikt. Uitbetaling
van 90% van het subsidiebedrag zal in 2027 plaatsvinden.
3. Financiële gevolgen
A. voor het Rijk
Van de in totaal beschikbare € 40 mln.3 in 2027 wordt 90% uitgekeerd na het aanleveren van een omgevingsvergunning of een
tweezijdig ondertekende overeenkomst. Deze beschikkingen worden gedaan in 2027. Voor
het ontvangen van de resterende 10% moet de aanvrager de ontmoetingsruimte voltooien.
Hier is tot 7 jaar na toekenning de tijd voor.
B. voor maatschappelijke sectoren
N.v.t.
4. Nagestreefde doeltreffendheid
Er zijn in 2022, 2023 en 2024/2025 drie tranches geweest. In 2023 was voor de regeling
€ 26 mln. beschikbaar en de uiteindelijke aanvragen bedroegen ruim € 34 mln. Wat betekent
dat ruim € 8 mln. aan aanvragen zijn afgewezen, omdat het budget ontoereikend was.
De derde tranche (2024/2025) had een budget van € 23 mln. en er zijn aanvragen ingediend
bij RVO voor ruim € 36 mln. Daarmee was er een overtekening van het budget met ruim
€ 13 mln.
Het is duidelijk dat de SOO voorziet in een maatschappelijke behoefte, in het bijzonder
voor de doelgroep ouderen/55+. Gezien deze maatschappelijke behoefte is besloten om
deze vierde tranche open te stellen met een nieuw subsidieplafond (€ 40 mln.).
Een eis voor verlening van de subsidie is dat de ontmoetingsruimte gedurende minstens
vijf jaar na voltooiing wordt gebruikt als ontmoetingsruimte voor bewoners van de
geclusterde woonvorm conform het aangeleverde exploitatieplan. Voorkomen dient te
worden dat de ontmoetingsruimte in de eerste vijf jaar na de opleverdatum wordt afgesloten
en geen activiteiten meer plaatsvinden, of dat de ontmoetingsruimte een andere primaire
bestemming krijgt dan een sociale functie voor de bewoners van de geclusterde woonvorm
en anderen. In dat geval is de subsidie niet effectief. Door van de aanvrager een
plan te vragen op welke wijze de ruimte beheerd en geëxploiteerd zal worden, kan een
inschatting gemaakt worden van de levensvatbaarheid.
5. Nagestreefde doelmatigheid
De toekenning uit de eerste (2022), de tweede (2023) en de derde (2024/2025) tranche
van de SOO heeft in totaal ruim 28.000 woningen opgeleverd met een ontmoetingsruimte.
Dit is berekend door de RVO (uitvoerder regeling) op basis van de toegekende aanvragen.
Daarbij worden slechts ontmoetingsruimten bij woningen in het betaalbare segment gesubsidieerd,
hetgeen bijdraagt aan de doelmatigheid.
De subsidie bedraagt € 2.500 per m2 van de te bouwen ontmoetingsruimte tot maximaal:
a. voor een ontmoetingsruimte in een geclusterde woonvorm van 5 tot 20 woonruimten: € 100.000;
b. voor een ontmoetingsruimte in een geclusterde woonvorm van 21 tot 50 woonruimten:
€ 150.000; of
c. voor een ontmoetingsruimte in een geclusterde woonvorm van ten minste 51 woonruimten:
€ 175.000. De RVO ziet toe op de juiste besteding van de middelen.
6. Evaluatieparagraaf
De regeling zal vijf jaar na inwerkingtreding door een extern bureau worden geëvalueerd.
Omdat de regeling op 1 januari 2022 in werking is getreden via de eerste tranche,
zal deze uiterlijk in 2027 worden geëvalueerd. De planontwikkeling, vergunningverlening
en bouw van een gebouw kosten vele jaren. Naar verwachting zijn op dat tijdstip de
eerste ontmoetingsruimten die vanuit de regeling zijn gefinancierd opgeleverd. Dit
is beschreven in de toelichting bij de regeling.
De evaluatie in 2027 staat op de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van de thema’s
Woningmarkt en Woningbouwbeleid. De uitkomsten van de evaluatie zullen worden meegenomen
in de Periodieke rapportage van artikel 1 van de VRO begroting, die wordt afgerond
in 2028. De verschillende tranches worden intern ook per tranche geëvalueerd met het
RVO; dit betreft een uitvoeringsevaluatie.
2. Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)
Beleidskeuzes uitgelegd
1. Doel(en)
De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is een subsidieregeling voor
verhuurders en VvE’s. De regeling heeft als doel het aardgasvrij maken van huurwoningen
door deze aan te sluiten op warmtenetten. Realisatie van aansluitingen op collectieve
warmtesystemen is een belangrijke pijler voor het realiseren van de warmtetransitie
in de gebouwde omgeving tegen de laagste nationale kosten (zie de Startanalyse van
PBL4) en helpt (potentieel) netcongestie te beperken. Daarnaast zorgt het ervoor dat energiebronnen
beter benut kunnen worden doordat warmtenetten efficiënter zijn dan individuele gasketels.
In het Programma Verduurzaming gebouwde omgeving PVGO is opgenomen dat Nederland in
2030 een totaal van 500.000 nieuwe aansluitingen zou moeten realiseren.
Volgens de laatste prognoses uit de KEV5 zal het aantal warmtenetaansluitingen op woningen tot 2030 met ca. 70.000 aansluitingen
toenemen. Het doel van 500.000 aansluitingen wordt niet gehaald zonder extra inspanningen
en subsidie. Met deze budgetophoging van de SAH zullen er ten minste 11.000 aansluitingen
bijkomen
2. Beleidsinstrument(en)
Het kabinet heeft gekozen om de doelen te realiseren door middel van het verlengen
van de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH).
Subsidie is nodig omdat zowel de kosten van aansluiting op een warmtenet als de eindgebruikerskosten
van een warmtenet hoog zijn. Met de subsidie wordt de vraag naar warmtenetaansluitingen
verhoogd.
De stimuleringsregeling is belangrijk voor het tempo in de energietransitie. De ervaringen
met de eerdere SAH-regelingen zijn positief (invoeringstoets 2023).6
3. Financiële gevolgen
A. voor het Rijk
Financiële reeks (bedragen in € mln.)
SAH 2026
Cum.
2026
2027
2028
2029
2030
Kas
77
15
23,5
38,5
Verplichting
77
30
47
B. voor maatschappelijke sectoren
Met de SAH 2026 wordt het voor verhuurders eenvoudiger, goedkoper en aantrekkelijker
om huurwoningen op een warmtenet aan te sluiten. De SAH 2026 zal dan ook tot meer
gewenste investeringen in de verduurzaming van huurwoningen leiden. Zonder subsidie
komen er minder aansluitingen van huurwoningen op het warmtenet tot stand en komen
er minder (uitbreidingen van) warmtenetten.
4. Nagestreefde doeltreffendheid
Volgens de laatste prognoses uit de KEV7 zal het aantal warmtenetaansluitingen op woningen tot 2030 met ca. 70.000 aansluitingen
toenemen. In het PVGO is opgenomen dat Nederland in 2030 een totaal van 500.000 nieuwe
aansluitingen zou moeten realiseren. Dat aantal wordt, afgaande op de PBL-analyse,
naar verwachting niet gehaald.
De subsidiëring van de inpandige kosten zorgt voor een aantrekkelijker aanbod om over
te stappen op een warmtenet voor de eindgebruiker. Een aantrekkelijker aanbod zorgt
voor een hoger aantal warmtenetaansluitingen en zorgt dus ook voor een beter sluitende
businesscase (een lager vollooprisico). Met vollooprisico wordt het financiële risico
bedoeld dat een warmtebedrijf loopt wanneer minder woningen dan verwacht aansluiten
op een nieuw warmtenet, of wanneer het aantal aansluitingen langzamer gaat dan gepland.
Door de inzet van een groot aantal huurwoningen wordt het vollooprisico sterk verminderd.
Deze maatregel helpt daarom om bovenstaande knelpunten (onvoldoende langjarig budget,
geen subsidie voor bepaalde doelgroepen, onzekerheid in de aanleg, verschillende subsidiëringsmethoden)
weg te nemen door voor de integrale business case van warmtebedrijven (gemeenten/woningcorporaties)
ervoor te zorgen dat zij een lagere inpandige kosten bij de eindgebruiker kunnen aanbieden.
Een conclusie uit de evaluatie is dat de regeling een versnellend effect heeft op
het komen tot een businesscase voor warmtenetten en dat de doelgroep geen (grote)
problemen heeft bij de uitvoering.8
5. Nagestreefde doelmatigheid
Met de inzet van € 77 mln. worden naar verwachting zo’n 11.000 huurwoningen aangesloten
op een warmtenetaansluitingen (uitgaande van een maximaal subsidiebedrag van € 7.000).
Uit de Startanalyse van PBL9 en de KEV202310 blijkt dat er een mix aan verschillende duurzame warmtevoorzieningen nodig is om
de klimaatdoelen van 2030 te kunnen behalen. Warmtenetten zijn – in aanvulling op
individuele warmtevoorzieningen – nodig om landelijk een zo doeltreffend en doelmatig
mogelijke warmtetransitie te realiseren.
Deze regeling is nodig in aanvulling op andere instrumenten, zoals de WIS en de ISDE.
Deze regeling geeft meer dan de andere regelingen een prikkel aan eigenaren van huurwoningen
om woningen op een warmtenet aan te sluiten vanwege de subsidie voor inpandige kosten.
De SAH bevordert dat de business case van een warmtenet eerder en sneller rond rekent,
als verhuurders toezeggen een deel van hun huurwoningen aan te laten sluiten11.
Voor een inschatting van de kwantificeerbare gevolgen wordt aangesloten bij de systematiek
uit het Klimaatakkoord. Daarin wordt het «schoorsteen»-principe gehanteerd, wat inhoudt
dat de uiteindelijke CO2- reductie met name wordt toegeschreven aan de eindgebruikers. In dit geval betekent
het dat de reductie vooral wordt toegeschreven aan huishoudens en niet aan het warmtenet.
Randvoorwaardelijk voor het behalen van de onderstaande CO2-reducties is echter dus wel dat er wordt voldaan aan de aanleg van de warmtenet-infrastructuur.
Volgens de KEV2312 kan er bij 120.000 extra aansluitingen maximaal zo’n 0,2 MT extra CO2 worden bespaard. In het geval van 11.000 aansluitingen dus ongeveer 0,01 MT.
6. Evaluatieparagraaf
De laatste evaluatie van de SAH heeft plaatsgevonden in 2023.13 De regeling SAH 2026 zal op hoofdlijnen gelijk blijven dus de positieve evaluatie
is nog steeds van toepassing. Momenteel wordt de Periodieke rapportage van het VRO
artikel 2.1 Energietransitie en de gebouwde omgeving uitgevoerd door CE Delft. De
uitkomsten van de evaluatie van de SAH uit 2023 worden hier ook in meegenomen. Binnen
3 jaar na invoering zal een ex-post evaluatie plaatsvinden die ingaat op de doeltreffendheid
en doelmatigheid van de regeling.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
Indieners
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening